CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 A - I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Verbeelding

Raadsvergadering 25 november 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bp I Achtse Barrier Heizoom 2015 (Hartje Barrier)38.106 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Met de voorziene aanleg van 139 openbare parkeerplaatsen en 78 parkeerplaatsen voor de bewoners van de te bouwen 112 appartementen, wordt aan de ruimschoots aan de verwachte parkeervraag voldaan.

De verschillende functies gemarkeerd: rood is detailhandel, bruin is detailhandel met op het dak park eren voor de bewoners van de nieuwe appartementen, donk ergeel zijn de nieuwe appartementen en lichtgeel zijn de bestaande woningen van de Cantershoef.

Berekening aantal benodigde parkeerplaatsen op basis van de Nota Parkeernormen 2024. De 112 nieuwe appartementen: de bewoners van de nieuwe appartementen kunnen gaan parkeren op het parkeerdek op het dak van de nieuw te bouwen detailhandelszaken (het bruine vlak op bovenstaande afbeelding). Het nieuwe woonprogramma bestaat uit: 50

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

40 stuks woningtype S - tweekamer appartement van ± 50 m2, sociale huur. Parkeernorm bewoners: 40 x 0,5 (appartement 50 - 75 m², sociale huur, restgebied) = 20. Parkeernorm bezoekers: 40 x 0,2 (appartement 50 - 75 m², sociale huur, restgebied) = 8. 40 stuks woningtype M - tweekamer appartement van ± 60 m2, middenhuur laag. Parkeernorm bewoners: 40 x 0,6 (appartement, huur vrije sector, restgebied) = 24. Parkeernorm bezoekers: 40 x 0,2 (appartement, huur vrije sector, restgebied) = 8. 32 stuks woningtype L - driekamer appartement van ± 70 m2, middenhuur hoog. Parkeernorm bewoners: 32 x 0,6 (appartement, huur vrije sector, restgebied) = 20. Parkeernorm bezoekers: 32 x 0,2 (appartement, huur vrije sector, restgebied) = 6. Totaal: 86 parkeerplaatsen. Hiervan zijn er 64 nodig voor de bewoners en 22 voor bezoekers. Voor de bewoners en hun bezoekers zullen 78 parkeerplaatsen worden aangelegd op het parkeerdek op de nieuw te bouwen supermarkt. Dit parkeerdek zal worden afgesloten met een slagboom, waardoor dubbelgebruik niet mogelijk is. De geplande ontmoetingsruimte is louter bedoeld voor de bewoners en bezoekers van de nieuw te bouwen appartementen en Cantershoef en de parkeergeneratie van de ontmoetingsruimte is dus al opgenomen in de bovengenoemde berekening.

Hoewel de 86 normatieve parkeerplaatsen hoger ligt dan het aantal parkeerplaatsen dat zal worden aangelegd, is geen parkeerplaatsentekort te verwachten, omdat ook gekeken moet worden naar de aanwezigheidspercentages. Het drukste moment voor het gehele plangebied is de zaterdagmiddag. Op de zaterdagmiddag gelden voor zowel bewoners als hun bezoekers een aanwezigheidspercentage van 60%, waardoor er dan 86 x 60% = 52 parkeerplaatsen nodig zijn. Het drukste moment voor de bezetting van de parkeerplaatsen voor de woningen zijn de avonduren op werkdagen: 90% bezetting bewoners en 80% bezetting bezoek. Dit leidt tot een parkeervraag van 64 x 90% = 58 parkeerplaatsen + 22 x 80% = 18, waardoor in totaal 76 parkeerplaatsen nodig zijn. Er worden 78 parkeerplaatsen aangelegd, waardoor er dus voldoende aanbod is voor de vraag. Het wijkwinkelcentrum: het winkelcentrum zal bestaan uit twee supermarkten, kleinere detailhandelwinkel, horeca en dienstverlening met een oppervlakte van maximaal 4.750 m². Gezien het programma en de omvang van het aantal vierkante meters, wordt dit beschouwd als een wijkwinkelcentrum. De parkeernorm bedraagt 3,0 parkeerplaatsen per 100 m² aan bruto vloeroppervlak (wijkwinkelcentrum restgebied). Het aantal benodigde parkeerplaatsen is 47,5 x 3,0 = 143 parkeerplaatsen. Er zullen voor de detailhandels/wijkwinkelcentrumfuncties 139 parkeerplaatsen worden aangelegd.

Dit zijn openbare/vrij toegankelijke parkeerplaatsen, waarbij dubbelgebruik mogelijk is. Hierdoor moet ook worden gekeken naar de in het parkeerbeleid opgenomen aanwezigheidspercentages. Supermarkten hebben op zaterdagmiddag een aanwezigheidspercen-tage van 100%. Op koopavonden (het op een na drukste moment) bedraagt het aanwezigheidspercentage 80%. Winkels anders dan supermarkten zijn niet bij de aanwezigheidspercentages genoemd, maar zullen met supermarkten gelijk worden gesteld. Er is maximaal 4.600 m² aan detailhandel toegelaten, wat leidt tot een parkeernorm van 46 x 3,0 x 100% = 138 parkeerplaatsen. De op een na zwaarste functie is horeca (voor de resterende 150 m²), met een aanwezigheidspercentage van 75% op zaterdagmiddag. Dit levert een parkeervraag van 1,5 x 3 x 75% = 4 parkeerplaatsen. De normatieve parkeervraag komt hierdoor op zaterdagmiddagen 138 + 4 = 142 parkeerplaatsen. Er worden 139 parkeerplaatsen aangelegd, waardoor er normatief 3 te weinig zijn. Direct grenzend aan het plangebied zijn aan de Ardechelaan (15 parkeerplaatsen) en de Franse Baan (26 parkeerplaatsen) 41 openbare parkeerplaatsen aanwezig. Deze parkeerplaatsen worden gebruikt door de bewoners van de nabij gelegen woningen. Op zaterdagmiddag geldt voor bewoners een aanwezigheidspercentage van 60%, waardoor 41 x 40% = 16 parkeerplaatsen vrij zullen zijn.

Hier kan het normatieve tekort van 3 parkeerplaatsen mee worden ingevuld en is sprake van een sluitende parkeerbalans.

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

51

Als wordt gekeken naar het op een na drukste moment, koopavond, dan geldt voor de detailhandel een aanwezigheidspercentage van 80% en voor horeca 95%. De parkeervraag komt dan op (46 x 3,0 x 80%) + (1,5 x 3,0 x 95%) = 115 parkeerplaatsen. Met de 139 aan te leggen parkeerplaatsen wordt dan ruimschoots voorzien in de parkeerbehoefte. Ook uit het parkeeronderzoek/parkeertellingen van "Groen Licht Verkeersadviezen", waarbij de resultaten geëxtrapoleerd zijn naar de nieuwe situatie, blijkt dat er in de nieuwe situatie voldoende parkeerplaatsen zullen zijn om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Hierdoor zijn over het algemeen geen parkeerproblemen te verwachten, al kan op zaterdagmiddagen de parkeerdruk als hoog worden ervaren (net zoals in de huidige situatie).

Fietsparkeren In zowel de Actualisatie Nota Parkeernormen (2019) als de Nota parkeernormen 2024 zijn eveneens de fietsparkeernormen geactualiseerd, waarop uitgebreider zal worden getoetst en gehandhaafd. Bij besluit van 20 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders als uitwerking van de Actualisatie Nota Parkeernormen (2019) de Kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen vastgesteld. Het succes van een fietsenstalling hangt sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid, sociale veiligheid en het comfort ervan. Er zijn voorbeelden van stallingen waar fietsers onvoldoende gebruik van maken, terwijl er in de omgeving toch grote behoefte aan fietsparkeerplaatsen is. De aanwezigheid van een fietsenstalling op zich is nog geen garantie dat hij goed wordt gebruikt. De belangrijkste kwaliteitseisen voor toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid zijn om die reden vastgesteld. In het plangebied dient ook voldoende stallingscapaciteit voor fietsers geboden te worden. De rekentool van de gemeente Eindhoven (resultaat, zie hieronder) geeft aan dat in de toekomstige situatie voor 801 fietsen een stallingsplaats geboden moet worden. Op het centrale plein zijn ruim 200 plekken voor fietsen voorzien, waarvan het grootste gedeelte in de nabijheid van de entrees van de twee supermarkten.

Ten behoeve van bezoekers van omwonenden zijn 35 plekken voor fietsen voorzien in de directe nabijheid van de entree van het wooncomplex. Ten behoeve van de bewoners van de nieuwe appartementen is er een collectieve fietsenberging voorzien in de plint. De fietsenberging biedt plaats aan 336 fietsen. Het aantal fietsenplaatsen komt overeen met de parkeernorm fietsparkeren, waar 3 fietsen per woning worden voorgeschreven. De fietsenberging heeft een entree direct aan het winkelplein en aan de gezamenlijke tuin van Cantershoef. Voor de bestaande bewoners van het Cantershoefcomplex zijn er geen veranderingen in het fietsparkeren en de bergingen. Het complex beschikt nu over een gezamenlijke fietsenberging. Deze blijft ongewijzigd.

52

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

3.8

Groen

3.8.1

Groenbeleidsplan

Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 is gemaakt met de veranderende rol van de overheid in het achterhoofd. Het voorziet in vier sporen "het verhaal van de stad", wat de waarde van groen is (functies als uitgangspunt), welke ambitie de gemeente daarmee heeft en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving als karakteristieke kwaliteit van Eindhoven. Een omgeving die leefbaar en klimaatadaptief is en een volwaardig vestigingsklimaat biedt voor Brainport. Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken.

Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het groenbeleidsplan. Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd. In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen en Nadere regels bomen) en de Regeling Groencompensatiefonds. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

53

Onderhavig plangebied is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als 'Stad, rood bepalend'. In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het oppervlak groen binnen deze categorie zou niet verder af moeten nemen. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Beleidsregel groencompensatie Op 13 maart 2018 is de 'Regeling Groencompensatiefonds' vastgesteld. Bij deze regeling hoort de 'Beleidsregel Groencompensatie'. Deze beleidsregel is bedoeld als afwegingskader bij aanvragen voor (ruimtelijke) ontwikkelingen die kunnen leiden tot aantasting van groen. Bij aantasting en verlies van groen is compensatie vereist, de Beleidsregel geeft hiervoor de richtlijnen.

3.8.2

Beleid bomen

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van bomen is vastgelegd in de Verordening Bomen 2021. Deze is op 6 april 2021 door de gemeenteraad vastgesteld en de verordening met bijbehorende regels is op 23 april 2021 in werking getreden. De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming is van toepassing op: - bossen die buiten de 'bebouwde kom Wnb' liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are; - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. Voor bomen geldt dus of de Wet natuurbescherming of de Verordening Bomen 2021. Voor het vellen van bomen dient, behoudens een aantal vrijstellingen, een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing. 54

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

Verordening Bomen 2021 In de Verordening Bomen 2021 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij kan ook nog worden gezorgd voor herplant van de te kappen bomen (compensatieplicht). De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen. Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig als:

bomen vanaf 45 cm stamomtrek op gemeentegrond of op particuliere percelen groter dan 250 m²; een houtopstand die voor de eerste keer wordt teruggesnoeid tot op de hoofdtakken of stam; een houtopstand, ongeacht de stamomtrek, die is aangelegd op grond van een herplant-, compensatie en/of instandhoudingsplicht op grond van artikel 6 of een overeenkomst met het college. voor het voorhanden of in voorraad hebben dan wel het vervoeren van een gekapte houtopstand of delen ervan met een plantenziekte is een omgevingsvergunning vereist, voor zover deze plantenziekte zich kan verspreiden is wel een vergunning nodig. Groene kaart Er is een groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven:

Groenstructuur van de gemeente Eindhoven (groene wiggen, groene dooradering en hoofgroenstructuur). Groenarme gebieden. Centrumgebied. Bebouwde komgrens Wet natuurbescherming. (Particuliere) percelen groter dan 250 m². De informatie op de groene kaart is nodig om: Te duiden waar de waardevolle bomen staan. Te duiden waar de monumentale bomen staan. Inzicht te geven in de Bebouwde komgrens wet natuurbescherming. Inzicht te geven in de gebieden waar een compensatiefactor geldt in het geval financiële compensatie aan de orde is, het centrumgebied en de groenarme gebieden.

Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.

Compensatieplicht bomen Door het kappen van bomen gaat groen verloren. Het weggevallen groen moet in beginsel worden gecompenseerd. Aan een omgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand (bomen) kunnen voorschriften worden verbonden. Onder andere kan een compensatieplicht worden opgelegd. In de Nadere regels Verordening bomen 2021 is bepaald wanneer een compensatieplicht ontstaat en hoe die wordt bepaald.

Nadere regels voor compensatie De Verordening is uitgewerkt in nadere regels voor compensatie. Deze zijn op 21 april 2021 vastgesteld door het college en op 23 april 2021 in werking getreden. Het college mag op basis van de Verordening bomen 2021 compensatie opleggen zoals uitgewerkt in de 'Nadere Regels voor compensatie'.

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

55

3.8.3

Plangebied

Het plangebied is een relatief stedelijke situatie met veel verhardingen voor rijden, parkeren en langzaam verkeer. De nieuwe opzet van gebouwen en openbare ruimte wordt in de nieuwe situatie veel sterker gerelateerd aan de groen- en waterstructuur van de woonwijk. Daarmee krijgt het bestaande groen ook betekenis voor het winkelgebied en het wonen. Een ‘balkon’ aan het water, met een verblijfsplek aan het water is daarvan een onderdeel. Dit ‘balkon’ en het bijbehorende terras van de horeca sluit ook direct aan op de langzaam verkeer verbinding via de brug over het water en voetpaden die langs het groengebied lopen. Om de verbinding in noord-zuid richting over het plein te vergroenen en het plein een sterke groene identiteit te geven is een robuuste ‘Groene Kern’ in het ontwerp opgenomen waar bomen en bloemrijke onderbeplanting in ruime plantvakken zijn voorzien. Deze beplanting begeleid ook de recreatieve route van de “groene Long’ naar de achterliggende woonwijk. Daarnaast worden er enkele nieuwe bomen geplant langs de waterkant. Door de nieuwe opzet van het parkeerterrein bij de sporthal worden ook hier nieuwe bomen voorzien, die in hagen tussen de parkeerplaatsen zijn opgenomen. Door de nieuwbouw en nieuwe opzet van de openbare ruimte zullen een aantal bomen moeten worden gekapt.

Enkele beeldbepalende en grotere bomen zijn waar mogelijk ingepast in het plan, er zijn echter ook een aantal bomen van slechte kwaliteit waarvan het niet zinvol is deze in te passen. Verwezen wordt naar de als bijlage 4 opgenomen Bomen Effecten Analyse van bureau Renders d.d. 8 juli 2020. Binnen de opgave zijn er ook vergroeningen op de daken en gevels voorzien. Enerzijds wordt op het parkeerdek waar mogelijk bakken met beplanting voorzien, en anderzijds is er een kleine daktuin met een groen daklandschap tussen de oudbouw en nieuwbouw van de woningen voorzien. Verder wordt waar mogelijk niet betreedbare dakvlakken voorzien van mos-sedum vegetatie, zowel om water te vertragen/vast te houden als ook om hittestress te verminderen. Als laatste wordt op meerdere plekken waar blinde gevels zijn, zowel bij bestaande als nieuwe gevels, de gevels vergroend met klimplanten. Op deze wijzen krijgt de gehele opgave een zo groen mogelijke uitstraling, en draag daarmee bij aan doelstellingen op het gebied van klimaatadaptatie, vergroten biodiversiteit maar ook een prettige leefomgeving. Volgens het gemeentelijk beleid is sprake van een groenopgave van 8 m2 per woning. Bij 112 nieuwe woningen, min de 14 te amoveren woningen, omvat deze opgave dus (98 x 8) 784 m2. In het plan is sprake van circa 600 m2 groen in de openbare ruimte en circa 1200 m2 daktuin c.q. groen dak.

Aldus wordt ruimschoot voldaan aan het gemeentelijk groenbeleid.

3.9

Detailhandel

Leegstaande winkelpanden en borden met ‘opheffingsuitverkoop’ en ‘leegverkoop’ sieren de Nederlandse winkelstraten. Door onder meer de economische crisis en de toenemende invloed van internetverkopen heeft de retailsector het erg moeilijk. Tegelijkertijd bieden de veranderingen in de sector ook nieuwe uitdagingen en mogelijkheden voor innovatieve concepten. Duidelijk is in ieder geval dat regionale afstemming steeds meer noodzakelijk wordt. Bovendien vraagt de provincie in de Verordening Ruimte om regionale afstemming en zijn regionale afspraken van belang voor de Ladder voor duurzame verstedelijking. Naar aanleiding hiervan heeft de Metropoolregio Eindhoven een detailhandelsvisie opgesteld. Hierin zijn de verschillende trends en ontwikkelingen en de gevolgen daarvan beschreven. Vervolgens is er een visie opgesteld, op basis waarvan concrete afspraken geformuleerd zijn. In de subregio’s is vervolgens gewerkt aan subregionale detailhandelsvisies. Deze visies bieden een kader, maar vragen wel nog om lokale verankering. Dat is gebeurd in de gemeentelijke Detailhandelsnota. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verschillende visies. 56

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

De gemeenteraad heeft op 15 december 2015 ingestemd met de regionale en subregionale visies. In diezelfde raadsvergadering is ook de gemeentelijke detailhandelsnota vastgesteld. Deze is op 2 november 2016 gepubliceerd.

3.9.1

Regionale detailhandelsvisie Metropoolregio Eindhoven

De detailhandelswereld is de laatste jaren sterk veranderd. Er zijn een aantal belangrijke trends en ontwikkelingen die daaraan ten grondslag liggen: de economische crisis, toename internetdetailhandel, vergrijzing, huishoudenssamenstelling, veranderend consumentengedrag, het verdwijnen van supermarkten en andere voorzieningen (zoals banken, bibliotheken etc.) in centra en branchevervaging. Deze trends en ontwikkelingen hebben grote gevolgen voor het winkellandschap. Goed voorzieningenniveau Het doel van de regionale detaihandelsvisie is om een goed voorzieningenniveau voor de inwoners van de regio te creëren. De detailhandelsstructuur in de regio is opgebouwd uit verschillende lagen. Het centrum van Eindhoven en Ekkersrijt vormen de top van de piramide. Beiden hebben een bovenregionaal verzorgingsgebied. De tweede laag van de piramide bestaat uit regionaal en bovenlokaal verzorgende centra. Deze centra hebben een belangrijke functie in de subregio of voor de omliggende gemeenten. Daarna volgen de grote en kleine kernverzorgende centra, de belangrijkste winkelcentra in de kernen met een lokaal verzorgingsgebied. De onderste laag van de piramide zijn de wijk- en buurtcentra (inclusief kerkdorpen). Naast alle centra zijn er in de regio diverse PDV-locaties. Op Ekkersrijt en de Engelseweg na hebben deze locaties veelal een lokaal verzorgingsgebied.

Detailhandelsstructuur Metropoolregio Eindhoven

Specifieke thema's Op drie regionale thema’s is specifiek ingezoomd. Het gaat om supermarkten, internetdetailhandel en marketing. Supermarkten zelf hebben de voorkeur voor een vestigingsplaats aan de rand van een centrum of net buiten het centrum. Echter, een gevarieerd aanbod in een centrum is van groot belang voor de levensvatbaarheid van het vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

57

centrum. Daarom is het essentieel om supermarkten zoveel mogelijk in centra te vestigen of te behouden. Daarbij is het wel van belang dat de overheid de supermarkten zo goed mogelijk faciliteert (bijvoorbeeld bij parkeren, goede bereikbaarheid of een slimme oplossing voor een uitbreidingsvraag). Internetdetailhandel kent allerlei (verschijnings)vormen met verschillende ruimtelijke consequenties. In de visie wordt ingegaan op deze vormen en aangegeven waar deze het beste gevestigd kunnen worden (zie de regionale afspraken die hieronder zijn beschreven). Tot slot het thema marketing. Gemeenten moeten niet allemaal hetzelfde willen zijn, maar een statement maken en dat ook met trots uitdragen. Vervolgens is het goed om evenementen en activiteiten aan te bieden die passen bij het profiel en het ook kunnen versterken. Regionale afspraken Op basis van de trends en ontwikkelingen en de visie, zijn in de detailhandelsvisie regionale afspraken geformuleerd. In de subregionale detailhandelsvisies worden deze afspraken nader uitgewerkt.

Detailhandel wordt geconcentreerd in bestaande winkelgebieden (ruimtelijke concentratie) om zo de hoofdstructuur te behouden en te versterken; Nieuwe detailhandelsontwikkelingen moeten passen bij het verzorgingsgebied en aantoonbaar kwaliteit toevoegen en de structuur versterken; Nieuwe detailhandelsontwikkelingen vinden in principe alleen plaats in de concentratiegebieden of op plekken waar dat voor de leefbaarheid noodzakelijk is; Supermarkten worden gerealiseerd in of aan de rand van bestaande winkelgebieden; Solitaire supermarkten op bedrijventerreinen of perifere detailhandelslocaties zijn niet toegestaan; Perifere detailhandel (PDV) met een bovenlokale impact wordt geclusterd op bestaande locaties.

Er worden in principe geen nieuwe PDV-locaties met een bovenlokale functie toegevoegd; Er komt geen Retail Park of mega mall in de regio; Internetwinkels zonder fysieke bezoekmogelijkheid voor de consument zijn toegestaan op bedrijventerreinen (passen in reguliere bestemming); Zuivere afhaalpunten (pick-up points) worden geconcentreerd op bestaande detailhandelslocaties of op een kruispunt van passanten; Internetwinkels met een fysieke bezoekmogelijkheid en een showroom worden gezien als reguliere winkels en worden gerealiseerd op een bestaande detailhandelslocatie; Ontwikkelingen met een bovenlokale impact worden subregionaal afgestemd (nader gespecificeerd in subregionale detailhandelvisies), ontwikkelingen met een regionale impact worden regionaal afgestemd.

3.9.2

Detailhandelsvisie Stedelijk Gebied Eindhoven

In de detailhandelsvisie van de subregio Stedelijk Gebied Eindhoven wordt gestreefd naar een sterke, vitale en dynamische detailhandelsstructuur. Het beleid is gericht op het versterken van de bestaande detailhandelsstructuur. Nieuwe vestigingslocaties voor detailhandel mogen niet ten koste gaan van de bestaande (perspectiefrijke) winkelgebieden.

58

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

Detailhandelsstructuur Stedelijk Gebied Eindhoven

Het regionaal detailhandelsbeleid streeft naar een heldere en evenwichtige voorzieningenstructuur, waarbij onderscheid en complementariteit van winkelgebieden centraal staan. Dit houdt in dat detailhandel zoveel mogelijk wordt geclusterd in winkelgebieden en verspreide bewinkeling wordt afgebouwd. Dit geldt ook voor grootschalige winkels zoals tuincentra en bouwmarkten. Indien deze ruimtelijk niet inpasbaar zijn, dan is vestiging buiten de aangewezen winkelgebieden in regionaal verband bespreekbaar. De afwegingen voor het al dan niet toestaan van nieuwvestiging van een tuincentrum of bouwmarkt is gericht op de consumentenverzorging in het verzorgingsgebied. De hoofdwinkelgebieden hebben allemaal een eigen functie in de structuur. Aard, omvang en samenstelling van het aanbod zijn afgestemd op de verzorgingsfunctie. De binnenstad van Eindhoven moet streven naar het toevoegen van het topsegment om haar positie te verstevigen. Perifere concentraties hebben een complementair en aanvullend aanbod ten opzichte van de centrumvoorzieningen en buurt- en wijkvoorzieningen. Verbreding van het aanbod is niet het uitgangspunt. Uitzondering hierop is de locatie Ekkersrijt. De consument verwacht in dit winkelgebied een compleet aanbod op het gebied van ‘in en om het huis’. Ekkersrijt dient uit te groeien tot één van de leidende perifere winkelconcentraties in Nederland.

De komst van een Retail Park (Mega Mall) in de regio is niet wenselijk. Een dergelijke ontwikkeling heeft een verstorend effect op de bestaande structuur en ondermijnt de ontwikkelingskansen van andere clusters. Internetafhaalpunten voor consumenten (met of zonder showroom) kunnen bestaande winkelgebieden versterken en worden daarom zoveel mogelijk in of aansluitend aan deze gebieden gesitueerd. Nieuwe initiatieven Het Rijk heeft de "Ladder voor duurzame verstedelijking" in het leven geroepen om nieuwe stedelijke ontwikkelingen aan te toetsen. In de regionale detailhandelsvisie is ook een soort 'ladder' opgenomen voor nieuwe initiatieven. Aan nieuwe winkelontwikkelingen wordt in principe meegewerkt als: 1. de initiatiefnemer kan aantonen dat het initiatief een meerwaarde heeft voor de lokale en/of regionale detailhandelsstructuur. vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

59

2. aangetoond kan worden dat het initiatief resulteert in een versterking van de bestaande detailhandelslocaties. Wanneer dit niet het geval is, dient nadrukkelijk beargumenteerd te worden of er sprake is van meerwaarde en waarom het initiatief niet in- of aangrenzend aan een bestaand winkelgebied kan worden gefaciliteerd. De argumenten dienen van ruimtelijke aard te zijn, bijvoorbeeld grootschaligheid/ ruimtelijke inpassing, bereikbaarheid en parkeren en bevoorrading. 3. aangetoond kan worden dat het initiatief geen (blijvende) negatieve effecten heeft op de bestaande detailhandelsstructuur en/of in het beleid aangegeven ontwikkeling daarvan. Wanneer er op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau ingestemd wordt met een initiatief, dient het initiatief onderbouwd te worden op basis van ruimtelijke ordening relevante criteria (in de ruimtelijke onderbouwing). De ladder en de criteria zijn in regionale detailhandelsvisie uitgebreid beschreven.

3.9.3

Detailhandelsnota gemeente Eindhoven

Op 15 december 2015 is de Eindhovense detailhandelsnota “Wie kiest, wordt gekozen” vastgesteld. Zoals hiervoor beschreven heeft de detailhandelssector te maken met veel veranderingen. De veranderingen raken de consument, de ondernemer en de vastgoedeigenaar. Het is zaak om uit deze veranderingen een positieve impuls te halen. De veranderende markt zorgt immers ook voor nieuwe kansen die goede winkelgebieden verder kunnen versterken. Zeker voor een stad als Eindhoven is het belangrijk om gewenste initiatieven een plek te geven binnen de structuur. In de detailhandelsnota worden duidelijke keuzes gemaakt over waar welke vormen van detailhandel zijn toegestaan en waar niet. In de nota wordt eerst ingegaan op verschillende onderdelen. Vervolgens wordt per stadsdeel de positie en het perspectief van alle winkelcentra beschreven.

3.9.4

De detailhandel in het plangebied

De ontwikkeling waarmee wordt gekomen tot een verplaatsing van de dagwinkels, de beperkte uitbreiding van de bestaande supermarkt, de vestiging van een nieuwe (budget) supermarkt kan gezien worden als een versterking van het winkelcentrum, e.e.a. zoals nader beschreven in bijlage 1. Er wordt geconcludeerd dat de detailhandelsinvulling zoals vervat in onderhavig bestemmingplan in overeenstemming is met het detailhandelsbeleid.

3.10

Kabels, leidingen

Planologisch relevante leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden bestemd. Tevens moeten relevante zones worden aangegeven, waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Daarnaast moeten optisch vrije paden in het bestemmingsplan worden opgenomen. Binnen het plangebied liggen geen hoofdtransportleidingen en straalpaden die vanuit ruimtelijk oogpunt relevant zijn voor verwerking in het bestemmingsplan. Binnen het plangebied bevinden zich geen onder- of bovengrondse hoogspanningsleidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied ontbreken dergelijke leidingen. 60

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

3.11

Hoogbouwvisie

Hoogbouwbeleid In de notitie 'De derde dimensie van een laagbouwstad, Hoogbouwvisie Eindhoven' (Gemeente Eindhoven, vastgesteld door de Raad in haar vergadering van 16 december 2008) is het hoogbouwbeleid van de gemeente Eindhoven vastgelegd. Het doel van de notitie is het vormen van een afwegingskader voor nieuwe hoogbouwprojecten. Het hoogbouwbeleid levert een bijdrage aan de doelstellingen van het raadsprogramma Ruimtelijke Kwaliteit. Het beleid is bindend voor besluitvorming en visieontwikkeling, maar heeft geen juridische status (dat ligt vast in bestemmingsplannen). Het is allereerst een toetsingskader waarmee de wenselijkheid van hoogbouw kan worden bepaald. Hoogbouw is een vorm van intensief ruimtegebruik en levert een belangrijke bijdrage aan de manier hoe de stad omgaat met de verstedelijkingsdruk. Eindhoven wil het beste van twee werelden zijn. Aan de ene kant is Eindhoven een dynamische stad, die prikkelt en stimuleert; aan de andere kant is Eindhoven een stad waar het goed en rustig wonen is, met volop groenvoorzieningen. Het is daarom belangrijk dat gebieden in de stad zich sterk van elkaar onderscheiden om daarmee die diversiteit te waarborgen. Vanuit die visie bezien moeten duidelijke keuzes worden gemaakt over de gebieden waar hoogbouw wel of niet wordt toegestaan.

Dit is sterk afhankelijk van externe factoren en de bereikbaarheid per auto en openbaar vervoer speelt een bepalende rol. Een belangrijke functie wordt toegedicht aan de HOV-lijnen. Qua hoogbouw wordt in de Hoogbouwnota wordt onderscheid gemaakt tussen hoogbouw in de S-categorie (buurtaccenten tot vijf lagen hoog), de M-categorie (structuurdragende hoogbouw tot 45 meter), de L-categorie (stedelijke oriëntatiepunten tot ongeveer 75 meter), de XL-categorie (regionale landmarks, torengebouwen zichtbaar van buiten de stad tot 105 meter) en de XXL-categorie (gebouwen hoger dan 105 meter). Gebouwen in de M-categorie zijn met name te vinden in Woensel langs de radialen, maar ook in en rond buurtwinkelcentra.

Het plangebied c.q. bouwplan Het plan bestaat uit laagbouw (één bouwlaag, de winkels) bestaande middelhoge woongebouwen van 5 bouwlagen en een nieuwe woontoren van 13 bouwlagen (hoogte dakrand circa 43 m¹, hoogte afscherming installaties 2 m¹, derhalve totale bouwhoogte 45 m¹). Met deze ontwikkeling kan invulling worden gegeven aan de wens tot concentratie van bebouwing op de hiervoor objectief bezien in aanmerking komende locaties ook buiten de ring c.q. het centrum van Eindhoven. De locatie ligt in het hart van de wijk Achtse Barrier en kenmerkt zich door de ligging aan de groene long, die zorgt voor een hoge woonkwaliteit. Daarnaast ligt het winkelcentrum in de directe nabijheid en door de ligging bij de Fransebaan, is de bereikbaarheid zeer goed. Door deze vorm van bebouwing wordt tevens gezorgd voor aanvullende woningen in specifiek aangewezen segmenten om te kunnen voldoen aan de woningbouwopgave die Eindhoven zichzelf heeft gestel, waarbij door toepassing van enige hoogbouw voldoende ruimte overblijft voor vergroening op maaiveld.

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

61

3.12

Windhinder, privacy en bezonning

3.12.1

Windhinder

In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Op basis van artikel 3.1. Wro dient in het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening echter bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar te worden meegenomen in de afwegingen, indien aard of omvang van de bebouwing en van de omgeving hiertoe aanleiding geeft. In 2006 is de privaatrechtelijke norm NEN 8100 ‘Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’ uitgekomen. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD-onderzoek. Daarnaast wordt een beoordelingsmethodiek van windhinder en windgevaar. Hierbij wordt gewerkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed). Daarnaast is een toetsingskader ten aanzien van windgevaar uitgewerkt. Door Nelissen ingenieursbureau b.v. is een eerste scan op windhinder en windgevaar uitgevoerd. In deze scan is onderzocht wat kritische gebieden zijn in het ontwerp met betrekking tot windhinder en windgevaar.

Daarbij is op basis van ‘NEN 8100 - Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving’ onderzocht of de kans op windhinder dusdanig groot is dat aanvullend onderzoek middels een windtunnel of een CFD onderzoek noodzakelijk is ter bepaling van maatregelen, e.e.a. op basis van de volgende aspecten: - geografie - lokale situatie – windgevoeligheid. De rapportage is als bijlage 5 bij deze toelichting is opgenomen. Als conclusie wordt aangegeven: Voor de winkels wordt voldaan aan alle voorwaarden van Beslismoment 1, waardoor windhinderonderzoek niet als noodzakelijk wordt beschouwd. De woongebouwen liggen in de directe invloedsfeer van de maatgevende zuidwesten wind. Uitgaande van de geografie, lokale situatie en gebouwconfiguratie is de kans op windhinder in de windgevoelige gebieden voldoende klein. Om de kans op winderhinder verder te beperken kan er gekozen worden om op windgevoelige posities (plaatselijke) maatregelen te treffen. Voor balkons en de buitenruimten op de hoeken van de woongebouwen (met name de woontoren) wordt geadviseerd om deze plaatselijk af te schermen. Rondom de woontoren wordt een hogere windsnelheid verwacht door de gebouwhoogte van 40 m. De gebiedsactiviteiten rondom de woontoren zijn slentergebied en langdurig verblijven. Om eventuele windhinder te voork omen kan er voor dit gebied gekozen worden voor plaatselijke afscherming.

Het terras van de ontmoetingsruimte van Cantershoef (ten zuiden van de woontoren), is aangegeven als een gebied voor langdurig verblijven (gebied III conform de NEN 8100). Voor dit soort terrassen worden bij voorkeur strengere comforteisen gehanteerd dan omschreven in NEN 8100. Er is kans op verhoogde windsnelheden ter plaatse van dit terras. Hier dient aanvullend aandacht aan besteedt te worden. Gedacht kan worden aan windafscherming door middel van een luifel en/of windschermen. Om per maatgevende positie exact het kanspercentage te bepalen is verder onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek k an een windtunnelonderzoek, waarbij een maquette in de windtunnel wordt geplaatst, zijn of CFD (Computional Fluid Dynamics) berekening zijn, waarbij windstromingen worden gevisualiseerd en gekwantificeerd aan de hand van CFD computersimulaties. Aldus is aanvullend onderzoek in het kader van de te verlenen omgevingsvergunning bouw noodzakelijk. De resultaten zullen moeten worden getoetst aan de lokale beleidsregels voor windhinder die de gemeente Eindhoven d.d. 26-05-2020 heeft vastgesteld. Hierna kan bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende voorzieningen nodig zijn voor een comfortabel 62

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

windklimaat. Middels een voorwaardelijke verplichting in de regels is het aspect windhinder hiertoe geborgd. Conclusie in deze bestemmingsplanfase is dat het aspect windhinder de totstandkoming van dit bestemmingsplan niet in de weg staat.

3.12.2

Privacy en bezonning

Privacy en uitzicht In een stedelijk gebied als waarvan het plangebied onderdeel uitmaakt is een beperking van privacy en vrij uitzicht als gevolg van nieuwe ontwikkelingen inherent aan verdichting. Door toevoeging van het woongebouw is voor bepaalde bestaande woningen mogelijk sprake van enige beperking van privacy en/of uitkijk. De positionering van het hogere woongebouw is echter dusdanig dat bestaande bebouwing nergens onevenredig negatief wordt beïnvloed. Van privaatrechtelijke belemmeringen is geen sprake en het voorgenomen hoogteaccent is evenmin een onverwachte ontwikkeling. Gelet op de afstanden tussen nieuwbouw en bestaande bebouwing en gezien de aard van de stedelijke omgeving zal geen sprake zijn van een onaanvaardbare aantasting van de privacy. Bezonning Door Nelissen ingenieursbureau b.v. is onderzoek gedaan inzake de bezonning, zoals hier opgenomen als Bijlage 6 bij deze toelichting. Er zijn geen wettelijke eisen waaraan de bezonning of beschaduwing ten gevolge van een nieuw te bouwen gebouw dient te voldoen. Gemeentelijk beleid is dat bij omliggende woningen minimaal 2 uur zonneschijn per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober aanwezig dient te zijn op de gevel, ter hoogte van het midden van de vensterbank van het raam van de woonkamer. Per woning mag de bezonning op voor-, achter- en zijgevels worden opgeteld.

Dit komt overeen met de zogenaamde ‘lichte’ TNO norm. In voormelde rapportage is de lichte norm uit de TNO richtlijn voor bezonning als toetsingskader gehanteerd. Uit de resultaten van de bezonningsstudie waarbij 19 februari en 21 oktober zijn beschouwd, blijkt dat alle meetpunten de gewenste 2 bezonningsuren behalen. Dit betekent dat de beschaduwing door de nieuwbouw niet leidt tot een onacceptabele situatie voor de bestaande woningen.

3.13

Explosieven

Aan de hand van uitgebreid historisch archiefonderzoek is voor Eindhoven geïnventariseerd welke locaties mogelijk kans hebben op de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven (zogenaamde blindgangers). Voor de gebieden die 'explosieven-verdacht' zijn wordt een nader onderzoek gewenst geacht. Uit zo'n nader onderzoek moet dan blijken of een feitelijk explosieven onderzoek nodig is. Uit onderstaande afbeelding uit de atlas van de ondergrond van de gemeente Eindhoven blijkt dat de locatie geen verdachte locatie is voor wat betreft CE. Aldus is in het kader van dit bestemmingsplan specifiek CE-onderzoek niet noodzakelijk en is de conclusie dat het aspect CE de totstandkoming van dit bestemmingsplan niet in de weg staat.

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

63

64

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 4

4.1

Milieuparagraaf

Milieueffectrapportage

Met een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden de milieugevolgen van een plan in beeld gebracht. De m.e.r. is gebaseerd op Europese regelgeving. In Nederland is de m.e.r. geregeld in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r.. De Wm gaat vooral in op de procedure en de inhoudsvereisten. In het Besluit m.e.r. is geregeld in welke gevallen een m.e.r. moet worden opgesteld. Bij het Besluit m.e.r. is een bijlage opgenomen waarin de criteria voor een m.e.r.-plicht (onderdeel C) en een m.e.r.-beoordelingsplicht (onderdeel D) staan. Een beoordelingsplicht houdt in dat moet worden nagegaan of er sprake is van (mogelijke) belangrijke milieugevolgen. Als deze niet kunnen worden uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. De onderdelen C en D zijn onderverdeeld in 4 kolommen:

Kolom 1: de activiteit zelf Kolom 2: drempelwaarden activiteit Kolom 3: de kaderstellende plannen (zoals een bestemmingsplan) Kolom 4: de besluiten De drempelwaarden van activiteiten die zijn opgenomen in onderdeel D zijn indicatief. Indien een activiteit wordt genoemd in onderdeel D, maar beneden de drempelwaarde van kolom 2 valt, moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden. Dit geldt zowel voor kaderstellende plannen, zoals een bestemmingsplan, als voor besluiten. In dit kader zijn met name 11.2 onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. van belang. Het gaat daarbij om:

D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen; Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aan de hand van de volgende aspecten te worden beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben: 1. de kenmerken van de activiteit (aard, omvang, cumulatie met andere ontwikkelingen); 2. de locatie van de activiteit (kenmerken van het plangebied en de kwetsbaarheid van de omgeving); 3. de mogelijke gevolgen van de activiteit. De uitgevoerde onderzoeken (bodem, luchtkwaliteit, archeologie en cultuurhistorie, externe veiligheid) tonen aan dat het realiseren van woningen op de locatie voldoet aan de wettelijke eisen en een verantwoorde situatie inhoudt vanuit milieuoogpunt. Om de flora en fauna voldoende bescherming te bieden is op basis van het ter zake uitgevoerde onderzoek een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels behorende bij dit bestemmingsplan. Daarmee worden eventuele effecten voorkomen. Uit deze - hier als bijlage 7 opgenomen - beoordeling volgt dat negatieve effecten voor het milieu zijn uit te sluiten. Een MER is niet noodzakelijk. De beslissing op de vormvrije m.e.r.-beoordeling is voorafgaand aan het vrijgeven van het ontwerpbestemmingsplan genomen.

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

65

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijven en/of inrichtingen in het plangebied zijn toegestaan. Dit houdt in dat er voldoende ruimtelijke scheiding moet zijn tussen milieubelastende bedrijven/inrichtingen en woongebieden. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. In deze brochure worden richtafstanden gegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt een kortere afstand dan bij een rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot gemengd gebied.

4.2.1

Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze staat is gebaseerd op bovengenoemde VNG - brochure. In deze staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met potentiële milieuemissies. Op grond van deze staat wordt een beleidsmatige selectie gemaakt van die bedrijfsactiviteiten die in het plangebied worden toegestaan. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI -codes) in deze staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elke ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven. Deze afstand moet in beginsel worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (veelal woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op het omgevingstype 'rustige woonwijk'; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand. categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.

Voor dit bestemmingsplan is de staat van bedrijfsactiviteiten van de VNG aangepast. Bedrijven die in het algemeen vanwege de aard van de activiteiten niet passend zijn op een bedrijventerrein, zijn niet in de staat van bedrijfsactiviteiten opgenomen (denk bijvoorbeeld aan bioscopen, dierentuinen, sporthallen, kantoren, etc.). Daarnaast worden bedrijven die gezien hun aard en activiteiten niet in onderhavig plangebied thuishoren en/of voor kunnen komen, uitgesloten (bijvoorbeeld visserij- en visteeltbedrijven, aardolie- en gaswinning, etc.). Vervolgens is een selectie gemaakt van de bedrijven behorende tot de voor het plangebied, al 66

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

dan niet met ontheffing, toegelaten milieucategorie (categorieën 1 t/m 4.2).

4.3

Geluid

4.3.1

Normstelling

De normstelling voor geluid is geregeld in de Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en de Wet luchtvaart. Het betreft normen voor industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Er wordt uitgegaan van voorkeursgrenswaarden, waarvan in een aantal gevallen met ontheffing tot een bepaalde maximum hoogte, mag worden afgeweken. De normstelling heeft tot doel nieuwe geluidhindersituaties en daarmee gezondheidsschade te voorkomen. Om dit doel te bereiken worden zones gedefinieerd, waarbinnen plannen met geluidgevoelige bestemmingen moeten worden getoetst aan de normen. Volgens de Wet geluidhinder gelden er voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. Bij de voorkeursgrenswaarde mag worden verondersteld dat het percentage gehinderden beperkt is. Wanneer een maximale ontheffingswaarde wordt overschreden dan is er sprake van een locatie die in beginsel niet geschikt is voor de vestiging van een geluidgevoelige bestemming. Bij plannen met geluidbelastingen in de bandbreedte tussen voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde moet er een nadere afweging worden gemaakt in hoeverre bronen/of overdrachtmaatregelen kunnen worden getroffen om de geluidbelastingen te beperken. Voorbeelden van bronmaatregelen zijn een stiller wegdek en een verlaging van de snelheid bij auto's. Geluidschermen en geluidwallen zijn voorbeelden van overdrachtsmaatregelen.

4.3.2

Geluidsbronnen

Wegverkeerslawaai Het plan is enkel gelegen binnen de invloedssfeer van de Marnestraat - Ardèchelaan Auvergnelaan - Fransebaan en Cotentinlaan, zijnde wegen met een snelheidsregime van 30 km/u. Deze wegen en woonerven hebben volgens de Wet geluidhinder geen zone, zodat hiervoor geen hogere waarden kunnen worden aangevraagd of verleend. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient wel te worden beoordeeld of de geluidbelasting op de gevels van nieuwe woningen nabij wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur voldoet aan de voorkeursgrenswaarden van 48 dB. Railverkeerslawaai Het plan ligt niet in de zone van de spoorlijn Eindhoven-Boxtel, met een zonebreedte aan weerszijden daarvan van 600 meter en dus hoeft het aspect railverkeerslawaai niet te worden onderzocht. De afstand tot deze spoorlijn bedraagt circa 2000 meter. Luchtvaartlawaai Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 4.5 km van de luchthaven Eindhoven. Het plangebied ligt niet binnen de vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren. Luchtvaartlawaai werkt derhalve niet belemmerend voor onderhavig plangebied. Industrielawaai Het plan ligt niet in de zone van een industrieterrein in de zin van de Wet geluidhinder, waarop de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers is toegestaan. Detailhandel Het meest relevante milieuaspect betreffende de detailhandel in het plangebied is geluid.

Geluidemissie naar de omgeving wordt veroorzaakt door verkeersbewegingen van en naar de inrichting, zowel personenauto’s als vrachtverkeer (laden en lossen), het gebruik van winkelwagentjes en door installaties op het dak, zoals koelcondensoren, vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

67

luchtbehandelingskasten, e.d.

4.3.3

Toetsing bouwplan

Wegverkeerslawaai Nu in het voorliggend bestemmingsplan diverse woningen als geluidgevoelige bestemmingen zijn opgenomen is door Nelissen ingenieursbureau BV akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De uitkomsten van en aanbevelingen uit dit onderzoek zijn als bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Het plan is enkel gelegen binnen de invloedssfeer van wegen met een snelheidsregime van 30 km/u. De cumulatieve geluidbelasting van deze wegen is berekend, zodat bezien kan worden of aanvullende geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn. De cumulatieve geluidbelasting Lden bedraagt maximaal 52 dB (exclusief aftrek art. 110g Wgh) ter plaatse van de noordwestgevel van de woontoren. Conform artikel 3.3. van het Bouwbesluit dient de karakteristieke geluidwering van de gevel van de woonfunctie niet kleiner te zijn dan het verschil tussen de geluidbelasting op de gevel, in dit geval maximaal 52 dB, en de grenswaarde voor de geluidbelasting in het verblijfsgebied van een woonfunctie, 33 dB. Dit betekent dat in deze situatie de karakteristieke geluidwering van de gevel 19 dB dient te zijn. Daarnaast geldt conform artikel 3.2. van het Bouwbesluit de minimale, standaard eis ten aanzien van de karakteristieke geluidwering van de gevel van 20 dB(A). Bij toepassing van gebruikelijke materialen in de gevel zal voldaan worden aan deze minimale eis.

Aanvullende geluidwering gevelberekeningen zijn dan niet noodzakelijk in onderhavige situatie. Detailhandel Nu in het voorliggend bestemmingsplan naast diverse woningen ook een winkelbestemming is opgenomen is door Nelissen ingenieursbureau BV akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de inpasbaarheid van beide functies. De uitkomsten van en aanbevelingen uit dit onderzoek zijn als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Als conclusie wordt aangegeven: Met behulp van een akoestisch rekenmodel is aangetoond dat de geluiduitstraling ten gevolge van de installaties en de winkelwagens van het winkelhart Achtse Barrier te Eindhoven voldoet aan alle eisen die worden gesteld binnen het Activiteitenbesluit. Aanvullend hierop is ook het vrachtwagengeluid nader onderzochtGeluidonderzoek. Het langtijdgemiddelde geluidniveau voldoet (met inbegrip van de laad- en losactiviteiten) aan de eisen zoals gesteld in het Activiteitenbesluit. Voor de piekniveaus geldt dat deze op een aantal locaties (zowel bestaande als nieuwbouw woningen) de eisen overschrijden, maar dat het voorkomen van deze piekniveaus zeer beperkt is. Deze piekniveaus zijn namelijk afkomstig van de vrachtwagens van de discount supermarkt en de nieuwe commerciële ruimten in de plint van blok C.

Deze geluiden vallen naar alle waarschijnlijkheid weg in de rest van het omgevingsgeluid in dit stedelijke gebied, zoals het komen engaan van de personenauto's in de straat. De piekgeluiden vinden enkel plaats in de dagperiode en zijn zeer kortdurend (< 1 minuut). Bovendien is het een worst-case scenario door de aangehouden aantallen vrachtwagens op een dag en omdat gerekend is met geluidpiekvermogen zoals deze in het verleden gemeten zijn bij vrachtwagens. Naar verwachting zijn vrachtwagens van de huidige generatie stiller.Hoewel de maximale geluidniveaus op enkele punten worden overschreden en het geluid waarneembaar zal zijn in de woning, heeft de overschrijding gelet op voornoemde argumenten geen invloed op het woon- en leefklimaat. 4.3.4

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgestane invulling van het plangebied c.q. totstandkoming van het onderhavige bestemmingsplan.

68

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Hoofdstuk 5 (met name onder titel 5.2) van de Wet milieubeheer bevat bepalingen over luchtkwaliteit. Dit hoofdstuk voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Dit gebeurt zodanig dat voldaan wordt aan de daartoe gestelde normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Hierdoor kunnen ruimtelijke ontwikkelingen doorgang vinden, terwijl ondertussen maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Sinds 1 januari 2015 moet voldaan worden aan de Europese grenswaarden: voor stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m³, voor fijnstof (PM10) geldt een jaargemiddelde van 40 microgram/m3 en een daggemiddelde van 50 microgram/m³. Het daggemiddelde mag jaarlijks maximaal 35 keer worden overschreden. Voor zwevende deeltjes (PM2,5) geldt met ingang van 1 januari 2015 een blootstellingsconcentratieverplichting van ten hoogste 20 microgram per m³, gedefinieerd als gemiddelde blootstellingsindex.

4.4.2

Besluit niet in betekenende mate bijdragen

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn voor bepaalde categorieën projecten grenzen vastgesteld. Op grond daarvan kan worden gesteld dat deze een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) leveren aan de luchtverontreiniging. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor:

woningbouwlocaties die niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 1 ontsluitingsweg; woningbouwlocaties die niet meer dan 3000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; kantoorlocaties die niet meer dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 1 ontsluitingsweg en kantoorlocaties die niet meer dan 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte omvatten bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden en moet worden getoetst aan de normen. Samengevat Kort samengevat dienen nieuwe plannen te worden beoordeeld op basis van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen mits:

er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

69

4.4.3

Besluit gevoelige bestemmingen

Met deze Algemene Maatregel van Bestuur wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het 'Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)' is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Het besluit is gericht op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor stikstofdioxide en fijnstof. Het gaat met name om kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is als een 'gevoelige bestemmingen' wordt mogelijk gemaakt. Voor rijkswegen geldt een zone van 300 meter aan weerszijden en langs provinciale wegen 50 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als 'gevoelige bestemming': scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. Van doorslaggevend belang is de (voorziene) functie van het gebouw en het bijbehorende terrein. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als gevoelige bestemming gezien.

In aanvulling op het Besluit gevoelige bestemmingen is er een Brabantse “Handreiking gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit” opgesteld (maar in Eindhoven (nog) niet vastgesteld). Deze Handreiking heeft als uitgangspunt geheel nieuwe bestemmingen voor kinderen en ouderen (conform de AmvB gevoelige bestemmingen) niet te situeren binnen 50 meter van de wegrand van drukke gemeentelijke wegen (als eerstelijns bebouwing) of binnen 300 meter van snelwegen, ongeacht de berekende concentraties.

4.4.4

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient op basis van artikel 3.1. Wro altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg. In het algemeen is het verstandig om terughoudend te zijn met de vestiging van gevoelige bestemmingen nabij drukke (snel)wegen. De Gezondheidsraad concludeert niet voor niets dat ook bij concentraties beneden de grenswaarden gezondheidsschade kan optreden.

4.4.5

Planbeschrijving en toetsing

Het programma dat in het plangebied zal worden gerealiseerd omvat de realisatie van circa 112 extra woonappartementen. Deze hoeveelheid woningen is fors lager dan de getalsmatige begrenzing (1500 woningen) voor “niet in betekende mate” woningbouwprojecten. Het realiseren van de commerciële ruimtes is niet in te delen in één van de genoemde categorieën van ‘niet in betekenende mate’. Er is een NIBM-tool ontwikkeling waarmee de bijdrage van een ruimtelijk plan aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Voor het gebruik van de NIBM-tool is het aantal voertuigbeweringen en het aandeel aan vrachtverkeer benodigd. Zoals hiervoor beschreven in paragraaf 3.7.3 is sprake van extra voertuigbewegingen vanwege de ontwikkeling. Per saldo is sprake van 1.550 m² aan extra detailhandelsruimte. In de berekening van de verkeersgeneratie voor de nieuwe supermarkt is uitgegaan van de gemiddelde verkeersgeneratie conform CROW publicatie 381 voor een fullservice supermarkt in matig stedelijk gebied rest bebouwde kom, zijnde 113 mvt/etmaal per 100 m². Uitgaande van 1.550 m² extra oppervlakte is er aldus sprake van 1.751 extra mvt/etmaal. 70

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16114613/1