Bijlage 3 - Verordening VHO Eindhoven 2021 versie 27 nov 2020 OOGO met wijzigingen tov Verordening 2016
Tekst van het document
Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 20201
Versiedatum:
concept d.d. 9 juli27 november 2020
Status:
derde concept voor externe werkgroepter bespreking OOGO
Samenstelling:
Gemeente Eindhoven, Sector Maatschappelijk Vastgoed en SportAfdeling
Vastgoed - Onderwijshuisvesting
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
1|89
VERORDENING VOORZIENINGEN HUISVESTING ONDERWIJS GEMEENTE EINDHOVEN 20201 De raad van de gemeente Eindhoven, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van @@@;
heeft opmaak toegepast: Markeren
gelezen het verslag van het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs; besluit vast te stellen de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Eindhoven 20201.
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen In deze Verordening wordt verstaan onder: -
aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het bekostigen van onderhoud en aanpassing van een lokaal bewegingsonderwijs, bouwvoorbereiding en overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken;
-
aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;
-
advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
-
bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;
-
bouwkundige rapportage: een bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen van NEN 2767;
-
bouwplanbouwplannen: het geheel van bescheiden dat uiteindelijk bepalend is voor het besluit tot beschikbaarstelling van het definitieve bedrag van de goedgekeurde huisvestingsvoorziening, zoals het programma van eisen, het voorlopig en het definitief ontwerp, de bestekbescheiden, begrotingbegrotingen en planning;
-
bouwopdracht: opdracht tot het realiseren van onderwijshuisvestingde bouwplannen binnen de vastgestelde begrotingbegrotingen;
-
het college: het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Eindhoven;
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
2|89
-
dislocatie: een losstaande uitbreiding van een gebouw, al dan niet op het eigen terrein van een school gesitueerd;
-
eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110, vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u, vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
-
gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 76u, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
-
integraal huisvestingsplan (IHP): door de gemeenteraad of het college vastgesteld beleidsdocument dat de koers uitzet voor de (middel)lange termijn waarin de aard, omvang en financiële vertaling van de huisvestingsbehoefte van één of meerdere scholen en/of onderwijssoorten in onderlinge samenhang wordt beschreven;
-
lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het bewegingsonderwijs of een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;
-
medegebruik: gebruik in de zin van artikel 7A:1777 BW van een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik gevendoor (een) derde(n) ten behoeve van uit de openbare kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden als bedoeld in artikel 108 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 106 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76s van de Wet op het voortgezet onderwijs;
-
minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
-
nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;
-
onderwijssoort: een in de wet vastgelegd deel van het Nederlands onderwijsstelsel, in het kader van deze Verordening onderscheiden naar onderwijs in de zin van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra respectievelijk de Wet op het voortgezet onderwijs;
-
overmacht: een tekortkoming van de aanvrager die hem niet kan worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling, of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt;
-
overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 94 van de Wet op de expertisecentra of artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;
-
permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;
-
programma: programma als bedoeld in artikel in artikel 95 Wet op het primair onderwijs, artikel 93 Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;
-
school: 1° school voor basisonderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
3|89
2° school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra; 3° school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs; -
tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;
-
tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;
-
transformatie: aanmerkelijke bouwkundige en installatietechnische ingrepen in of verbouwing van een permanent schoolgebouw die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen beogen het gebouw ten minste 50 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs verder te laten functioneren;
-
uitvoeringsprogramma: onderdeel (paragraaf/hoofdstuk) van het IHP dat de aard, omvang en financiële vertaling van de huisvestingsbehoefte van één of meerdere scholen per jaar van bekostiging beschrijft. Het uitvoeringsprogramma is geen programma in de zin van artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;
-
upgrade: aanpassingverhuur: verhuur in de zin van artikel 7:201 BW van een schoolgebouw aan de eisen van de tijd, vergroting van de duurzaamheid of verlenging van de levensduur. Het beleid en de keuzes ten aanzien van upgrade zijn opgenomen in het IHP;
-
verhuur: gebruikgedeelte van een onderwijsgebouwgebouw of terrein door derden, niet zijnde onderwijsgebruikverhuur als woon- of gebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleindenbedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
-
voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15 jaar noodzakelijk is;
-
voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II maximaal 15 jaar noodzakelijk is;
-
voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2.
De definities kunnen, zonder hun betekenis te verliezen in het enkelvoud of het meervoud worden gebruikt.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
4|89
Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting Bij het toepassen van deze Verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden: a.
voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit: 1° nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht; 2° transformatie van een permanent schoolgebouw waarin een school is gehuisvest of van een lokaal bewegingsonderwijs; 3° nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie; 4° uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest; 5° het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten van een school; 6° verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor het huisvesten van een school; 7° terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld in 1° tot en met 6°; 8° inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair of met leer- en hulpmiddelen en meubilair voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd; 9° medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs en een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;
b.
herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;
c.
herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;
d.
huur van een sportveld, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening.
Artikel 3. Bekostiging in onderhoud en aanpassing lokaal bewegingsonderwijs, bouwvoorbereiding en overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken Artikel 3.1 Onderhoud en aanpassing lokaal bewegingsonderwijs Voor het onderhouden of aanpassen van een lokaal bewegingsonderwijs kan door het bevoegd gezag een aanvraag voor het bekostigen worden ingediend. In bijlage VI zijn de criteria om daarvoor in aanmerking te komen nader uitgewerkt.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
5|89
Artikel 3.2 Bouwvoorbereidingskrediet Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 4° en 5°, kan door het bevoegd gezag een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplanaanbestedingsgerede bouwplannen worden ingediend. In bijlage VI zijn de criteria om daarvoor in aanmerking te komen nader uitgewerkt. Artikel 3.3 Overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken De navolgende zaken kunnen eveneens voor bekostiging in aanmerking komen: a.
het doen van een haalbaarheidsonderzoek naar de mogelijkheden om te komen tot het realiseren van een van de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 4° en 5°;
b.
een tegemoetkoming in de kosten om een schoolgebouw aan te passen aan de eisen van de tijd, de duurzaamheid te vergroten of de levensduur te verlengen (upgrade);
c.b. parkeerplaatsen, niet zijnde parkeerplaatsen op eigen terrein en een gebouwde parkeervoorziening; d.c. een gebouwde parkeervoorziening, niet zijnde parkeerplaatsen op eigen terrein en parkeerplaatsen als hiervoor onder c b bedoeld;. e.
het verhuizen van een school naar een andere locatie.
In bijlage VI zijn de criteria om voor bekostiging van in dit artikel benoemde zaken in aanmerking te komen nader uitgewerkt. Artikel 4. Vaststellen vergoeding Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 3°, 4° en 8° en de voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, wordt de vergoeding taakstellend vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen normbedragen. Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de vergoeding taakstellend vastgesteld op de feitelijke kosten. Voor bekostiging in onderhoud en aanpassing lokaal bewegingsonderwijs, bouwvoorbereiding en overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken als bedoeld in artikel 3 wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig bijlage VI. Indien zich bij het realiseren van de voorzieningen als bedoeld in het eerste en tweede lid opgenomen vergoedingeneen overschrijding van het taakstellend budget voordoet, komt deze voor rekening en risico van het bevoegd gezag. Indien bij het realiseren van de voorzieningen als bedoeld in het eerste en tweede lid financiële voordelen worden behaald ten opzichte van de toegekende vergoeding, vloeien deze terug naar de gemeente Eindhoven. Binnen 16 weken na oplevering van de voorziening legt het bevoegd gezag financiële verantwoording af aan het college opdat het college kan vaststellen of er sprake is van een financieel voordeel.
Het college kan besluiten de termijn van 16 weken te verlengen, nadat het bevoegd gezag daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
6|89
Artikel 5. Informatieverstrekking Het bevoegd gezag verstrekt aan het college alle gegevens die naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van deze Verordening.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
7|89
HOOFDSTUK 2. PROGRAMMA EN OVERZICHT PARAGRAAF 2.1 AANVRAGEN PROGRAMMA Artikel 6. Indienen aanvraag Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet uiterlijk 31 januari van het jaar waarin het betreffende programma wordt vastgesteld, zijn ontvangen. Het college stelt hiertoe een (digitaal) formulier vast. Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college niet in behandeling. Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag Een aanvraag vermeldt in ieder geval: a.
de naam en het adres van de aanvrager;
b.
de dagtekening;
c.
de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;
d.
de voorziening die wordt aangevraagd;
e.
de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening, bestaande uit: 1° een verwijzing naar het vastgestelde uitvoeringsprogramma zoals opgenomen in het IHP als de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die is opgenomen in het uitvoeringsprogramma; 2° als de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die niet is opgenomen in het vastgestelde uitvoeringsprogramma zoals opgenomen in het IHP: i.
een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school voor basisonderwijs, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs, als het betreft een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 8° of 9°, onder de voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door het college, al dan niet in samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van een school voor basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag wordt onderschreven;
ii.
als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 3°,° of transformatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 2° of herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b,°, een
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
8|89
bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld; iii. als de aanvraag betrekking heeft op het herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage van een daartoe gecertificeerde, onafhankelijke en ter zake kundig expert; iii.iv.
als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening
waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een bouwvoorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3.2, een kostenbegroting.; v.
als de aanvraag betrekking heeft op het bekostiging van een bouwvoorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3.2 voor een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening.
f.
de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening, en,
g.
als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 7°, de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd.
Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling. Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de aanvraag alsnog niet in behandeling. Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen vóór 15 mei een opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
9|89
PARAGRAAF 2.2 OVERLEG VOORAFGAAND AAN VASTSTELLEN PROGRAMMA EN OVERZICHT Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats vóór 15 mei. Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegrotingbegroting van de kosten moet worden aangepast. Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen. Dit overleg vindt plaats uiterlijk 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2 weken vóór de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze zienswijzen in kennis.
Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. De bevoegde gezagsorganen kunnen tot twee weken na verzending van het verslag hun eventuele bemerkingen op het verslag kenbaar maken aan de gemeente. Na verloop van deze termijn stelt de gemeente het definitieve verslag vast en stuurt dit binnen twee weken na vaststelling toe aan de bevoegde gezagsorganen. Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over het conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde lid. Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
10|89
Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het afschrift van het advies. Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen 2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde lid.
PARAGRAAF 2.3 VASTSTELLEN BEKOSTIGINGSPLAFOND, PROGRAMMA EN OVERZICHT Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in artikel 10 lid 1: a.
de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en,
b.
als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag.
Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per voorziening. Indien het bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen te honoreren die in aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma, past het college de in bijlage V opgenomen prioritering toe. Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december voorafgaande aan het jaar waarop het programma betrekking heeft. Artikel 12. Bekend maken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden door het college binnen 23 weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen besluiten. De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage gelegd.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
11|89
PARAGRAAF 2.4 UITVOEREN PROGRAMMA Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over: a.
het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs;
b.
het tijdstip waarop het bouwplande bouwplannen en de begrotingbegrotingen door de aanvrager worden ingediend;
c.
als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;
d.
de wijze waarop het college het bouwplan en de begrotingbouwplannen en de begrotingen toetst, en, of het naar het oordeel van het college noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplande bouwplannen en de begrotingbegrotingen rekening te houden met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan worden herzien;
e.
de wijze waarop voorkomen wordt dat wordt gebouwd voor leegstand;
e.f. de wijze waarop de informatieverstrekking aan het college ten behoeve van de voorbereiding en realisatie van de toegekende voorziening plaatsvindt; f.g. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan voorzieningen aan/in gebouwen of terreinen die verhuurd of in gebruik gegeven worden aan derden; g.h.de controle op en het afleggen van verantwoording over het besteden van de beschikbaar te stellen middelen; h.i. de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt, waaronder begrepen op basis van welk gunningscriterium wordt aanbesteed; i.j. de handelwijze indien de bouwheer door overmacht redelijkerwijs geen (ongewijzigde) uitvoering kan geven aan de toegekende voorziening. De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken na het overleg. Als de aanvrager niet binnen 4 weken nadat het verslag is verzonden schriftelijk heeft gereageerd, is, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, overeenstemming of geen overeenstemming bereikt. Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het college dit binnen 4 weken nadat het verslag is vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt opgeschort.
Het college en de aanvrager kunnen in overleg besluiten tot verlenging van de in het tweede en derde lid genoemde termijnen.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
12|89
Afspraken die geen betrekking hebben op de thema’s zoals benoemd in het eerste lid, kunnen separaat overeengekomen worden tussen gemeente en bevoegd gezag. De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begrotingen, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven, als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het overleg. Het bepaalde in artikel 15 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begrotingen; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is bereikt dient het bevoegd gezag de bouwplannen en de daarbij behorende begrotingen in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, tweede lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met de bouwplannen en de begrotingen voordat een bouwopdracht wordt verleend.
Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn ontvangen over de bouwplannen, de daarbij behorende begrotingen en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 3 weken. Als niet binnen de gestelde termijn is besloten, is instemming verleend met de bouwplannen en de begrotingen en start de bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing over de bouwplannen, de daarbij behorende begrotingen en het tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum waarop de instemming is verleend, schriftelijk in kennis. Nadat het college met de bouwplannen van een voorziening als bedoeld in artikel 4, tweede lid, heeft ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 13, tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de datum van deze beslissing schriftelijk in kennis gesteld.
Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de offerte die het beste voldoet aan het gunningscriterium als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder hi, bepalend. Overlegging van de uitgebrachte offertes als bedoeld in het derde lid kan achterwege blijven indien de offerte die het beste voldoet aan het gunningscriterium als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder hi, niet leidt tot overschrijding van de goedgekeurde begrotingen.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
13|89
Artikel 15. Aanvang bekostiging Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening. Na realisatie van de voorziening doet het bevoegd gezag een gereedmelding aan het college. Het college stelt daartoe een (digitaal) formulier vast. Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging Voor 15 september van het jaar waarop het programma betrekking heeft geeft de aanvragerhet bevoegd gezag dat optreedt als bouwheer een bouwopdracht of sluit hij het een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij het bevoegd gezag voor 15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan. De in het eerste lid bedoelde: a.
bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;
b.
bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd;
c.
huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst;
d.
koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.
De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door: a.
bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvragerhet bevoegd gezag zijn toe te rekenen, en,
b.
de aanvragerhet bevoegd gezag voor 15 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het college.
Het college rappelleert uiterlijk 1 augustus schoolbesturen bevoegde gezagsorganen die nog geen bouwopdracht hebben verleend dan wel een huur-, koop of erfpachtovereenkomst hebben gesloten en nog geen verzoek tot verlenging hebben ingediend. Dit laat onverlet de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen bevoegde gezagsorganen zelf. Het college beslist voor 15 oktober op een verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
14|89
HOOFDSTUK 3. AANVRAGEN MET SPOEDEISEND KARAKTER PARAGRAAF 3.1 AANVRAAG Artikel 17. Indienen aanvraag Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2 weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college. Het college stelt hiertoe een (digitaal) formulier vast. Artikel 18. Inhoud aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop de aanvraag is ontvangen schriftelijk op de hoogte als gegevens ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Het college neemt de aanvraag niet in behandeling als deze niet volledig is gedaan.
PARAGRAAF 3.2 BEOORDELEN AANVRAAG; UITVOEREN BESLUIT Artikel 19. Tijdstip beslissing Het college beslist binnen 6 weken nadat de volledige aanvraag is ontvangen. Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mee en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel afgegeven kan worden. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis. Artikel 20. Uitvoeren beslissing Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, maar in plaats van de termijn uit artikel 14, tweede lid, eerste volzin, geldt een termijn van 3 weken. Binnen 3 maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen 2 weken een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.
De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de in het tweede lid bedoelde termijn van 3 maanden veroorzaakt wordt door: a.
bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en,
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
15|89
b.
de aanvrager binnen 3 maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in artikel 19, eerste lid, een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het college.
Het college beslist binnen 3 weken op een verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
16|89
HOOFDSTUK 4. AANVRAGEN VOOR BEKOSTIGING VAN ONDERHOUD EN AANPASSING LOKAAL BEWEGINGSONDERWIJS, BOUWVOORBEREIDING EN OVERIGE VOOR BEKOSTIGING IN AANMERKING KOMENDE ZAKEN Artikel 21. Indienen aanvraag Een aanvraag tot het bekostigen van onderhoud en aanpassing van een lokaal bewegingsonderwijs, bouwvoorbereiding en overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken, wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend uiterlijk 31 januari voorafgaande aan het jaar van bekostiging. Het college stelt hiertoe een (digitaal) formulier vast. Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college niet in behandeling. Artikel 22. Inhoud aanvraag Een aanvraag vermeldt in iedere geval: a.
de naam en het adres van de aanvrager;
b.
de dagtekening;
c.
de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor het onderhoud en de aanpassing van het lokaal bewegingsonderwijs, de bouwvoorbereiding of de overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken is bestemd;
d.
het onderhoud en de aanpassing van het lokaal bewegingsonderwijs, de bouwvoorbereiding of de overige voor bekostiging in aanmerking komende zaak die wordt aangevraagd;
e.
de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van het onderhoud en de aanpassing van het lokaal bewegingsonderwijs, de bouwvoorbereiding of de overige voor bekostiging in aanmerking komende zaak waarvoor de aanvrager in aanmerking wenst te komen bestaande uit: 1° een verwijzing naar het vastgestelde uitvoeringsprogramma, opgenomen in het IHP, als de aanvraag is voorzien in het uitvoeringsprogramma; 2° de in bijlage VI gevraagde gegevens als de aanvraag niet is voorzien in het vastgestelde uitvoeringsprogramma, opgenomen in het IHP.
f.
de geplande aanvangsdatum van uitvoering.
Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte als gegevens ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Het college neemt de aanvraag niet in behandeling als deze niet tijdig of niet volledig is gedaan.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
17|89
Artikel 23. Beoordelen aanvraag Het college beoordeelt de aanvraag aan de hand van de in bijlage VI opgenomen criteria. Het college weigert de aanvraag indien met het onderhoud en de aanpassing van het lokaal bewegingsonderwijs, de bouwvoorbereiding of de overige voor bekostiging in aanmerking komende zaak in het kalenderjaar volgend op het jaar van indiening van de aanvraag redelijkerwijs geen aanvang kan worden gemaakt. Artikel 24. Tijdstip beslissing Het college beslist uiterlijk 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis. Artikel 25. Uitvoeren beslissing Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 24, eerste lid, waarbij bekostiging is toegewezen, treedt het college binnen 4 weken in overleg met de aanvrager over de wijze waarop het onderhoud en de aanpassing van het lokaal bewegingsonderwijs, de bouwvoorbereiding of de overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken worden uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16 is daarbij van overeenkomstige toepassing.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
18|89
HOOFDSTUK 5. INTEGRAAL HUISVESTINGSPLAN Artikel 26. Inhoud integraal huisvestingsplan Een integraal huisvestingsplan bevat tenminste: a.
Een visie op onderwijshuisvesting;
b.
Een visie op de spreiding van onderwijsvoorzieningen binnen de gemeente;
c.
Een overzicht van de scholen waarvoor het integraal huisvestingsplan is opgesteld;
d.
Een overzicht van de leerlingaantallen (telgegevens en prognose);
e.
Een overzicht van de ruimtebehoefte (o.b.v. actuele en geprognotiseerde leerlingaantallen);
f.
Een overzicht van de beschikbare huisvestingscapaciteit;
g.
Een overzicht van de bouwaard (permanent of tijdelijk);
h. Een analyse van knelpunten in kwantiteit en kwaliteit; i.
Een lange-termijnoverzicht van de huisvestingsvoorzieningen en/of overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken alsmede de daaruit voortvloeiende kosten die naar verwachting noodzakelijk zijn om: 1° de onder h. genoemde knelpunten op zodanige wijze op te lossen dat daarmee voldaan kan worden aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt; 2° de onder a. en b. genoemde visie te verwezenlijken.
j.
Een toedeling naar jaar van realisatie van de onder i. genoemde huisvestingsvoorzieningen en/of overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken;
k.
De termijn waarvoor het integraal huisvestingsplan wordt vastgesteld;
l.
Een uitvoeringsprogramma voor de korte termijn dat tenminste een beschrijving van de geplande huisvestingsvoorzieningen en/of de overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken per jaar van bekostiging per school alsmede de daaruit voortvloeiende kosten bevat;
m. De ingekomen reacties van de bevoegde gezagsorganen en het commentaar van het college op de ingekomen reacties. Artikel 27. Opstellen en actualiseren integraal huisvestingsplan Het college draagt zorg voor het opstellen en actualiseren van een integraal huisvestingsplan. Het college nodigt de bevoegde gezagsorganen uit te participeren in en een inhoudelijke bijdrage te leveren aan het opstellen of actualiseren van het integraal huisvestingsplan om te komen tot een zo breed mogelijk gedragen integraal huisvestingsplan. Actualisatie van een integraal huisvestingsplan vindt jaarlijks plaats. Het actualiseren van een integraal huisvestingsplan kan zich beperken tot het actualiseren van het uitvoeringsprogramma. Voordat het college het integraal huisvestingsplan of de actualisatie daarvan ter vaststelling voorlegt aan de gemeenteraad, worden de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
19|89
in een overleg hun reacties op het integraal huisvestingsplan naar voren te brengen. Daartoe zendt het college het integraal huisvestingsplan of de actualisatie daarvan uiterlijk 1 mei van het tweede jaar voorafgaand aan het eerste jaar waarop het integraal huisvestingsplan of de actualisatie daarvan betrekking heeft toe aan de bevoegde gezagsorganen. De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voor het overleg hun reacties schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze reacties in kennis. Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte reacties. De overeenkomstig het vorige lid ingediende reacties en het commentaar van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen vier weken na het overleg toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen. De bevoegde gezagsorganen geven binnen vier weken na toezending aan of zij al dan niet kunnen instemmen met het verslag en het integraal huisvestingsplan of de actualisatie daarvan. Het college zal zorgdragen dat de gemeenteraad kennis kan nemen van de reacties van de bevoegde gezagsorganen en het commentaar van het college. Het college legt het integraal huisvestingsplan ter vaststelling voor aan de gemeenteraad.
De gemeenteraad besluit uiterlijk in de 13e maand voorafgaand aan het eerste jaar waarop het integraal huisvestingsplan of de actualisatie daarvan betrekking heeft. Indien het college van oordeel is dat de actualisatie van het integraal huisvestingsplan van geringe/ondergeschikte aard is, kan het college besluiten het geactualiseerde integraal huisvestingsplan niet ter vaststelling aan de gemeenteraad voor te leggen. Alsdan informeert het college de gemeenteraad.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
20|89
HOOFDSTUK 6. MEDEGEBRUIK EN VERHUUR PARAGRAAF 6.1 MEDEGEBRUIK VOOR ONDERWIJS OF EDUCATIE Artikel 28. Aanduiden omstandigheden Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd gebouw of terrein als: a.
door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 17 heeft ingediend;
b.
sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze;
c.
leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school;
d.
leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een school;
e.
een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.
Artikel 29. Omschrijving leegstand Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte. Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs als: a.
het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren;
b.
het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is;
c.
het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs, en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a. en b., minder is dan 40 klokuren.
Artikel 30. Nalaten vorderen; volgorde van vorderen Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
21|89
school of scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit. Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet, wordt: a.
als eerste de ruimte gevorderd in het gebouw dat in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van leegstand van een ander gebouw een betere oplossing biedt;
b.
vervolgens de ruimte gevorderd in het gebouw waarin een school van dezelfde richting is gehuisvest;
c.
vervolgens de ruimte gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.
Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in het tweede lid opgenomen volgorde afwijken. Artikel 31. Overleg en mededeling Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld in artikel 10. Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen. Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1 week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder geval: a.
de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd;
b.
een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;
c.
het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;
d.
het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat gevorderd wordt;
e.
de periode waarvoor gevorderd wordt, en,
f.
de ingangsdatum van het medegebruik.
Artikel 32. Vergoeding Tenzij de betrokken bevoegde gezagsorganen in onderling overleg een andere vergoeding vaststellen, is vergoeding voor medegebruik: a.
indien het niet een lokaal bewegingsonderwijs betreft, gelijk aan het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen ter beschikking wordt gesteld binnen de groepsafhankelijke programma’s van eisen voor het basisonderwijs, zoals jaarlijks wordt bekendgemaakt door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
22|89
b.
indien het een lokaal bewegingsonderwijs betreft, gelijk aan het bedrag dat is opgenomen in de Beleidsregel bekostiging lokalen bewegingsonderwijs gemeente Eindhoven 20162021.
PARAGRAAF 6.2 MEDEGEBRUIK VOOR CULTURELE, MAATSCHAPPELIJKE OF RECREATIEVE DOELEINDEN Artikel 33. Overleg en mededeling Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met het bevoegd gezag. In het overleg komt in ieder geval aan de orde: a.
voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;
b.
of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;
c.
of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;
d.
wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;
e.
de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan nemen.
Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten waarover geen overeenstemming was bereikt.
PARAGRAAF 6.3 VERHUUR Artikel 34. Verzoek toestemming college Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten. Het verzoek bevat een aanduiding van de mogelijke huurder, de bestemming en het beoogde gebruik van de te verhuren ruimte. De beoordeling of, dan wel onder welke voorwaarden het college medewerking wil verlenen aan een dergelijk verzoek, komt uitsluitend toe aan het college. Het college beslist binnen 4 weken nadat het volledige verzoek is ontvangen. Het college stelt nadere regels vast waarin wordt bepaald voor welke gevallen een verzoek achterwege kan blijven. De toestemming tot verhuur over te gaan zoals bedoeld in lid 1 van onderhavig artikel wordt geacht bij voorbaat te zijn gegeven in gevallen waarin er sprake is van incidentele verhuur. Onder incidentele verhuur wordt in dit lid verstaan verhuur met een duur van ten hoogste 1
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
23|89
kalenderdag én (cumulatief) welke geen dagelijks, wekelijks of maandelijks repeterend karakter heeft.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
24|89
HOOFDSTUK 7. EINDE GEBRUIK GEBOUWEN EN TERREINEN Artikel 35. Staat van onderhoud Een bevoegd gezag dat overweegt het gebruik van een gebouw of terrein te beëindigen, treedt in overleg met het college. Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein. Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat van onderhoud opgemaakt. De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag opgemaakt in opdracht van het college. Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, is er sprake van een geschil. Het college en het bevoegd gezag treden hierop in overleg met elkaar om te bezien of een oplossing voor dit geschil kan worden gevonden.
Indien binnen drie maanden na vaststelling van het geschil door het college en het bevoegd gezag geen oplossing is gevonden, staat het het college en het bevoegd gezag vrij het geschil voor te leggen aan de bevoegde burgerlijke rechter te Eindhoven. Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het college niet nodig is.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
25|89
HOOFDSTUK 8. GEBRUIK LOKAAL BEWEGINGSONDERWIJS Artikel 36. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en gebruik Een bevoegd gezag van een school voor (speciaal) basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1 januari voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs. Deze opgave bevat de volgende gegevens: a.
de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal klokuren. De grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaand aan het indienen van de opgave op de school staat ingeschreven;
b.
de aanduiding van het lokaal (of de lokalen) bewegingsonderwijs waarin het gebruik wordt gewenst;
c.
de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt gewenst.
Het college stelt jaarlijks voor 1 februari voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen voor (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het grondgebied van de gemeente gelegen lokalen bewegingsonderwijs. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik getoetst aan de Beleidsregel bekostiging lokalen bewegingsonderwijs gemeente Eindhoven 20162021 en vervolgens afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de lokalen bewegingsonderwijs. Daarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 26 klokuren per week per lokaal bewegingsonderwijs. Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot inroostering het volgende in acht: a.
de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld in bijlage I, deel B;
b.
een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs, en,
c.
het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs.
Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is vastgesteld, voor 15 februari in kennis van het rooster. Hierbij worden per school de volgende gegevens vermeld: a.
het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd;
b.
het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs is toegewezen, en,
c.
de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt.
De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 10 maart reageren op het voorstel. Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 10 maart. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
26|89
Het college stelt het rooster voor 1 mei definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen. Binnen twee weken na vaststelling van het rooster ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de inroostering voor het volgende schooljaar in de beschikbare lokalen bewegingsonderwijs van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen. Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is vastgesteld. Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school. Ten aanzien van eventuele vergoeding geldt het bepaalde in de Beleidsregel bekostiging lokalen bewegingsonderwijs gemeente Eindhoven 20162021 en de daarbij behorende bijlagen. Artikel 37.
Medegebruik of huur lokaal bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs Het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs, dat op basis van bijlage III niet beschikt over voldoende capaciteit voor lokalen bewegingsonderwijs, verstrekt jaarlijks voor 1 januari april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de het voor dat schooljaar voor de school gewenste gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs. Deze opgave bevat de in artikel 36, eerste lid, genoemde gegevens. Artikel 36 is van overeenkomstige toepassing, Het college stelt jaarlijks voor 20 april voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door de in het eerste lid bedoelde scholen, van de op het grondgebied van de gemeente gelegen lokalen bewegingsonderwijs. Daarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 40 lesuren per week per lokaal bewegingsonderwijs. Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot inroostering de in artikel 36, derde lid, genoemde criteria in acht. Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is vastgesteld, voor 1 mei in kennis van het rooster. Hierbij worden per school de in artikel 36, vierde lid, bedoelde gegevens vermeld. De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 15 mei reageren op het voorstel.
Het college stelt het rooster voor 1 juni definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen. Binnen twee weken na vaststelling van het rooster ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de inroostering voor het volgende schooljaar in de beschikbare lokalen bewegingsonderwijs van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen. Artikel 36, achtste, negende en tiende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op dit artikel. waarbij in afwijking van artikel 36, tweede lid, wordt uitgegaan van een capaciteit van 40 lesuren per week per lokaal bewegingsonderwijs.
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
27|89
Concept d.d. 9 juli27 november 2020
28|89
HOOFDSTUK 9. OVERGANG- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 38. Beslissing in gevallen waarin de Verordening niet voorziet In gevallen die de uitvoering van deze Verordening betreffen en waarin deze Verordening niet voorziet beslist het college. Artikel 39. Indexering Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze Verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling. De in het eerste lid omschreven systematiek van prijsbijstelling is niet van toepassing op daaraan gealloceerde bedragen van de scholen die zijn opgenomen in de overeenkomst
Met opmaak: Lijstalinea nummering 1, Meerdere niveaus + Niveau: 1 + Nummeringstijl: 1, 2, 3, … + Beginnen bij: 1 + Uitlijning: Links + Uitgelijnd op: 0 cm + Inspringen op: 0,63 cm
behorende bij het Raadsbesluit d.d. @@@ 2021, nr21R@@@. Hiervoor geldt hetgeen is
heeft opmaak toegepast: Markeren
vastgelegd in het Raadsvoorstel en -besluit d.d. @@@ 2021, nr. 21R@@@ en de daarbij
heeft opmaak toegepast: Markeren
behorende overeenkomst.
heeft opmaak toegepast: Markeren
projecten (voorzieningen en overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken) en de
De in het eerste lid omschreven systematiek van prijsbijstelling is niet van toepassing op
heeft opmaak toegepast: Markeren Met opmaak: Standaard, Geen opsommingstekens of nummering
projecten (voorzieningen en overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken) en de daaraan gealloceerde bedragen van de scholen die zijn opgenomen in overeenkomsten behorend bij het Raadsbesluit d.d. 15 december 2015, nr. 15R6578. Hiervoor geldt hetgeen is vastgelegd in het Raadsvoorstel en –besluit d.d. 15 december 2015, nr. 15R6578 en de daarbij behorende overeenkomsten.
Met opmaak: Standaard, Inspringing: Links: 0 cm, Eerste regel: 0 cm
Artikel 40.
Met opmaak: Standaard
Artikel 40. Bijlagen Deze Verordening bevat de volgende bijlagen: -
Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen;
-
Bijlage II – Prognosecriteria;