CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3a - BestemmingsplanI Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier)

Raadsvergadering 2 juli 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier)’38.762 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

4.4.6

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

68

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid

4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Het plangebied Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'; Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

69

4.5.2

Gemeentelijke visie externe veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt.

4.5.3

Risicobronnen

Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen. In de kern komt het neer op het navolgende: er is geen inrichting in of nabij het plangebied die invloed heeft op het plan; nabij of binnen het plangebied liggen geen buisleidingen die invloed hebben op het plan; nabij het plangebied zijn geen gemeentelijke wegen die invloed hebben op het plan; nabij het plangebied zijn geen snelwegen gelegen die invloed hebben op het plan; op circa 2000 meter van het plan is de spoorlijn Eindhoven – ‘s-Hertogenbosch gelegen. Wegverkeer Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de op circa 450 m1 afstand van het plangebied aanwezige autosnelweg A50. Het plangebied ondervindt geen belemmeringen als gevolg van de externe veiligheid vanuit wegverkeer. Transport over het spoor Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de op circa 2000 m1 afstand van het plangebied aanwezige spoorlijn Boxtel-Eindhoven. Het plangebied ondervindt geen belemmeringen als gevolg van de externe veiligheid vanuit treinverkeer. Hoogspanningsleidingen Hoogspanningsleidingen gaan gepaard met magnetische velden.

Met het oog op gezondheidsrisico's wordt uit voorzorg geadviseerd om bij bovengrondse hoogspanningsleidingen geen nieuwe gevoelige bestemmingen binnen de 0,4 micro-teslazone toe te staan. Binnen het plangebied bevinden zich geen onder- of bovengrondse hoogspanningsleidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied ontbreken dergelijke leidingen. Vliegveld Het plangebied is gelegen op circa 4,5 km van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Het plangebied is buiten de 10-6 contour van het vliegveld gelegen. Het plangebied ondervindt dan ook geen belemmeringen als gevolg van de externe veiligheid van luchthaven Eindhoven. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

70

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

4.6

Duurzaamheid

4.6.1

Gemeentelijke ambities

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. De gemeente Eindhoven zet in op: CO2-reductie: 1. Aardgasloze verwarming 2. Duurzame mobiliteit 3. Warmte- en energiebesparing 4. Duurzame energie opwekking Circulaire economie: 1. Duurzame materialen 2. Geen afval 3. Flexibel en demontabel bouwen 4. Deeleconomie/as a service concepten Natuur: 1. Biodiversiteit 2. Oppervlakte groen Sociale basisbehoeften: 1. Klimaatadaptatie 2. Gezonde verstedelijking 3. Participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen 4. Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO)

4.6.2

Planbeschrijving en duurzaamheid

Eindhoven heeft de ambitie uitgesproken om in een voortvarend tempo te verduurzamen. De (her)ontwikkeling van Winkelcentrum Achtse Barrier draagt daar aan bij. Zo zullen de nieuwe woningen en winkels ‘all-electric’ (gasloos) en energiezuinig worden gebouwd. Door te voorzien in een royale fietsenstalling in de woontoren wordt fietsgebruik gestimuleerd. Het auto parkeren wordt opgelost op maaiveld en op het dek van de supermarkt, waarbij tevens sprake is van inzet van elektrische deelauto’s. Vergroening Het nieuw in te richten openbare gebied zal in ruime mate worden vergroend. Tevens is sprake van de introductie van een daktuin, gelegen tussen de nieuwe woontoren en het bestaande wooncomplex Canterhoef. Deze daktuin is toegankelijk voor alle bewoners (nieuw en bestaand) en is daarmee een vrij toegankelijk en prettig verblijfsgebied voor alle bewoners en bezoekers. Met deze daktuin wordt ontmoeting onder de bewoners gestimuleerd. Duurzaamheid van de buitenruimte wordt gekenmerkt de toepassing van inheemse boomsoorten en biedt plek aan insecten, nest- en foerageergelegenheid aan vogels en oriëntatie voor vleermuizen. Bij de verdere uitwerking wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor natuurinclusief bouwen. Door het groen in het gebied fors te vergroten, ondervangen we binnen het plangebied klimaatadaptatie en waterberging.

Het verkoelende effect van stedelijk groen is zeer groot. Bomen en vegetaties koelen de lucht door het leveren van schaduw en door verdamping van water via de bladeren. Naast groen op de begane grond zijn ook vegetaties op het dak zeer effectief om de omgevingstemperatuur te verlagen. In de lucht boven een groen dak kan de omgevingstemperatuur tot wel 40 graden Celsius lager zijn dan boven een conventioneel dak, dat een temperatuur kan bereiken van 70 graden Celsius. Tezamen met het vergroenen van de openbare ruimte wordt hittestress binnen het plangebied voorkomen. vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

71

Door het realiseren van een groene omgeving en daarbij in de plantkeuze rekening te houden met de filterende werking, wordt bijgedragen aan een schonere lucht in het plangebied. Bomen, plantsoenen en groene daken vangen substantieel fijnstof af. Door groenblijvende beplanting toe te passen, blijft ook ’s winters dit proces voortzetten. De juiste filters in gebouwinstallaties, optimaliseren tevens de luchtkwaliteit in de gebouwen. Een klimaatadaptief plan draagt bij aan duurzamere, energiezuinigere gebouwen. Water wordt daardoor langer vastgehouden, er kan meer verdamping plaatsvinden (wat leidt tot temperatuurverlaging), en na regenval kan water gedoseerd worden afgevoerd, waardoor plasvorming wordt tegengegaan. Naast waterberging op daken en openbaar terrein zal er tevens voorzover nodig nog voorzien worden in ondergrondse waterberging. Dakvegetatie heeft eveneens een akoestisch effect. Dit in combinatie met het toepassen van goede geluidsisolerende daken, gevels en raampartijen, met name dicht bij de wegen, realiseren we woningen met een hoog akoestisch comfort. De groene daken en de openbare groene ruimtes dragen bij aan zichtbare duurzaamheid binnen het plangebied. Energieverbruik De eerste stap van de trias energetica is het beperken van de energievraag. De woningen worden voorzien van een zeer hoogwaardige isolatieschil.

Daarmee wordt de energiebehoefte sterk gereduceerd. De woningen worden voorzien van – uiteraard gasloze - energieopwekking. Hierbij zullen de mogelijkheden voor balansventilatie in combinatie met een WTW-unit worden onderzocht. Verwarming in de woning vindt plaats door middel van een laagtemperatuur vloerverwarmingssysteem. Binnenklimaat Bij toepassing van een laagtemperatuur vloerverwarmingssysteem wordt de woning op een gelijkmatige manier verwarmd waardoor er snel een prettig binnenklimaat wordt gecreëerd. De woning wordt geventileerd door middel van een gebalanceerd ventilatiesysteem met warmteterugwinning. De ventilatielucht die naar de woning toe wordt gevoerd, wordt opgewarmd met de energie die onttrokken wordt uit de retourlucht van de woning. Tevens wordt de mogelijkheid van PV-panelen op de daken onderzocht. Met op het dak geplaatste PVpanelen wordt elektra opgewekt voor de woning. Hierdoor wordt er minder CO2 uitgestoten. Materialisatie Duurzaam materiaalgebruik betekent hier het toepassen van materialen met een zeer lange levensduur, die mooi oud worden, nagenoeg geen onderhoud vergen en in de toekomst herbruikbaar zijn. Daarnaast wordt onderzocht of de kozijnen, ramen en deuren kunnen worden gemaakt van geanodiseerd en gerecycled aluminium. Deze zijn voorzien van tripleglas wat de energievraag verder reduceert.

Aluminium kozijnen vergen weinig tot geen onderhoud en hebben beide een extreem lange levensduur. Aluminium kan in de toekomst worden gerecycled voor andere toepassingen zonder verlies van kwaliteit. Materialen zijn voorzien van een materiaalpaspoort (Madaster). Hiermee worden de bouwmaterialen gedurende de levensduur van een gebouw geregistreerd op basis van onder andere financiële waarde, levensduur en kwaliteit. Overige maatregelen Naast verwarmen vormt het gebruik van warm tapwater ook een aanzienlijk aandeel van het energiegebruik in een appartement. Er worden daarom zoveel mogelijk waterbesparende douchekoppen toegepast. Om leidingverliezen te voorkomen zullen leidingen goed worden geïsoleerd en worden de lengtes van de leidingen beperkt. Voor toe te passen hout is het FSC-keurmerk van toepassing. Tijdens de bouw zal aandacht worden besteed aan de bouwplaats in relatie tot de omgeving, de milieu-impact van de bouwplaats en het afvalmanagement. Bij oplevering zal worden gezorgd voor het goed inregelen van de gebouwinstallaties en wordt de thermische kwaliteit van de gebouwschil geborgd met thermo grafische -en 72

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

luchtdichtheidsmetingen.

4.7

Bodem

Voor een groot deel van het plangebied is bodemonderzoek verricht. Uit deze bodemonderzoeken zijn geen bodemverontreinigingen van betekenis gebleken. Voor het resterende deel van het plangebied zijn er nog geen resultaten beschikbaar. In geval van nieuwe activiteiten zal ter plaatse een bodemonderzoek plaatsvinden. PFAS Volgens de notitie 'Aanvulling bodemkwaliteitskaart gemeente Eindhoven voor PFAS-verbindingen en grondstromenbeleid PFAS-houdende grond', is Pfas voor een groot gedeelte van het Eindhovens grondgebied geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen.

NGE's Gemeente Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge’s (niet gesprongen explosieven). In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge’s worden aangetroffen worden deze geruimd. 4.7.1

Plangebied

Overal waar werkzaamheden plaatsvinden op of in een geval van bodemverontreiniging zijn in beginsel saneringsmaatregelen nodig. In sommige gevallen kan sprake zijn van beperkingen in het gebruik of extra kosten die gemaakt moeten worden als grond moet worden afgevoerd. Of en hoe gesaneerd moet worden, moet per geval van bodemverontreiniging vooraf worden bepaald in overleg met het bevoegd gezag. Het verdient sterk aanbeveling om bij bouwactiviteiten of grondverzet vooraf het bodeminformatiesysteem van de gemeente te raadplegen. In sommige gevallen zal het uitvoeren van een aanvullend of actualiserend bodemonderzoek noodzakelijk zijn. Dit geldt bijvoorbeeld bij het uitvoeren van een sanering of het afvoeren van vrijkomende partijen grond. Door Tritium Advies BV is een verkennend onderzoek naar de gesteldheid van bodem en grondwater. De uitkomsten van dit onderzoek zijn opgenomen in de als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen rapportage d.d. 12 november 2019. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat ter plaatse van boring 02 in het traject van 0,08 tot 0,40 m-mv een volledige puinlaag is waargenomen. Verder zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met baksteen, aardewerk en plastic waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met kobalt, zink en PAK. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen.

Het grondwater blijkt licht verontreinigd te zijn met barium, kobalt, nikkel, xylenen en naftaleen. Ter plaatse van één peilbuis is het grondwater matig verontreinigd met nikkel. De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het voorgenomen gebruik van de locatie. De aangetroffen puinlaag betreft geen bodem. Geadviseerd wordt om, indien er werkzaamheden gaan plaatsvinden, waarbij er contactmogelijkheden zijn met het puin of als het puin afgevoerd gaat worden, een verkennend asbestonderzoek inclusief samenstelling en uitloging uit te voeren. Er dient rekening mee te worden gehouden dat na de sloop van de bebouwing nog een onderzoek ter plaatse van die gesloopte bebouwing moet worden uitgevoerd. 4.7.2

Conclusie

Het aspect bodem levert geen belemmeringen op voor ontwikkeling van het plangebied. vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

73

4.8

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen.

4.8.1

Wet natuurbescherming

De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. Zoals eerder al gezegd zijn de provincies in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid. Gelijktijdig met de in werkingtreding van Wnb veranderen de lijsten met beschermde soorten. Zo zijn een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine modderkruiper en bittervoorn) niet langer meer beschermd.

Andersom zijn dieren die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding. Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in de nieuwe Wnb is er nog maar één natuurvergunning nodig van één bevoegd gezag. Houtopstanden De regeling zoals die was vervat in de voormalige Boswet is grotendeels ongewijzigd overgenomen in de Wnb en is gericht op het behoud van het bosareaal en is van toepassing op alle bossen en houtopstanden buiten de door de gemeenteraad in dat kader vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, die een grotere oppervlakte beslaan dan 1000 m2 en op rijbeplantingen van meer dan 20 bomen. De begrenzing van de bebouwde kom als bedoeld in artikel 4.1 Wnb hoeft niet samen te vallen met de bebouwde kom in het kader van de wegenverkeerswet. De op grond van de Boswet vastgestelde bebouwde kom grens blijft ook onder de nieuwe Wnb gelden totdat deze opnieuw wordt vastgesteld. Naar verwachting zal de gemeenteraad in 2017 een nieuwe grens vaststellen. Op onderdelen zal die afwijken van de huidge begrenzing.

74

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

Kaart: grens bebouwde komals bedoeld in de (toenmalige) Boswet

De Wnb (artikel 4.1) vindt geen toepassing als het gaat om onder andere: houtopstanden op erven en tuinen windschermen langs boomgaarden wegbeplantingen en eenrijige beplanting van populier of wilg op of langs landbouwgronden en waterwegen fruitbomen naaldbomen (bedoeld als kerstbomen niet ouder dan 20 jaar) kweekgoed. Voor het (doen) vellen van een houtopstand (geheel of gedeeltelijk) die onder de Nbw valt, moet eerst een melding bij gedeputeerde staten worden ingediend. Verder moet de eigenaar (of degene die een beperkt genotsrecht heeft op de grond) er voor zorgdragen dat binnen drie jaar nadat tot velling is overgegaan het betreffende perceel opnieuw en op bosbouwkundig verantwoorde wijze is herplant. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen teneinde de herplantplicht uit te voeren op een ander perceel dan het perceel waar de velling heeft plaatsgevonden.

Wnb en onderscheid in gebieden De Wnb gaat uit van vijf gebiedssoorten te weten: Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland, bijzondere nationale natuurgebieden, nationale parken, bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De Wnb verplicht tot het tot stand brengen van het Natuur Netwerk Nederland en tot het aanwijzen van Natura 2000-gebieden, vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

75

die beide van cruciaal belang zijn voor het nakomen van de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn. De provincies kunnen voor de bescherming van het Natuur Netwerk Nederland, de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen zorg dragen door die gebieden op te nemen in de provinciale ruimtelijke verordeningen door daarin te bepalen dat die in de door de gemeente vast te stellen bestemmingsplannen dienen te worden beschermd. Voor de Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden voorziet de Wnb zelf in verschillende beschermingsregimes, waaronder een vergunningenregime, een toetsingsregime voor (bestemmings)plannen aan de zorgplicht, het programma en het beheerplan. Het aanwijzen van andere soorten natuurgebieden is op grond van deze Wnb niet uitgesloten. In Nederland waren 64 gebieden aangewezen tot 'beschermd natuurmonument' als bedoeld in de NBW1998. Die status is komen te vervallen door de inwerkintreding van de Wnb per 1 januari 2016. Op grond van de Wnb is het ook niet meer mogelijk om gebieden aan te wijzen teneinde te voldoen aan internationale verplichtingen en komt de beschermde status ook van die gebieden te vervallen. In Nederland betreft dit 49 gebieden (wetlands) die tevens de status van Natura 2000-gebieden bezitten. Daarom blijft de wettelijke bescherming hiervan gewaarborgd.

De bevoegdheid om gebieden aan te wijzen teneinde te voldoen aan internationale verplichtingen, mits die hun grondslag vinden in de Vogel- en/of Habitatrichtlijn, blijft nog wel mogelijk. Artikel 1.12, lid 2 Wnb ziet op het tot stand brengen en het in stand houden van het Natuur Netwerk Nederland. Dit netwerk stond voorheen bekend onder de benaming 'Ecologische hoofdstructuur (EHS)'. Het Natuur Netwerk Nederland is zowel voor de soortenbescherming als voor de gebiedsbescherming van belang. In het Natuurpact zijn de afspraken vastgelegd tussen de rijksoverheid en de provincies over de omvang van het netwerk. De gebieden die tot dit netwerk behoren zijn inmiddels door de provincies als zodanig aangewezen. Deze gebieden gelden op grond van het overgangsrecht, (artikel 9.11 Wnb) als gebieden die behoren tot het natuurnetwerk Nederland. Zowel de Wnb als het Barro bevatten bepalingen die gericht zijn op de aanwijzing en de bescherming van het Natuur Netwerk Nederland. Opgemerkt moet worden dat deze regelingen niet eenduiding zijn als het gaat om het bestuursorgaan dat bevoegd is om tot aanwijzing te besluiten.

Uittgangspunt voor bestemmingsplannen waarin gebieden zijn begrepen die behoren tot het Natuur Netwerk Nederland is dat deze geen mogelijkheden mogen bieden voor ruimtelijke ontwikkelingen die (per saldo) een siginficante aantasting tot gevolg hebben van de wezenlijke waarden en/of kemerken en/of een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden en/of van de samenhang tussen die gebieden. Alleen als sprake is van een groot openbaar belang én er geen reële alternatieven zijn én mits de negatieve effecten worden gecompenseerd kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Provincies en gemeenten zijn voorts bevoegd om het beschermingsregime verder te laten reiken dan de gebieden die behoren tot dit netwerk. Het gaat dan om ingrepen die weliswaar buiten die gebieden plaatsvinden maar die wel gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke waarden en kenmerken ervan. Ook al is een dergelijk aanvullend beschermingsregime niet van kracht dan nog dient een ruimtelijke ingreep die plaatsvindt buiten de begrenzing van het natuurnetwerk beoordeelt te worden of die zich al dan niet verdraagt met een goede ruimtelijke ordening.

2.2 Bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen Gedeputeerde staten zijn op grond van artikel 1.12, 3e lid Wnb bevoegd om gebieden die niet tot het Natuur Netwerk Nederland behoren aan te wijzen als bijzonder provinciaal natuurgebied of als bijzonder provinciaal landschap. Immers ook buiten het Natuur Netwerk Nederland komen gebieden voor met natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inbegrip van hun cultuurhistorische kenmerken, die bijzonder zijn en die bijdragen aan hetgeen Nederland mooi 76

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

en authentiek maakt. Als een provincie een dergelijk gebied van provinciaal belang acht en bijzonder beschermingswaardig vindt, kan het worden aangewezen als bijzonder provinciaal natuurgebied of bijzonder provinciaal landschap. 2.3 Nationale parken Artikel 8.3 Wnb bepaalt dat gedeputeerde staten de minister van EZ kunnen verzoeken gebieden als 'nationaal park' aan te wijzen. In Nederland gaat het om een twintigtal van dergelijke gebieden die die status al hadden op grond van de Regeling aanwijzing nationale parken. Die status blijft ook ingevolge de Wnb onverkort van kracht. De Nbw voorziet niet in bescherming van nationale parken. Provincies zijn zelf verantwoordelijk voor de bescherming en het beheer daarvan. Zij kunnen de benodigde bescherming bieden onder andere door gebruik te maken van de mogelijkheden die de Wro biedt. Maakt een nationaal park deel uit van een Natura 2000-gebied of van het Natuur Netwerk Nederland dan is de beschermingsregeling die geldt voor die specifikeke gebieden van toepassing. De gebieden die al zijn aangewezen tot nationaal park maken allemaal al deel uit van het Natuur Netwerk Nederland. Het door de minister van EZ vastgestelde Programma Nationale Parken de daarvan deel uitmakende standaard streeft ‘Nationale Parken nieuwe stijl’ na waar integratie van natuur en sociaal economische ontwikkeling centraal staat.

Het is niet uitgesloten dat dit programma wijziging brengt in de omvang van die gebieden of in het aantal nationale parken. 2.4 Bijzondere nationale natuurgebieden Met uitzondering van Natura 2000-gebieden is de minster van EZ bevoegd om gebieden aan te wijzen tot 'bijzonder nationaal natuurgebied'. Een dergelijke aanwijzing is bedoeld voor gebieden waarvan het aannemelijk is dat die in de toekomst de status van Natura 2000-gebied zullen krijgen en die in afwachting daarvan bescherming behoeven. De voorwaarden/redenen om tot aanwijzing te besluiten zijn opgesomd in artikel 2.11, lid 1 Wnb. Op grond van de Wnb is het mogelijk voor die gebieden een programma vast te stellen dat tot doel heeft de belasting van natuurwaarden te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren. Verder kan het programma voorzien in de aanschrijvingsbevoegdheid, het toegangsbeperkingsbesluit, het treffen van feitelijke behoud- of herstelmaatregelen en in instrumenten ter bescherming van deze gebieden. 2.5 Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden worden aangewezen door de minster van EZ. Hij is ook bevoegd om eerder genomen besluiten geheel of gedeeltelijk te wijzigen of in te trekken. Behoudens ingeval het gaat om wijzigingen van ondergeschikte aard dienen de besluiten tot stand te komen met inachtneming van afdeling 3.4 Awb.

In het aanwijzingsbesluit dient beschreven te worden voor welke vogel- en habitatsoorten en habitattypen het gebied wordt aangewezen alsmede de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn). In Nederland zijn op grond van de Nbw 1998 163 gebieden aangewezen tot Natura 2000-gebied. Deze aanwijzingsbesluiten zijn ook 'overgenomen' in de nieuwe Wnb. Wel is het zo dat de Natura 2000-gebieden die ingevolge de Nbw 1998 tevens waren aangewezen tot beschermd natuurmonument niet langer bescherming bieden ten aanzien van de doelen die ten grondslag hebben gelegen aan die aanwijzing tot natuurmonument. 3. Beschermingsregimes voor bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden De Nbw kent een aantal instrumenten die zowel voor de 'bijzondere nationale natuurgebieden' als voor de Natura 2000-gebieden gelden; het betreft: de zorgplicht de mogelijkheid programma's vast te stellen die tot doel hebben de belasting van natuurwaarden te verminderen en de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren de aanschrijvingsbevoegdheid het toegangsbeperkingsbesluit vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

77

en het treffen van feitelijke behoud- of herstelmaatregelen. Voor Natura 2000-gebieden staan ook nog de volgende instumenten ter beschikking: het beheer plan het treffen van instandhoudings- en passende maatregelen een vergunningen- en toetsingsregime voor handelingen en projecten die verslechterende of significant verstorende effecten voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben.

Natuurgebieden in de Wnb

Bevoegd gezag

Aanw ijzing

Bescherm ingsregim e / -instrum enten

natuurnetw erk Nederland

gedeputeerde staten verplicht

Wro

bijzonder provinciaal natuurgebied / landschap

gedeputeerde staten kan

Wro

Natura 2000-gebied

minister EZ

verplicht

Wnb

bijzonder nationaal natuurgebied

minister EZ

kan

Wnb

nationaal park

minister EZ

kan

geen

3.2.1 De programmatische aanpak stikstof (PAS) Het Bnb en de Rnb bevatten de eerste invulling van de uitwerking van een programmatische aanpak stikstof. Daarmee wordt de stikstofbelasting op Natura 2000-gebieden gereguleerd. In feite is dit de voortzetting van de programmatische aanpak stikstof waarin de Nbw 1998 voorzag. Het op basis van die regeling vastgestelde Programma Aanpak Stikstof 2015-2021, geldt op grond van artikel 9.3 Wnb als een programma als bedoeld in artikel 1.13 Wnb. Volgens de PAS zijn ontwikkelingen die gepaard gaan met stikstofdeposities tot de drempelwaarde van 0,05 mol N/ha/jr zonder meer toegestaan. Projecten of handelingen die de vastgestelde grenswaarde van 1 mol N/ha/jr niet overschrijden zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. De grenswaarde daalt naar 0,05 mol N/ha/jr, zodra 5% of minder van de beschikbaar gestelde depositieruimte voor ‘grenswaarde-gevallen’ over is. De grenswaarde kan, na een daartoe strekkend besluit van de ministers van EZ en I&M weer worden verhoogd naar 1 mol N/ha/jr. Een meldingsplicht geldt voor bepaalde projecten en handelingen die gebruik maken van de grenswaarderegeling.

Verder mag de verlaging van de grenswaarde geen gevolgen hebben voor de toedeling van ontwikkelingsruimte voor zogenaamde segment 1 projecten, voor projecten en handelingen waarvoor een melding is gedaan op een moment waarop de grenswaarde van 1 mol N/ha/jr gold, en voor projecten en andere handeling waarvoor de meldingsplicht niet geldt als de realisatie aanving of de handeling voor de eerste keer werd verricht op het moment dat de grenswaarde 1 mol N/ha/jr was. Voor projecten en handelingen die stikstofdepositie boven de grenswaarde veroorzaken geldt de vergunningplicht onverkort. Als deze projecten en handelingen leiden tot een toename van stikstofdepositie, dan kan een vergunning worden verleend als voor het project of de handeling ontwikkelingsruimte beschikbaar wordt gesteld. Voor zogenoemde prioritaire projecten is ontwikkelingsruimte binnen het programma gereserveerd (segment 1). 3.3 Het beheerplan Voor Natura 2000-gebieden dienen door gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen het gebied zich bevindt, beheersplannen te worden vastgesteld die gericht dienen te zijn op het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de soorten en typen waarvoor het betreffende Natura 2000 gebied is aangewezen.

Artikel 2.3 Wnb bepaalt dat in het beheerplan in elk geval de instandhoudingsmaatregelen en de passende maatregelen en het beoogde resultaat daarvan moeten worden beschreven. Hoewel dit niet expliciet in de wet is bepaald kan het beheerplan ook gericht zijn op de soortenbescherming. In het beheerplan 78

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

kunnen projecten en andere handelingen worden beschreven waarvoor dan geen (Natura 2000) vergunningplicht of soortenontheffingsbesluit meer nodig is. Met de (tijdige) uitvoering van de in het beheerplan beschreven instandhoudings- en passende maatregelen zijn de besturen belast die daarmee hebben ingestemd. De op grond van de Nbw 1998 vastgestelde beheerplannen worden beheerplannen als bedoeld in de Wnb en blijven van kracht totdat de daaraan gekoppelde geldigheidsduur is verstreken. 3.4 De aanschrijvingsbevoegdheid, het toegangsbeperkingsbesluit en het treffen van feitelijke maatregelen Gedeputeerde staten zijn op grond van artikel 2.4 Wnb bevoegd om degene die een handeling verricht of het voornemen daartoe heeft te verplichten informatie te verstrekken, de nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen, de handeling overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften uit te voeren of de handeling niet uit te voeren of te staken. Deze verplichtingen kunnen bij beschikking of voor bepaalde categorieën van handelingen bij provinciale verordening of bij algemene maatregel van bestuur, worden opgelegd. De bevoegdheid kan niet worden toegepast ten aanzien van projecten en handelingen waarvoor een natuurvergunningplicht geldt. De Wnb (artikel 2.5) maakt het mogelijk om de toegang tot een Natura 2000-gebied te verbieden of te beperken op grond van een toegangsbeperkingsbesluit.

Het uitgangspunt is dat de natuurgebieden zoveel mogelijk toegankelijk zijn voor bezoekers, maar bijvoorbeeld in het broedseizoen kan worden bepaald dat het gebied waar vogels broeden niet toegankelijk is. Verder kunnen feitelijke maatregelen worden getroffen in zowel Natura 2000-gebieden als ook gronden die daarbuiten zijn gelegen, mits die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor die Natura 2000-gebieden nodig zijn. 3.5 De natuurvergunning Zowel op grond van de Wnb als de Wabo (annex het Bor) is het verboden om zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die een nadelig of significant verstorend effect kunnen hebben op een Natura 2000-gebied. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. De verhouding tussen de beide wettelijke verboden is geregeld in het Bor. Het in de Wabo/Bor opgenomen verbod is alleen van toepassing als voor de Natura 2000 activiteit tevens een omgevingsvergunning is vereist op een van de andere gronden genoemd in artikel 2.1 en artikel 2.2 Wabo èn voor die handeling of dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7 lid 2 Wnb is aangevraagd of verleend.

Met andere woorden: voorzien is in het faculatief aanhaken van de Natura 2000 activiteit aan de omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie waarin het project wordt uitgevoerd of de handeling wordt verricht zijn bevoegd om een natuurvergunning te verlenen, terwijl de minister daartoe bevoegd is in de gevallen genoemd in het Bnb. Artikel 2.8 Wnb bevat het beoordelingskader voor een vergunning voor een project of voor een andere handeling. Een vergunning voor een project dat significante gevolgen kan hebben wordt uitsluitend verleend nadat blijkens een passende beoordeling zeker is dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Als die zekerheid niet is verkregen, dan kan een vergunning uitsluitend worden verleend indien er geen alternatieven zijn én wanneer dwingende redenen van groot openbaar belang gemoeid zijn met het project én onder de voorwaarde dat de schade wordt gecompenseerd. Bij de verlening van een vergunning voor andere handelingen dan de hiervoor bedoelde projecten wordt uitsluitend rekening gehouden met de gevolgen die de handeling kan hebben voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Artikel 2.9 Wnb bevat een opsomming van de uitzonderingen op de vergunningplicht.

Het betreft handelingen en projecten die zijn beschreven in en worden verricht overeenkomstig een beheerplan of een programma. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

79

opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Een uitzondering op de vergunningplicht is ook mogelijk krachtens een algemene maatregel van bestuur of provinciale verordening. 3.6 De Natura 2000 plantoets Plannen die al dan niet in samenhang met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, mogen uitsluitend alleen worden vastgesteld indien blijkens een passende beoordeling zeker is dat die de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Ingeval die zekerheid niet wordt gekregen en er geen alternatieven bestaan, maar wel sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang dan kan het plan toch worden vastgesteld mits de schade wordt gecompenseerd. Voor plannen geldt als toetsingscriterium 'significante gevolgen' en voor vergunningen 'verslechtering/significante verstoring'. Onder plannen worden bestemmingsplannen begrepen. Voorzien die plannen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dan zal een zogenoemde voortoets moeten worden gemaakt waarin wordt bezien of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft. Zijn die uitgesloten dan is de Wnb niet van toepassing. Kunnen significante gevolgen niet worden uitgesloten, dan dient een passende beoordeling gemaakt te worden.

In dat geval geldt op grond van artikel 7.2a Wet milieubeheer tevens dat voor het plan een milieueffectrapport voor plannen wordt gemaakt. De passende beoordeling behoeft geen onderdeel te zijn van de milieueffectrapportage maar mag ook worden uitgevoerd nadat de milieueffectrapportage al is afgerond. Wel dienen beide te zijn afgerond voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Wnb beschermingsregime

bijzonder nationaal natuurgebied

Natura 2000-gebied

zorgplicht

x

x

programma

x

x

aanschrijvingsbevoegdheid

x

x

toegangsbeperkingsbesluit

x

x

feitelijke maatregelen

x

x

beheerplan

x

instandhoudings/passende maatregelen

x

vergunningstelsel

x

toetsingsregime voor plannen

x

In § 3.10.1 is ingegaan op de vraag of het nieuwe bestemmingsplan, in het bijzonder als gevolg van ontwikkelruimte voor dierenhouderijen, siginificante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. 4. Beroepsmogelijkheden Tegen besluiten op grond van de Wnb is beroep in twee instanties mogelijk, namelijk beroep bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 4.8.2

Soortenbescherming

In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wnb zijn veel soorten niet meer beschermd. Echter een aantal andere vlinder- en libellesoorten en florasoorten zijn nu wel beschermd. Tevens blijft de algemene zorgplicht gelden. Daarnaast geldt in bepaalde provincies voor een aantal van de Tabel 1-soorten uit de Flora- en faunawet wet geen vrijstelling meer. Dit zijn voor de 80

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

provincie Noord-Brabant de bunzing, hermelijn en wezel. Voor de strikt beschermde soorten in de Wnb, namelijk de soorten die zijn beschermd in de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn, geldt dat deze in de Wnb gelijkwaardige bescherming genieten als voorheen. Een tweetal algemene voorwaarden vanuit de Wnb is altijd van toepassing: 1. in het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) mogen de vegetatie, bosjes en opstallen niet worden verwijderd. Werkzaamheden tijdens deze periode zouden leiden tot directe verstoring van broedvogels en het broedsucces. Alle vogels zijn beschermd. Er is geen vrijstelling te verkrijgen in het kader van de Flora- en faunawet voor activiteiten die vogels in hun broedseizoen zou kunnen verstoren. 2. op basis van de zorgplicht volgens volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Door Tritium Advies BV is gekomen tot een onderzoek genaamd “Quickscan flora en fauna Ardèchelaan en Marnestraat te Eindhoven d.d. 31 maart 2020 (Rapportnummer: 2001/284/LB-01, versie 0), hier opgenomen als bijlage 11. Op 16 maart 2020 heeft een verkennend veldbezoek plaatsgevonden. Binnen het plangebied zijn niet aangetroffen: beschermde wilde plantensoorten vogelnesten c.q.

verblijfplaatsen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen en/of vissen, ongewervelden en/of overige soorten Aldus zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van bovengenoemde soortgroepen en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Een gedeelte van het te slopen winkelcentrum is geschikt als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Hier dient aanvullend onderzoek voor uitgevoerd te worden in de vorm van minimaal vier veldbezoeken, waarvan twee in de periode 15 mei – 15 juli en twee in de periode 15 augustus – 1 oktober. Deze onderzoeken worden uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2017 en de beschikbare kennisdocumenten van BIJ12. Mogelijk wordt er door vleermuizen gefoerageerd binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. Indien de sloop- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden is een negatief effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten.

Als conclusie wordt door Tritium aangegeven: de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; nader onderzoek naar kleine gebouw bewonende vleermuizen is noodzakelijk; om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd; voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft. In de rapportage 2004005LB-01 aanvullend onderzoek vleermuizen d.d. 13 oktober 2020 (hier opgenomen als bijlage 12) wordt als conclusie aangegeven dat binnen het onderzoeksgebied zijn geen vaste verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en essentiële vliegroutes van vleermuizen aangetroffen, waardoor geen verplichtingen bestaan vanuit de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soortgroep. Wel dienen de omschreven werkwijzen met betrekking tot de zorgplicht en de aanbevelingen in de quickscan flora en fauna nageleefd c.q. in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

81

voorkomen. Aldus is een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) niet noodzakelijk. 4.8.3

Gebiedsbescherming

In voormeld onderzoek van Tritium Advies BV wordt ook ingegaan op het onderdeel gebiedsbescherming. Het plangebied maakt geen deel uit van een gebied dat beschermd is in het kader van de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het NNB is op een afstand van circa 220 meter ten noordwesten van het plangebied gelegen. Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Eindhoven en de beperkte impact van de ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden), kan verstoring van soorten en andere ecologische functies in het NNN op voorhand worden uitgesloten. Van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN is geen sprake. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op een afstand van 9,9 kilometer ten zuiden van het plangebied gelegen en betreft het “Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux”. Het plangebied is niet direct zichtbaar vanuit omliggende Natura 2000-gebieden. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is geen sprake. Gelet op de ligging van het plangebied in het stedelijk gebied van Eindhoven en de beperkte impact van de ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden), kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten.

Stikstofeffecten worden gelet op de beperkte omvang van de werkzaamheden en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden eveneens niet verwacht. In onderstaande afbeelding is de ligging van de Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied weergegeven:

4.8.4

Aerius berekening

Om voormelde verwachting te kunnen onderbouwen is een aanvullende Aerius berekening uitgevoerd, betreffende zowel de realisatiefase alsook de gebruiksfase van het project, neergelegd in de rapportage van Volantis Consultancy d.d. 14 februari 2023 opgenomen als bijlage 13 bij deze toelichting. Uit de berekening blijkt dat de stikstofuitstoot ter plaatse van de nabij gelegen Natura 2000 gebieden maximaal 0,00 mol/ha/jaar betreft. Hiermee wordt voldaan aan het wettelijk kader en er is geen melding of vergunning noodzakelijk. Aangetoond is dat als gevolg van het plan geen toename van stikstofdepositie te verwachten is in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat significante gevolgen voor beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten als gevolg van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten. De instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden worden gerespecteerd en de natuurlijke kenmerken worden niet aangetast. 4.8.5

Conclusie

De voorgenomen ingreep leidt niet tot: Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Nadere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten. Aanvullend veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Noord-Brabant ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. 82

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

Verdere toetsing in de vorm van een “Nee, tenzij-toets” is niet aan de orde.

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

83

84

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de huidige watersituatie in het plangebied. Daarnaast legt het vast aan welke watereisen ontwikkelingen, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, moeten voldoen. Het doet dit door ruimtelijke plannen onder meer te toetsen aan " hydrologisch neutraal" conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening. De watertoets is opgenomen in bijlage 14.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning). 5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2022-2027 De Waterwet vereist dat de Rijksoverheid eens per zes jaar een Nationaal Waterplan voor het nationale waterbeleid en een Beheer- en ontwikkelplan voor het beheer van de rijkswateren (Bprw) opstelt. 'In de geest' van de nieuwe Omgevingswet worden deze plannen nu al in samenhang beschreven in één Nationaal Waterprogramma voor beleid en beheer. Voor het waterbeleid is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie.Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vervangt het Nationaal Waterplan 2016-2021, inclusief alle tussentijdse wijzigingen en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Brpw) 2016-2021. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid voor de periode 2022-2027: waterveiligheid, waterkwaliteit en klimaatadaptatie. Het beschrijft tevens de uitvoering daarvan en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied is noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het wateren bodemsysteem meegenomen als leidend principe.

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

85

5.2.2

Provinciaal beleid

5.2.2.1 Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 is op 3 december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld en op 22 december 2021 in werking getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Het doel is niet alleen meer wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma Duurzaam door. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag, dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water. Het plangebied is gelegen binnen het gebied in het PMWP aangeduid als ‘Water in bebouwd gebied’. De ruimtelijke begrenzing voor deze functie komt overeen met de aanduidingen ‘Stedelijk concentratiegebied/kernen in het landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het waterbeheer in deze gebieden draagt bij aan een goed functionerend watersysteem. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsgebied. Het plangebied is niet gelegen nabij Natura 2000-gebieden en Natte natuurparels. Bovendien is het plangebied niet gelegen binnen grondwaterbeschermingszones, beschermingszone innamepunten drinkwater en boringsvrije zones. Hieruit blijkt dat deze aspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Omgevingsverordening Noord-Brabant 86

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

In de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant is op de kaart 'Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging' voor onderhavig plangebied het onderstaande opgenomen.

Het lichtblauwe gebied geeft de "Reservering waterberging" aan en het donkerblauwe gebied de "Regionale waterberging". Deze waterbergingsgebieden zijn, voor zo ver ze gelegen zijn binnen het plangebied, in dit bestemmingsplan opgenomen als dubbelbestemming.

5.2.3

Beleid Waterschap

5.2.3.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden.

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

87

robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. Wat schoon is moet schoon blijven. We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal.

Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: Van beekdalgericht naar gebiedsgericht: onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. Van sectoraal naar integraal: samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. Van water afvoeren naar elke druppel telt: maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. 5.2.3.2 Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen.

Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt. In de Keur is aangegeven dat neerslag, afkomstig van toename verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, die direct tot afvoer naar een (keur)waterlichaam komt, verplicht gecompenseerd dient te worden middels de aanleg van waterbergende voorzieningen. Het waterschap verleent in enkele gevallen vrijstelling van deze verplichting. Dit wordt gedaan indien: de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² bedraagt, of; de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² bedraagt en middels de 88

vastgesteld I Achtse Barrier - Heizoom 2015 (Hartje Barrier) Gemeente Eindhoven

rekenregels afdoende compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, of; het af te koppelen verhard oppervlak maximaal 10.000 m² bedraagt, of; er binnen het plangebied andere hydraulische afspraken gelden (bv. met de gemeente) Indien een voorziening nodig is, dan bedraagt de maximale toegestane afvoer uit een voorziening 2 l/s/ha bij een neerslagsituatie van 60 mm. Groene (vegetatie)daken gelden hierbij niet als verhard oppervlak. Bij meer dan 10.000 m2 toename nieuw verhard oppervlak of het afkoppelen van 10.000m2 bestaand verhard oppervlak is altijd een voorziening noodzakelijk volgens de geldende beleidsregels van het waterschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14150151/1