CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Plan-Mer-beoordeling Kop van Blaarthem en Genderdal

Raadsvergadering 7 juli 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadvoorstel Concept Gebiedskader Kop van Blaarthem en Genderdal8.962 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Gemeente Eindhoven: Plan-mer-beoordeling Gebiedskaders Kop van Blaarthem & Genderdal 2 april 2026

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Verantwoording Titel

Gemeente Eindhoven: Plan-mer-beoordeling - Gebiedskaders Kop van Blaarthem & Genderdal

Opdrachtgever

Gemeente Eindhoven

Projectleider

Paul Lammers

Auteur(s)

Nils Binnendijk, Juul Osinga

Tweede lezer

-

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Aantal pagina’s

34 (exclusief bijlagen)

Datum

2 april 2026

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

2/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1

Aanleiding .......................................................................................................................... 4

1.2

Procedure mer-beoordeling ............................................................................................... 5

1.3

Initiatiefnemer en bevoegd gezag ...................................................................................... 7

1.4

Leeswijzer .......................................................................................................................... 7

Plaats en kenmerken van het voorgenomen project ................................................................. 8 2.1

Huidige situatie ................................................................................................................... 8

2.2

Toekomstige situatie .......................................................................................................... 9

2.3

Relatie tot andere projecten ............................................................................................. 11

Kenmerken van potentiële effecten ......................................................................................... 14 3.1

Verkeer en parkeren ........................................................................................................ 14

3.2

Natuur en stikstofdepositie ............................................................................................... 15

3.3

Lucht, geluid en trillingen ................................................................................................. 20

3.4

Bodem .............................................................................................................................. 23

3.5

Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................... 25

3.6

Klimaatadaptatie .............................................................................................................. 28

3.7

Externe veiligheid ............................................................................................................. 31

3.8

Milieuzonering .................................................................................................................. 31

3.9

Geur ................................................................................................................................. 33

Conclusie ................................................................................................................................. 34

3/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Kop van Blaarthem en Genderdal is een gebied in Eindhoven dat aangewezen is voor grootschalige verdichting. Dit gebeurt met de bouw van circa 1.030 woningen. Om deze stedelijke ontwikkeling te sturen, heeft de gemeente Eindhoven het Gebiedskader Kop van Blaarthem en Genderdal opgesteld. Dit gebiedskader legt de ambities, randvoorwaarden en kansen vast voor de toekomstige planvorming en dient als eerste stap in de doorontwikkeling van het gebied. Het gebiedskader wordt vastgesteld door het college van B&W van de gemeente Eindhoven. Het gebiedskader wordt beschouwd als kaderstellend plan voor andere toekomstige besluiten over projecten in het plangebied waarvoor een milieueffectrapportage (mer) en mer-beoordeling geldt. Vanwege het kaderstellend karakter van dit gebiedskader is in deze fase al een plan-merbeoordeling nodig (zie verder paragraaf 1.2.2).

Figuur 1.1 Ontwikkellocatie (bron: Open Eindhoven)

4/34

Kenmerk

1.2

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Procedure mer-beoordeling

1.2.1 Doel van de aanmeldnotitie Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over het gebiedskader, wordt getoetst of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is. Op basis van het Omgevingsbesluit moet voor deze ontwikkeling een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. In deze notitie is de plan-mer-beoordeling voor het gebiedskader Kop van Blaarthem & Genderdal opgenomen. 1.2.2

Waarom een mer-beoordeling?

In de mer-regelgeving, afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob), wordt onderscheid gemaakt tussen projecten waar een mer-plicht geldt en projecten waar een mer-beoordelingsplicht geldt. Mer-beoordelingsplichtige projecten zijn projecten waarvoor de beslissing of de mer-procedure moet worden doorlopen niet bij wet vastligt, maar door bevoegd gezag moet worden genomen. Bevoegd gezag moet dan bepalen of er sprake is van ‘aanzienlijke milieueffecten’, die het doorlopen van de mer-procedure wenselijk en noodzakelijk maken. Tabel 1.1 Categorie J11 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit

De voorgenomen ontwikkeling van Kop van Blaarthem en Genderdal valt binnen categorie J11 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarbij is er geen directe mer-plicht (kolom 2), maar wel een mer-beoordelingsplicht (kolom 3) bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Dit geldt voor een omgevingsplan, waaronder ook de wijziging van zo’n plan met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) gezien mag worden (kolom 4). Het voorgenomen project betreft een stedelijk ontwikkelingsproject omdat er grofweg 1.030 woningen in het gebied worden toegevoegd en enkele niet-wonen functies. De niet-wonen functies betreffen twee basisscholen, een brandweerkazerne en enkele voorzieningen.

5/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Het gebiedskader wordt aangemerkt als een programma onder de Omgevingswet. Het gebiedskader stelt ook kaders voor opvolgende ruimtelijke besluiten zoals het omgevingsplan en/of een BOPA. Aangezien dergelijke opvolgende besluiten voor ontwikkelingen in dit plangebied volgens Bijlage V van het Omgevingsbesluit een mer-beoordelingsplicht geldt, kent het gebiedskader als kaderstellend document een plan-mer-plicht. Het Omgevingsbesluit kent echter een uitzondering daarop, als het om een klein gebied op lokaal niveau gaat. Een klein gebied op lokaal niveau wordt uitgelegd als een percentage van het totale oppervlak van een gemeente. Het plangebied waar het gebiedskader over gaat, beslaat minder dan 1 % van het gemeentelijk grondgebied. Daarom volstaat een plan-mer-beoordeling in plaats van een plan-mer voor het gebiedskader van Kop van Blaarthem en Genderdal. 1.2.3 Procedure mer-beoordeling De procedure onder het Omgevingsbesluit is als volgt: • •

•

Door de initiatiefnemer wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld Het bevoegd gezag neemt binnen zes weken een mer-beoordelingsbesluit: Wanneer geen MER benodigd is, hoeft onder de Ow het besluit niet meer in de Staatscourant gepubliceerd te worden De initiatiefnemer voegt het mer-beoordelingsbesluit bij het besluit over het gebiedskader

1.2.4 Inhoud (plan)mer-beoordeling De initiatiefnemer beschrijft in zijn mededeling aan het bevoegd gezag de milieueffecten van het voornemen. Er zijn een aantal eisen verbonden aan de inhoud. Deze eisen in bijlage III bij de merrichtlijn zijn omgezet naar artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. De beoordelingsnotitie moet een beschrijving bevatten van: • • •

De fysieke kenmerken van het project De locatie van het project Kenmerken van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten

Waar het bij de criteria 'fysieke kenmerken van het project' en ‘locatie van het project' vooral gaat om beschrijvingen van de voorgenomen activiteiten, de locatie en de omgeving, gaat het bij de 'kenmerken van mogelijke aanzienlijke milieueffecten' juist om de interactie tussen beiden. Hier worden dan ook de effectbeschrijvingen voor de beschouwde milieuaspecten weergegeven en de waarschijnlijkheid van de effecten. De mer-beoordeling maakt gebruik van de direct beschikbare informatie over het plangebied, waaronder eventueel beschikbare milieuonderzoeken die zijn uitgevoerd in het gebied. Indien deze niet voorhanden of gebiedsdekkend zijn, wordt gebruik gemaakt van een kwalitatieve beoordeling.

6/34

Kenmerk

1.3

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Initiatiefnemer en bevoegd gezag

De gemeente Eindhoven is in deze fase zowel initiatiefnemer als bevoegd gezag. In verband met nieuwe Europese jurisprudentie is het van belang dat er een passende scheiding is tussen initiatiefnemer en bevoegd gezag nu deze rollen in deze fase beide bij de Gemeente Eindhoven liggen. Bij vervolgfases zijn er mogelijk ook andere initiatiefnemers, zoals bijvoorbeeld een ontwikkelaar.

1.4

Leeswijzer

Deze aanmeldingsnotitie bestaat uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. Hoofdstuk 2 beschrijft de kenmerken van de voorgenomen activiteit. In hoofdstuk 3 worden de milieugevolgen beschreven en mogelijke cumulatieve effecten behandeld. Hoofdstuk 4 presenteert de conclusies.

7/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

2 Plaats en kenmerken van het voorgenomen project 2.1

Huidige situatie

Het plangebied Kop van Blaarthem en Genderdal ligt in het zuidwestelijke deel van Eindhoven, in het stadsdeel Gestel. Dit stadsdeel is een van de zeven stadsdelen waaruit de stad is opgebouwd en wordt gekenmerkt door overwegend naoorlogse woonwijken. Geografisch gezien bevindt het plangebied zich op een schakelpunt. Het is direct gelegen aan de ring, die een scheiding vormt tussen de binnenstad en de omliggende wijken, en aan de Karel de Grotelaan, een belangrijke radiale weg die van buiten de stad naar het centrum leidt. Door deze ligging fungeert de locatie momenteel als een entree en een herkenbaar punt voor het stadsdeel Gestel vanuit de rest van de stad. Het gebied wordt ingeklemd tussen de meer centrale stadsdelen en de belangrijke economische zones aan de rand van de stad, zoals de High Tech Campus, ASML richting de Run en de snelweg A2.

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied in relatie tot Eindhoven (Bron: PDOK)

De begrenzing van het plangebied Kop van Blaarthem en Genderdal is weergegeven in figuur 2.2. Het gebied ligt aan weerszijden van de Karel de Grotelaan. Het plangebied is op dit moment primair in gebruik als woongebied met ondersteunende voorzieningen. Het gebied kenmerkt zich door naoorlogse bebouwing, een voormalig schoolperceel met twee schoolgebouwen en parkeerterrein. Het noordwestelijk deel van het gebied (rondom de Von Flotowlaan) kenmerkt zich door een cluster van schoolcomplexen en appartementengebouwen die variëren van vier tot acht verdiepingen. Een aanzienlijk deel van deze appartementen is in handen van een woningcorporatie, terwijl de rest particulier eigendom is. De openbare ruimte is hier ruim, met grote open grasvelden. Aan de zuidoostzijde van de Karel de Grotelaan is het gebied (aan de Humperdincklaan) kleinschaliger, met krapper bemeten openbare ruimte. Aangrenzend bevindt zich een parkeerterrein met een winkelstrip, inclusief een Action-filiaal.

8/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Er is daarnaast sprake van versnipperd openbaar groen in het plangebied, dit heeft een beperkte gebruiks- en verblijfskwaliteit. De groenstrook langs de Locatellistraat heeft momenteel weinig (ecologische) kwaliteit. Datzelfde geldt voor de groene grasvelden tussen de appartementen aan de Regelweg en Purcellstraat. De belangrijkste ontsluitingswegen van het gebied zijn de Karel de Grotelaan, de Limburglaan en de Boutenslaan. De dominantie van deze verkeersaders bepaalt het huidige karakter van het gebied, dat prioriteit geeft aan autoverkeer. Met name de Karel de Grotelaan, met de geplande ontwikkeling van de HOV4-buslijn die Eindhoven en Veldhoven zal verbinden, benadrukt deze focus op infrastructuur.

Figuur 2.2 Plangebied (Bron: StreetSmart)

Het plangebied kent binnen het bestemmingsplan ‘Gestel buiten de Ring 2020’ (onderdeel van het tijdelijk Omgevingsplan) de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Groen’, ‘Verkeer - Verblijfsgebied’, ‘Verkeer’, ‘Gemengd’, ‘Maatschappelijk’ en ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’. De voorgenomen ontwikkelingen passen niet binnen deze vigerende bestemmingen. Voor de realisatie van de beoogde functies en dichtheden zal daarom een planologische procedure moeten worden doorlopen.

2.2

Toekomstige situatie

Eindhoven is een van de snelst groeiende steden van Nederland en staat voor een enorme woningbouwopgave om de groei van de Brainportregio op te vangen. De stad kiest hierbij voor inbreiding. Het gebiedskader voorziet in een transformatie van Kop van Blaarthem en Genderdal naar een gemengd en verdicht stedelijk woonmilieu, met een betere inpassing in de omgeving en

9/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

een hoger verblijfskwaliteit. De ontwikkeling richt zich op de sloop van de bestaande schoolgebouwen en een deel van de corporatiewoningen, die plaatsmaken voor nieuwbouw. Het gebiedskader is een directe uitwerking van deze strategie. Met de realisatie van circa 1.030 woningen levert het een aanzienlijke bijdrage aan de totale ambitie van 3.500 tot 6.000 nieuwe woningen voor het stadsdeel Groots Gestel.

Figuur 2.3 Indicatief programma gebiedskader (Bron: Ruimtelijke raamwerk en programma)

Het gebiedskader richt zich op een evenwichtige verdeling van woningtypologieën om een gemengde en levendige wijk te realiseren. Het totale programma is in lijn met de gemeentelijke ambitie van 85 % betaalbaarheid (sociale huur, middenhuur en sociale/middeldure koop). Het niet-wonen programma biedt ruimte voor dienstverlening en voorzieningen ten behoeve van de wijk. Het programma omvat een nieuwe brandweerkazerne, die naar het plangebied verhuist. Deze kazerne krijgt een omvang van 4.100 m² BVO met 1.000 m² buitenruimte voor oefeningen, er wordt nog onderzoekt hoe deze ingepast kunnen worden in de woonplint. Daarnaast wordt voorzien in de bouw van twee nieuwe basisscholen, die de bestaande onderwijslocaties vervangen. Samen hebben deze scholen een totaal van 3.800 m² BVO en circa 3.000 m² aan buitenruimte. Voor buurtgericht voorzieningen aan de plint is 1.800 m² BVO gereserveerd.

10/34

Kenmerk

2.3

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Relatie tot andere projecten

De transformatie van de Kop van Blaarthem en Genderdal wordt door twee belangrijke ontwikkelingen in gang gezet: de aanleg van de openbaarvervoerlijn HOV4 en de woningbouwprojecten tussen het afwateringskanaal en de rotonde aan de Karel de Grotelaan. De ontwikkeling van de Kop van Blaarthem en Genderdal is onlosmakelijk verbonden met de aanleg van de HOV4-lijn. Dit hoogwaardige openbaarvervoerproject verbetert de bereikbaarheid van het gebied aanzienlijk en is bepalend voor de toekomstige infrastructuur. Verstedelijking en de mobiliteitstransitie gaan hierbij hand in hand. Enerzijds maakt de groeiende druk op de infrastructuur een schaalsprong naar hoogwaardig openbaar vervoer noodzakelijk. Anderzijds is de realisatie van deze HOV4-lijn alleen mogelijk door het toevoegen van nieuwe woningen. De HOV4-as vormt daarmee randvoorwaarde om de beoogde verdichting in het gebied te realiseren. De meest ingrijpende aanpassing is de transformatie van de rotonde naar een ongelijkvloerse kruising, waarbij de HOV4-baan over de ringweg zal gaan. Hoewel dit een integraal onderdeel is van het HOV4-project en niet van de ontwikkelingen binnen het gebiedskader, heeft het een grote impact op de ruimtelijke inrichting en bereikbaarheid.

Figuur 2.4 Karel de Grotelaan kruising Ring – Definitief schetsontwerp

De planologische procedure voor de inpassing van het HOV4-project is eind 2025 opgestart en de realisatie is naar verwachting gereed voordat de ontwikkelingen in voorliggend gebied tot realisatie komen. Ten aanzien van de aanlegfase zijn er dan ook geen cumulatieve effecten te verwachten. Ten aanzien van de gebruiksfase zal het HOV4-project leiden tot een afname van verkeer op de Karel de Grotelaan, waardoor dat naar verwachting op lokaal niveau ook een positief effect heeft op afgeleide milieueffecten (luchtkwaliteit, geluid en stikstof).

11/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Aan de zuidwestzijde van de Kop van Blaarthem en Genderdal grenst het gebied Blaarthem & Genderdal Midden, waarvoor momenteel ook een gebiedskader wordt opgesteld vanwege beoogde verdichting van dit gebied. Dit gebied, gelegen tussen de Offenbachlaan, Fauréstraat, Karel de Grotelaan, Boccherinilaan, Schubertlaan en Glinkastraat (zie Figuur 2.5), stelt de kaders, randvoorwaarden en ambities voor de toekomst van het plangebied. De gemeente staat hier voor de opgave om maximaal 900 woningen te bouwen in een mix van sociale huur, middenhuur en vrijesectorwoningen.

Figuur 2.5 Het gebiedskader Blaarthem & Genderdal Midden

Bestaande en/of goedgekeurde projecten moeten in het kader van cumulatie worden meegenomen bij de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieugevolgen van een project. Voorliggende plannen zijn echter nog niet concreet genoeg om al te moeten betrekken als onderdeel van de cumulatietoets in het kader van de milieueffectrapportage. Binnen de contouren van het plangebied bevindt zich een zelfstandig project dat wel verbonden, maar geen onderdeel is van de plannen in het gebiedskader (zie figuur 2.6). Het gaat om de woningbouwplannen aan de Humperdincklaan, waar het voormalige Grafisch Lyceum en de voormalige Internationale School gevestigd zaten. Op deze locatie komt nieuwbouw met 400 woningen, waarvan 180 sociale huurwoningen, 54 middelhuurwoningen en 138 sociale en middeldure koopwoningen. De ontwikkeling wordt aangevuld met 28 eengezinswoningen in het duurdere segment. Bij het besluit van 7 mei 2024 heeft de raad van de gemeente Eindhoven het

12/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

bestemmingsplan “I Gestel buiten de Ring 2020 (Humperdincklaan)” vastgesteld. Ten aanzien van dit gebiedskader wordt de verwachte verkeergeneratie meegewogen in mer-beoordeling.

Figuur 2.6 Locatie Humperdincklaan (Bron: FAAM architects)

In tabel 2.1 zijn nog een aantal plannen opgenomen in de nabije omgeving die reeds zijn vergund. Wat betreft cumulatie is de aanlegfase hiervan niet van belang, deze plannen zijn eerder gerealiseerd dan dat de plannen uit de gebiedskaders tot uitvoering komen. Voor de gebruiksfase wordt ook geen cumulatie verwacht. Effecten hangen vooral samen met verkeer en de verkeersgeneratie van deze plannen is naar verwachting al onderdeel van de referentiesituatie in het gemeentelijk verkeersmodel. Tabel 2.1 Andere initiatieven en ontwikkelingen van enige omvang in de nabije omgeving Locatie

Beoogd programma

Christinastraat / Stolbergstraat

196 appartementen en 30 PG-zorgplaatsen

Keizer Karel V singel 6-10 optopping

14 appartementen

Hoogstraat 310

15 koopappartementen.

Maria van Bourgondiëlaan - Gendertoren

92 sociale huurwoningen

Winkelcentrum Kastelenplein

1.150 appartementen (omgevingsprocedure wordt opgestart)

Andere omvangrijke stedelijke ontwikkelingen in Eindhoven, zoals de plannen rondom Eindhoven Internationale Knoop XL (het stationsgebied) en de verdere verdichting op locaties als Strijp-S, Strijp-T en de binnenstad liggen op dermate grote afstand dat er geen sprake is van cumulatie van milieueffecten.

13/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

3 Kenmerken van potentiële effecten In dit hoofdstuk wordt ingegaan op te verwachten milieueffecten die kunnen voortkomen uit de beoogde ontwikkelingen van het gebiedskader.

3.1

Verkeer en parkeren

3.1.1 Verkeer De herontwikkeling van het gebied leidt tot een toename van verkeer van en naar het plangebied. Uit een indicatieve berekening op basis van minimale CROW normen en een indicatieve programmatische invulling blijkt dat de verkeersgeneratie van het plan, inclusief Humperdincklaan, tot 5.500 verkeersbewegingen per dag kan bedragen. Dit is een worst-case benadering zonder extra reductie en saldering met de nu aanwezige functies. Extra reductie van circa 25 % lijkt mogelijk door aanwezigheid van (hoogwaardig) openbaar vervoer, inzet van deelauto’s en hoge ambities op het gebied van langzaam vervoer. In dit geval bedraagt de verkeersgeneratie van het plan tot 4.200 verkeersbewegingen per dag. Het gaat hier om de netto toename ten opzichte van de verkeersgeneratie die er nu al plaatsvindt van en naar het gebied. De afgeleide effecten van verkeer op het milieu zijn beoordeeld bij de paragrafen over luchtkwaliteit, stikstofdepositie en geluid. Het gebied wordt doorkruist door de Karel de Grotelaan. De Karel de Grotelaan is daarmee ook de belangrijkste ontsluitingsroute voor wegverkeer van en naar het gebied. Aan de Karel de Grotelaan zijn ook openbaar vervoer voorzieningen aanwezig, waarvan uitbreiding is gepland in de vorm van HOV4. Langs de Karel de Grotelaan liggen vrijliggende fietspaden en stoepen voor langzaam verkeer.

Het verkeer in het westelijk deel van het gebiedskader kan op één met verkeerslichten geregelde kruising de Karel de Grotelaan op en af rijden. De Karel de Grotelaan ontsluit het gebied verder in noordoostelijke richting naar het centrumgebied en de ring en in zuidwestelijke richting naar Veldhoven en de rijksweg A2. Een mogelijk knelpunt is de ochtendspits op de Von Flotowlaan, waar veel schoolgaande kinderen met de auto worden gebracht. Dit wordt ondervangen door de realisatie van een kiss and ride zone. Daarnaast wordt de logistiek van de Action, direct aan de Karel V Singel, als een groot punt van zorg gezien door de ongelukkige ontsluiting. De huidige aansluiting zal echter komen te vervallen met de nieuwe inrichting van het gebied en de kruising van de Karel de Grotelaan met de Limburglaan. 3.1.2 Parkeren De volledige parkeerbehoefte die voortvloeit uit de verdichting van het gebied wordt binnen de scope van het gebiedskader opgelost. Dit betekent dat er geen parkeeroverlast is te verwachten in de omliggende wijken en buurten als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. Aanzienlijke milieueffecten zijn dus niet te verwachten voor dit thema.

14/34

Kenmerk

3.2

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Natuur en stikstofdepositie

De Omgevingswet (Ow) is in Nederland het wettelijke kader voor natuurbescherming. De wet beschermt gebieden, planten- en diersoorten en houtopstanden. De wet doet dat door middel van een aantal verbodsbepalingen die zijn opgenomen in één van de uitvoeringsbesluiten van de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Zo kunnen activiteiten die significante effecten hebben op beschermde (Natura 2000-) gebieden alleen plaatsvinden met een ‘omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit’ als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet. 3.2.1

Beschermde dier- en plantsoorten

Het opstellen van een gebiedskader voor het transformeren en toevoegen van woningen en voorzieningen moet – in de zin van de Omgevingswet – beschouwd worden als een kaderstellend plan dat ontwikkelingen mogelijk maakt, die mogelijk negatieve effecten op de leefomgeving van beschermde diersoorten en plantsoorten kan hebben. Namelijk flora, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, jaarrond beschermde vogels en broedvogels. Een natuurtoets geeft een eerste indicatie van effecten van het plan op beschermde natuur. Tabel 3.1 geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen1 2. Hoewel op basis van verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna een mogelijk geschikt habitat het zo kan zijn dat er in het verleden een ree of wild zwijn heeft gefoerageerd in het plangebied, is het voorkomen van deze soorten in stedelijke gebieden niet zo waarschijnlijk. Tabel 3.1 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen

Soortgroep

Mogelijk aanwezige beschermde soorten

Flora

Muurbloem, naakte lathyrus, stijve wolfsmelk, brave hendrik, veenbloembies, wolfskers, dreps, kartuizer anjer, knolspirea,

Grondgebonden

Aardmuis, bever, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel,

zoogdieren

haas, huispitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn, woelrat

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis

Vogels - jaarrond

Gierzwaluw, sperwer, buizerd, steenuil, ransuil, roek, ooievaar, huismus, bosuil,

beschermde nesten

kerkuil, slechtvalk, boomvalk,

Vogels - jaarrond

Boomkruiper, boerenzwaluw, grote bonte specht, ekster, zwarte kraai, koolmees,

beschermd: afhankelijk

spreeuw, pimpelmees, blauwe reiger, groene specht, zwarte roodstaart, grauwe

van ecologische factoren

vliegenvanger, huiszwaluw, torenvalk, gekraagde roodstaart, oeverzwaluw, kleine bonte specht, zwarte specht, ijsvogel

Vogels – in gebruik zijnde

Algemene soorten als merel, houtduif, winterkoning etc.

nesten

1 2

Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data

15/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Soortgroep

Mogelijk aanwezige beschermde soorten

Amfibieën

Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker (onb.), heikikker, kleine watersalamander, kamsalamander, vuursalamander, kikker

Reptielen

Levendbarende hagedis

Vlinders

Grote vos, weerschijnvlinder, iepenpage, teunisbloempijlstaart

Libellen

Beekrombout, bosbeekjuffer

Vissen

Beekprik

In 2025 is een natuurtoets uitgevoerd voor het tracé van het HOV4-project dat ook door voorliggend plangebied loopt (Natuurtoets HOV4 Eindhoven, Antea Group, 7 april 2025). Uit dit onderzoek blijkt dat vogels (algemene broedvogels en Vogels met een jaarrond beschermd nest), vleermuizen (vliegroutes en foerageergebied), kleine marterachtigen, steenmarter en vlinders kunnen voorkomen in dit deel van het plangebied langs de Karel de Grotelaan. Mogelijke effecten op in het plangebied aanwezige soorten moeten worden bepaald. Bij mogelijke negatieve effecten op soorten, dienen voorafgaand aan de daadwerkelijke werkzaamheden vervolgstappen te worden genomen. Het kan dan gaan om soortgericht onderzoek, waaronder veldonderzoek, mitigerende maatregelen en/of een aanvraag van een Omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Zo kunnen bijvoorbeeld voor het behoud van vleermuizen nachtelijke activiteiten rondom vleermuisverblijven worden beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de verlichting. Ook kan er rekening worden gehouden met beschermde soorten door enkel in bepaalde seizoenen te werken. Wat voor mitigerende maatregelen er precies genomen dienen te worden, is afhankelijk van de soorten die voorkomen in het gebied. De voorgenomen sloop, herbouw en nieuwbouw van gebouwen in Kop van Blaarthem en Genderdal kan effect hebben op bepaalde beschermde dier- en plantensoorten.

Bestaande gebouwen kunnen dienen als nestplaatsen en broedgebieden voor vogels, en spleten en holtes in gebouwen kunnen door vleermuizen worden gebruikt als schuilplaatsen of voor kraamkolonies. Het weghalen of aantasten van deze structuren zou, zonder mitigerende maatregelen, negatieve gevolgen kunnen hebben voor de lokale populaties van deze soorten. Op dit moment ontbreekt een volledig natuuronderzoek waaruit blijkt welke soorten in het plangebied te verwachten of aanwezig zijn. Geadviseerd wordt om hier tijdig onderzoek naar te doen. Het plangebied kent al een relatief groen karakter en het gebiedskader is ook voornemens deze groenstructuren te versterken. Er wordt ingezet op vergroening en versterking van de ecologische kwaliteit, de gebouwen zullen daarop aansluiten en worden natuurinclusief ontworpen. Indien beschermde soorten aanwezig blijken en compenserende en/of mitigerende nodig zijn dan worden bij het in acht nemen van deze maatregelen voor beschermde dier- en plantsoorten geen aanzienlijke milieueffecten verwacht.

16/34

Kenmerk

3.2.2

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Beschermde gebieden

In Figuur 3.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden weergegeven.

Figuur 3.1 Beschermde gebieden ten opzichte van plangebied

De meest nabije beschermde gebieden met een Natura 2000-status, zoals het Leenderbos, Grote Heide & De Plateaux, en Stabrechtse Heide & Beuven, liggen op een afstand van minimaal 4,0 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Ten westen van het plangebied op het een afstand van meer dan 9 kilometer ligt Natura 2000-gebied Kempenland-West. Gezien de aard en het lokale karakter van het plan, de onderlinge afstand tot deze gebieden en de aanwezigheid van andere bebouwde gebieden tussen het plangebied en deze gebieden, zijn directe negatieve effecten door verstoring (met uitzondering van stikstofdepositie) uit te sluiten. Op het onderdeel stikstofdepositie wordt in paragraaf 3.2.3 ingegaan. Het plangebied ligt op circa 110 meter afstand van gebieden die beschermd worden op grond van het Natuurnetwerk Nederland/Brabant (NNB). Het regime ter bescherming van het NNB kent in de provincie Noord-Brabant externe werking. Dit betekent dat niet alleen activiteiten binnen de NNBgrenzen, maar ook (potentiële) effecten op omliggende NNB-gebieden moeten worden beoordeeld. Dit is met name relevant wanneer een ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op de NNB-waarden door bijvoorbeeld geluid, licht, betreding of schaduwwerking. Geadviseerd wordt om dit nader te beoordelen in de vervolgprocedure. Gelet op de aard van de ontwikkeling, de

17/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

ambities van het gebiedskader ten aanzien van groen en de afstand tot het NNB worden er geen aanzienlijke effecten verwacht op dit moment.

Figuur 3.2 NNN-gebieden ten opzichte van gebiedskader Kop van Blaarthem & Genderdal

3.2.3 Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden De achteruitgang van de biodiversiteit in Europa heeft geleid tot de aanwijzing van circa 160 Natura 2000-gebieden in Nederland met een Europese beschermingsstatus. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden gericht om achteruitgang van biodiversiteit tegen te gaan en natuurwaarden te versterken. Een toename van stikstofdepositie kan leiden tot ‘significant negatieve effecten’ op deze beschermde natuurgebieden. Om de mogelijke effecten van een initiatief op een Natura 2000-gebied in beeld te brengen, dient een stikstofonderzoek uitgevoerd te worden, inclusief een AERIUS-berekening. Dit onderzoek onderscheidt twee fasen: de aanlegfase (bouwfase) en de gebruiksfase (bijvoorbeeld verkeer). Indien een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op een Natura 2000-gebied wordt berekend dan is het niet uit te sluiten dat er geen significante effecten optreden. Vervolgstappen zijn in dat geval het uitvoeren van een voortoets en/of passende beoordeling om te bepalen of stikstofdepositie ook daadwerkelijk leidt tot significante effecten.

Gezien de omvang van de mogelijk gemaakte ontwikkelingen in het gebiedskader, de daarmee gepaard gaande verkeerstoename en inzet van mobiele werktuigen en de afstand tot Natura 2000-gebieden (zie ook Figuur 3.1) is het aannemelijk dat de activiteiten zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase tot stikstofdepositie leiden op nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-

18/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

gebieden. In de aanlegfase is het mogelijk om bronmaatregelen te treffen waarmee uitstoot van stikstofdepositie kan worden teruggedrongen. Daarbij is te denken aan inzet van elektrisch of schoner materieel. Wanneer sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000gebieden is het noodzakelijk om nader te beoordelen of deze toename ook (significant) negatieve gevolgen heeft voor het halen van de Natura 2000-doelen. Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er significante effecten optreden, is vervolgonderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling. In een passende beoordeling worden alle effecten, inclusief cumulatie met andere projecten in de omgeving, integraal beoordeeld. Het plan kan alsnog worden vastgesteld als er geen significant negatieve effecten zijn in Natura 2000-gebieden. Het betrekken van mitigerende maatregelen zoals intern salderen, extern salderen of een ADC-toets zijn altijd onderdeel van een Passende Beoordeling. Vanwege het provinciaal beleid in Noord-Brabant wordt extern salderen momenteel niet gezien als een reële optie, aangezien de Provincie geen vergunningen verleent omdat vrijkomende stikstofruimte nodig is voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Het gebied biedt wel wat kansen voor intern salderen vanwege de nu aanwezige functies die komen te vervallen.

Dit maakt intern salderen, mits gecombineerd met een passende beoordeling en additionaliteitstoets, tot de primaire oplossingsrichting. Bij intern salderen wordt de stikstofruimte die ontstaat door het verdwijnen of reduceren van stikstofemissie veroorzakende bedrijven ingezet voor de nieuwe ontwikkeling ter plaatse. Echter, intern salderen is momenteel alleen mogelijk in combinatie met een passende beoordeling (inclusief additionaliteitstoets). In de projectfase is het voornemen in dat geval vergunningplichtig (Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteiten) Samenvattend wordt vanuit het aspect stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden geconcludeerd dat hier een opgave ligt om de gevolgen in het vervolgproces nader uit te werken. De eerste stap in dit onderzoeksproces is het uitvoeren van gedetailleerde stikstofberekeningen. Op basis daarvan kan worden beoordeeld of er een noodzaak is tot het uitvoeren van verdiepende studies zoals een voortoets of een passende beoordeling. Op basis van verwachte verkeersgeneratie (zie paragraaf 3.1.1.) en expert judgement is de verwachting dat er sprake zal zijn van stikstofdepositie, waardoor in de nadere planuitwerking ook een passende beoordeling zal moeten worden uitgevoerd.

Het uitvoeren van een passende beoordeling leidt in deze situatie niet tot een mer-plicht omdat sprake is van een klein gebied op lokaal niveau (zie ook paragraaf 1.2.2 voor nadere duiding).

19/34

Kenmerk

3.3

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Lucht, geluid en trillingen

3.3.1 Luchtkwaliteit De indicator luchtkwaliteit wordt beoordeeld aan de hand van concentraties stikstof (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Eindhoven valt onder een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit voor zowel NO2 als PM10. Dit betekent dat toetsing aan de luchtkwaliteitsregels plaats dient te vinden. De luchtkwaliteitsregels zijn uitgewerkt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder de Omgevingswet. Daarin zijn omgevingswaarden voor luchtkwaliteit opgenomen waaraan moet worden voldaan. Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden, ook in Nederland. De huidige omgevingswaarden en strengere luchtkwaliteitseisen vanaf 2030 zijn weergegeven in Tabel 3.2. Tabel 3.2 Omgevingswaarden luchtkwaliteit Bkl en Europese luchtkwaliteitseisen 2030 Indicator

Omgevingswaarde volgens BKL

Omgevingswaarde 2030

NO2

40 µg/m

3

20 µg/m3

PM10

40 µg/m3

20 µg/m3

PM2,5

3

10 µg/m3

25 µg/m

In het Bkl zijn vervolgens regels opgenomen (artikel 5.54) over wanneer een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een activiteit binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft of de toename van de emissie naar de lucht kleiner is dan 3 %. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit. Het gebruikte instrument voor de monitoring van luchtkwaliteit is het CIMLK. In Tabel 3.3 zijn de luchtkwaliteitsgegevens voor 2025 en 2030 uit het CIMLK van een ten oosten van het plangebied gelegen monitoringspunt opgenomen. Tabel 3.3 luchtkwaliteitsgegevens CIMLK monitoringspunt 17272738_31127 Indicator

2025

2030

NO2

18,9 µg/m

3

15,0 µg/m3

PM10

17,5 µg/m3

15,9 µg/m3

PM2,5

9,6 µg/m

3

8,1 µg/m3

Uit de luchtkwaliteitsgegevens blijkt dat de luchtkwaliteit nu en in 2030 voldoet aan de geldende luchtkwaliteitseisen. Het project Kop van Blaarthem & Genderdal zal mogelijk een effect hebben op de luchtkwaliteit als gevolg van de toename van verkeer. Dit effect is inzichtelijk gemaakt door met behulp van de NIBM-tool te berekenen wat de bijdrage is van het extra verkeer op de emissie van PM10 en NO2. Hiervoor is de verkeersgeneratie gehanteerd zoals opgenomen in paragraaf 3.1, dat wil zeggen 5.700 extra voertuigbewegingen (exclusief 25 % HOV4 reductie – worstcase) waarvan 2 % vrachtverkeer. In Tabel 3.4 zijn de uitkomsten hiervan weergegeven.

20/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Tabel 3.4 Projecteffect op basis van NIBM-tool Indicator

2030 - extra bijdrage plan

NO2

1,80 µg/m3

PM10

0,54 µg/m3

PM2,5

<0,1 µg/m3

Wanneer de achtergrondconcentatie uit het CIMLK en het planeffect op basis van het NIBM bij elkaar worden opgeteld dan wordt geconcludeerd dat er nog steeds wordt voldaan aan de omgevingswaarden uit het Bkl en de strengere Europese luchtkwaliteitseisen in 2030. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er voor luchtkwaliteit geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn als gevolg van het plan. 3.3.2 Geluid De geluidbelasting in Eindhoven wordt veroorzaakt door diverse bronnen: wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai, industrielawaai en luchtverkeerslawaai. Voor het plangebied Kop van Blaarthem & Genderdal is vooral wegverkeer van belang. Het plan zelf bevat geen industriële geluidsbronnen. De inpassing van de beoogde maatschappelijke voorzieningen, waaronder de basisscholen en in het bijzonder de brandweerkazerne met oefenterrein, vraagt op lokaal niveau wel om een zorgvuldige akoestische afweging. De nadere uitwerking en juridische kaders hiervoor worden behandeld in paragraaf ‘milieuzonering’. Daarentegen zal er voor het bredere gebied wel een toename zijn door verkeer als gevolg van het plan. Deze verkeersbewegingen kunnen zowel binnen als buiten het plangebied tot een toename van de geluidsbelasting op geluidgevoelige gebouwen en terrein leiden.

De gemeente Eindhoven is, als onderdeel van de agglomeratie Eindhoven, verplicht een Actieplan Geluid op te stellen in het kader van de Europese Richtlijn Omgevingslawaai (END), welke is geïmplementeerd in de Omgevingswet. Dit Actieplan, waarvan het Algemene Deel A en het gemeentelijke Deel B (voor Eindhoven) zijn opgesteld, heeft als doel het geluidklimaat in kaart te brengen en waar mogelijk te verbeteren, met een focus op gezondheidsaspecten. De meest recente END-geluidbelastingskaarten voor Eindhoven, met peiljaar 2021, zijn in 2022 vastgesteld. De geluidcontouren van wegverkeer in en rondom het gebied (weergegeven in Figuur 3.3) laten zien dat het gebied vooral wordt belast door geluid afkomstig van verkeer dat over de Limburglaan en Karel de Grotelaan rijdt. De geluidbelasting langs deze wegen op de eerst lijn bebouwing is hoog.

21/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Figuur 3.3 Geluidkaart Lden peiljaar 2021, plangebied is wit omlijnd

Gezien de omvangrijke verdichting, de aanwezige geluidbronnen en de verwachte toename van de verkeersgeneratie is bij de nadere planuitwerking een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek dient de geluidsbelasting van alle relevante bronnen op de nieuwe en eventueel bestaande geluidgevoelige objecten te bepalen en te toetsen aan de geldende standaard- en grenswaarden zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor gemeentewegen gelden standaardwaarden van 53 Lden en grenswaarden van 70 Lden. Afwijken van de standaardwaarden kan mits maatregelen zijn getroffen, zoals het treffen van bron- of overdrachtsmaatregelen of maatregelen aan gevels. Door het treffen van maatregelen kunnen negatieve effecten als gevolg van geluid worden beheerst. Aanzienlijke milieueffecten worden dan ook niet verwacht voor het thema geluid. Op Figuur 3.3 is verder te zien dat het plangebied grenst aan ‘Zone De Hurk’. Het gaat hier om de geluidzone van het betreffende bedrijventerrein. Het plangebied ligt buiten de geluidzone. De geluidzone borgt dat de bedrijven op het bedrijventerrein een acceptabele mate van geluid produceren op de grens van deze zone. Buiten deze zone wordt dan ook geen geluidhinder verwacht.

3.3.3 Trillingen Het plangebied Kop van Blaarthem & Genderdal ligt niet direct langs een spoorlijn, waardoor een belangrijke potentiële bron van significante trillinghinder afwezig is. De ontwikkeling zelf bevat geen specifieke bronnen die trillingen genereren, met uitzondering van de verkeersaantrekkende werking. Trillingen door verkeer over wegen, veroorzaakt door de toegenomen verkeersintensiteit als gevolg van de transformatie, zijn in dit geval het meest relevante aandachtspunt. Dergelijke trillingen kunnen echter, afhankelijk van de intensiteit en de aard van de ondergrond, met

22/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

passende maatregelen worden beheerst. De beoordeling en aanpak van trillingen door wegverkeer vindt plaats conform de geldende kaders en rekenmethoden (zoals de Standaard Rekenmethode Trillingen, SRM). Gezien de aard van de ontwikkeling, de afwezigheid van een directe spoorlijn en het feit dat trillingen door wegverkeer over het algemeen goed beheersbaar en oplosbaar zijn, wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van de Kanaalzone-Zuid niet zal leiden tot aanzienlijke milieueffecten op het gebied van trillingen.

3.4

Bodem

Uit het bodeminformatiesysteem van de Gemeente Eindhoven blijkt dat in een deel het van het plangebied bodemonderzoeken zijn uitgevoerd in de afgelopen decennia. De resultaten van deze onderzoeken zijn niet inzichtelijk. In het kader van de planvorming van HOV4 is bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van onder andere de Limgburglaan en Karel de Grotelaan (Milieutechnisch onderzoek Limburglaan-Keizer Karel V Singel e.o. te Eindhoven, Tritium Advies, 2403468TB-01, maart 2025). Dit onderzoek grenst aan voorliggend plangebied en geeft daarmee redelijk inzicht in de te verwachten bodemkwaliteit. Uit dit onderzoek blijkt dat het gebied tot begin jaren ’60 van de vorige eeuw een agrarisch karakter had deels liggend in het Genderdal. Sindsdien is de huidige wegstructuur zichtbaar en is de woonwijk rondom ontwikkeld. In het gebied zijn gedempte watergangen aanwezig. Op basis van het vooronderzoek is door de onderzoekers de hypothese gesteld dat het gebied in beginsel onverdacht is voor het voorkomen van bodemverontreiniging, met uitzondering van de gedempte sloten. Uit de onderzoeksresultaten blijkt echter dat er plaatselijk bodemvreemd materiaal voorkomt (denk aan puin, baksteen, kolen, etc.) en daarmee gepaard plaatselijk ook licht tot sterke verontreinigingen van met name zware metalen en soms ook PAK en PCB. Er zij ook verhoogde concentraties aan PFAS aangetoond.

De gedempte watergangen kunnen gedempt zijn met asbestverdacht materiaal. Daarnaast geeft de Atlas van Eindhoven een historische verontreiniging binnen het plangebied weer aan de Flotowlaan 1 is de grond op een oppervlakte van circa 400 m² sterk verontreinigd met zink. Deze verontreiniging bevindt zich specifiek ter hoogte van de beoogde locatie voor een nieuwe basisschool.

23/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Figuur 3.4 Atlas van Eindhoven – Zink verontreiniging aan de Flowtowlaan

De gemeente Eindhoven heeft een geactualiseerde Bodemkwaliteitskaart 2023-2028 vastgesteld. Deze kaart geeft een actueel en dekkend beeld van de te verwachten chemische bodemkwaliteit in de gemeente. De kaart onderscheidt bodemfunctieklassen ('Industrie', 'Wonen', 'Landbouw/natuur') en bodemkwaliteitszones. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de landbodem tot 3 meter diepte en omvat het standaard NEN5740 stoffenpakket, aangevuld met PFAS-verbindingen. Met betrekking tot de bodemfunctieklassenkaart zijn zowel de boven- als ondergrond van de locatie gelegen binnen de bodemfunctieklasse ‘Wonen’. Met betrekking tot de bodemkwaliteitszone zijn zowel de boven- als ondergrond gelegen in de zone ’Wonen en industrie voor 1960’. In de bovengrond kunnen de parameters PCB en PAK verhoogd voorkomen. De parameter PCB kan in de ondergrond verhoogd voorkomen. Regionaal komen verhoogde concentraties van metalen in het grondwater voor. Het gebiedskader voorziet in verschillende activiteiten die tot grondroerende werkzaamheden leiden, daarbij worden er bodemgevoelige gebouwen gerealiseerd. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

In het Omgevingsplan van de gemeente Eindhoven zijn aanvullende regels gesteld voor het realiseren van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Voor de realisatie dient beoordeeld te worden of de toelaatbare kwaliteit van de bodem (Interventiewaarde bodemkwaliteit, aangeduid in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving) niet wordt overschreden. Door de ontwikkeling van het gebied, en in het bijzonder de realisatie van de basisschool aan de Flotowlaan, kan het wettelijk verplicht zijn om de bestaande zinkverontreiniging en eventuele andere lokale verontreinigingen te saneren voordat er gebouwd mag worden. Daarmee leidt het plan dus tot een verbetering van de bodemkwaliteit. Het voorgenomen plan zelf zal, vanwege alle bodembeschermingsregels, sowieso niet tot een achteruitgang van de bodemkwaliteit leiden.

24/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Met het oog op de ingrepen zal de bodemkwaliteit in het gebied naar verwachting verbeteren, eventuele verontreinigingen kunnen namelijk (gedeeltelijk) worden weggenomen. Verder worden er geen activiteiten mogelijk gemaakt die een risico vormen voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Er worden geen aanzienlijke milieueffecten verwacht voor dit thema.

3.5

Archeologie en cultuurhistorie

3.5.1 Archeologie Volgens de archeologische waardenkaart van de gemeente Eindhoven bevinden zich in Kop van Blaarthem & Genderdal hoofdzakelijk gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. Aan de oostzijde van het plangebied, rondom de Action, bevindt zich een gebied met een hoge archeologische verwachting en terrein van archeologische waarde.

Figuur 3.5 Archeologische waardenkaart (bron: Gemeente Eindhoven)

De middelhoge verwachting leidt tot de noodzaak van nader onderzoek op locaties waar de bodem dieper dan 30 cm -mv wordt geroerd en waar in het verleden nog geen diepere verstoring

25/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

heeft plaatsgevonden, mits de oppervlakte groter is dan 2.500 m². Omdat er al bebouwing aanwezig is in het plangebied is de bodem, zeker bij funderingen en kelders, mogelijk al verstoord. Bij de geplande ontwikkeling zal een deel van de bestaande bebouwing gesloopt worden en vervangen door nieuwbouw. Verder wordt de openbare ruimte heringericht. Het is aannemelijk dat de bodemingrepen samen groter zullen zijn dan 2.500 m² en op plekken ook dieper dan 30 cm. De hoge verwachting leidt tot de noodzaak van nader onderzoek op locaties waar de bodem dieper dan 30 cm -mv wordt geroerd en waar in het verleden nog geen diepere verstoring heeft plaatsgevonden, mits de oppervlakte groter is dan 100 m². Het is aannemelijk dat de bodemingrepen in dit deel van het plangebied samen groter zullen zijn dan 100 m² en op plekken ook dieper dan 30 cm. Op terrein van archeologische waarde geldt noodzaak van nader onderzoek op locaties waar de bodem dieper dan 30 cm -mv wordt geroerd en waar in het verleden nog geen diepere verstoring heeft plaatsgevonden, mits de oppervlakte groter is dan 50 m². Het is aannemelijk dat de bodemingrepen in dit deel van het plangebied samen groter zullen zijn dan 50 m² en op plekken ook dieper dan 30 cm. De geldende juridische kaders omtrent archeologie zijn gericht op het beschermen van eventueel aanwezige archeologische waarden.

Bodemverstorende werkzaamheden die de vrijstellingsgrenzen overschrijden zijn pas mogelijk wanneer afdoende archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Bovendien geldt een meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten. Ten behoeve van de verdere planuitwerking is tenminste de uitvoering van een archeologisch bureauonderzoek noodzakelijk. Op basis van dit onderzoek kan een nauwkeuriger beeld worden verkregen over de aanwezigheid van waardevolle archeologische vondsten of structuren aanwezig zijn. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden bepaald of er maatregelen moeten worden genomen om de archeologische waarde te behouden tijdens de herontwikkeling of dat deze voorafgaand worden opgegraven. Met inachtneming van de wettelijke procedures, het uit te voeren onderzoek en de meldingsplicht, worden geen aanzienlijke milieueffecten verwacht ten aanzien van archeologische waarden als gevolg van de ontwikkeling in de Kop van Blaarthem & Genderdal. 3.5.2

Cultuurhistorie

In het gebied is geen sprake van Werelderfgoed, Rijksmonumenten of beschermde stads- of dorpsgezichten. Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente, weergegeven in Figuur 3.5, blijkt dat het gebied wel onderdeel is van het historisch stedenbouwkundig structuur ‘Genderdal’, ‘Aan de weg gerelateerde bebouwing’ en ‘Karel de Grotelaan’. Vooral aan de noordwestzijde van het plangebied bevinden zich enkele historisch waardevolle elementen, zie Figuur 3.6. Het gebied vormt een verlengde van de historische waterloop en maakt deel uit van de parkenzone langs de Gender. Tijdens het ontwerpproces dient hiermee rekening te

26/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

worden gehouden. Daarnaast wordt de Vivaldistraat beschouwd als een historisch pad met hoge waarde. Op basis van de Erfgoedverordening rust hier een vergunningplicht wanneer sprake is van geheel of gedeeltelijk slopen. Ook aan de oostzijde van het plangebied bevindt zich een historische weg (de Busonilaan), die behouden dient te blijven en eveneens onder de vergunningplicht valt volgens de Erfgoedverordening. Omdat het raakvlak met deze waardevolle elementen beperkt is worden er geen aanzienlijke effecten verwacht.

Figuur 3.6 Cultuurhistorische waardenkaart

Figuur 3.7 Historisch cultuurlandschap ten opzichte van het plangebied

27/34

Kenmerk

3.6

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Klimaatadaptatie

Naoorlogse stedenbouw kenmerkt zich door een ruimtelijke opzet met hiërarchische wegenstructuren en een royale, functionele groenstructuur, die vaak fungeert als de ruggengraat van de wijk. In latere decennia, of tijdens verdere ontwikkeling, kregen veel van deze groenvoorzieningen echter te maken met bezuinigingen op onderhoud. Hierdoor wordt het groen vaak gekarakteriseerd als ‘leeg’, met eentonige grasvelden en rechtlijnige beplanting, wat het karakterloze gevoel kan versterken. Het plangebied is ingericht met relatief veel groen, maar er is aanzienlijke ruimte voor een kwaliteitsimpuls. De aanwezige hoeveelheid groene ruimte biedt een uitstekende basis om deze te transformeren tot een hoogwaardig, functioneel en klimaatrobuust netwerk. 3.6.1

Waterkwantiteit

Binnen het gebiedskader is water een sturend principe in het ontwerp van zowel de gebouwen als de openbare ruimte. Het hoofddoel is om hemelwater zoveel mogelijk lokaal te bergen, te infiltreren in de bodem en waar mogelijk te hergebruiken. Dit draagt bij aan het voorkomen van wateroverlast en het tegengaan van verdroging. De wateroverlastkaart laat zien dat wateroverlast een probleem kan vormen rondom Von Flotowlaan, de nabijgelegen bebouwing en de clustering van onderwijsinstellingen. Water stroomt af naar de groene ruimtes en parkeerterreinen, waarvoor onvoldoende waterberging is.

Voor de ontwikkeling zijn concrete doelen gesteld. De openbare ruimte moet zo worden ingericht dat deze een piekbui van 60 mm in één uur kan verwerken zonder dat er wateroverlast ontstaat. Voor de nieuwbouw geldt de eis dat gebouwen waterneutraal worden aangelegd, wat betekent dat het hemelwater dat op het perceel valt, ook binnen dat perceel wordt verwerkt, bijvoorbeeld door

28/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

de toepassing van groene daken. Deze maatregelen dragen niet alleen bij aan de waterkwantiteit, maar ook aan de waterkwaliteit door natuurlijke filtering van het water via de bodempassage. Binnen het plangebied zal actief bijgedragen moeten worden aan de waterbergingsopgave, die gebaseerd is op een norm van 60 mm neerslag in één uur. Dit vereist de aanleg van waterberging, waarbij water zoveel mogelijk wordt hergebruikt (bijvoorbeeld voor irrigatie van groen of spoelen van toiletten), geïnfiltreerd, opgevangen en vertraagd afgevoerd richting het kanaal. Nieuwe bouwwerken dienen te voldoen aan de meest recente Eindhovense Klimaattoets. Ten opzichte van de bestaande situatie zal de waterhuishouding als gevolg van het plan verbeteren. 3.6.2 Hittestress De verwachte klimaatverandering, met warmere zomers en frequentere hittegolven, maakt hittestress tot een belangrijk aandachtspunt in stedelijke gebieden. Figuur 3.7 illustreert dat het plangebied, zonder adaptieve maatregelen, in 2050 een potentieel extreem hete omgeving kan worden. Vooral rond de voormalige schoolpercelen en commerciële voorzieningen in het noordoosten van het plangebied, kan de gevoelstemperatuur significant oplopen. Dit onderstreept de noodzaak van actieve klimaatadaptatie.

Figuur 3.8 Hittekaart gevoelstemperatuur 2050 (Bron: Klimaatatlas van Eindhoven)

In de openbare ruimte wordt de bomenstructuur versterkt door het aanplanten van extra bomen, met als specifiek doel het vergroten van de totale kroonprojectie. Naast de aanplant van bomen worden er gericht koele plekken in het ontwerp opgenomen. Ook op de gebouwen worden maatregelen genomen. De toepassing van groene daken zal bijdragen aan de vermindering van hittestress in de directe omgeving en zorgt voor koelere gebouwen. De versterking van de verbinding met het Severijnpark en de uitbreiding van een groene dwarsverbinding richting Karel de Grotelaan kunnen hier actief aan bijdragen door het toevoegen van koele, groene routes en verblijfsplekken in de wijk.

29/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Figuur 3.9 Impressie openbare ruimte (Bron: ruimtelijk raamwerk en programma – Kop van Gestel)

De effectiviteit van deze maatregelen zal in de verdere planuitwerking moeten worden gemonitord en, indien nodig, worden bijgestuurd. 3.6.3

Leefbaarheid

Voor deelplannen die hoogbouw bevatten wordt geadviseerd om een windhinder- en bezonningonderzoek uit te voeren om te beoordelen of de nieuwe bouwvolumes het microklimaat en de verblijfskwaliteit op straatniveau beïnvloeden. Het gebiedskader stelt dat het stedenbouwkundig denkbaar is om op de prominente plek aan de kruising van de Karel de Grotelaan en de ringweg een ruimtelijk accent te maken. Hier kan een landmark duiding geven aan stadsdeel Gestel. Randvoorwaardelijk is dat hoogbouw in deze context zorgvuldig ingepast moet worden en geen nadelige invloed mag hebben op het leefklimaat. Met een slimme oriëntatie van bebouwing in relatie tot de zuidwestenwind, het toepassen van getrapte hoeken en set-backs in de hoogte kan hinder worden beperkt.

30/34

Kenmerk

3.7

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Externe veiligheid

Voor de beoordeling van externe veiligheid in en rondom het plangebied Gebiedskaders Kop van Blaarthem & Genderdal is gebruik gemaakt van de Atlas Leefomgeving. De analyse van de risicobronnen in de omgeving, zoals weergegeven op de risicokaart in figuur 3.7, toont aan dat er in het plangebied en de directe omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn. Hoewel er risicobronnen in de bredere omgeving aanwezig zijn, liggen deze op een afstand die, gezien de aard van deze ontwikkeling, geen significante belemmeringen vormen. Het plangebied valt alleen binnen een (voorlopig) aandachtsgebied voor een rampscenario met een gifwolk. Bij een dergelijk rampscenario is het advies om binnenshuis te schuilen met gesloten ramen en afgesloten ventilatie. In het Besluit bouwwerken leefomgeving is momenteel als standaard eis opgenomen dat ventilatie afsluitbaar moet zijn. Gelet daarop vormt dit geen belemmering voor de beoogde plannen. Bovendien introduceert het plan zelf geen nieuwe risicobronnen die een effect hebben op de omgeving. Er zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten op het gebied van externe veiligheid.

Figuur 3.10 Aandachtsgebieden ten opzichte van het plangebied (bron: Portaal Atlas Veiligheid)

3.8

Milieuzonering

Milieuzonering heeft als doel het waarborgen van een goede ruimtelijke ordening door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies, dit om hinder en risico's te voorkomen of te beperken. Het plangebied is momenteel primair gericht op wonen. Binnen het plangebied bevinden zich zones waar maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan, dit zijn milieucategorie 2 functies. In de directe omgeving van het plangebied zijn tevens zones

31/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

met hogere milieucategorieën aanwezig, in het bijzonder de locatie van bedrijventerrein De HurkCroy ten noordwesten van het plangebied. De zonering van dit bedrijventerrein is zodanig vormgegeven dat er voldoende afstand is tussen de bestaande en beoogde functies in het plangebied.

Figuur 3.11 Milieuzonering omgeving en plangebied

Het beoogde plan zelf introduceert geen zware milieubelastende bedrijvigheid, maar voorziet wel in de komst van een brandweerkazerne (inclusief mogelijk oefenterrein), twee basisscholen en enkele voorzieningen. Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs betreffen milieucategorie 2, wat in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter vanwege geluid kent. Overige voorzieningen binnen het plangebied zijn naar verwachting licht van aard en leiden niet tot hinder. Dergelijke functies zijn goed in te passen in een gebied als deze. De komst van de brandweerkazerne met een mogelijk oefenterrein vormt een specifiekere inpassingsopgave. Brandweerkazernes vallen volgens de VNG-handreiking onder milieucategorie 3.1, met in de basis een richtafstand van 50 meter ten opzichte van woningen (vanwege geluid). Aangezien het gebiedskader is aangeduid als ‘gemengd gebied’, wordt deze richtafstand verlaagd naar 30 meter. De introductie van nieuwe milieugevoelige functies (woningen) nabij deze geplande kazerne en diens oefenterrein vereist een zorgvuldige ruimtelijke afweging en akoestische onderbouwing.

32/34

Kenmerk

R001-1302942NLB-V01-mdg-NL

Hierbij geldt een juridisch onderscheid (zoals in uitspraak ECLI:NL:RVS:2008:BF3910 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State), welke ook van kracht is onder de huidige Omgevingswet. Het geluid van de daadwerkelijke, spoedeisende inzet (repressieve activiteiten, zoals het uitrukken met sirenes) dient een zwaarwegend algemeen veiligheidsbelang en is daardoor uitgezonderd van de reguliere maximale geluidsgrenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Echter, de reguliere (niet-repressieve) bedrijfsactiviteiten waaronder het bijbehorende oefenterrein zijn wel gebonden aan de standaard geluids- en milieunormen. Binnen het gebiedskader wordt onderzocht of integratie van de kazerne en de basisscholen in het woongebied mogelijk is. Te denken valt aan het toepassen van geluidreducerende materialen aan de gevels of het inzetten van een slimme verkeersregelinstallatie (VRI) zodat uitrukkende voertuigen pas op grotere afstand van de woningen hun sirenes hoeven in te schakelen. Overige voorzieningen binnen het plangebied zijn naar verwachting lichte van aard en leiden niet tot hinder. De introductie van nieuwe milieugevoelige functies, zoals woningen en onderwijsvoorzieningen, nabij de geplande brandweerkazerne vereist een zorgvuldige ruimtelijke afweging.

De nadere invulling en beoordeling van de milieuzonering, inclusief het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat en de compatibiliteit met omliggende (bestaande) functies, zal plaatsvinden in de verdere planuitwerking. Bij een zorgvuldige inpassing van de kazerne worden geen significante knelpunten op het gebied van milieuzonering verwacht, mede gezien de aard van de omliggende bedrijvigheid en de afstand tot het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17002383/1