CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage B1 - Ontwerp gewijzigde GR ODZOB 2024

Raadsvergadering 11 juni 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Aangepaste ontwerp gemeenschappelijke regelingen n.a.v. zienswijze gemeenteraden15.096 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

reglement van Orde Overeenkomstig artikel 52 van de Provinciewet dient het dagelijks bestuur een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden vast te stellen, dat aan de deelnemers wordt toegezonden. overeenkomst 54, tweede lid, van de Provinciewet kan het reglement van orde kan regels bevatten omtrent de openbaarheid van de vergaderingen van het dagelijks bestuur. b. oproeping Overeenkomstig artikel 53 van de Provinciewet: a. stelt de voorzitter, met inachtneming van hetgeen het dagelijks bestuur hebben bepaald, dag en plaats van de vergadering van het dagelijks bestuur en het tijdstip van de opening vast, en b. maakt de voorzitter dag en plaats van te houden openbare vergaderingen en het tijdstip van de opening bekend. c. rol voorzitter Overeenkomstig artikel 53a van de Provinciewet: 24

Datum

Datum Ons kenmerk

/

a. b.

bevordert de voorzitter de eenheid van het beleid van het dagelijks bestuur; kan de voorzitter onderwerpen aan de agenda voor een vergadering van het dagelijks bestuur toevoegen; c. kan de voorzitter ten aanzien van geagendeerde onderwerpen een eigen voorstel aan het dagelijks bestuur voorleggen. d. openbaarheid vergadering Overeenkomstig artikel 54 van de Provinciewet worden de vergadering van het dagelijks bestuur met gesloten deuren gehouden, voor zover het dagelijks bestuur niet anders hebben bepaald. e. Quorum Overeenkomstig artikel 56 van de Provinciewet wordt de vergadering van het dagelijks bestuur niet geopend voordat blijkens de presentielijst tenminste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar artikel 22 van de Wgr, juncto artikel 56 van de Provinciewet, opnieuw een vergadering. Op die nieuwe vergadering, is het quorum niet van toepassing. Het dagelijks bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerste niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien tenminste de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. f.

Vervolging Overeenkomstig artikel 57 van de Provinciewet kunnen de leden van het dagelijks bestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergadering van het dagelijks bestuur hebben gezegd of aan het dagelijks bestuur schriftelijk hebben overgelegd. g. ondertekening Overeenkomstig artikel 59a, van de Provinciewet, worden de stukken die van het dagelijks bestuur uitgaan, door de voorzitter ondertekend en door de secretaris medeondertekend. Het dagelijks bestuur kan de voorzitter toestaan de ondertekening op te dragen aan een ander lid van het dagelijks bestuur, aan de secretaris of aan een of meer andere omgevingsdienst ambtenaren. In dat geval is de medeondertekening door de secretaris niet van toepassing. h. kennisgeving Overeenkomstig artikel 60 van de Provinciewet kan het algemeen bestuur regelen van welke beslissingen van het dagelijks bestuur aan de leden van algemeen bestuur kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kan het algemeen bestuur de gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan. Het dagelijks bestuur laat de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang. Het dagelijks bestuur maakt de besluitenlijst van zijn vergaderingen op de in de omgevingsdienst gebruikelijke wijze openbaar.

Hij laat de openbaarmaking achterwege in de gevallen waarin een verplichting tot geheimhouding geldt of wanneer openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang. Artikel 4.4 Besluitvorming De deelnemers hebben besloten op de besluitvorming van het dagelijks bestuur de artikelen 58 en 59 van de Provinciewet van toepassing te verklaren. a. Stemming Overeenkomstig artikel 58 juncto 28, eerste tot en met vierde lid, van de Provinciewet neemt een lid van het dagelijks bestuur niet deel aan de beraadslaging en stemming over: 1°. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; 2°. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort. Op die beraadslaging en stemming is artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. Het niet deelnemen aan de beraadslaging en stemming geldt niet bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden; 25

Datum

Datum Ons kenmerk

/

b. beslissing bij stemming Overeenkomstig 58 juncto artikel 30 van de Provinciewet wordt voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje. c. staken stemmen Indien overeenkomstig artikel 59 van de Provinciewet de stemmen, anders dan over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de stemmen staken, wordt opnieuw gestemd. Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist de stem van de voorzitter. Artikel 4.5 Taken en bevoegdheden In de artikelen 19a, 19b en 57b van de Wgr, zijn de taken en bevoegdheden aangegeven die het dagelijks bestuur in ieder geval heeft. Artikel 4.5 vormt daar een aanvulling op. Artikel 19a Wgr 1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur. 2. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. 3. Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van een lid van het dagelijks bestuur heeft besloten. Artikel 19b Wgr 1. Over al hetgeen het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan betreft dient het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het provinciebestuur desgevraagd van bericht en raad. 2. Het dagelijks bestuur, het bestuur onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan doet mededeling van het verzoek en de inhoud daarvan aan de deelnemers. Artikel 57b Wgr Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd: a. het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam te voeren, voor zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen bestuur hiermee is belast; b. beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te voeren; c. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam; d. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van het openbaar lichaam te besluiten, met uitzondering van privaatrechtelijke rechtshandelingen als bedoeld in artikel 55a van de Wgr; e.

te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist. Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit. Artikel 5.1 Voorzitter Artikel 13, negende lid, van de Wgr, bepaalt dat de voorzitter van het openbaar lichaam door en uit het algemeen bestuur wordt aangewezen, met inachtneming van het daaromtrent in de regeling bepaalde. In dit artikel is bepaald dat het algemeen bestuur tevens een plaatsvervanger door en uit haar midden aanwijst. De voorzitter is zowel de voorzitter van het openbaar lichaam, het algemeen bestuur als het dagelijks bestuur. 26

Datum

Datum Ons kenmerk

/

Overeenkomstig artikel 32a van de Provinciewet tekent de voorzitter alle stukken die van het algemeen bestuur uitgaan. De deelnemers hebben ervoor gekozen ook artikel 59a van de Provinciewet overeenkomstig toe te passen op de ondertekening van stukken van het dagelijks bestuur, zodat ook die door de voorzitter worden ondertekend. Zie ook de toelichting bij de artikelen 3.4 en 4.3 in deze regeling inzake de vergaderorde. Artikel 5.2 Directeur Ingevolge de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) beslist het dagelijks bestuur over het aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst met de directeur. Sinds de invoering van de Wnra betreft de arbeidsovereenkomst met een ambtenaar een privaatrechtelijke overeenkomst. Het dagelijks bestuur regelt bij de arbeidsovereenkomst ook het salaris en eventuele overige emolumenten van de directeur. De ondertekening van de arbeidsovereenkomst met de directeur, maar ook met de overige ambtenaren in dienst van de omgevingsdienst gebeurt door de voorzitter. De voorzitter vertegenwoordigt de omgevingsdienst in en buiten rechte ingevolge artikel 57d, eerste lid, van de Wgr.

Het tweede lid bepaalt dat de voorzitter de vertegenwoordiging, waaronder het namens de omgevingsdienst ondertekenen van arbeidsovereenkomsten, via volmacht kan opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon, bijvoorbeeld de directeur, met uitzondering van de ondertekening van de arbeidsovereenkomst van de directeur zelf. Artikelen 6.1 en 6.2 Externe verantwoording en externe inlichtingenplicht Artikel 16 van de Wgr en artikel 17, eerste lid, van de Wgr bepalen dat de gemeenschappelijke regeling bepalingen dient in te houden omtrent: a. de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam door het college of Gedeputeerde Staten die dit lid heeft aangewezen, ter verantwoording kan worden geroepen voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid; b. de wijze waarop een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam aan het college of Gedeputeerde Staten die dit lid heeft aangewezen, de door een of meer leden van dat college of Gedeputeerde Staten gevraagde inlichtingen dient te verstrekken; c. de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen worden verstrekt; d. de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld onder c, worden verstrekt. De artikelen 6.1 en 6.2 voorzien in al deze verplichtingen.

Waarbij nog een extra verantwoordingsplicht is vastgelegd richting de raden en Provinciale Staten. Bij het afleggen van verantwoording ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wgr of het verstrekken van inlichtingen ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Wgr, verschaft een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam over zaken waaromtrent krachtens artikel 23 van de Wgr geheimhouding is opgelegd slechts informatie, indien krachtens het bepaalde voor het orgaan dat het lid heeft aangewezen geheimhouding is opgelegd. Laatstbedoelde geheimhouding kan eerst worden opgeheven, nadat door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam tot opheffing van de geheimhouding is besloten. Artikel 6.3 Externe actieve inlichtingenplicht Artikel 17, tweede van de Wgr bevat de verplichting dat het bestuur van het openbaar lichaam de raden en Provinciale Staten van de deelnemers alle inlichtingen geeft die zij nodig hebben voor uitoefening van hun taken. Het derde lid van artikel 17 van de Wgr bepaalt dat de gemeenschappelijke bepalingen dient in te houden omtrent de wijze waarop de inlichtingen worden verstrekt. Het is niet mogelijk om te voorzien in een uitputtende regeling over de actieve informatieplicht. Het artikel is derhalve vormgegeven als kapstokartikel waar nader invulling aan kan worden gegeven. Het is aan partijen om daar in overleg nadere afspraken over te maken.

Het artikel omvat een zelfde bepaling als de actieve informatieplichten tussen het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad en 27

Datum

Datum Ons kenmerk

/

Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten. Het bestuur van het openbaar lichaam informeert de raden en Provinciale Staten schriftelijk over ontwikkelingen die hij van belang acht en die de raden en Provinciale Staten nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Hierbij kan gedacht worden aan ontwikkelingen in het beleid en onvoorziene ontwikkelingen in de organisatie. De vorm waarop de inlichtingen kunnen worden verstrekt is schriftelijk, danwel op een andere passende wijze, zoals bijvoorbeeld een webinar, een informatiebrief na vergaderingen, reguliere bijeenkomsten. Het staat de raden en Provinciale Staten vrij om aan te geven aan welke informatie zij aanvullend behoefte hebben en de wijze waarop zij deze informatie wensen te ontvangen. Artikel 6.4 Interne inlichtingenplicht Artikel 19a, tweede lid, van de Wgr regelt dat het dagelijks bestuur het algemeen bestuur alle inlichtingen geeft die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Artikel 6.4 is aanvullend op de verplichtingen van de Wgr.

Artikel 6.5 Geheimhouding In artikel 23, eerste lid, van de Wgr, is geregeld dat het algemeen bestuur in een besloten vergadering, op grond van de belangen, genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken welke aan het algemeen bestuur worden overgelegd, geheimhouding kan opleggen. Deze geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen, totdat het algemeen bestuur haar opheft. Het tweede lid bepaalt dat op grond van de belangen genoemd in artikel 5.1 van de Wet open overheid de geheimhouding eveneens kan worden opgelegd door het dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam en door een commissie als bedoeld in artikel 24 of 25 van de Wgr, ieder ten aanzien van stukken die zij aan het algemeen bestuur of aan de leden van het algemeen bestuur overleggen. Daarvan dient dan op de stukken melding te worden gemaakt. In de bepalingen over de secretaris is dat geregeld in deze regeling.

In het derde lid is vervolgens geregeld dat de aan het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding vervalt, indien de oplegging niet door het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering, die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, tezamen vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen, is bezocht, wordt bekrachtigd. Het vierde lid bepaalt dat de aan leden van het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding door hen in acht wordt genomen totdat het orgaan, dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het onderwerp waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan het algemeen bestuur is voorgelegd, totdat het algemeen bestuur haar opheft. Het algemeen bestuur kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden, tezamen vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen, is bezocht.

Bij het afleggen van verantwoording ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wgr of het verstrekken van inlichtingen ingevolge artikel 16, tweede lid, van de Wgr, verschaft een lid van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam over zaken waaromtrent krachtens artikel 23 van de Wgr geheimhouding is opgelegd slechts informatie, indien krachtens het bepaalde voor het orgaan dat het lid heeft aangewezen geheimhouding is opgelegd. Laatstbedoelde geheimhouding kan eerst worden opgeheven, nadat door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam tot opheffing van de geheimhouding is besloten. Artikel 7.1 Begroting De procedure inzake de begroting en de jaarrekening van de omgevingsdienst is reeds dwingend geregeld in artikel 58, 58a, 58b en 59 van de Wgr. Daarom zijn de bepalingen niet opgenomen in de regeling zelf. Artikel

28

Datum

Datum Ons kenmerk

/

59, zevende lid, van de Wgr is daarbij ook van belang, want dit lid bevat een koppelbepaling, waardoor ook de artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing zijn. Artikel 58 Wgr 1. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 2. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 3. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 4. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Artikel 58a Wgr 1.

Indien het openbaar lichaam een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiëleverhoudingswet ontvangt van het Rijk of middelen ontvangt van de deelnemende provincies en gemeenten, die afkomstig zijn uit een specifieke uitkering, zijn de artikelen 17a en 17b van de Financiëleverhoudingswet op de informatie ten behoeve van de verantwoording over deze middelen, van overeenkomstige toepassing op het openbaar lichaam, met dien verstande dat: a. voor gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders wordt gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam; b. de in artikel 17b, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet bedoelde opschorting betrekking heeft op de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid, Financiële-verhoudingswet aan de provincies en gemeenten die aan de regeling deelnemen. 2. De ingevolge artikel 186, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Gemeentewet gestelde regels, alsmede het vierde tot en met het achtste lid van dat artikel, zijn van overeenkomstige toepassing op het openbaar lichaam, met dien verstande dat: a. voor het college wordt gelezen: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam; b.

de in artikel 186, achtste lid, van de Gemeentewet bedoelde opschorting betrekking heeft op de betalingen op grond van artikel 15, eerste lid, Financiële-verhoudingswet aan de provincies en gemeenten die aan de regeling deelnemen. Artikel 58b Wgr Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan Provinciale Staten van de deelnemende provincies. Artikel 59 Wgr 1. Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan Provinciale Staten van de deelnemende provincies. 2. De ontwerp-begroting wordt door de zorg van de deelnemende gemeenten en provincies voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raad van een deelnemende gemeente en Provinciale Staten van een deelnemende provincie kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam hun zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4.

Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam stelt de raden van de deelnemende gemeenten en de staten van de deelnemende provincies schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. 29

Datum

Datum Ons kenmerk

/

5.

6.

7.

Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur van het openbaar lichaam zo nodig, de begroting aan de raden der deelnemende gemeenten en de staten der deelnemende provincies, die ter zake bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Het eerste, derde en vierde lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald ten aanzien van welke categorieën begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken. De artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens deze wet niet is afgeweken.

In artikel 7.1 is gebruik gemaakt van de bevoegdheid van artikel 59, zesde lid, van de Wgr. Artikel 7.5 Financiële voorschriften Overeenkomstig artikel 216 van de Provinciewet stelt het algemeen bestuur stellen bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. De verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De verordening bevat in ieder geval: a. regels voor waardering en afschrijving van activa; b. grondslagen voor de berekening van door het provinciebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 225; c. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie. Overeenkomstig artikel 217 Provinciewet stelt het algemeen bestuur bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst.

Het algemeen bestuur wijst een of meer accountants aan als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de controle van de in artikel 201 bedoelde jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een verslag van bevindingen. De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde controle aan of: a. de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel de baten en lasten als de grootte en de samenstelling van het vermogen; b. de jaarrekening is opgesteld overeenkomstig de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, bedoeld in artikel 190 en c. het jaarverslag met de jaarrekening verenigbaar is. Het verslag van bevindingen bevat in ieder geval bevindingen over: a. de vraag of de inrichting van het financiële beheer en van de financiële organisatie een getrouwe en rechtmatige verantwoording mogelijk maken en b. de tabel van fouten en onzekerheden voor de specifieke uitkeringen. De accountant zendt de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen aan het algemeen bestuur en een afschrift daarvan aan het dagelijks bestuur. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de reikwijdte van en de verslaglegging omtrent de accountantscontrole, bedoeld in het tweede lid.

Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in dienst worden genomen. In dat geval besluit het algemeen bestuur tot het aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Indien het algemeen bestuur op grond van het tweede lid accountants heeft aangewezen die in dienst zijn genomen, is: a.

het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25, 25a en 27 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op deze accountants; 30

Datum

Datum Ons kenmerk

/

b.

het bepaalde bij en krachtens de artikelen 14, 18, 19, 20 en 21 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op de provincie; en c. het bepaalde bij en krachtens de artikelen 15 en 16 van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing op de personen die de dagelijkse leiding hebben over het onderdeel van de provincie waarbij de in de aanhef bedoelde accountants werkzaam zijn. Indien een omgevingsdienst wordt aangewezen als organisatie van openbaar belang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, zijn de artikelen 22 tot en met 24 van die wet van overeenkomstige toepassing op deze provincie. Artikel 217a 1. Gedeputeerde Staten verrichten periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het door hen gevoerde bestuur. Provinciale staten stellen bij verordening regels hierover. 2. Gedeputeerde Staten brengen schriftelijk verslag uit aan provinciale staten van de resultaten van het periodiek onderzoek. 3. Gedeputeerde Staten stellen de rekenkamer tijdig op de hoogte van de onderzoeken die zij doen instellen en zenden haar een afschrift van een verslag als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 8.1 Archieven Artikel 40 van de Archiefwet 1995 bepaalt dat een gemeenschappelijke regeling tevens een voorziening dient in te houden omtrent de zorg voor de archiefbescheiden van het bij die regeling ingestelde openbare lichaam. Deze voorziening moet zoveel mogelijk getroffen worden overeenkomstig de bepalingen van de Archiefwet 1995. Omdat de provincie Noord-Brabant deelneemt in de gemeenschappelijke regeling zijn de bepalingen van de Archiefwet 1995 die van toepassing zijn op de provincie van overeenkomstige toepassing op de omgevingsdienst. Het gaat hierbij om de artikelen 27, 28 en 29 van de Archiefwet 1995. In artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 is vervolgens bepaald dat het dagelijks bestuur ten aanzien van hun archiefbescheiden beheersregels vaststelt. In artikel 8.1 is uitvoering gegeven aan de Archiefwet 1995 en het Archiefbesluit 1995, doordat het algemeen bestuur een archiefverordening dient op te stellen en het dagelijks bestuur regels omtrent informatiebeheer, waarbij de VNG het voortouw heeft genomen om modellen hiervoor te ontwikkelen. Het dagelijks bestuur is op grond van artikel 41 van de Archiefwet belast met de zorg voor de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Op grond van artikel 40 juncto de artikel 29 en 33 van de Archiefwet is de archivaris, ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van de gemeentelijke organen, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, onder de bevelen van dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet belast. Met betrekking tot dit toezicht stelt het algemeen bestuur een verordening vast. Het vijfde lid bevat de verplichting om de gevolgen van uittreding uit of opheffing van de gemeenschappelijke regeling ten aanzien van de archiefbescheiden te regelen. Artikel 8.2 Archiefbewaarplaats Onder b Brabants Historisch Informatie Centrum Artikel 14 van het Archiefbesluit 1995 bepaalt ook dat voorzien moet zijn in voldoende ruimte voor de archiefbescheiden. Voor de omgevingsdiensten in de provincie Noord-Brabant is daartoe het Brabants Historisch Informatiecentrum (BHIC) aangewezen. Het BHIC is gevestigd aan de Zuid-Willemsvaart 2 te ’sHertogenbosch. Artikel 8.3 Archivaris Als archivaris van de omgevingsdienst is aangewezen de archivaris van het BHIC. Deze archivaris beschikt over een diploma archivistiek en voldoende deskundigheid ter zake. 31

Datum

Datum Ons kenmerk

/

Artikel 8.4 Verantwoording In artikel 19a van de wet is geregeld dat het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur verantwoording schuldig zijn aan het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur daarbij alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Artikel 8.4 is een uitwerking van deze wettelijke bepaling, specifiek gericht op de archivering en afgestemd op de Handreiking Inrichting Informatie- en Archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden van november 2021 van het Landelijk overleg van provinciale archiefinspecteurs (LOPAI), de sectie archieftoezicht van de Branchevereniging van Archiefinstellingen in Nederland (BRAIN), de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN) en het Kennisnetwerk Informatie en Archief (KIA). Artikel 8.5 Ter beschikking stellen archiefbescheiden Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij die deelnemers. Artikel 9.1 Toetreding Voor toetreding van nieuwe deelnemers moet artikel 51 van de wet in acht worden genomen. Het staat de deelnemers vrij om een toetredingsdatum voor de nieuwe deelnemer af te spreken.

Het verdient de voorkeur de inwerkingtreding van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling gelijk te stellen met de gewenste toetredingsdatum van de nieuwe deelnemer. Het algemeen bestuur draagt zorg voor het aanleveren van een voorstel hiertoe. Het voorstel van het algemeen bestuur kan de gevolgen van de toetreding en nadere voorwaarden voor toetreding bevatten. Artikel 9.2 Uittreding Het artikel is een uitwerking van artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9 van de wet over uittreding. Het artikel omvat de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon alsmede de deelnemers. De eerste zes leden bevatten de uitgangspunten van uittreding. Een belangrijk uitgangspunt is dat er tijdig maatregelen kunnen worden genomen door het algemeen bestuur wanneer een deelnemer besluit om uit te treden. Daarom is in het tweede en derde lid opgenomen dat opzegging geschiedt met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste twee jaar; de uittreding vindt plaats op 1 januari na het verstrijken van de opzegtermijn. Als voorbeeld: wanneer een deelnemer op 1 mei 2024 kenbaar maakt te willen uittreden, dan vindt de uittreding dus plaats op 1 januari 2027.

Conform het vijfde lid betaalt de uittredende deelnemer in jaar één van uittreding 66% en in jaar twee 33% van de bijdrage aan de begroting die de deelnemer voldeed in het jaar voorafgaand aan de uittreding. Hiermee kunnen de (overhead)kosten worden gecompenseerd die ontstaan wanneer een deelnemer uittreedt. Indien toepassing van deze bepalingen leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard kunnen de deelnemers en de uittredende partij, met inachtneming van artikel 51 van de wet, afwijkende afspraken maken. Dit is geregeld in het zevende lid. Het algemeen bestuur draagt in dat geval zorg voor het aanleveren van het voorstel tot uittreding bij de deelnemers. Na de uittreding dienen de gevolgen van de uittreding vervolgens te worden verwerkt in de gemeenschappelijke regeling. Hiervoor wordt het proces van artikel 51 van de wet gevolgd. Overigens is uittreding uit de gemeenschappelijke regeling niet eenvoudig, maar niet onmogelijk. Op grond van artikel 5.3 van de Wabo (Hoofdstuk 18 Omgevingswet) komt het werkgebied van een omgevingsdienst overeen met het gebied van een veiligheidsregio dan wel met het gebied van een kring van aangewezen gemeenten. Een kring wordt bij ministeriële regeling vastgelegd. Door uittreding van een deelnemer wijzigt de kring en kan daarom alleen met aanpassing van de ministeriële regeling geschieden.

32

Datum

Datum Ons kenmerk

/

Artikel 9.3 Wijziging Conform artikel 51 van de wet wordt de gemeenschappelijke regeling gewijzigd indien de colleges en gedeputeerde staten daartoe, met toestemming van de raden respectievelijk provinciale staten, eensluidend besluiten. Het algemeen bestuur draagt zorg voor het aanleveren van het voorstel hiertoe. Artikel 9.4 Opheffing Indien de deelnemers besluiten tot opheffing van het openbaar lichaam draagt het algemeen bestuur zorg voor het opstellen van een liquidatieplan. Het concept-liquidatieplan wordt vooraf ter raadpleging voorgelegd aan de deelnemers. Conform artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9, eerste lid, van de wet vindt besluitvorming over opheffing plaats door de deelnemende bestuursorganen. Bij de opheffing van het openbaar lichaam dient tevens de gemeenschappelijke regeling te worden ingetrokken via een intrekkingsregeling. Het algemeen bestuur doet hiervoor een voorstel. Conform artikel 52, eerste lid, juncto artikel 9, derde lid, van de wet blijft het bij een regeling ingestelde openbaar lichaam na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Artikel 10.1 Informele aanpak interne geschillen of interne bezwaarschriften Eerste lid 1 Informeel gesprek Dit artikel ziet zowel op geschillen als bezwaarschiften.

Bij een geschil is geen besluit vereist, maar is sprake van een geschil als een van de deelnemers die mening is toegedaan. Zowel bij geschillen als in het stadium dat reeds een formeel bezwaarschrift is ingediend is het belangrijk dat steeds wordt getracht het geschil of bezwaar op informele wijze samen met een onafhankelijke bemiddelaar op te lossen. Derde lid Beslissing op bezwaar Het orgaan van het bestuur dat het besluit heeft genomen, zijnde het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter van de omgevingsdienst nemen een beslissing op het bezwaarschift, indien het informele gesprek niet tot een oplossing heeft geleid. De partij die het bezwaarschrift heeft ingediend kan daarna de daarvoor bestemde rechtsgang vervolgen. Artikel 10.2 interne klachten Dit artikel is enkel van toepassing op de behandeling van interne klachten over gedragingen van het bestuur van het openbaar lichaam. Dit kan het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn. Klachten over de uitoefening van bevoegdheden van de omgevingsdienst zullen vaak betrekking hebben op gemandateerde bevoegdheden die namens worden uitgevoerd. In die gevallen blijft de deelnemer bevoegd om zelf de klacht af te handelen. Artikel 11.1 Evaluatie Algemeen Gekozen is voor een periodieke evaluatie van de gemeenschappelijke regeling om de vier jaar.

Onder a Doeltreffendheid en effecten De vorm en inhoud van een evaluatieverslag ten aanzien van de regeling zijn vormvrij. Mogelijkheden zijn een apart verslag, een rapportage in de begrotingstoelichting, een beleidsnota of een onderdeel van de toelichting bij een wijzigingsregeling. Wat de inhoud betreft geldt als algemene eis dat een adequaat inzicht wordt gegeven in doeltreffendheid en effecten van de regeling in de praktijk. Aangezien de regeling een algemeen kader bevat voor de samenwerking tussen de deelnemers ligt het voor de hand dat de evaluatie van de regeling zich met name beperkt tot een procesmatige evaluatie, waarbij het vooral technische, juridische en procedurele aspecten betreft.

33

Datum

Datum Ons kenmerk

/

Onder b Functioneren Ook het functioneren van de Omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers zelf zal elke vier jaar geëvalueerd worden. Dat kan een beperkte evaluatie zijn, maar natuurlijk ook een meer omvattende evaluatie naar het functioneren van de samenwerking en het samenwerkingsverband en eventuele verbeterpunten. Het verslag over het functioneren kan bestaan uit een samenvoeging van de in de afgelopen vier jaar reeds in andere kaders uitgevoerde tussenevaluaties en rapporten over het functioneren van de omgevingsdienst en de dienstverlening aan de deelnemers en hoeft geen nieuw verslag te zijn. Artikel 11.2 Intrekking Vanwege het grote aantal aanwijzings-technische wijzigingen is ervoor gekozen de oude regeling in te trekken en een geheel nieuwe regeling vast te stellen. Aan de citeertitel van de nieuwe regeling is het jaartal 2024 toegevoegd om deze nieuwe regeling te onderscheiden van haar voorgangers. Artikel 11.4 Inwerkingtreding Het provinciebestuur dat daartoe bij de regeling is aangewezen, onderscheidenlijk het bestuur van de provincie van de plaats van vestiging, dient ingevolge artikel 26 Wgr, juncto artikel 52, eerste lid, onder l, van de Wgr, de regeling bekend te maken in het door dat provinciebestuur uitgegeven provinciaal blad. Artikel 11.4 regelt dit. De regeling treedt vervolgens in werking de dag na publicatie.

De regeling treedt niet in werking voordat zij is bekendgemaakt. Het openbaar lichaam of bij gebreke hiervan, het provinciebestuur, voegt vervolgens in het register, bedoeld in artikel 136, eerste lid, van de Wgr, de gegevens toe, bedoeld in artikel 136, tweede lid, van de Wgr. Deze procedure is ook van toepassing op besluiten tot wijziging, verlenging of opheffing van de regeling, alsmede op besluiten tot toetreding en uittreding.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, de voorzitter,

de secretaris

mr. I.R. Adema

drs. G.H.E. Derks MPA

Het college van de gemeente Asten, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Bergeijk, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Best, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris] 34

Datum

Datum Ons kenmerk

/

Het college van de gemeente Bladel, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Cranendonck, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Deurne, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Eersel, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Eindhoven, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Geldrop-Mierlo, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Gemert-Bakel, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Heeze-Leende,

35

Datum

Datum Ons kenmerk

/

de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Helmond, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Laarbeek, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Nuenen c.a., de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Oirschot, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Reusel-De Mierden, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Someren, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Son en Breugel, de voorzitter,

de secretaris,

36

Datum

Datum Ons kenmerk

/

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Valkenswaard, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Veldhoven, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

Het college van de gemeente Waalre, de voorzitter,

de secretaris,

[naam burgemeester]

[naam gemeentesecretaris]

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14087629/1