CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 - Toetsingsadvies commissie mer

Raadsvergadering 26 november 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Omgevingsvisie Eindhoven3.759 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Omgevingsvisie 2.0 Eindhoven Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 5 september 2024 / projectnummer: 3698

Advies over het MER in het kort De gemeente Eindhoven werkt aan de ‘Omgevingsvisie 2.0’, als opvolger van de in 2020 vastgestelde omgevingsvisie ‘Eindhoven, kloppend hart van Brainport’. Met de nieuwe omgevingsvisie legt de gemeente de beoogde ontwikkeling van de fysieke leefomgeving vast. Voor het besluit over de visie is een omgevingseffectrapport (OER)1 opgesteld. De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie) gevraagd te adviseren over het OER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de kwaliteit en de volledigheid van het OER.

Wat staat in het OER? In het OER zijn drie onderzoeksvarianten (alternatieven) voor de groei van het aantal woningen en arbeidsplaatsen in de periode tot 2040 beoordeeld. Alle varianten gaan uit van 40.000 woningen en 36.000 arbeidsplaatsen in de gemeente Eindhoven. De varianten verschillen in de manier waarop de woningen en arbeidsplaatsen over de stad worden verdeeld: vooral in het centrum (variant 1), rond een aantal stedelijke knooppunten2 (variant 2) of verspreid over de stad (variant 3). Ook qua mobiliteit zijn de drie varianten onderscheidend van elkaar, door respectievelijk uit te gaan van een 20 minuten-, 15 minuten- of 10 minuten stad.3 Alle varianten hebben volgens het OER negatieve effecten op gezondheid (geluid, luchtkwaliteit), verkeersveiligheid, ondergrond en waterkwaliteit. De varianten scoren positief op duurzame mobiliteit (de verdeling tussen autoverkeer, OV en fiets) en beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen. Op andere aspecten, zoals natuur, klimaatadaptatie en sociale veiligheid zijn zowel positieve als negatieve effecten mogelijk. In het OER is ook geanalyseerd of de oorspronkelijk voor de omgevingsvisie geformuleerde stedelijke opgaven wel of niet goed met elkaar te verenigen zijn.

Vooral de opgave om Eindhoven verder te ontwikkelen als hart van de Brainportregio kan leiden tot conflicten met andere opgaven, bijvoorbeeld voor natuur of welzijn. Ook leiden de grote stedelijke opgaven tot uitdagingen, omdat er veel ruimte nodig is voor woningen, bedrijven, infrastructuur, energievoorziening, water en groen. De analyse in het OER maakt duidelijk dat samenhang tussen ontwikkelingen in de stad cruciaal is om de ambities van de gemeente te kunnen halen. De ontwerp omgevingsvisie (en de ontwikkelkaart die daarin is opgenomen, zie figuur 1) is gebaseerd op zes verstedelijkingsprincipes.4 Daarmee wil de gemeente flexibel kunnen reageren op ontwikkelingen in de economie en op het gewenste tempo van woningbouw. Deze ontwikkelkaart is in het OER als voorkeursalternatief (VKA) opgenomen.

1

Het OER is formeel een milieueffectrapport (MER), maar gaat ook in op sociale en economische aspecten. Daarom is, in

2

Wonen in centrum, WoensXL en Kastelenplein, werken in centrum en op campussen.

aansluiting op de Omgevingswet, de term ‘omgevingseffectrapportage’ gekozen.

3

Hiermee wordt bedoeld dat belangrijke voorzieningen voor iedereen in de stad op maximaal 10/15/20 minuten lopend

4

(1) De groene hoofdstructuur is leidend voor de gezonde ontwikkeling van de stad. (2) Voldoende ruimte voor

bereikbaar zijn. De ambitie van de gemeente Eindhoven is een ’15 minuten stad’.

energievoorziening is noodzakelijk. (3) Eindhoven is een compacte stad waar nabijheid en meervoudig ruimtegebruik het

uitgangspunt zijn. (4) De mobiliteit zorgt voor een verbonden, ruimte-efficiënte en gezonde stad. (5) De Brainporteconomie krijgt ruimte op bestaande en nieuwe economische toplocaties. (6) De ruimtelijke structuur van de stad blijft herkenbaar en we voegen hoogwaardige architectuur toe.

-1-

Wat is het advies van de Commissie? Het OER volgt de eerste stappen die zijn gezet in het proces van totstandkoming van de omgevingsvisie. De huidige situatie en autonome ontwikkeling zijn relatief gedetailleerd in beeld gebracht, waardoor een goede basis is gelegd voor de beoordeling van effecten. Het onderdeel mobiliteit is relatief uitgebreid en kwantitatief uitgewerkt. Dit levert een belangrijke meerwaarde op voor de omgevingsvisie, omdat het duidelijk maakt welke mobiliteitsmaatregelen er mogelijk zijn en in hoeverre toekomstige knelpunten daarmee voorkomen kunnen worden. De Commissie signaleert bij de toetsing van het OER dat nog belangrijke informatie ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de omgevingsvisie. Het gaat om de volgende punten: 

Aansluiting op de omgevingsvisie. Het OER gaat wel uitgebreid in op onderzoeksvarianten, maar nauwelijks op de verstedelijkingsprincipes die de basis vormen voor de ontwerp-omgevingsvisie (het voorkeursalternatief). Daardoor is de beoordeling van de effecten hiervan niet goed te volgen.

Haalbaarheid ambities. De beoogde groei van het aantal woningen en arbeidsplaatsen is dermate groot, dat bewaking van de samenhang met andere ambities cruciaal is. In het OER ontbreekt een uitgebreidere gevoeligheidsanalyse voor de ontwerp omgevingsvisie. Hierdoor zijn de risico’s en dilemma’s voor de uitwerking van de omgevingsvisie niet in beeld.

Vergelijking referentiesituatie, varianten en voorkeursalternatief. Veel gebruikte criteria in het OER, bijvoorbeeld voor gezonde leefomgeving, bodem en water en recreatie zeggen (te) weinig over de aangegeven indicatoren. De informatie die is gebruikt voor de beschrijving van de huidige situatie en autonome ontwikkeling komt weinig terug in de beoordeling van de varianten en het voorkeursalternatief.

Samenvatting. De samenvatting is niet zelfstandig leesbaar en geeft onvoldoende inzicht in de belangrijkste conclusies van het OER. Daarmee sluit de samenvatting ook niet aan op de omgevingsvisie.

De Commissie adviseert om, voordat een besluit wordt genomen over de omgevingsvisie, een (zelfstandig leesbare) aanvulling op het OER te maken. Vergelijk daarin de effecten van de omgevingsvisie (het voorkeursalternatief) met de referentiesituatie. Doe dit op basis van navolgbare indicatoren. Breng vervolgens de kansen en risico’s van de omgevingsvisie met behulp van gevoeligheidsanalyses in beeld. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject. Aanleiding MER (OER) De omgevingsvisie beschrijft het integrale beleid van de gemeente voor de fysieke leefomgeving voor de middellange tot lange termijn (2040). Omdat de omgevingsvisie kaderstellend kan zijn voor mer(beoordelings)plichtige projecten – zoals stedelijke ontwikkeling, uitbreiding van woon- en werkgebieden en uitbreiding van infrastructuur - is het nodig om een plan-MER (OER) op te stellen. Een plan-MER is ook nodig omdat er gevolgen voor Natura 2000-gebieden (zoals Strabrechtse Heide & Beuven en Kempenland West) kunnen zijn.

-2-

Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het OER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Eindhoven - besluit over de omgevingsvisie. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken, die bij het advies zijn gebruikt, zijn te vinden door nummer 3698 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Figuur 1: Ontwikkelkaart ontwerp-omgevingsvisie: verstedelijkingsprincipes (bron: ontwerp Omgevingsvisie Eindhoven 2.0; legenda zie aldaar)

Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar beoordeling toe. Aan deze beoordeling koppelt zij aanbevelingen. Sommige van die aanbevelingen zijn opgenomen in een tekstkader en andere niet. Als deze in een kader staan dan is het uitvoeren ervan volgens de Commissie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij het besluit over de omgevingsvisie. Aanbevelingen die niet in een kader staan, zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming - nu en in de toekomst - te verbeteren.

-3-

Omgevingsvisie en rol OER In de ontwerp omgevingsvisie is een integrale ambitie voor Eindhoven beschreven, die is vertaald naar vier deelambities5. Vervolgens zijn zeven stedelijke opgaven gedefinieerd. waaraan Eindhoven wil werken tot 2040.6 Randvoorwaarden voor de verstedelijking zijn uitgewerkt in zes verstedelijkingsprincipes die samen leiden tot een ontwikkelkaart. In het OER zijn drie onderzoeksvarianten opgenomen die zich onderscheiden in de verdichtingsstrategie (concentreren of spreiden), de wijze van vergroening, locaties voor voorzieningen en mobiliteitsmaatregelen: 1.

Eindhoven City – 75% van de woningen binnen de ring, inzet op groene daken en gevels, ’20 minuten stad’

2.

Stedelijke knooppunten – woningen vooral bij knooppunten WoensXL. Knoop XL en Kastelenplein, groene wiggen en parken, ’15 minuten stad’

3.

Gespreide groei in de stad – 65% van de woningen verspreid over stadsdelen buiten het centrum, groen op loopafstand, ’10 minuten stad’.

Deze onderzoeksvarianten hebben een rol gespeeld in het planvormingsproces, maar komen niet terug in de ontwerp omgevingsvisie. De ontwikkelkaart in de ontwerp omgevingsvisie, die is gebaseerd op de verstedelijkingsprincipes, komt zeer summier terug in het OER. Alleen bijlage 1 geeft daarvan een ‘lijstje’ zonder veel samenhang. De keuzes in de ontwikkelkaart worden niet inzichtelijk gemaakt en ook mogelijke risico's die het gevolg zijn van die keuzes komen niet aan bod. Opvallend is tenslotte dat het voorkeursalternatief (VKA) op veel thema’s positiever scoort dan de onderzoeksvarianten. Dit is niet altijd goed navolgbaar. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voordat wordt besloten over de omgevingsvisie, de ontwikkelkaart uit de omgevingsvisie te beschrijven als het voorkeursalternatief en de omgevingseffecten daarvan nader te beoordelen en te onderbouwen. Zie verder de adviezen in de volgende paragrafen.

Haalbaarheid ambities Ambities, synergie en strijdigheden In het OER is een globale analyse uitgevoerd om te bepalen in hoeverre de ambities en de stedelijke opgaven samen kunnen gaan of met elkaar kunnen conflicteren. Deze analyse van synergie en strijdigheden (paragraaf 3.3 van het OER) is alleen op hoofdlijnen en in een vroeg stadium uitgevoerd, voordat de contouren van de omgevingsvisie zichtbaar werden. De conclusies liggen erg voor de hand en de ruimtelijke implicaties ontbreken. De analyse zegt niets over de ernst en omvang van mogelijke conflicten of over locaties waar zich knelpunten 5

(1) Eindhoven als toekomstbestendige stad: een klimaatadaptieve, gezonde, biodiverse en duurzame stad. (2) Eindhoven als stad voor iedereen: een sociale, inclusieve en gastvrije stad. (3) Eindhoven als hart van de Brainport regio: een innovatieve

economische wereldspeler waar iedereen mee doet. (4) Eindhoven als stad in ontwikkeling: een veranderende stad met oog voor eigenheid en historie.

6

De opgaven zijn als volgt geformuleerd: Eindhoven wordt klimaatneutraal; Eindhoven vergroent en wordt gezonder met oog voor mens en dier; Eindhoven bouwt door aan een vitale stad met ruimte voor iedereen en meerdere centra; Eindhoven investeert in leefbare, sociale en veilige wijken; Eindhoven biedt ruimte aan een sterke, concurrerende en duurzame

Brainport economie; Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid: vlot, veilig en schoon; Eindhoven werkt aan een levendige stad met goede basis- en topvoorzieningen.

-4-

of kansen kunnen voordoen. De analyse van synergie en strijdigheden is niet herhaald op basis van de ontwerp omgevingsvisie. De onderzoeksvarianten in het OER hebben een sterke focus op verstedelijking: de realisatie van woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen. De daarbij behorende opgave is zeer groot: tot 2040 moeten er in Eindhoven 40.000 woningen en 36.000 arbeidsplaatsen bijkomen. Dit leidt tot grote uitdagingen en risico’s voor het behalen van andere ambities, bijvoorbeeld op het gebied van mobiliteit, duurzaamheid en circulariteit, klimaatbestendigheid en biodiversiteit. Voor mobiliteit is een relatief uitgebreide en kwantitatieve analyse uitgevoerd, waardoor er (op hoofdlijnen, passend bij het abstractieniveau van de omgevingsvisie) wel inzicht is in de uitdagingen en knelpunten die het woningbouwprogramma met zich mee brengt voor bereikbaarheid (auto, OV, langzaam verkeer) en verkeersveiligheid. Voor andere thema’s heeft de gemeente Eindhoven niet altijd duidelijk beleid of een duidelijk uitvoeringskader, waardoor het risico bestaat dat deze geen prioriteit krijgen. Los van gemeentelijke ambities die daardoor onder druk komen te staan, is de kans groot dat provinciale, nationale en Europese doelen (bijvoorbeeld vanuit Kaderrichtlijn Water, Natura 20007, Natuurnetwerk Nederland) niet gehaald worden.

Gevoeligheidsanalyse In het OER is een gevoeligheidsanalyse opgenomen (hoofdstuk 8). Daarin zijn twee scenario’s geschetst voor economische ontwikkelingen in de Brainportregio: een scenario dat uitgaat van versnelde groei en een scenario dat uitgaat van stagnerende groei. De Commissie constateert dat de gevoeligheidsanalyse hiermee niet compleet is. Er spelen veel andere ontwikkelingen in de regio Eindhoven die eveneens tot belangrijke onzekerheden leiden. Denk daarbij aan: 

ontwikkelingen in buurgemeentes van de Brainportregio (Veldhoven, Helmond), waar ook keuzes worden gemaakt voor aantallen te realiseren woningen en arbeidsplaatsen;

aanleg en uitbreiding van (weg)infrastructuur, waaronder verbreding van de A2/N2 en A50;

ruimteclaims voor andere functies, waaronder Defensiedoeleinden8, energievoorziening, waterhuishouding en natuur.

Door de vele onzekerheden en afhankelijkheden ontstaat ook onzekerheid over de effecten daarvan en de mate waarin ambities gerealiseerd kunnen worden (doelbereik). Het vaststellen van verstedelijkingsprincipes is in beginsel een geschikte manier om met deze onzekerheid om te gaan. Dit vereist echter wel een goede analyse van de risico’s en een uitwerking van maatregelen, faseringsmogelijkheden of terugvalopties om ongewenste effecten te voorkomen. De fasering en mogelijke terugvalopties zijn in het OER weinig uitgewerkt. Het

7

Uit de recent opgestelde natuuranalyses (en de daarover uitgebrachte adviezen van de Ecologische Autoriteit) blijkt dat in het Natura 2000-gebied Strabrechtse Heide & Beuven verschillende habitattypen – waaronder vochtige en droge heiden –

onder grote druk staan door onder andere stikstofdepositie en grote variaties in de grondwaterhuishouding. Dat betekent dat maatregelen noodzakelijk zijn om stikstofemissies te verminderen en de regionale waterhuishouding te verbeteren. Voor het Natura 2000-gebied Kempenland West geldt in grote lijnen hetzelfde.

8

In het Nationale programma Ruimte voor Defensie zullen locaties worden gereserveerd voor diverse doeleinden. Voor de

regio Eindhoven is vooral de mogelijke uitbreiding van de capaciteit van de luchthaven Eindhoven en luchthaven De Peel van belang, inclusief regimes voor laagvlieggebieden.

-5-

OER bevat alleen conclusies en aanbevelingen die bestaan uit algemeenheden en die weinig tot geen garanties bevatten. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voordat wordt besloten over de omgevingsvisie, een uitgebreidere gevoeligheidsanalyse uit te voeren en deze te richten op het VKA. Ga daarbij ook in op de bovengenoemde onzekerheden en afhankelijkheden. Geef een beschouwing op de risico’s voor de fysieke en natuurlijke leefomgeving, de ernst en omvang daarvan en de ruimtelijke implicaties (waar en wanneer zijn knelpunten te verwachten?). Ga vervolgens in op de consequenties daarvan voor de haalbaarheid van het VKA9. Dit kan aanleiding geven tot aanpassing van het VKA of de fasering daarvan en/of tot het formuleren van dilemma’s waarover nog een besluit moet worden genomen.

Beoordelingskader referentiesituatie en alternatieven Referentiesituatie: huidige situatie en autonome ontwikkeling De effecten van de onderzoeksvarianten en van het voorkeursalternatief (VKA) zijn in het OER vergeleken met de referentiesituatie. Deze bestaat uit de huidige situatie en autonome ontwikkeling. De huidige situatie en autonome ontwikkeling zijn per thema beschreven in verschillende factsheets. Deze zijn als bijlage bij het OER opgenomen. De factsheets zijn relatief uitgebreid en gedetailleerd. Er is gebruik gemaakt van veel illustraties en kaartmateriaal. De gebruikte criteria passen echter in meerdere gevallen niet goed bij de indicatoren of geven een zeer beperkt beeld.10 De beoordeling ‘goed, redelijk of slecht’ is met behulp van smileys weergegeven. Deze zijn vooral geschikt om snel overzicht te geven, maar geven weinig specifieke informatie. Daarom is de toelichting bij de tabellen (met de smileys) van groot belang. De beschrijving van de autonome ontwikkeling gaat uit van ontwikkelingen waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden. Het gaat bijvoorbeeld om woningbouwlocaties, uitbreiding of herstructurering van bedrijventerreinen en realisatie van nieuwe weg- en OVinfrastructuur. Ook zijn bij deze beschrijving ‘algemene wetenschappelijke trends’ betrokken.

Daarmee wordt bijvoorbeeld gedoeld op klimaatverandering, ontwikkeling van de luchtkwaliteit, elektrificering en economische ontwikkeling. Een deel van de autonome ontwikkeling is nog onzeker, vooral op de langere termijn. De Commissie constateert dat de factsheets zeer veel waardevolle informatie geven over de huidige situatie, vaak kwantitatief, relatief gedetailleerd en specifiek voor Eindhoven zijn. Voor de autonome ontwikkeling en de vergelijking van de varianten is in veel gevallen echter gebruik gemaakt van andere criteria (zie volgende subparagraaf). Dat maakt de beoordeling ‘goed, redelijk of slecht’ voor de autonome ontwikkeling zeer lastig te volgen. Ook betekent dit dat de varianten niet goed te vergelijken zijn met de referentiesituatie, omdat de varianten globaal en kwalitatief zijn beoordeeld.

9

Voor de haalbaarheid van de omgevingsvisie zijn bijvoorbeeld de gevolgen voor Natura 2000-gebieden of voor het behalen van de doelen van de KRW cruciaal, naast het realiseren van de ambities van de gemeente.

10

Zo zegt het aantal huurwoningen weinig over kansengelijkheid, is de kwaliteit van de bedrijventerreinen slechts een

onderdeel van het vestigingsklimaat voor bedrijven, mist bij een inventarisatie van het aantal recreatiemogelijkheden de kwaliteit c.q. de differentiatie van deze recreatiemogelijkheden en is de correlatie tussen de indicator windhinder en

bezonning en het criterium omgevings-adressendichtheid zeer beperkt. Zie ook de voorbeelden op pagina 7 van dit advies.

-6-

Beoordeling onderzoeksvarianten Voor de vergelijking van de varianten met de referentiesituatie is een beoordelingskader opgesteld. De effecten zijn in het OER weergegeven met pijlen, die aangeven of de omgevingsvisie naar verwachting leidt tot een positieve, negatieve of neutrale invloed. Ook een combinatie daarvan (zowel positieve als negatieve invloed) is mogelijk. In bijlage 3 van het OER is de beoordeling van de effecten nader toegelicht aan de hand van verschillende indicatoren. Waar voor de huidige situatie en soms ook voor de autonome ontwikkeling gebruik is gemaakt van kwantitatieve en soms gebiedsspecifieke informatie, is de beoordeling van de alternatieven zeer algemeen. De pijlen, waarmee wordt aangegeven of een alternatief een positieve of negatieve invloed heeft, zeggen weinig over de mate van verandering ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Daar komt nog bij dat de beoordeling van de effecten van de varianten in enkele gevallen in zijn geheel niet terugslaan op de beoordeling van de huidige situatie. Ter illustratie: 

Geluidhinder: de huidige situatie is beoordeeld op basis van geluidbelasting (in dB’s). De autonome ontwikkeling en de varianten zijn beoordeeld op basis van het aantal wegvakkilometers met een verkeerstoename (van 20%). Dit criterium geeft slechts een beperkt beeld van de effecten. In de beoordeling is niet meegenomen in hoeverre zich langs deze wegen gevoelige bestemmingen bevinden in de huidige en toekomstige situatie.11 Voor luchtkwaliteit geldt in grote lijnen hetzelfde.

Gezondheid: voor de beoordeling van de gezondheidssituatie is gebruik gemaakt van de Milieugezondheidsindicator (MGRi, zie bijlage 4 van het OER). Deze is uitgebreid en op een goede manier toegepast. Anders dan voor de beoordeling van geluidhinder en luchtkwaliteit zijn uitgebreide berekeningen uitgevoerd en is bij de beoordeling van de varianten ook gekeken naar waar de woningbouwopgave gerealiseerd wordt. De resultaten van de MGRi wijken daardoor af van de beoordelingsresultaten voor geluidhinder en luchtkwaliteit.

Waterkwaliteit. De waterkwaliteit in de huidige situatie wordt bijvoorbeeld beoordeeld aan de hand van de KRW-normering van grond- en oppervlaktewater. In de beoordeling van de varianten wordt geen aandacht meer besteed aan de KRW waterlichamen. De redenering daar is onder andere gebaseerd op “meer mensen, dus ook meer honden en meer zwerfafval en dus verontreiniging van het oppervlaktewater”. Los van de vraag of dit een geschikt criterium is, is er geen koppeling gelegd met KRW waterlichamen.

De aanzet voor monitoring en evaluatie van de omgevingsvisie is zeer beknopt, algemeen en theoretisch van opzet. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een koppeling met het beoordelingskader. Dit maakt het periodiek analyseren van het doelbereik (de mate waarin de gestelde doelen dichterbij komen) niet goed mogelijk. Dat is wel nodig om te bepalen of het omgevingsbeleid moet worden bijgestuurd.

11

Voor de beoordeling van geluidhinder is vooral van belang hoeveel geluidgehinderden er zijn. Naast de vraag waar zich

gevoelige bestemmingen bevinden is bijvoorbeeld ook van belang welke geluidbronnen (wegen, andere geluidbronnen) hierin zijn betrokken.

-7-

De Commissie adviseert om in een aanvulling op het OER, voordat wordt besloten over de omgevingsvisie, de effecten van het VKA nogmaals te beoordelen en te vergelijken met de referentiesituatie. Maak daarvoor gebruik van duidelijke en representatieve gegevens. Gebruik de in paragraaf 2.2. van dit advies genoemde gevoeligheidsanalyse bij de beoordeling van het doelbereik (de haalbaarheid van de visie en de ambities). Door het hanteren van deze werkwijze ontstaat automatisch een goede basis voor een monitoring passend bij een eventuele gefaseerde uitvoering van het VKA.

Samenvatting van het OER De samenvatting van het OER is niet goed zelfstandig leesbaar. De gehanteerde methodiek is wel uitgebreid en stapsgewijs beschreven, maar de inhoud daarvan blijft onderbelicht. Zo geeft de samenvatting geen beeld van de huidige situatie en autonome ontwikkeling (en knelpunten daarin), zijn de varianten niet of nauwelijks beschreven en ontbreekt een overzicht waarin de varianten zijn vergeleken met de huidige situatie, autonome ontwikkeling en het VKA. De subparagraaf over synergiën en strijdigheden bevat veel jargon dat voor nietingevoerde lezers niet of nauwelijks te volgen is (bijvoorbeeld de uitleg over deelambitie 3 op pagina 9). De Commissie adviseert om de in de vorige paragrafen opgenomen aanbevelingen te gebruiken om een nieuwe zelfstandige samenvatting op te stellen als onderdeel van de aanvulling op het OER. Neem in deze samenvatting een korte beschrijving van het proces op. Focus op de beoordeling van de in de ontwerp omgevingsvisie opgenomen ontwikkelkaart en de achterliggende verstedelijkingsprincipes (het VKA).12

12

Dat wil zeggen dat het niet noodzakelijk is de onderzoeksvarianten opnieuw te beoordelen, aangezien deze geen rol meer

spelen in de ontwerp omgevingsvisie.

-8-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie

De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of

onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de

ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit

wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep in

een eerdere fase het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: dr. ir. Marieke Dijkema ing. Johan Janse drs. Pieter Jongejans (secretaris) drs. Roeland van Kerkhoff Margo Meeuwissen MSc ir. Harry Webers (voorzitter) Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Omgevingsvisie 2.0 gemeente Eindhoven. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor projecten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een milieueffectrapport (MER) vereist zijn. Uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit onder de Omgevingswet volgt om welke projecten het gaat. Voor deze procedure gaat het onder andere om projecten J11 (stedelijke ontwikkeling) en J10 (industrieterrein). Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een plan-MER (OER) opgesteld. Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van Eindhoven. Initiatiefnemer besluit Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eindhoven. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken?

Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken.

Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3698 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14638366/1