Bijlage 7 - Zienswijzennota onteigeningsbeschikking GDC-Noord (De Schakel)
Tekst van het document
Nota van zienswijzen Onteigeningsbeschikking GDC-Noord (De Schakel)
Gemeente Eindhoven Ruimtelijk Beleid en Ontwikkeling – Ontwikkelbedrijf 13 januari 2026
1 Inleiding en procedure Deze nota van zienswijzen hoort bij het raadsvoorstel en ontwerpraadsbesluit “Onteigeningsbeschikking GDC-Noord (De Schakel)”. Voor de totstandkoming van de onteigeningsbeschikking is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) gevolgd. De ontwerponteigeningsbeschikking heeft gedurende een periode van zes weken met ingang vrijdag 24 oktober 2025 tot en met donderdag 4 december 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om digitaal, schriftelijk of mondeling een zienswijze ten aanzien van de ontwerp-onteigeningsbeschikking kenbaar te maken. Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb is van de (digitale) terinzagelegging van de ontwerp-onteigeningsbeschikking en de onteigeningsstukken op 24 oktober 2025 openbaar kennis gegeven in het Gemeenteblad met nummer 458824. Verder is de ontwerponteigeningsbeschikking overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden. Daarbij zijn belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over de ontwerponteigeningsbeschikking naar voren te brengen. Naar aanleiding van de terinzagelegging van de ontwerponteigeningsbeschikking is één zienswijze ontvangen.
In deze nota van zienswijzen is de ingebrachte zienswijze kort samengevat. De samenvatting heeft uitsluitend tot doel om de leesbaarheid van deze nota te vergroten. Bij de beoordeling van de zienswijze is de volledige brief (met bijlagen), zoals deze bij de gemeente zijn binnengekomen, betrokken. Deze zienswijze is in hoofdstuk 2 van deze nota voorzien van een reactie. Tevens is aangegeven of de zienswijze aanleiding geeft tot aanpassing van de ontwerp-onteigeningsbeschikking. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 afgesloten met de gevolgen voor de beschikking tot onteigening.
2
2 Zienswijzen Ten aanzien van de ontwerp-onteigeningsbeschikking is één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is binnen de termijn ingediend. De zienswijze is ontvankelijk. Hieronder wordt een korte samenvatting van de zienswijze weergegeven en wordt deze voorzien van een reactie. In verband met de privacy zijn de naam- en adresgegevens van de indiener van de zienswijze in een aparte bijlage opgenomen. Deze bijlage is niet digitaal beschikbaar, maar wel analoog. Ten aanzien van de ontwerp-onteigeningsbeschikking is zienswijze kenbaar gemaakt door/namens de eigenaar van Grondplannummer 1. Samenvatting zienswijze In de zienswijze wordt gesteld dat de onteigeningsbeschikking achterwege zou moeten blijven om drie – in onderling verband te beschouwen – redenen: a) De onteigeningbeschikking zou strijdig zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; b) Er zou geen sprake zijn van een onteigeningsbelang; c) Er zou onvoldoende noodzaak zijn tot onteigening. Volgens de zienswijze zou de onteigeningsbeschikking in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid. De steller van de zienswijze meent dat er sprake is van misbruik, omdat de ene particuliere partij wordt onteigend als uitvloeisel van afspraken die de gemeente met een andere particuliere partij zou hebben gemaakt.
Daarbij zou de gemeente bij doorverkoop geld verdienen ten nadele van de eigenaar. In de zienswijze wordt op dit punt verwezen naar een Koninklijk Besluit van 12 oktober 1984 en een arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 1994. Waarom er geen sprake zou zijn van een onteigeningsbelang wordt in de zienswijze niet toegelicht. Volgens de zienswijze zou er om vier redenen geen noodzaak zijn tot onteigening. In de eerste plaats omdat de eigenaar ook wel rechtstreeks zou kunnen verkopen aan de partij met wie de gemeente een overeenkomst heeft gesloten. Door toedoen van de gemeente zou die partij niet bereid zijn om rechtstreeks zaken te doen met de eigenaar. Verder zou er in de tweede plaats geen noodzaak tot onteigening zijn omdat de gemeente niet tijdig een prijsvaststellingsprocedure is gestart naar aanleiding van het door de gemeente gevestigde voorkeursrecht.
3
In de derde plaats zou onteigening niet nodig zijn omdat de gemeente onvoldoende serieus met de eigenaar zou hebben onderhandeld. Concreet vindt de eigenaar het onterecht dat de gemeente een deel van de planschade die hij heeft ontvangen naar aanleiding van de vaststelling van het bestemmingsplan wenst te verrekenen. Daarbij zou de gemeente weigeren de onderbouwing van de schadeloosstelling die aan de eigenaar wordt aangeboden met hem te delen. In de vierde plaats meent de eigenaar dat onteigening niet noodzakelijk is omdat hij bereid is om zijn eigendom te verkopen voor dezelfde prijs als waarvoor de gemeente de grond aan een derde zal verkopen. Gemeentelijk standpunt Algemeen Als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Eindhoven, voorziet het bestemmingsplan “III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel)” in de realisering van het laatste gedeelte van het bedrijventerrein GDC-Noord. In dit gebied is al vanaf 1997 voorzien in het mogelijk maken van bedrijvigheid gericht op goederendistributie. Op 4 september 1997 is het bestemmingsplan “Goederendistributiecentrum Acht” vastgesteld, waarin aan het nu te onteigenen perceel de uit te werken bestemming “Transport- en distributiedoeleinden II” en (deels) de aanduiding “Globale primaire en secundaire ontsluiting” waren toegekend. Op 21 oktober 2008 is het bestemmingsplan “Bedrijventerrein GDC Noord” vastgesteld.
Daarin is aan een deel van het gebied, en ook aan een deel van het perceel dat nu onteigend wordt, de bestemming “Groen” toegekend en aan een deel de bestemming “Verkeer”. De bestemming “Groen” was grotendeels bestemd voor waterberging, en ter plaatse van het nu te onteigenen perceel had de bestemming “Verkeer” betrekking op de voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein noodzakelijke aanpassing van de bestaande weg De Schakel. De rest van het te onteigenen perceel behield een uit te werken bestemming voor bedrijventerrein. In een aantal bestemmingsplannen die daarna zijn vastgesteld zijn deze bestemmingen onveranderd gebleven, tot de vaststelling van het bestemmingsplan “III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel)”. Daarin zijn de groen- en verkeersbestemming gehandhaafd, en is aan de gronden die voorheen een uit te werken bestemming hadden de bestemming “Bedrijf” toegekend.
4
Ondanks dat er dus al bijna 30 jaar plannen zijn om dit gedeelte van GDC Noord te ontwikkelen voor goederendistributie, is de ontwikkeling niet van de grond gekomen. De percelen zijn nog altijd grotendeels agrarisch in gebruik. Ook de noodzakelijke waterberging binnen de bestemming “Groen” en de aanpassing van De Schakel (bestemming “Verkeer”) zijn nog altijd niet gerealiseerd. Daarom heeft de gemeente de ontwikkeling van het gebied aan zich getrokken. In de zienswijze wordt gesuggereerd dat de aanleiding voor deze onteigening een afspraak is die de gemeente met een derde zou hebben, maar daarvan is geen sprake. De aanleiding voor de onteigening is dat de gemeente wenst dat de functies in het gebied, waarvoor de gezamenlijke eigenaren bijna 30 jaar de tijd hebben gehad om die te realiseren, eindelijk tot ontwikkeling komen. Daarbij wenst de gemeente de voor het grotere GDC gebied noodzakelijke waterberging te realiseren en De Schakel aan te passen. In het bestemmingsplangebied van het bestemmingsplan “III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel)” is op de gronden met de bestemming “Bedrijf” slechts één grootschalig bedrijf mogelijk. Voor de realisering van dit deel van het omgevingsplan is dus vereist dat de gronden met deze bestemming in een hand komen. Voordat de gemeente de regie over de ontwikkeling aan zich heeft getrokken was sprake van een versnipperde eigendomspositie.
Op het te onteigenen perceel na heeft de gemeente alle andere gronden in het bestemmingsplangebied aangekocht. De gronden met de bestemmingen “Groen” en “Verkeer” zal de gemeente in eigendom houden en inrichten conform het bestemmingsplan. De gronden met de bestemming “Bedrijf” zal de gemeente bouwrijp maken en vervolgens vervreemden aan een partij die ter plaatse een binnen het bestemmingsplan passend bedrijf zal realiseren. Zoals in de zienswijze terecht wordt gesteld heeft de gemeente daarvoor ook al een partij geselecteerd. Conform de regels van het “Didam-arrest” van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1778) heeft de gemeente van deze selectie in het openbaar kennis gegeven. Naar aanleiding daarvan hebben zich geen partijen gemeld die zich niet in deze selectie konden vinden.
5
Ad a) In de zienswijze wordt gesteld dat de onteigening louter plaatsvindt ter nakoming van een privaatrechtelijke afspraak. Uit het voorgaande blijkt al dat daarvan geen sprake is. De gemeente wenst dat ook het laatste deel van het GDC Noord gebied ontwikkeld wordt, welke ontwikkeling niet door marktpartijen van de grond is gekomen. Dat de gemeente een afspraak heeft gemaakt om aan een derde een recht van eerste koop aan te bieden voor de grond met de bestemming “Bedrijf” is juist, maar daarmee is niets mis. De gemeente realiseert in het algemeen zelf geen bedrijven, maar brengt bouwrijpe kavels op de markt, zodat marktpartijen daar kunnen ondernemen. Het te onteigenen perceel heeft een oppervlakte van 13.098 m2. Daarvan heeft circa 5.530 m2 de bestemming “Groen”, circa 1.778 m2 de bestemming “Verkeer” en circa 5.790 m2 de bestemming “Bedrijf”. Minder dan de helft van het te onteigenen perceel zal dus aan een derde worden uitgegeven. De selectie van de marktpartij aan wie de gemeente een recht van eerste koop heeft verleend is volgens de daarvoor geldende regels verlopen. De gemeente heeft zich in de overeenkomst met de derde ook niet verplicht om zonder meer tot onteigening over te gaan. Voor de onderhavige onteigening maakt het ook niet uit aan wie de grond wordt verkocht en evenmin is van belang dat de gemeente al voor de onteigening een partij heeft geselecteerd.
De eigenaar heeft zelf in elk geval nooit te kennen gegeven dat hij zelf geïnteresseerd was in realisatie van een bedrijf in het gebied en hij heeft evenmin initiatief genomen om de resterende gronden in het gebied van de andere grondeigenaren te verwerven. Onteigening is juist bedoeld voor een situatie als de onderhavige, waar een ontwikkeling zonder overheidsingrijpen niet van de grond komt en waarbij openbare voorzieningen zoals groen en wegen moeten worden gerealiseerd. Er is ook geen sprake van dat de gemeente geld wil verdienen door aan de eigenaar een lagere prijs te betalen dan de prijs die zij voor de verkoop van de grond krijgt. De gemeente zal de grond in bouwrijpe staat verkopen, terwijl nu sprake is van agrarische grond die nog niet bouwrijp is gemaakt. Via de gronduitgifte verhaalt de gemeente de kosten die zij in het kader van de gebiedsontwikkeling heeft gemaakt en nog moet maken, zoals de kosten voor infrastructuur en het opstellen van het bestemmingsplan.
6
Bovendien is, zoals hiervoor al aan de orde kwam, een groot deel van het perceel niet uitgeefbaar. Het is daarom logisch dat de uitgifteprijs die de gemeente voor uitgeefbare gronden hanteert, en waarover afspraken zijn gemaakt met degene die een recht van eerste koop heeft gekregen, hoger is dan de complexprijs die de gemeente voor alle gronden – dus ook die niet uitgeefbaar zijn – heeft aangeboden aan de grondeigenaar, en die nota bene door andere grondeigenaren in het gebied is geaccepteerd. De verwijzing naar het Koninklijk Besluit van 12 oktober 1984 gaat niet op. Daar was sprake van een onteigening waarbij een gedeelte van een tuin zou worden onteigend om een bouwkavel te kunnen realiseren waarin het te onteigenen gedeelte wederom als tuin zou dienen. Deze ‘tuin om tuin’ onteigening werd niet toegestaan. Het onderhavige geval is daarmee totaal niet vergelijkbaar. Het te onteigenen perceel, dat agrarisch in gebruik is, is hier nodig om een bedrijventerrein met groenvoorzieningen, waterberging en een weg mogelijk te maken. De realisering van het bestemmingsplan (het tijdelijk deel van het omgevingsplan) is in het publiek belang. Dat daarmee ook particuliere belangen kunnen worden gediend van degene die de bouwkavel van de gemeente verwerft doet daaraan niet af. Dat is bij elke onteigening waarin de gemeente grond bouwrijp maakt om vervolgens te verkopen aan de orde.
De gemeente wijst in dit verband bijvoorbeeld nog op het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2000, NJ 2001, 273. Ook de verwijzing naar het arrest Koopmans c.s. / Leeuwarden (NJ 1996, 35) van 10 augustus 1994 gaat niet op. Anders dan in die zaak aan de orde was, is er in het onderhavige geval geen sprake van dat de onteigende grond na de onteigening direct wordt doorgeleverd aan een derde. In de eerste plaats krijgt meer dan de helft van het te onteigenen perceel een openbare functie, zoals groen (waterberging) en verkeer. In de tweede plaats zal de gemeente de grond met de bestemming “Bedrijf” voor eigen rekening en risico bouwrijp maken voordat die wordt verkocht en in de derde plaats is er helemaal nog geen sprake van een koopovereenkomst tussen de gemeente en een derde, laat staan dat de grond direct wordt doorgeleverd. De gemeente heeft slechts een recht van eerste koop verleend, waarbij bijvoorbeeld de uitgifteprijs en de leveringsdatum nog niet zijn vastgelegd. Ad b) Met betrekking tot het in de inleiding van de zienswijze genoemde ontbreken van een onteigeningsbelang zijn ten opzichte van ad a) en ad c) geen aanvullende zienswijzeonderdelen opgenomen. Wij verwijzen in de eerste plaats naar de bespreking van die zienswijzeonderdelen.
7
Artikel 11.6 van de Omgevingswet bepaalt dat van een onteigeningsbelang sprake is als de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving mogelijk is gemaakt in een vastgesteld omgevingsplan. Daaraan is in het onderhavige geval voldaan, namelijk het bestemmingsplan “III Bedrijventerrein GDC-Noord (De Schakel)” als onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan Eindhoven. Ad c) Naar ons oordeel is wel degelijk sprake van een noodzaak tot onteigening. Zoals uit het logboek blijkt is sprake geweest van veelvuldig en uitvoerig overleg, maar bereiken partijen geen overeenstemming over de hoogte van de schadeloosstelling waarop de eigenaar recht heeft, waarbij sprake is van een aanzienlijk verschil in vraag- en aanbodprijs. Omdat er geen zicht op is dat op afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt, is onteigening noodzakelijk. De eigenaar stelt dat hij bereid is tot verkoop aan de derde met wie de gemeente een overeenkomst heeft gesloten en verwijst daartoe naar het arrest Koopmans c.s. / Leeuwarden (NJ 1996, 35) van 10 augustus 1994. Zoals hiervoor al aan de orde kwam gaat die verwijzing niet op. De gemeente wil alle gronden in het plangebied verwerven om die vervolgens in te richten als groenvoorziening (waterberging) en weg, respectievelijk de grond bouwrijp te maken.
Ook de gronden die de betreffende derde in het plangebied al in eigendom heeft zullen daartoe aan de gemeente worden overgedragen. Met betrekking tot de prijsvaststellingsprocedure waarnaar de eigenaar verwijst, geldt dat aan de zijde van de gemeente niet tijdig is gereageerd op het verzoek van de eigenaar om de rechtbank te vragen de prijs vast te stellen. Hieraan ligt een omissie aan de zijde van de gemeente ten grondslag. De gemeente heeft de brief van de eigenaar met het verzoek in eerste instantie niet goed administratief verwerkt, waardoor de wettelijke termijn verstreken is zonder dat bij de rechtbank een verzoek is gedaan om prijsvaststelling. Zoals uit het logboek blijkt heeft de gemeente in de tussentijd overigens wel herhaalde aanbiedingen gedaan ter voorkoming van onteigening, bijvoorbeeld op 4 juni 2025 en 1 oktober 2025, zodat voor de eigenaar duidelijk was dat de gemeente niet wilde afzien van verwerving. Niet valt in te zien waarom de noodzaak tot onteigening zou zijn vervallen doordat de gemeente niet tijdig een prijsvaststellingsprocedure is gestart.
8
Waar het gaat om de stelling dat de gemeente geen redelijke poging zou hebben gedaan om overeenstemming te bereiken stelt de eigenaar dat de gemeente ten onrechte een bod heeft gedaan dat uitgaat van verrekening van planschade die de eigenaar heeft ontvangen en dat de gemeente geen inzicht zou willen geven in de totstandkoming van haar biedingen. Voor de verrekening van planschade geldt dat dit een financieel aspect is dat in wezen uitsluitend betrekking heeft op de hoogte van de schadeloosstelling. In deze fase van de procedure staat de hoogte van de schadeloosstelling niet ter beoordeling. Hierbij merkt de gemeente nog op dat in het minnelijk traject in de eerste plaats aanbiedingen zijn gedaan waarin de gemeente de helft van de planschade wilde verrekenen. De gemeente heeft ook toegelicht waarom zij meent dat verrekening is aangewezen en verwezen naar de conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad d.d. 6 oktober 2023, ECLI:NL:PHR:2023:887, randnummer 3.18. Daar licht de Advocaat Generaal toe dat onder omstandigheden sprake kan zijn van een dubbele vergoeding, aangezien bij onteigening wordt uitgegaan van een complexwaardering, terwijl dat bij planschade op grond van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet aan de orde is. In het onderhavige geval is van een dergelijke dubbele vergoeding ook sprake.
De eigenaar heeft voor de gronden met de bestemming “Groen” namelijk al een planschadevergoeding gekregen voor het waardeverschil tussen de bestemming “Bedrijf- Uit te werken” en de bestemming “Groen”, waarbij de bestemming “Groen” op € 1,- /m2 is gewaardeerd. In de onteigeningsprocedure is een complexwaarde aan de orde, waarbij de bestemming “Groen” een veel hogere waarde vertegenwoordigt. Hierbij moet – zoals de eigenaar in de zienswijze terecht schrijft – onderscheid worden gemaakt tussen een dubbele vergoeding enerzijds, en autonome waardestijging van de grond anderzijds. Bij volledige verrekening van de planschade is dat onderscheid nog niet voldoende meegewogen. De gemeente heeft echter in het minnelijk traject aanvankelijk aangeboden om slechts de helft van de planschadevergoeding te verrekenen en bij brief van 1 oktober 2025 zelfs om in het geheel geen planschadevergoeding te verrekenen. Ook dat aanbod heeft de eigenaar niet aanvaard. De reden daarvan is dat de vraagprijs van de eigenaar € 2.820.005,- is, terwijl de gemeente – zonder planschadeverrekening – een bedrag van € 1.356.000,- heeft aangeboden. De discussie over de verrekening van planschade is er dus niet debet aan dat geen overeenstemming is bereikt.
9
De stelling van de eigenaar dat de gemeente zou weigeren de onderbouwing van de schadeloosstelling die aan de eigenaar wordt aangeboden met hem te delen is onjuist. De gemeente heeft in haar aanbiedingsbrieven toegelicht dat zij haar aanbod heeft gebaseerd op de complexwaarde, welke waarde zij heeft begroot aan de hand van de vergelijkingsmethode. De gemeente heeft verschillende vergelijkingstransacties in het gebied benoemd aan de hand waarvan haar taxateur de complexprijs heeft begroot. Daarbij geldt dat de eigenaar zelf de helft van de eigendom op 6 september 2024 van de toenmalige mede-eigenaren heeft verkregen voor € 587.500,-. Dat duidt op een prijsniveau voor het gehele perceel dat (fors) lager ligt dan de biedingen die de gemeente heeft gedaan. De eigenaar wenst uitsluitend te onderhandelen op basis van een residuele berekening. Daarover heeft de gemeente het standpunt ingenomen dat een residuele berekening achterwege kan blijven aangezien voldoende vergelijkingstransacties aanwezig zijn. De eigenaar heeft nog voorgesteld een taxatiecommissie te benoemen om de schadeloosstelling vast te stellen. De gemeente is daarvan geen voorstander omdat zij het van belang vindt dat – als partijen geen overeenstemming bereiken – als uitgangspunt een onafhankelijke rechter een oordeel geeft over de schadeloosstelling.
Dat biedt voor zowel de grondeigenaar als de gemeente de beste waarborg dat de schadeloosstelling conform de wettelijke vereisten wordt bepaald. De praktijk leert daarbij dat een partij die zich niet in een (al dan niet bindende) taxatie kan vinden toch weer aanknopingspunten zal zoeken om zich aan de bindende werking van de taxatie te onttrekken. Als de rechter een oordeel geeft bestaat dat risico niet. Naar het oordeel van de gemeente is gelet op het voorgaande alleszins sprake van een voldoende serieuze poging om met de eigenaar minnelijk tot overeenstemming te komen. In de vierde plaats meent de eigenaar dat onteigening niet noodzakelijk is omdat hij bereid is om zijn eigendom te verkopen voor dezelfde prijs als waarvoor de gemeente de grond aan een derde zal verkopen.
10
Zoals hiervoor al is toegelicht zal de gemeente het grootste deel van het te onteigenen perceel helemaal niet verkopen aan een derde. Uitsluitend het uitgeefbare deel van het perceel zal uiteindelijk worden verkocht. De daarbij te hanteren uitgifteprijs, die wordt gerekend voor de uitgifte van bouwrijpe grond, is niet hetzelfde is als de complexprijs die nog niet bouwrijp is gemaakt (ruwe bouwgrond). Zoals hiervoor eveneens al is toegelicht is het noodzakelijk dat de gemeente alle grond in het gebied verwerft, zodat zij op de gronden die openbare functies krijgen die functies kan realiseren en de grond die bestemd is voor bedrijventerrein bouwrijp kan maken. Zoals hiervoor al is toegelicht heeft de gemeente bovendien nog geen definitieve koopovereenkomst gesloten met de betreffende derde voor de uitgeefbare gronden die de gemeente reeds in eigendom heeft. Het is dus helemaal niet zeker dat deze partij daadwerkelijk tot ontwikkeling zal over gaan, of dat de gemeente de grond uiteindelijk nog aan een derde zal uitgeven. Om het bestemmingsplan te kunnen realiseren dient de uitgeefbare grond in het bestemmingsplangebied als een bouwrijpe kavel te worden uitgegeven aan één exploitant. Daarvoor is het dus noodzakelijk dat alle gronden in eigendom van de gemeente komen.
Met verkoop van alleen het te onteigenen perceel aan een derde kan dit niet bereikt worden, nog daargelaten dat de eigenaar het perceel helemaal niet aan een derde heeft verkocht, ondanks dat het voorkeursrecht daaraan niet meer in de weg staat. Gelet op het voorgaande is de onteigening noodzakelijk, wat niet wegneemt dat de gemeente nog altijd de voorkeur geeft aan minnelijke verwerving van het perceel. Conclusie zienswijze De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het besluit.
11
3 Gevolgen voor de beschikking tot onteigening Gezien de inhoud van de genoemde zienswijze en de reactie van het bevoegd gezag hierop is er geen aanleiding de ontwerponteigeningsbeschikking aan te passen.
12