CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage VM4 DT Handboek-inclusieve-communicatie

Raadsvergadering 26 mei 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Vrije moties3.529 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Hoe communiceer ik inclusief? Handboek inclusieve communicatie Versie 1.0

~

~ ~

EINDHOVEN

Inhoudsopgave Introductie is inclusief communiceren? 1 W1.1atVooroordelen en stereotypes 1.2 Waarom inclusief communiceren? schrijf je inclusief? 2 H2.1oeGenderdiversiteit en seksuele diversiteit 2.2 Fysieke en/of mentale beperkingen 2.3 Heldere Taal is inclusief beeldgebruik? En hoe maak je dat? 3 W3.1atInclusief beeldgebruik 3.2 Zelf beeld maken bril kijk jij naar de wereld? 4 M4.1etWatwelke is microagressie? Bijlage – Woordenlijst

3 4 4 4 5 5 6 7 8 8 9 10 11 12

Handboek inclusieve communicatie | 2

Introductie Werk je voor de gemeente Eindhoven, dan werk je voor een bruisende stad met een diverse groep inwoners. Er bestaat dus niet zo iets als ‘de Eindhovenaar’. Onder diversiteit verstaan we allerlei verschillende kenmerken van personen. Zowel zichtbare als onzichtbare kenmerken. Denk bijvoorbeeld aan gender, leeftijd, culturele achtergrond, opleidingsachtergrond, persoonlijkheid, (religieuze) overtuiging en seksuele oriëntatie. We willen herkenbaar, benaderbaar en representatief zijn voor álle inwoners. Daarin speelt inclusieve communicatie, beeld en taal, een grote rol. Met inclusieve communicatie bedoelen wij: ‘Een benadering van communicatie die zoveel mogelijk personen bereikt en betrekt, waarbij toegankelijkheid, herkenning, erkenning en begrip worden nagestreefd. Het resultaat leidt tot positieve communicatie, dat vrij is van stereotypen, vooroordelen, negatieve verwachtingen en beperkingen.’

ervaart de vrijheid om, binnen de kaders van de rechtsstaat, naar behoefte en vermogen vorm te geven aan diens leven. Binnen een sociaal systeem waar a) iedereen a priori onderdeel van is, b) dat iedereen mede kan vormgeven en c) waarin ieder zich (h)erkend en geaccepteerd voelt als individu (Movisie, 2021). Desondanks deze definities, zijn en blijven inclusiviteit en diversiteit thema’s in beweging, ze zijn continu onderhevig aan veranderingen en ontwikkelingen in de samenleving. Dus heb jij tips of opmerkingen over hoe we nog beter inclusief kunnen communiceren? Laat het dan weten aan Claudia van Casteren via claudia.van.casteren@eindhoven.nl. En, voor sommigen zijn deze uitleg over inclusieve communicatie, de beweegredenen, voorbeelden en tips vanzelfsprekend. Voor sommigen niet. Dit handboek is voor iedereen.

Om inclusief te communiceren, is het belangrijk dat we ons bewust zijn van diversiteit. En hoe wij – vaak onbewust – ons eigen referentiekader als norm nemen en vanuit dat perspectief denken, communiceren en handelen. Zonder daarbij rekening te houden met hoe dit kan overkomen op anderen. Bewust worden van ‘ingebakken’ taal- en beeldgebruik; daar helpt deze stijlgids jou bij. Het biedt concrete tips en geeft het antwoord op vragen als: ƒ Wat is (gender)neutraal taalgebruik?; ƒ Hoe herken ik stereotyperende beelden en uitspraken? En beelden en uitspraken die vooroordelen bevatten?; ƒ Wat zijn alternatieven voor woorden met een negatieve connotatie? Wat betekenen inclusie en diversiteit? En wat is het verschil? Zoals beschreven in het beleidsplan Inclusief Samenleven 2023-2026 van gemeente Eindhoven wordt diversiteit omschreven als de manieren waarop we van elkaar verschillen (Movisie, 2021). En inclusie als; iedereen heeft en

Handboek inclusieve communicatie | 3

1

Wat is inclusief communiceren?

Beeld en taal, zowel mondeling en schriftelijk, hebben grote invloed. Op hoe je de wereld ziet, hoe je naar jezelf kijkt, hoe je een ander ziet en wat je van een ander vindt. Beelden en woorden die wij gebruiken zijn beladen met onze persoonlijke en professionele overtuigingen. Dit maakt dat beeld en taal de kracht hebben om in- of uit te sluiten. Wij herkennen en erkennen onszelf wel of niet in beeld- en taalgebruik. Ben je dus bewust van deze functie van beeld en taal.

1.1 Vooroordelen en stereotypes Beeld en taal hebben de mogelijkheid vooroordelen en stereotypes te creëren en te versterken. Vooroordelen en stereotypes sluiten een persoon, groep of onderwerp uit. Een vooroordeel is een – vaak onbewuste – uitspraak of mening over een persoon, groep of onderwerp. Het gaat vaak gepaard met een gebrek aan kennis over het dat of diegene(e). Een vooroordeel komt tot stand door de verschillende overtuigingen. Ieder persoon heeft overtuigingen en overtuigingen (kunnen) verschillen van anderen. Overtuigingen komen met bepaalde mogelijkheden die wij veronderstellen te hebben. De mogelijkheden zijn de kansen en grenzen die wij stellen aan ons doen en denken.

Het geeft overzicht, helpt om een situatie in te schatten, een mening te vormen en te handelen. We passen het vaak automatisch toe. Maar dit kan verraderlijk zijn; wij zijn ons niet altijd bewust van vooroordelen en stereotypes in beeld in taal. En dit ondanks goede bedoelingen.

1.2 Waarom inclusief communiceren? Vooroordelen en stereotypen zijn onterecht, vooringenomen en kwetsend. Worden vooroordelen en stereotyperingen vertaald naar beeld en taal? Dan sluit het uit. Het kan leiden tot ongelijke waardering en behandeling van personen. Herkennen van kwetsend – op welke manier dan ook – beeld- en taalgebruik aan te passen naar een divers en inclusief alternatief is dus essentieel.

Een stereotype is een groep kenmerken, die ‘wij zogenaamd niet los van elkaar (kunnen) zien’. De associatie van verschillende kenmerken bevestigt en versterkt een vooroordeel. Denk bijvoorbeeld aan de veronderstellende rol van vrouwen en mannen in de maatschappij. Aan de vrouw worden vaak labels al moederschap, zorgzaam toegeschreven. Mannen worden vaak getypeerd als de kostwinner, ondernemer. Of de clichés van ambtenaren; enorm veel vakantie, heel de dag koffiedrinken, je kent ze wel… Een ander voorbeeld van vooroordelen en stereotyperingen is hokjesdenken. Ondanks sekse, gender, (geloofs)overtuiging, seksuele oriëntatie, bevolkingsgroep of taalgroep leren we binnen bepaalde kaders (hokjes) te denken.

Handboek inclusieve communicatie | 4

2

Hoe schrif je inclusief?

Met een diverse inwonersgroep is het belangrijk om inclusief taalgebruik te gebruiken, waar iedereen zich in herkent. Diversiteit is de realiteit. Ook in Eindhoven. Om inclusief te kunnen schrijven, hebben we een aantal tips.

persoon, groep of onderwerp. Benoem iemands migratieachtergrond enkel wanneer het relevant. Maar weet dat dit in elf van de tien gevallen niet relevant is. Wanneer het toch benoemd moet worden, houd dan rekening met de volgende punten:

2.1 Genderdiversiteit en seksuele diversiteit

1. Gebruik de term ‘Nederlander’ voor iedereen die Nederlands staatsburger is. Benoem enkel een dubbele nationaliteit als het relevant is. Ga ook na waarom dit relevant zou zijn; wat voegt het toe aan de inhoud van de booschap? Taalgebruik zoals ‘Turkse Nederlander’ of een ‘Noorse Nederlander’ zijn juist voor dubbele nationaliteiten;

Wij leven in een wereld waar heteroseksualiteit vaak nog de norm is. En ook waar personen die niet passen binnen de hokjes man of vrouw als ‘anders’ worden gezien. Maar er is veel meer diversiteit in sekse, gender en seksuele oriëntatie dan de norm voorschrijft. Denk aan non-binair, intersekse, transgender, Bi+, panseksueel, cisgender, queer, en nog veel meer. 1. De Nederlandse taal kent geen genderneutrale aanspreekvormen. Met het gebruik van ‘mevrouw/meneer’ of ‘dames en heren’ sluit je personen uit die zich niet op deze manier identificeren. Gebruik daarom een algemene (genderneutrale) aanspreekvorm, zoals ‘beste Eindhovenaar’, ‘beste lezer’ of ‘beste mensen’; 2. Vermijd taalgebruik waaruit de indruk ontstaat dat bijvoorbeeld het mannelijke de norm is en het vrouwelijke de uitzondering of andersom. Denk aan een ‘zorgende vader’ of een ‘vrouwelijke burgemeester’. Gebruik de woorden zoals ze zijn. Dus ‘burgemeester’ of ‘vader, moeder, ouder’, ongeacht het geslacht of gender. Met etniciteit wordt de sociaal-culturele normen, waarden en gedeelde overtuigingen van een groep bedoeld. De term wordt vaak gebruikt in relatie tot groepen die zogenaamd ‘afwijken’ van de norm. Dat is onjuist. Iedereen heeft een etniciteit, want iedereen is onderdeel van een sociale of culturele bevolkingsgroep, taalgroep, locatie en/of (religieuze) overtuiging.

Vermijd daarom onnodig gebruik van een verwijzing naar de etniciteit van een

Handboek inclusieve communicatie | 5

2. Gebruik de term ‘Nederlander met een migratieachtergrond’ in plaats van de termen ‘allochtoon’, ‘nieuwkomer’ of ‘nieuwe Nederlander’. Als je ‘allochtoon’ opzoekt in het woordenboek (van elders – elders dan Nederland – afkomstig), is de definitie inhoudelijk gezien juist. Maar door de negatieve connotatie die het woord door jaren heeft gekregen, werkt het discriminerend en uitsluitend; 3. Gebruik het woord ‘wit’ in plaats van ‘blank’ in berichten over de relatie tussen wit en zwart. Blank is geen kleur en heeft een koloniale oorsprong. Het woord ‘blank’ werd namelijk jarenlang omschreven als ‘kleurloos’, ‘rein’ en ‘zuiver’. Het werd gebruikt om onderscheid te maken tussen groepen, waarbij blank als neutraal, de norm werd gezien en zwart of donkerder als het zogenaamde andere, het ondergeschikte aan; 4. Vermijd woorden en uitdrukkingen die vanuit een normatief of hiërarchisch perspectief redeneren, zoals ‘anderen’, ‘minderheden’ of ‘een stem geven’ of ‘niet-westers’. Dit soort woorden bevestigen een norm en sluiten anderen daarvan uit. Je kunt je bij dit soort woorden de vraag stellen ‘anders dan wie?’.

2.2 Fysieke en/of mentale beperkingen Personen met een beperking worden nog steeds vaak ‘invaliden’ of ‘mindervaliden’ genoemd. Het woord invalide is het tegenovergestelde van valide. Valide betekent letterlijk ‘waardig’ of ‘van waarde zijn’. Invalide betekent dus minderwaardig, een woord waardoor niet iedereen gelijk wordt gewaardeerd en behandeld. Inclusieve alternatieven zijn: 1. In plaats van ‘invaliden’ spreken we van ‘personen met een beperking’ of ‘personen die een beperking ervaren’. Natuurlijk alleen wanneer dit relevant is om te benoemen;

Handboek inclusieve communicatie | 6

2. Vermijd onnodige verwijzingen naar het fysieke, verstandelijke en/of psychische vermogen van een persoon of groep. Denk aan ‘een wethouder werkt aan gendergelijkheid’ in plaats van ‘een wethouder met een auditieve beperking werkt aan gendergelijkheid’. Kenmerken als ‘auditieve beperking’, of een seksuele voorkeur of een migratieachtergrond hebben vaak geen toegevoegde waarden voor de inhoud. Vraag je dus altijd af of bepaalde kenmerken van een persoon, groep of onderwerp nodig zijn om te weten voor lezer of ontvanger; 3. Vermijd het gebruik van termen waarmee een persoon, groep of onderwerp wordt geïdentificeerd tot een kenmerk. Dus niet ‘blinden’, ‘slechtzienden’ of ‘gehandicapten’. Maar ‘personen die een (auditieve, visuele, lichamelijke of verstandelijke) beperking ervaren’ of een ‘blind of slechtziend persoon’. Hetzelfde geldt voor personen met neurodiversiteit. Gebruik niet het taalgebruik ‘ADHD’er’, maar ‘een persoon met ADHD’. En ook hier, alleen benoemen wanneer relevant.

2.3 Heldere Taal Ambtelijke taal is vaak ingewikkeld. Zorg ervoor dat communicatie naar inwoners altijd op B1-taalniveau is geschreven. Taalniveau B1 staat voor eenvoudig Nederlands. We communiceren op dit niveau omdat de overgrote meerderheid van de bevolking teksten begrijpt op taalniveau B1. Eenvoudige, duidelijke taal voorkomt misverstanden en klachten (Heldere Taal).

Handboek inclusieve communicatie | 7

3

Wat is inclusief beeldgebruik? En hoe maak je dat?

Beeld is belangrijk in communicatie. Het heeft meer impact dan (alleen) woorden; één beeld zegt meer dan duizend woorden. Beeld kan een boodschap duidelijk(er) en interessant(er) maken. Maar, net zoals met taal, kan beeld een verkeerde indruk wekken en uitsluiten. Denk aan beelden waarin vooroordelen en stereotyperingen worden bevestigd.

4. Kies nooit voor gephotoshopte beelden. Personen hoeven niet perfect te zijn. Imperfecties maakt personen echt; 5. Vermijd body-shamende beelden. Dit zijn beelden waarin uiterlijke kenmerken met een vooroordeel of stereotype worden geassocieerd. Dit bevestigt een dergelijk vooroordeel of stereotype;

3.1 Inclusief beeldgebruik Beeld zorgvuldig kiezen en maken, en hier de tijd voor nemen, is belangrijk. Een aantal tips om met een andere blik naar beeld te kijken en een goede afweging te maken:

6. Gebruik beeld van een groep niet alleen als zij vaak met een onderwerp (negatief) worden geassocieerd. Gebruik beeld als representatie voor

1. In één beeld kunnen nooit alle vormen van diversiteit worden opgenomen. Dat hoeft dan ook niet. Het kan te gekunsteld overkomen. Kijk wel verder dan het normatieve beeld dat in de media nog vaak te zien is; ‘blanke’, hetero mannen en vrouwen met een slank lichaamstype, zonder zichtbare beperking. Of beelden waarin vrouwen zorgen en mannen werken. Vermijd dit soort bevooroordeeld en stereotyperend beeld; 2. Veel beelden in online mediabanken bevatten onbewuste vooroordelen en stereotyperingen. Dit beeld is niet divers. Wees bewust van deze beperking en probeer verschillende zoektermen om het juiste beeld te vinden. Je kunt situaties gebruiken voor zoektermen, bijvoorbeeld ‘leerkracht voor de klas’ in plaats van ‘meester of juf voor de klas’; 3. Witte mannen en vrouwen worden vaak als de norm gezien. Zorg ervoor dat diversiteit terugkomt op verschillende manieren; leeftijd, huidskleur, lichaamstype (all shapes all sizes), beperkingen, genders, (geloofs) overtuigingen en seksuele oriëntaties;

Handboek inclusieve communicatie | 8

personen in het algemeen. Laat een persoon die een beperking ervaart niet alleen zien als het bijvoorbeeld gaat over uniek sporten of een rolstoelingang. Gebruik deze personen ook in beeld waarin supporters en toeschouwers worden afgebeeld. Andersom, bij een onderwerp over personen die een beperking ervaren, houd ook rekening met dat een beperking niet altijd zichtbaar hoeft te zijn; 7. Gaat het beeld over een familie of gezin? Laat dan alle soorten familiesamenstellingen of gezinsvormen zien. Kies niet altijd voor de meest voor de hand liggende normatieve samenstelling of vorm; witte cisgender heteroseksuele ouders met twee kinderen; 8. Heb je een foto met een man en een vrouw erop? Houd dan ook de setting van het beeld goed in de gaten. Is deze stereotyperend? Wie of wat is het onderwerp van de foto? Hoe is de verhouding? Een tip om dit te checken: zou het gek als de rollen precies worden omgedraaid?; 9. Ben niet bang om fouten te maken; hier leer je van!

3.2 Zelf beeld maken Het kan soms moeilijk zijn om inclusief beeld te maken. Maak je foto’s op straat? Houd dan rekening met dat personen alleen herkenbaar in beeld mogen als zij hier akkoord op hebben gegeven. Niet iedereen wil herkenbaar op de foto. Houd ook rekening met dat niemand keer op keer gevraagd wil worden om op de foto gaan, omdat het dan ‘divers en inclusief’ beeld is. Het kan kwetsend zijn om gekozen te worden, omdat je een bepaalde huidskleur, beperking en/of genderidentiteit hebt. Daarom kiezen wij er, waar mogelijk, voor om een modellenbureau in te schakelen. Personen via een modellenbureau worden betaald en weten dat ze uitgekozen worden vanwege hun (uiterlijke) kenmerken. Als het gaat om animaties (visuals), is het beter om geen realistische huidskleuren en/of andere uiterlijke kenmerken te gebruiken. Maar bijvoorbeeld huisstijl- of campagnekleuren.

Handboek inclusieve communicatie | 9

4

Met welke bril kik ji naar de wereld?

Iedereen heeft een ander referentiekader. Zelfs de mensen die dicht bij je staan, zoals je partner, vrienden en familie, hebben een ander referentiekader. Je referentiekader wordt bepaald door veel verschillende zaken. Denk aan je verleden, wat je hebt meegemaakt en wat je meemaakt, de gewoontes die je hebt of overneemt van anderen (bewust of onbewust), je (geloofs)overtuiging, je cultuur, je karakter, je uiterlijk, je levenservaringen, je opleiding, de plaats en context waarin je opgroeide, je beperkingen op welk vlak dan ook. En nog veel meer. Alles samen bepaalt hoe je naar de wereld kijkt, hoe je andere mensen ziet, wat je blij of juist boos maakt, wat je verwacht van anderen, de keuzes die je maakt, hoe je je mening vormt, hoe je handelt en wat je goed of fout vindt. En dat is je referentiekader.

Daarom is het goed om te bedenken waarom je bepaalde feestdagen of gebeurtenissen wel meeneemt en andere niet. Dan kun je dit indien nodig ook uitleggen. Is het mogelijk om zaken te zien vanuit een ander referentiekader, andere perspectieven? Niet 100 procent, want jij bent jij en jouw beeld van het referentiekader van een ander is nooit compleet. Wel helpt het om je te verdiepen in andere mensen, culturen, (geloofs)overtuigingen, enzovoorts. En te blijven communiceren. Met elkaar te praten, elkaar vragen te stellen

Iedereen draagt zijn eigen unieke bril, waarmee die naar de wereld kijkt. Het is belangrijk om je hier bewust van te zijn en er in je communicatie en rekening mee te houden. Iets dat voor jou vanzelfsprekend is, hoeft dat voor een ander niet te zijn. Een voorbeeld: aan het einde van het jaar wordt er vaak een mail verzonden. Hierin wordt mensen een fijne kerst toegewenst. Al dan niet met de toevoeging ‘samen met je familie of gezin’. Niet iedereen viert Kerstmis en niet iedereen heeft een gezin of familie. Terwijl ze dat misschien wel graag zouden willen. Of niet. Zo’n boodschap komt dan ook niet bij iedereen goed aan. Ook al past de meerderheid misschien wel in het (klassieke normatieve) plaatje, je communiceert niet alleen naar de meerderheid. Je communiceert naar iedereen. Betekent het dan dat een dergelijke mail niet kan versturen? Nee, maar houd er rekening mee dat deze tijd van het jaar niet voor iedereen hetzelfde betekent of op dezelfde manier wordt ingevuld. En stuur ook eens een mail bij een feestdag, die voor een groep mensen belangrijk is. Het is moeilijk om hierin compleet te zijn.

Handboek inclusieve communicatie | 10

en elkaar proberen te begrijpen, zonder meteen een oordeel te vormen. Voordat je een vraag aan een ander stelt, vraag je dan af of er een (voor) oordeel, aanname of stereotypering verborgen zit in de vraag. Zo ontdek je of je rekening houdt met het referentiekader van de ander. Een trucje hiervoor is, vraag jezelf af: hoe zou degene dit zelf noemen? Stel je hebt een stuk geschreven. Dan ben je vaak geneigd om het altijd aan dezelfde persoon te laten lezen. Bewust of onbewust. Vaak iemand die er waarschijnlijk hetzelfde over denkt als jij. Laat je artikel ook eens lezen aan iemand waarvan je weet dat deze persoon er met een andere bril naar kijkt. Je krijgt vast en zeker meer feedback, maar het is ook onwijs leerzaam. Grote kans dat het je tekst beter en inclusiever maakt.

4.1 Wat is microagressie? Microagressie is als je op een (onbewuste) subtiele manier beledigd, geminacht of gekwetst wordt door handelingen of woorden. Iets dat misschien een vraag uit interesse is of een compliment van iemand, kan heel anders op je overkomen. Denk aan opmerkingen als: wat spreek jij goed Nederlands, je ziet er helemaal niet uit als een lesbienne. En: jij kunt goed autorijden voor een vrouw. Of vragen krijgen als: maar waar kom je écht vandaan, mag ik aan je haar voelen? Maar ook dingen als: ik weet niet of ik dit tegen je mag zeggen of je dit mag vragen, maar... Waarschijnlijk is wat hierna komt een vorm van microagressie. Denk dus goed na voor je zo’n zin afmaakt. Twijfel je, zeg het dan beter niet. Weet je het echt niet, dan kun je het beter oprecht vragen. Onwetendheid kan vaak op meer begrip rekenen dan een belediging of verkapt racisme. Vaak wordt gedacht, dat is zo iets kleins, waarom maakt je zo’n probleem van zulke vragen of opmerkingen? Iemand toont toch interesse? Maar wat als je dit nou elke dag te horen krijgt? Als je elke dag moet uitleggen dat je goed Nederlands spreekt, omdat je gewoon in Nederland geboren bent. Of als elke dag mensen zomaar aan je haar voelen, vaak zonder te vragen. Dan is het microagressie. Er is een filmpje dat microagressie goed uitlegt: How microaggressions are like mosquito bites.

Ben bewust van wat zulke interesse-vragen teweeg kunnen brengen. Spreekt iemand je aan op microagressie, probeer je niet te verdedigen. Dit sluit de deuren voor een open oprecht gesprek. Vraag waarom wat je zegt of doet op een bepaalde manier overkomt? Wat voelt iemand erbij? Dan leer je ervan.

Handboek inclusieve communicatie | 11

Bilage – Woordenlist Voor al deze termen betekent dat altijd eerst moet worden afgewogen of het toegevoegde waarde heeft om specifcaties te benoemen. In veel gevallen zijn specifcaties overbodige informatie en kan het worden weggelaten.

Gekleurd Het gebruik hiervan grijpt terug op het raciale idee van witheid als norm. Gebruik ‘iemand van kleur’ of ‘mensen van kleur’.

Queer Allochtoon Gebruik ‘Marokkaans-Nederlands’ of ‘persoon met een Surinaamse achtergrond’.

Is een overkoepelende term voor seksuele interesses en identiteiten die sociale normen voor seksualiteit uitdagen. Niet alleen een afkorting voor ‘LGBT’, maar ook het volledige scala aan menselijke seksualiteit.

Blank

Trans

De term komt voort uit raciale wetenschappen in de 18e en 19e eeuw. Van Dale definieert blank als ‘niet bevlekt’ en ‘niet gekleurd’. Door associaties met zulke ‘neutrale’ en zelfs positieve connotaties kiezen we ervoor om ‘wit’ te gebruiken.

Is een overkoepelende term die wordt gebruikt om transgender of transseksuele seksualiteit te beschrijven. Hierdoor kan het een verscheidenheid aan genderidentiteiten en -uitdrukkingen beschrijven, bijvoorbeeld crossdressing. Gebruik daarom altijd termen die mensen respectvol en acceptabel vinden om zichzelf te beschrijven.

Dwerg en lilliputter Gebruik ‘van kleine lengte’, ‘kleine mensen’ of ‘iemand met dwerggroei’.

Etniciteit Verwijst naar de gedeelde sociale, culturele of historische ervaringen en praktijken van een groep mensen Bijvoorbeeld taal, religie of kleding. Mensen die deze kenmerken met elkaar delen worden omschreven als ‘etnische groep’. Iedereen heeft dus een etnische identiteit. Verwar de term niet met afkomst.

Westers Het ‘westen’ staat voor een mentale en fysieke scheiding van de wereld waarin mensen, culturen en (geloofs)overtuigingen en regio’s in een hiërarchie van categorieën zijn ingedeeld en wat de onderlinge verschillen onderstreept. De term wordt vaak gebruikt om de tegenstelling met ‘nietwesters’ aan te duiden. Om duiding tussen wel of niet westers te vermijden, wees zo specifiek mogelijk wat betreft land, bevolking enzovoorts.

Zigeuner Exotisch De term is van toepassing wanneer het verwijst naar plant- en diersoorten, maar wordt over het algemeen betwist als omschrijving van mensen.

Deze term wordt meestal gebruikt als verwijzing naar iemand van een reizend volk. Bepaalde groepen en subgroepen hebben hun eigen voorkeursbenamingen (zoals de Sinti) die in dat geval meer gepast zijn.

Handicap Gebruik ‘mensen met een beperking’.

Handboek inclusieve communicatie | 12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16989828/2