Bijlage 4b - Bijlage bij belangenafweging - Ecohydrologisch onderzoek
Tekst van het document
Daarnaast zijn vooral broekbossen (als natuurdoeltype onder andere rivier en beekbegeleidend bos en vochtig bos met productie) maar überhaupt bossen relatief minder kwetsbare natuurtypes voor stikstofdepositie. Vermoedelijk heeft beheer voor het verlagen van de stikstof in het gebied geen toegevoegde waarde. Ruimtelijke condities Het gebied heeft een lage score voor oppervlakte en samenhang. Hoewel de kwaliteit hiervan verbeterd zou kunnen worden door vergroening van de omgeving, valt dit buiten de grenzen van het plangebied, waardoor verbeteringen binnen het plangebied niet haalbaar zijn.
4.5 Ontwikkeling bos De huidige staat van deel A en B is al broekbos, voor deze deelgebieden is broekbos het natuurlijke stadium waar het gebied zich naartoe ontwikkelt. Broekbos valt binnen de natuurtypes rivier en beekbegeleidend bos en vochtig bos met productie. Hydrologisch gezien zijn deelgebieden A en B ook zeer geschikt voor broekbos. De drogere delen zijn geschikter voor een ander natuurtype. Het plangebied vertoont kenmerken en potentie voor de volgende natuurdoeltypes: • N16.04 Vochtig bos met productie (deel A, B en C) • N14.03 Haagbeuken- en essenbos (deel A en B) • N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos (deel A en B) • N16.03 Droog bos met productie (deel C en D)
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 32
In principe zal het gebied zich uit zichzelf ontwikkelen naar het geschikte natuurtype, actief beheer om de successie van een deelgebied te beïnvloeden is mogelijk, maar er zijn geen concrete aanwijzingen dat dit de kwaliteit van het betreffende deelgebied zal verhogen. Na bomenkap in deelgebieden A en B voor de inrichting van het bouwterrein zal dit nadien weer geschikt zijn voor broekbos, als de ecohydrologische condities niet veranderen. Het broekbos zal zich over de jaren heen weer spontaan ontwikkelen, specifiek beheer hiervoor is niet vereist. Mogelijk dat maatregelen in de beginfase, zoals aanplant, de teruggroei van broekbos kunnen versnellen. Hierbij is het belangrijk om rekening te houden met de al aanwezige kwaliteiten van de “aanwezige structuur”. Bijvoorbeeld inheemse, al in het gebied aanwezige soorten aanplanten in heterogeen wildverband, waarbij de aanplant verschillende leeftijden heeft en er ruimte is voor natuurlijke successie.
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 33
5 Beantwoording onderzoeksvragen 5.1 Deelvragen Deelvraag A: Draagt het (overtollige) hemelwater van het omliggende gebied (waaronder het vastgoed) zowel kwalitatief als kwantitatief bij aan de ontwikkeling van het (natuur)doeltype, en welke is dat dan? Antwoord: Op basis van het uitgevoerde onderzoek lijkt geen sprake van een verdroogd broekbos. In de zomerperiode is het juist belangrijk dat de toplaag droogvalt. De oxidatieprocessen die optreden tijdens droogval zijn belangrijk voor de P-binding aan ijzer(hydr)oxides en omvorming van ammonium (naar nitraat) en sulfides (naar sulfaat). Overtollig hemelwater bergen in het broekbos heeft dus geen positief effect en mogelijk zelfs negatief als het de droogval belemmerd. Kwalitatief is het hemelwater “ongeschikt” voor berging in het broekbos. Bij waterberging wordt het grondwater weggedrukt en komt het gebufferde, ijzerrijke grondwater niet/minder in het maaiveld. Dit is niet gewenst voor broekbosontwikkeling. Kwalitatief heeft overtollig hemelwater een negatief effect op het broekbos.
Deelvraag B en C: Bieden de voorgestelde maatregelen in de achtergrondrapportages kansen om de bestaande kwaliteit en mogelijke potenties te ontwikkelen? Is het op basis van de analyse van het huidig ecohydrologisch systeem aan te bevelen om de bestaande situatie te handhaven of biedt herinrichting meer potentie voor de ontwikkeling van een passend (natuur)doeltype? Hier moet bij afweging de ruimteclaim van het vastgoed in de gebruiks- en realisatiefase als belangrijke factor mee worden genomen. Antwoord: Naast de grondwaterkwaliteit (hydrochemie) en bodemchemie zijn de hydrologische (grondwaterinvloed en peilbeheer) condities van invloed op de broekbosontwikkeling. Het grondwater is sterk gebufferd en basenrijk met een hoge alkanitiet en bicarbonaat. Het is ook zeer ijzerrijk en relatief arm aan sulfaat. Vanuit grondwaterkwaliteit liggen er daarmee kansen voor een “hoogwaardig” broekbos in alle deelgebieden. De hydrologie is zeer geschikt voor broekbos in deelgebied A. In deelgebieden B en C zakken de grondwaterstanden mogelijk te laag uit voor de ontwikkeling van broekbos. Bodemkwaliteit is onbekend maar lijkt geen beperking te zijn. Het gebied heeft een hoge waarde voor wat betreft (ecologische) structuur. Er zijn veel verschillende inheemse soorten en veel dood hout aanwezig in het gebied.
Ook is er een aandeel oudere bomen en er zijn planten in de kruidlaag, stuiklaag en kroonlaag met veel variatie. Naast het feit dat de huidige kwaliteit hoog is, is er ook potentie om deze kwaliteit te behouden en terug te laten komen. Vanuit ecologie liggen er kansen voor broekbos op de deelgebieden B en C. Deelgebied A is (grotendeels) al een broekbos.
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 34
5.2 Hoofdvraag I.
II.
Hoofdvraag: Is het gebied ‘Groene wig langs Dorgelolaan/spoor’ hydrologisch en ecologisch daadwerkelijk geschikt om te ontwikkelen tot broekbos. Is het overal even nat of is er sprake van gradiënten (verloop tussen nat en droog) waar we bij de planontwikkeling rekening mee moeten houden. Welk basisprincipe wordt als richtinggevend aanbevolen voor de verdere ontwikkeling van cluster 9b: • behouden van de bestaande groen- en waterstructuur en waar mogelijk beperkt optimaliseren; • het herinrichten van het gebied op basis van de hydrologische en ecologische potenties. Antwoord: De grondwaterkwaliteit, hydrologische condities en aanwezige natuurwaarden grenzend aan cluster 9b zijn vrij uniek voor een stedelijk gebied. De aanwezige waarden zijn van dien aard dat deze behouden moeten blijven. Met enkele optimalisaties ligt er een unieke kans voor de ontwikkeling van een “beleefbaar” broekbos in een stedelijke omgeving direct grenzend aan het station van Eindhoven en de campus van de Technische Universiteit. De verschillen tussen natte en droge gebieden kunnen voor de bezoeker beleefbaar worden gemaakt. Met een route door het gebied ontstaat er de mogelijkheid voor gebruikers van de naastgelegen kantoorpanden, maar ook voor bezoekers van verder weg om het gebied te beleven.
Hiermee wordt niet alleen het eco-hydrologisch systeem behouden, maar kan ook worden ingezet op een gezonde groene leefomgeving voor deze ruimtelijke ontwikkelingen. Natuur in de omgeving draagt op verschillende manieren bij aan de gezondheid van mensen. Denk bijvoorbeeld aan het verlagen van stress, aanzetten tot sociaal contact en het stimuleren tot bewegen. Door het toepassen van gezonde ontwerpprincipes in het gebied ‘Groene wig langs Dorgelolaan/spoor’ creëer je een gezonde leefomgeving voor het natuurlijk systeem en het welzijn van de gebruikers tegelijk, dit sluit aan bij de ambitie van de gemeente Eindhoven: “Wij stimuleren ontwikkelingen die bijdragen aan een prettige en gezonde leefomgeving.”
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 35
6 Aanbevelingen Op basis van de systeemanalyse is geconcludeerd dat de aanwezige waarden rondom cluster 9b van dien aard zijn dat deze behouden moeten blijven. Aanbevelingen ter versterking van de waarden zijn onder te verdelen in drie categorieën: • Ter versterking van kwaliteit van huidige broekbos rondom cluster 9b. • Voor behoud van de waarden tijdens de realisatiefase. • Overige ontwikkelkansen.
Aanbevelingen rondom cluster 9b Om de kwaliteit van het huidige broekbos te versterken wordt geadviseerd om. 1.
Hydrologie te optimaliseren: • • •
Waterloop met stuwtje aan de rand van het gebied behouden, om de waterretentie en de doorstroming te behouden in deelgebied A. Voor andere deelgebieden, peilen en doorstroming mogelijk optimaliseren Plaatsen peilbuis voor meer inzicht in grondwaterstanden in deelgebieden B, C en D.
2.
Hoogteligging i.r.t. de natuurpotentie in deelgebieden B, C, en D beter afstemmen op de grondwaterstanden nadat beschouwd is of de peilen en doorstroming hier geoptimaliseerd kunnen worden. Hoogteligging is voor deelgebied A al optimaal, voor overige deelgebieden te hoog.
3.
Biodiversiteit (ecologie) versterken door lokaal de openheid van het bos te vergroten en deze met de introductie van kwel specifieke soorten (via inheemse zaden en/of lokaal maaisel) als dotter, gele lis, elzenzegge, holpijp en waterviolier aan te vullen. Echter voorzichtig omgaan met dunning van het bos, aangezien deze nu mogelijk woekering van ondergroei tegengaat door lichtcompetitie.
4.
Belevingswaarden vergroten. Extensieve recreatie is geen belemmering voor ontwikkeling van broekbos. Bij vormgeving moet daarbij wel rekening worden gehouden met de wisselende waterstanden.
Aanbevelingen voor uitvoeringsfase cluster 9b Belangrijk is dat de impact van de bouw geen negatieve invloed heeft op de potentie van de ontwikkeling van het broekbos. Aandachtspunten hierbij zijn, naast het minimaliseren van de footprint van de bouwfase: 1. Ecologie: • Aanvullend onderzoek naar voorkomen van de iepenpage. • Aanvullend onderzoek naar voorkomen van Broedvogels. 2. Voorkomen van nadelige bodemverdichting. Huidige bodemopbouw zoveel mogelijk intact laten (bijvoorbeeld middels composiete rijplaten). Verantwoordelijkheid hiervoor leggen bij uitvoerende partij om hier passende maatregelen voor te treffen 3. Hydrologie: Bouwmethode, uitvoeringsmethode, zo uitwerken dat er: • Geen negatieve invloed is van de aanleg van een ondergrondse parkeergarage op de kwelstroom richting het broekbos. • Ontwatering beperken.
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 36
Overige ontwikkelkansen 1.
De ‘Groene wig langs Dorgelolaan/spoor’ is in de ‘Ontwikkelvisie Fellenoord’ door de gemeente Eindhoven aangewezen als een belangrijke groenstructuur. Direct ten westen van cluster 9b ontbreekt deze structuur momenteel. Het versterken van de groenstructuur in cluster 9a wordt als belangrijke ontwikkelkans gezien.
2.
De gemeente heeft nu een toetsende rol in de ontwikkelingen rondom cluster 9b. Mede gezien de potentie van het gebied kan hierin een een meer sturende rol worden overwogen. Op basis van de bestaande waarden en de wens deze in stand te houden/ te versterken, is het aan te bevelen de gewenste ontwikkeling integraal te beschouwen vanuit thema’s als ecologie, hydrologie, infrastructuur, klimaat en gezonde leefomgeving.. Een beeldkwalitetisplan is daar een mooi middel voor. In een Beeldkwaliteitsplan worden de ambities met betrekking tot de beeldkwaliteit van de architectonische verschijningsvorm en het landschap (groenblauwe structuur) vastgelegd. Alsmede de wensen en eisen van de projectspecieke (doel)soorten flora en fauna. De beeldkwaliteit betreft een aantal algemeen geldende onderdelen zoals landschap en infrastructuur, maar ook ambities m.b.t. klimaatadaptie, duurzaamheid en een gezonde leefomgeving. De richtlijnen vanuit een beeldkwaliteitsplan schetsen op hoofdlijnen het toekomstbeeld. Met specifieke criteria voor de inrichtingselementen en het sortiment wordt een natuurinclusief toekomstbeeld bevestigd. Hiermee worden de waarden en de potentie van het gebied nog beter geborgd voor de lange termijn, dit is zowel gunstig voor de ontwikkelaar als voor de gemeente en andere stakeholders.
3.
Voor deelgebied D liggen er kansen om regenwaterwater te bergen en te infiltreren op de hoger gelegen percelen, met lager grondwaterstanden.
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 37
7 Literatuurlijst Boogaard, F. &. (2013). Kwaliteit en samenstelling regenwater en kosteneffectiviteit van zuivering. WTafvalwater. Brabantse waterschappen: Waterschap Aa en Maas, Waterschap Brabantse Delta en Waterschap De Dommel. (2023). Opgehaald van Hydronet: https://brabant.hydronet.nl/ C.F. Beusekom, J. F. (1990). Handboek grondwaterbeheer voor natuur, bos en landschap. Staatsdrukkerij en uitgeverij (Sdu). Cultuurtechnische Vereniging. (1988). Cultuurtechnisch Vademecum. Cultuurtechnische Vereniging. Kadaster. (2023). Opgehaald van Topotijdreis: https://www.topotijdreis.nl/ KNMI. (2023). Extreme neerslag. Opgehaald van https://www.knmi.nl/kennis-en-datacentrum/uitleg/extremeneerslag KNMI. (2023, november 2). Oktober 2023. Opgehaald van Maand- en seizoensoverzichten: https://www.knmi.nl/nederland-nu/klimatologie/maand-en-seizoensoverzichten/2023/oktober Maas, G., Meij, W. M., Delft, S. P., & Heidema, A. (2021). Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000. Wageningen: Wageningen Enviromental Research. Opgehaald van http://legendageomorfologie.wur.nl Rijkswaterstaat. (2019). Actueel Hoogtebestand Nederland DTM (AHN3). Rijkswaterstaat. Runhaar, H., Hennekens, S., Jalink, M., & Talsma, M. (2016). Waternood; Hydrologische randvoorwaarden natuur. STOWA. Stiboka. (1979 ). Blad 51 West Eindhoven . Stichting voor bodemkartering . Stiboka. (1979).
Geomorfologische kaart van Nederland. Stichting voor Bodemkartering . TNO Geologische Dienst Nederland. (2023). BROloket. Opgehaald van https://www.broloket.nl/ TNO Geologische Dienst Nederland. (2023). GeoTop v1.6. Opgehaald van DINOLoket: https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen/kaart TNO. (sd). Grondwatertools. Opgehaald van Grondwaterstanden in beeld : www.grondwatertools.nl Wageningen University & Research. (2023). Toelichting op de legenda. Opgehaald van Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 (2021): https://legendageomorfologie.wur.nl/#VormGCR Waterschap de Dommel. (2023). Vastgestelde Legger Waterstaatswerken 2023 Waterschap De Dommel. Boxtel: Waterschap de Dommel.
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 38
Bijlage 1: Boorstaten bodemonderzoek
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 39
BOORSTAAT
Namen karteerders: William Neefjes & Bram de Vries
Datum:
31-10-2023
B1
Boring:
0
10
Cgr
10
95
Cr1
95
5
120
150
Cr3
150
160
M50
pH Merck
<50 μm 20
120
Cr2
%
<2 μm
Diepte pH
Aard veensrt.
Rijpings-klasse
%
Textuur %
20
20
5,8
20
40
7,0
60
7,0
80
7,0
100
7,0
120
7,0
50
Wortels
Ah
Organische stof
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Mengverhouding
Horizont-code
Gebied: Dorgelolaan, Eindhoven Locatie: Perceel A - Westelijke zijde Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Els, braam, eik, esdoorn, brandnetel, zegge
Opmerkingen
ja
Zwart, zeer humeus, sterk lemig zand Grijsbruin, sterk lemig zand, sporadisch ijzergranules
Grijs, zandig leem.
30
Grijs, sterk lemig zand, met enkele houtresten 180
Grijs, matig fijn zand
boormethode: Geschatte GHG (cm -mv):
10
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
Bodemtype:
Zwarte Beekeerdgrond
Geschatte GLG (cm -mv):
50
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
15,55
8
Code bodemtype:
pZg23
Geschatte fluctuatie (cm):
45
Actuele gws (m. +NAP)
15,47
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
15,45
X:
162022
Maximale beworteling (cm -mv):
Geschatte GLG (m. +NAP):
15,05
Y:
383984
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 40
BOORSTAAT
Namen karteerders: William Neefjes & Bram de Vries
Datum:
31-10-2023
B2
Boring:
<50 μm
M50
Wortels
%
<2 μm
pH Merck
Aard veensrt.
Diepte pH
%
Textuur %
Rijpings-klasse
Organische stof
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Mengverhouding
Horizont-code
Gebied: Dorgelolaan, Eindhoven Locatie: Perceel A - broekbos - Oostelijke deel perceel Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Braam, Els, Vlier, Populier, Eik, zegge, varen, populier
Opmerkingen
L
0
1
100
Ah
1
10
5
10
-
Cgr
10
30
1
10
20
6,5
Zwartbruin, zeer humusarm, zwak lemig zand. Duidelijk roestvlekken.
Cgr
30
75
25
40
7,0
Grijsbruin, langzaam aan grijzer, sterk lemig zand. Roest en reductie
60
7,0
Ccs
75
80
80
7,0
Cgr
80
85
60
Cr1
85
110
60
100
7,0
Grijs, zandig leem
Cr2
110
120
10
120
7,0
grijs, zwak lemig zand
-
Strooisellaag (bladeren en takken) Ja
Zwart zeer humeus zwak lemig zand. Zeer beworteld
Roodbuin, ijzeroer. Grijsbruin, roest, zandig leem
boormethode: Geschatte GHG (cm -mv):
10
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
20
Bodemtype:
Zwarte Beekeerdgrond
Geschatte GLG (cm -mv):
60
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
15,65
Code bodemtype:
pZg23
Geschatte fluctuatie (cm):
50
Actuele gws (m. +NAP)
15,45
Slootwaterstand (m. +NAP):
Geschatte GHG (m. +NAP):
15,55
X:
162072
Geschatte GLG (m. +NAP):
15,05
Y:
383996
Grondwatertrap: Maximale beworteling (cm -mv):
15
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 41
BOORSTAAT
Namen karteerders: William Neefjes & Bram de Vries
L
M50
0
2
100
Ah
2
25
5
5
210
20
Cg
25
60
5
210
40
Cgr
60
85
5
210
Cr1
85
100
Cr2
100
160
15
Wortels
<50 μm
pH Merck
%
<2 μm
Diepte pH
Aard veensrt.
Textuur %
Rijpings-klasse
Organische stof
%
Datum:
31-10-2023
Boring:
B3
Locatie: Midden perceel B
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Mengverhouding
Horizont-code
Gebied: Dorgelolaan, Eindhoven Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Esdoorn, Zomereik, braam
Opmerkingen
Ja
Strooisellaag (bladeren en takken)
4,4
ja
Zwart, zeer humues, matig fijn zand
5,0
ja
Bruin, leemarm, matig fijn zand.
60
5,1
ja
Bruin, leemarm, matig fijn zand.Enkele rottende boomwortels (rond 60 a 70 cm)
80
5,3
100
6,5
Lichtgrijs, matig fijn zand
120
6,5
lichtgrijs, zwak lemig zand. Op 140 -160 boomwortelrestanten
140
6,5
boormethode: Geschatte GHG (cm -mv):
10
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
32
Bodemtype:
Zwarte Beekeerdgrond
Geschatte GLG (cm -mv):
85
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
15,95
Code bodemtype:
pZg23
Geschatte fluctuatie (cm):
75
Actuele gws (m. +NAP)
15,63
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
15,85
X:
162194
Maximale beworteling (cm -mv):
Geschatte GLG (m. +NAP):
15,10
Y:
384016
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 42
Diepte pH
pH Merck
Wortels
Textuur
Rijpings-klasse
Organische stof
Kalk-klasse
Mengverhouding
Horizont-code
Gebied: Dorgelolaan, Eindhoven Locatie: Midden perceel C Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Brandnetel, Eik, Populier, Els, zegge
Opmerkingen
Ah
0
5
ja
Zwart, zeer humeus, matig fijn zand
Cg1
5
30
15
30
7,0
ja
Donkerbruin, zwak lemig zand
Cg2
30
50
30
50
7,0
ja
Donkerbruin, sterk lemig zand
Cgrc
50
75
30
70
7,0
ja
Grijsbruin, sterk lemig zand, granules van ijzer aanwezig. Vanaf hier tonen aanwezige wortels sporen van rot.
Cr1
75
120
30
90
7,0
ja
Grijs, sterk lemig zand, wortels tot diepte van 90 cm
110
7,0
Diepte in cm t.o.v. mv
%
Aard veensrt.
%
%
<2 μm
<50 μm
5
M50 180
boormethode: Geschatte GHG (cm -mv):
10
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
15
Bodemtype:
Zwarte Beekeerdgrond
Geschatte GLG (cm -mv):
75
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
15,99
Code bodemtype:
pZg23
Geschatte fluctuatie (cm):
65
Actuele gws (m. +NAP)
15,84
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
15,89
X:
162356
Maximale beworteling (cm -mv):
Geschatte GLG (m. +NAP):
15,24
Y:
384042
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 43
BOORSTAAT
Namen karteerders: William Neefjes & Bram de Vries
Datum:
31-10-2023
Boring:
B5
L
0
1
100
Ah
1
10
3
Ca/Aa
10
80
<50 μm
M50
Wortels
%
<2 μm
pH Merck
Aard veensrt.
Diepte pH
%
Textuur %
Rijpings-klasse
Organische stof
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Mengverhouding
Horizont-code
Gebied: Dorgelolaan, Eindhoven Locatie: Perceel D - Oostelijke zijde Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Esdoorn, vlier, eik, braam, brandnetel
Opmerkingen Strooisellaag (bladeren en takken)
180
70/30
180
40
4,7
Aba
80
105
180
80
4,7
Cg
105
135
180
120
4,7
Cgr
135
200
180
2
ja
Zwart, matig humeus, matig fijn zand
ja
Zwartbruin tot witgrijs matig fijn zand. Moedermateriaal gemengd met humeuze bovenlaag. Hoogstwaarschijnlijk aangebrachte grond.
ja
begraven donkerbruin, matig humusarm, matig fijn zand. Scherpe overgang met Cg-horizont duidt op aangebrachte grond. Beworteling tot 90 cm. Geelbruin, matig fijn zand. Roestvlekken Grijsbruin, matig fijn zand, met roest en reductie.
boormethode: Geschatte GHG (cm -mv):
135
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
190
Bodemtype:
-
Geschatte GLG (cm -mv):
NB
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
17,50
Code bodemtype:
-
Geschatte fluctuatie (cm):
NB
Actuele gws (m. +NAP)
15,60
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
16,15
X:
162627
Maximale beworteling (cm -mv):
Geschatte GLG (m. +NAP):
NB
Y:
384067
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 44
Bijlage 2: Inventarisatie beschermde soorten Inleiding en aanpak Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie tot 10 jaar geleden: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna); • de flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken is opgeslagen in deze database. Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door Bram de Vries en William Neefjes uitgevoerd, ecologisch adviseurs bij Eelerwoude (Kader – Ecologisch deskundige). Het veldbezoek is uitgevoerd op 20 september 2023 met 12°C, half bewolkt weer en windkracht 2 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd.
Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
• •
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
•
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
•
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 45
Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Daarnaast is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. Gelet op de aanwezige terreintypen, broekbos en droger bos in de bebouwde kom van Eindhoven is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Er zijn ook geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend uit de omgeving. Veel van de beschermde soorten komen nagenoeg uitsluitend voor in zeer specifieke biotopen als kalkgraslanden en eeuwenoude muren. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop uitgesloten, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op beschermde planten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde planten niet noodzakelijk.
Zoogdieren Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (Kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats. Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis is voornamelijk boom bewonend en ruige dwergvleermuis bewoont zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon.
Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 46
Er bevinden zich geen gebouwen binnen het plangebied. Er bevinden zich geen potentiële plekken voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied. In de deelgebieden C en D zijn potentiële verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen, zoals holten en spleten aangetroffen. In de deelgebieden A en B, waar kap gepland is, zijn geen bomen met holtes en spleten aangetroffen. Foerageergebieden en vliegroutes Het plangebied is redelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen (Kader – Foerageergebied en vliegroutes). Ook de omgeving is geschikt als foerageergebied, onder meer door de aanwezigheid van groen en bomen. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals houtsingels, welke als vliegroute kunnen dienen. Deze zijn aanwezig in de omgeving van het plangebied, zoals de bomenlaan langs de Doctor Dorgelolaan. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn.
Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen worden uitgesloten door de afwezigheid van gebouwen. Effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zijn niet aan de orde. Door het ontbreken van bomen met holtes in de deelgebieden A en B, kunnen effecten van de kap op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden uitgesloten in het plangebied. Met betrekking tot het foerageergebied en de vliegroutes van de vleermuizen zal de herinrichting geen effect hebben op de functionaliteit van het gebied als zodanig, als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan. Voorwaarden om het gebied tijdens en na de inrichting te laten functioneren als vliegroute of foerageergebied voor vleermuizen zijn: • Werkzaamheden uitsluitend overdag uitvoeren (m.n. in actieve periode van vleermuizen- april t/m november). • Niet uitstralende armaturen (Kader- Verlichting).
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 47
Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:
• • •
verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;
•
beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;
•
geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
Conclusie: nader onderzoek is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk indien voldaan wordt aan de voorwaarden waardoor het plangebied qua verlichting geschikt blijft te foerageren dan wel als vliegroute.
Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: konijn en diverse algemene muizen en spitsmuizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leefen foerageergebied. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Van de beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn waarnemingen van bever, eekhoorn, das, bunzing en steenmarter bekend uit de omgeving. Verblijfplaatsen van das (burchten) en eekhoorn (nesten of holten in bomen) zijn niet aangetroffen en worden daarom uitgesloten. Er zijn geen gebouwen aanwezig waardoor voor steenmarter geschikte mogelijke verblijfplaatsen worden uitgesloten. Mogelijk dat het plangebied wel onderdeel uitmaakt als leefgebied van de bovengenoemde soorten, zoals foerageergebied. Sporen van bever, zoals aangeknaagde bomen en takken, zijn niet aangetroffen. Verblijfplaatsen en leefgebied
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 48
van bever zijn uitgesloten. Voor kleine marterachtigen, waarvan bunzing bekend is uit de omgeving, zijn de drogere struweeldelen met braam van deelgebied D mogelijk geschikt voor verblijfplaatsen. De deelgebieden A en B zijn te nat voor verblijfplaatsen. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor eekhoorn, das, bever en steenmarter geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn ter plaatse van de werkzaamheden niet aangetroffen en worden uitgesloten. Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen zoals bunzing en wezel, zijn niet uit te sluiten in de drogere struweeldelen met braam van deelgebied D. Verblijfplaatsen zijn uitgesloten in deelgebieden A en B omdat deze te nat zijn, nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in niet noodzakelijk. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.
Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van roofvogels, of aanwijzingen (braakballen, horsten of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Mogelijk dat enkele roofvogelsoorten met jaarrond beschermde nesten wel het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied, zoals sperwer, buizerd en ransuil. Het gebied is ongeschikt voor verblijfplaatsen van huismus en gierzwaluw vanwege de afwezigheid van bebouwing.
Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In het plangebied zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als koolmees, boomkruiper, boomklever en pimpelmees.
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 49
Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied; houtduif, zwartkop, winterkoning, roodborst, merel. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten In het plangebied zijn roofvogelnesten uitgesloten. Jaarrond beschermde nesten van de gebouwbewonende soorten huismus en gierzwaluw kunnen worden uitgesloten door de afwezigheid van bebouwing. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor deze soorten, gaat het om maximaal om enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten, koolmees, boomkruiper, boomklever en pimpelmees. In de omgeving zijn voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming.
Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 augustus wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 4. Broedvogels in het plangebied kunnen aanwezig zijn in bomen en in het stuweel, maar ook in lagere vegetatie zoals bramen. De werkzaamheden dienen daarom plaats te vinden buiten het broedseizoen. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Conclusie: Nader onderzoek naar vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten is niet noodzakelijk. Bij de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels en de werkzaamheden dienen plaats te vinden buiten het broedseizoen (1 maart- 15 augustus) .
Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, goed ontwikkelde waterlopen en venranden. In de directe omgeving zijn geen waarnemingen bekend van beschermde reptielen (NDFF). Voor ringslang is het plangebied mogelijk geschikt, echter komt ringslang niet voor in de gemeente Eindhoven en omgeving.
Effecten en ontheffing
4 In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang
is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 augustus.
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 50
Met de geplande ontwikkeling wordt geen biotoop van beschermde reptielen aangetast. Er is geen sprake van negatieve effecten op reptielen, waardoor nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming niet aan de orde is. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.
Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als land- en waterbiotoop. Met name nattere delen van het bos in deel A en B zijn geschikt als waterbiotoop. De drogere delen van alle deelgebieden zijn geschikt als landbiotoop. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander en alpenwatersalamander, zijn bekend in de gemeente Eindhoven. In het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde amfibieën bekend. Voor alpenwatersalamander en kamsalamander gaat het om een populaties in poelen en langs de Dommel op meer dan 500 meter afstand van het plangebied, waarbij er meerdere wegen tussen het plangebied en de poelen liggen. Daarnaast bevat het plangebied geen poelen of stromende beken. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van water- en landhabitat van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime “andere soorten”. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Noord-Brabant een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld.
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt zoals kamsalamander en alpenwatersalamander, kunnen op basis van het aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk. Bij de werkzaamheden moet rekening gehouden worden met algemene amfibieën, met name bij de werkzaamheden waar gekapt gaat worden. Door het werken met een ecologisch werkprotocol kan het onnodig doden van amfibieën voorkomen worden.
Vissen Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De sloten langs het plangebied zijn mogelijk geschikt voor algemene vissensoorten zoals stekelbaarsjes en voorns. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde vissensoorten zoals grote modderkruiper zijn niet bekend in het plangebied en worden ook niet verwacht.
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 51
Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig, waardoor geen sprake is van negatieve effecten op beschermde vissen. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) zijn grote vos, grote weerschijnvlinder en iepenpage bekend in de omgeving. Voor grote vos en grote weerschijnvlinder is het gebied ongeschikt, door het ontbreken van respectievelijk vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen en door de afwezigheid van ouder bos met boswilg. De iepenpage heeft geen groot leefgebied nodig en kan al voorkomen op plaatsen waar enkele iepen bij elkaar staan (Vlinderstichting, 2023). Er zijn populaties bekend die slechts één boom ter beschikking hebben. De soort is bekend uit de directe omgeving, namelijk het TU terrein. Omdat meerdere iepen staan in het plangebied kan de aanwezigheid van iepenpage niet worden uitgesloten. Effecten en ontheffing In het plangebied is mogelijk geschikt biotoop voor iepenpage aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor iepenpage noodzakelijk. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor iepenpage noodzakelijk.
Professor Dr. Dorgelolaan, Eindhoven | Eelerwoude | 52