Bijlage 3 - Plan-MER beoordeling
Tekst van het document
Gemeente Eindhoven: Plan-mer-beoordeling Gebiedskader Blaarthem & Genderdal Midden 2 april 2026
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Verantwoording Titel
Gemeente Eindhoven: Plan-mer-beoordeling - Gebiedskader Blaarthem & Genderdal Midden
Opdrachtgever
Gemeente Eindhoven
Projectleider Auteur(s) Tweede lezer Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Aantal pagina’s
32 (exclusief bijlagen)
Datum
2 april 2026
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Inhoud 1
2
3
4
Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1
Aanleiding .......................................................................................................................... 4
1.2
Procedure mer-beoordeling ............................................................................................... 5
1.3
Initiatiefnemer en bevoegd gezag ...................................................................................... 7
1.4
Leeswijzer .......................................................................................................................... 7
Plaats en kenmerken van het voorgenomen project ................................................................. 8 2.1
Huidige situatie ................................................................................................................... 8
2.2
Toekomstige situatie .......................................................................................................... 9
2.3
Relatie tot andere projecten ............................................................................................. 10
Kenmerken van potentiële effecten ......................................................................................... 13 3.1
Verkeer en parkeren ........................................................................................................ 13
3.2
Natuur en stikstofdepositie ............................................................................................... 13
3.3
Lucht, geluid en trillingen ................................................................................................. 18
3.4
Bodem .............................................................................................................................. 21
3.5
Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................... 22
3.6
Klimaatadaptatie .............................................................................................................. 26
3.7
Externe veiligheid ............................................................................................................. 29
3.8
Milieuzonering .................................................................................................................. 30
3.9
Geur ................................................................................................................................. 31
Conclusie ................................................................................................................................. 32
3/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Blaarthem & Genderdal Midden is een stadsdeel in Eindhoven dat aangewezen is voor grootschalige verdichting. Het plangebied wordt een hoogstedelijk woongebied met ruimte voor een toevoeging van netto circa 700 woningen. Dit is exclusief mogelijke (noodzakelijke) optimalisaties (onder andere ten behoeve van de haalbaarheid) bij de verdere planuitwerking richting een stedenbouwkundig plan. Het is mogelijk dat er dan een toevoeging van netto circa 900 woningen mogelijk is. Om deze stedelijke ontwikkeling te sturen, heeft de gemeente Eindhoven het Gebiedskader Blaarthem & Genderdal Midden opgesteld. Dit gebiedskader legt de ambities, randvoorwaarden en kansen vast voor de toekomstige planvorming en dient als eerste stap in de doorontwikkeling van het gebied. Het gebiedskader wordt vastgesteld door het college van B&W van de gemeente Eindhoven. Het gebiedskader wordt beschouwd als kaderstellend plan voor andere toekomstige besluiten over projecten in het plangebied waarvoor een milieueffectrapportage (mer) en mer-beoordeling geldt. Vanwege het kaderstellend karakter van dit gebiedskader is in deze fase al een plan-merbeoordeling nodig (zie verder paragraaf 1.2.2).
Figuur 1.1 Schematische weergave van een mogelijke invulling van het gebiedskader (bron: Gemeente Eindhoven)
4/32
Kenmerk
1.2
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Procedure mer-beoordeling
1.2.1 Doel van de aanmeldnotitie Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over het gebiedskader, wordt getoetst of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is. Op basis van het Omgevingsbesluit moet voor deze ontwikkeling een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. In deze notitie is de plan-mer-beoordeling voor het gebiedskader Blaarthem & Genderdal Midden opgenomen. 1.2.2
Waarom een mer-beoordeling?
In de mer-regelgeving, afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob), wordt onderscheid gemaakt tussen projecten waar een mer-plicht geldt en projecten waar een mer-beoordelingsplicht geldt. Mer-beoordelingsplichtige projecten zijn projecten waarvoor de beslissing of de mer-procedure moet worden doorlopen niet bij wet vastligt, maar door bevoegd gezag moet worden genomen. Bevoegd gezag moet dan bepalen of er sprake is van ‘aanzienlijke milieueffecten’, die het doorlopen van de mer-procedure wenselijk en noodzakelijk maken. Tabel 1.1 Categorie J11 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit
De voorgenomen ontwikkeling van Blaarthem & Genderdal Midden valt binnen categorie J11 uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarbij is er geen directe mer-plicht (kolom 2), maar wel een mer-beoordelingsplicht (kolom 3) bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Dit geldt voor een omgevingsplan, waaronder ook de wijziging van zo’n plan met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) gezien mag worden (kolom 4). Het voorgenomen project betreft een stedelijk ontwikkelingsproject omdat er maximaal 900 woningen worden toegevoegd met ruimte voor (commerciële) voorzieningen. Ook worden de bestaande voorzieningen, de bereikbaarheid, het groen en de openbare ruimte vernieuwd en verbeterd.
5/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Het gebiedskader wordt aangemerkt als een programma onder de Omgevingswet. Het gebiedskader stelt ook kaders voor opvolgende ruimtelijke besluiten zoals het omgevingsplan en/of een BOPA. Aangezien dergelijke opvolgende besluiten voor ontwikkelingen in dit plangebied volgens Bijlage V van het Omgevingsbesluit een mer-beoordelingsplicht geldt, kent het gebiedskader als kaderstellend document een plan-mer-plicht. Het Omgevingsbesluit kent echter een uitzondering daarop, als het om een klein gebied op lokaal niveau gaat. Een klein gebied op lokaal niveau wordt uitgelegd als een percentage van het totale oppervlak van een gemeente. Het plangebied waar het gebiedskader over gaat, beslaat minder dan 1 % van het gemeentelijk grondgebied. Daarom volstaat een plan-mer-beoordeling in plaats van een plan-mer voor het gebiedskader van Blaarthem & Genderdal Midden. 1.2.3 Procedure mer-beoordeling De procedure onder het Omgevingsbesluit is als volgt: • •
•
Door de initiatiefnemer wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld Het bevoegd gezag neemt binnen zes weken een mer-beoordelingsbesluit: Wanneer geen MER benodigd is, hoeft onder de Ow het besluit niet meer in de Staatscourant gepubliceerd te worden De initiatiefnemer voegt het mer-beoordelingsbesluit bij het besluit over het gebiedskader
1.2.4 Inhoud (plan)mer-beoordeling De initiatiefnemer beschrijft in zijn mededeling aan het bevoegd gezag de milieueffecten van het voornemen. Er zijn een aantal eisen verbonden aan de inhoud. Deze eisen in bijlage III bij de merrichtlijn zijn omgezet naar artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. De beoordelingsnotitie moet een beschrijving bevatten van: • • •
De fysieke kenmerken van het project De locatie van het project Kenmerken van de mogelijke aanzienlijke milieueffecten
Waar het bij de criteria 'fysieke kenmerken van het project' en ‘locatie van het project' vooral gaat om beschrijvingen van de voorgenomen activiteiten, de locatie en de omgeving, gaat het bij de 'kenmerken van mogelijke aanzienlijke milieueffecten' juist om de interactie tussen beiden. Hier worden dan ook de effectbeschrijvingen voor de beschouwde milieuaspecten weergegeven en de waarschijnlijkheid van de effecten. De mer-beoordeling maakt gebruik van de direct beschikbare informatie over het plangebied, waaronder eventueel beschikbare milieuonderzoeken die zijn uitgevoerd in het gebied. Indien deze niet voorhanden of gebiedsdekkend zijn, wordt gebruik gemaakt van een kwalitatieve beoordeling.
6/32
Kenmerk
1.3
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Initiatiefnemer en bevoegd gezag
De gemeente Eindhoven is in deze fase zowel initiatiefnemer als bevoegd gezag. In verband met nieuwe Europese jurisprudentie is het van belang dat er een passende scheiding is tussen initiatiefnemer en bevoegd gezag nu deze rollen in deze fase beide bij de Gemeente Eindhoven liggen. Bij vervolgfases zijn er mogelijk ook andere initiatiefnemers, zoals bijvoorbeeld een ontwikkelaar.
1.4
Leeswijzer
Deze aanmeldingsnotitie bestaat uit vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. Hoofdstuk 2 beschrijft de kenmerken van de voorgenomen activiteit. In hoofdstuk 3 worden de milieugevolgen beschreven en mogelijke cumulatieve effecten behandeld. Hoofdstuk 4 presenteert de conclusies.
7/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
2 Plaats en kenmerken van het voorgenomen project 2.1
Huidige situatie
Het plangebied Blaarthem & Genderdal Midden ligt in het zuidwestelijke deel van Eindhoven, in het stadsdeel Gestel. Dit stadsdeel is een van de zeven stadsdelen waaruit de stad is opgebouwd en wordt gekenmerkt door zijn overwegend naoorlogse woonwijken. De regionale ligging van het plangebied is weergegeven in Figuur 2.1. Het plangebied ligt in het zuidwestelijk deel van Eindhoven, en is ontstaan langs een Lintdorp dat Veldhoven en Eindhoven met elkaar verbond. Op dit moment wordt de verbinding met Veldhoven versterkt, door de komst van een HOV-4 verbinding. Het plangebied bevindt zich ingeklemd tussen het Gender- en dommeldal, en grenst aan het oude lint van Blaarthem. Haaks op deze radiaal is in de wederopbouwperiode een nieuwe weg ontstaan, de Karel de Grotelaan. Deze vormt op het moment de hoofdas door het gebied.
Figuur 2.1 Ligging van het plangebied in relatie tot Eindhoven (Bron: Streetsmart)
De begrenzing van het plangebied Blaarthem & Genderdal Midden is weergegeven in Figuur 2.2. Het gebied ligt aan weerszijden van de Karel de Grotelaan. Het plangebied wordt begrensd door de Schubertlaan in het noordwesten, de Offenbachlaan in het zuidoosten, de kruising met de Glinkastraat/Donizettilaan in het noordoosten en de kruising met de Tinelstraat/Glasounowlaan in het zuidwesten. Het plangebied omslaat een haaks opgezette structuur van portiekflats met daarbinnen gedeelde groene ruimte. Binnen het gebied zijn vrijwel alleen maar woningen aanwezig. Aan de Schubertlaan bevinden zich nog enkele (maatschappelijke) voorzieningen binnen het plangebied. De leefbaarheid in het gebied scoort laag, mede als gevolg van een laag comfort van de woningen, lage woningwaardes, lage sociale samenhang, lage veiligheid en veel overlast.
8/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Figuur 2.2 Plangebied (Bron: StreetSmart)
Het plangebied kent binnen het bestemmingsplan ‘Gestel buiten de Ring 2020’ (onderdeel van het tijdelijk Omgevingsplan) de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Groen’, ‘Verkeer/Verkeer – Verblijfsgebied’, ‘Gemengd’ en ‘Maatschappelijk’. De voorgenomen ontwikkelingen zullen niet passen binnen deze vigerende bestemmingen. Voor de realisatie van de beoogde functies en dichtheden zal daarom een planologische procedure moeten worden doorlopen.
2.2
Toekomstige situatie
De toekomstige situatie van Blaarthem en Genderdal Midden staat in het teken van een grootschalige verdichting, gekoppeld aan de komst van de nieuwe HOV4-as (hoogwaardig openbaar vervoer) over de Karel de Grotelaan. Het plangebied transformeert naar een hoogstedelijk woongebied waarbij netto circa 700 nieuwe woningen worden toegevoegd. Bij verdere planuitwerking en noodzakelijke optimalisaties voor de haalbaarheid kan dit aantal oplopen tot netto circa 900 woningen. Bij deze verdichting wordt voortgebouwd op de bestaande kwaliteiten en de cultuurhistorische identiteit van de wijk, die symbool staat voor de naoorlogse wederopbouw. De kenmerkende parkwaystructuur van de Karel de Grotelaan, getypeerd door de ‘ritmiek’ van bouwblokken in een groene parkachtige setting, blijft leidend en wordt op een eigentijdse manier versterkt (van ‘wederopbouw naar wederombouw’). Op het gebied van mobiliteit fungeert de HOV4-lijn als belangrijke drager, waarvoor twee nieuwe haltes in het plangebied worden gerealiseerd. Er wordt sterk ingezet op de mobiliteitstransitie door
9/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
het gebied optimaal te ontsluiten voor langzaam verkeer (voetgangers en fietsers) en deelmobiliteit te stimuleren. De parkeerbehoefte wordt opgevangen via een lage parkeernorm (mede dankzij de HOV-reductie) en een centraal gebouwde parkeervoorziening (parkeerhuis aan de Robert Stolzlaan), waardoor de nieuwe woonvelden aan de binnenzijde autoluw kunnen worden ingericht. Daarnaast wordt de toekomstige leefomgeving robuust, groen en klimaatadaptief ingericht. Het bestaande 'kijkgroen' tussen de complexen wordt getransformeerd naar 'gebruiksgroen' met ruimte voor sport, spel en sociale ontmoeting, en nieuwe woongebouwen krijgen semi-openbare groenruimtes. Tot slot wordt het gebied verduurzaamd door in te zetten op natuurinclusief en waterneutraal bouwen, de aanleg van een gescheiden waterstelsel en de beoogde aansluiting van de gebouwen op het collectieve warmtenet van Eindhoven Energie.
2.3
Relatie tot andere projecten
De transformatie van Blaarthem & Genderdal Midden wordt door twee belangrijke ontwikkelingen in gang gezet: de aanleg van de openbaarvervoerlijn HOV4 en de woningbouwprojecten die parallel langs Karel de Grotelaan lopen. De ontwikkeling van de Blaarthem & Genderdal Midden is onlosmakelijk verbonden met de aanleg van de HOV4-lijn. Dit hoogwaardige openbaarvervoerproject zal de bereikbaarheid van het gebied aanzienlijk verbeteren en is bepalend voor de toekomstige infrastructuur. Verstedelijking en de mobiliteitstransitie gaan hierbij hand in hand. Enerzijds maakt de groeiende druk op de infrastructuur een schaalsprong naar hoogwaardig openbaar vervoer noodzakelijk. Anderzijds is de realisatie van deze HOV4-lijn alleen mogelijk door het toevoegen van nieuwe woningen. De HOV4-as vormt daarmee randvoorwaarde om de beoogde verdichting in het gebied te realiseren. De meest ingrijpende aanpassing in het plangebied is de realisatie van een busbaan aan de noordzijde. Hoewel dit een integraal onderdeel is van het HOV4-project en niet van de ontwikkelingen binnen het gebiedskader, heeft het een grote impact op de ruimtelijke inrichting en bereikbaarheid.
10/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Figuur 2.3 Karel de Grotelaan binnen de contouren van het plangebied – Definitief schetsontwerp
De planologische procedure voor de inpassing van het HOV4-project wordt eind 2025 opgestart en de realisatie is naar verwachting gereed voordat de ontwikkelingen in voorliggend gebied tot realisatie komen. Ten aanzien van de aanlegfase zijn er dan ook geen cumulatieve effecten te verwachten. Ten aanzien van de gebruiksfase zal het HOV4-project leiden tot een afname van verkeer op de Karel de Grotelaan, waardoor dat naar verwachting op lokaal niveau ook een positief effect heeft op afgeleide milieueffecten (luchtkwaliteit, geluid en stikstof). Aan de noordoostzijde van Blaarthem & Genderdal Midden grenst het gebied Kop van Blaarthem en Genderdal, waarvoor momenteel ook een gebiedskader wordt opgesteld vanwege beoogde verdichting van dit gebied. Dit gebied, gelegen tussen het Severijnpark, Donizettilaan, Humperdincklaan en Limburglaan in (zie Figuur 2.4), stelt de kaders, randvoorwaarden en ambities voor de toekomst van het plangebied. De ontwikkeling richt zich op de sloop van de bestaande schoolgebouwen en een deel van de corporatiewoningen, die plaatsmaken voor nieuwbouw van circa 980 woningen en enkele voorzieningen.
11/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Figuur 2.4 Het gebiedskader Kop van Blaarthem en Genderdal
Bestaande en/of goedgekeurde projecten moeten in het kader van cumulatie worden meegenomen bij de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieugevolgen van een project. Voorliggende plannen zijn echter nog niet concreet genoeg om al te moeten betrekken als onderdeel van de cumulatietoets in het kader van de milieueffectrapportage. In tabel 2.1 zijn nog een aantal plannen opgenomen in de nabije omgeving die reeds zijn vergund. Wat betreft cumulatie is de aanlegfase hiervan niet van belang, deze plannen zijn eerder gerealiseerd dan dat de plannen uit de gebiedskaders tot uitvoering komen. Voor de gebruiksfase wordt ook geen cumulatie verwacht. Effecten hangen vooral samen met verkeer en de verkeersgeneratie van deze plannen is naar verwachting al onderdeel van de referentiesituatie in het gemeentelijk verkeersmodel. Tabel 2.1 Andere initiatieven en ontwikkelingen van enige omvang in de nabije omgeving Locatie
Beoogd programma
INCK (Humperdincklaan)
372 studio's en appartementen en 28 eengezinswoningen
Laagstraat 414-428 / Fallastraat
70 nieuwbouw appartementen
Hoogstraat 387-397
80 appartementen
Hoogstraat 310
15 koopappartementen
Andere omvangrijke stedelijke ontwikkelingen in Eindhoven, zoals de plannen rondom Eindhoven Internationale Knoop XL (het stationsgebied) en de verdere verdichting op locaties als Strijp-S, Strijp-T en de binnenstad liggen op dermate grote afstand dat er geen sprake is van cumulatie van milieueffecten.
12/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
3 Kenmerken van potentiële effecten In dit hoofdstuk wordt ingegaan op te verwachten milieueffecten die kunnen voortkomen uit de beoogde ontwikkelingen van het gebiedskader.
3.1
Verkeer en parkeren
3.1.1 Verkeer De herontwikkeling van het gebied leidt in de basis tot een toename van verkeer van en naar het plangebied. Uit een indicatieve berekening op basis van minimale CROW normen en een indicatieve programmatische invulling blijkt dat de verkeersgeneratie van het plan tot 3.700 verkeersbewegingen per dag kan bedragen. Dit is een worst-case benadering zonder extra reductie en saldering met de nu aanwezige functies. Vanwege de directe nabijheid van dit Hoogwaardig Openbaar Vervoer is in het gebiedskader vastgelegd dat een HOV-reductie van 25 % op de parkeernorm verplicht is. In dit geval bedraagt de verkeersgeneratie van het plan tot 2.800 verkeersbewegingen per dag. Het gaat hier om de netto toename ten opzichte van de verkeersgeneratie die er nu al plaatsvindt van en naar het gebied. De afgeleide effecten van verkeer op het milieu zijn beoordeeld bij de paragrafen over luchtkwaliteit, stikstofdepositie en geluid. Het gebied wordt doorkruist door de Karel de Grotelaan. De Karel de Grotelaan is daarmee ook de belangrijkste ontsluitingsroute voor wegverkeer van en naar het gebied. Aan de Karel de Grotelaan zijn ook openbaar vervoer voorzieningen aanwezig, waarvan uitbreiding is gepland in de vorm van HOV4. Langs de Karel de Grotelaan liggen vrijliggende fietspaden en stoepen voor langzaam verkeer.
Het verkeer van de woonblokken kan op drie met verkeerslichten geregelde kruisingen de Karel de Grotelaan op en af rijden. De Karel de Grotelaan ontsluit het gebied verder in noordoostelijke richting naar het centrumgebied en de ring en in zuidwestelijke richting naar Veldhoven en de rijksweg A2. 3.1.2 Parkeren Parkeren vindt plaats op maaiveld, op eigen terrein en in een nog te realiseren parkeergebouw aan de Robert Stolzlaan. De volledige parkeerbehoefte die voortvloeit uit de verdichting van het gebied wordt binnen de scope van het gebiedskader opgelost. Autoparkeren op eigen terrein wordt inpandig, verdiept of halfverdiept opgelost. Dit betekent dat er geen parkeeroverlast is te verwachten in de omliggende wijken en buurten als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. Aanzienlijke milieueffecten zijn dus niet te verwachten voor dit thema.
3.2
Natuur en stikstofdepositie
De Omgevingswet (Ow) is in Nederland het wettelijke kader voor natuurbescherming. De wet beschermt gebieden, planten- en diersoorten en houtopstanden. De wet doet dat door middel van een aantal verbodsbepalingen die zijn opgenomen in één van de uitvoeringsbesluiten van de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan.
13/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Zo kunnen activiteiten die significante effecten hebben op beschermde (Natura 2000-) gebieden alleen plaatsvinden met een ‘omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit’ als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet. 3.2.1 Beschermde dier- en plantsoorten Het opstellen van een gebiedskader voor het transformeren en toevoegen van woningen en voorzieningen moet – in de zin van de Omgevingswet – beschouwd worden als een kaderstellend plan dat ontwikkelingen mogelijk maakt, die mogelijk negatieve effecten op de leefomgeving van beschermde diersoorten en plantsoorten kan hebben. Namelijk flora, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, jaarrond beschermde vogels en broedvogels. Een natuurtoets geeft een eerste indicatie van effecten van het plan op beschermde natuur. Tabel 3.1 geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen1 2. Hoewel op basis van verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna een mogelijk geschikt habitat het zo kan zijn dat er in het verleden een ree of wild zwijn heeft gefoerageerd in het plangebied, is het voorkomen van deze soorten in stedelijke gebieden niet zo waarschijnlijk. Tabel 3.1 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen
Soortgroep
Mogelijk aanwezige beschermde soorten
Flora
Muurbloem, naakte lathyrus, stijve wolfsmelk, brave hendrik, veenbloembies, wolfskers, dreps, kartuizer anjer, knolspirea,
Grondgebonden
Aardmuis, bever, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel,
zoogdieren
haas, huispitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn, woelrat
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis
Vogels - jaarrond
Gierzwaluw, sperwer, buizerd, steenuil, ransuil, roek, ooievaar, huismus, bosuil,
beschermde nesten
kerkuil, slechtvalk, boomvalk,
Vogels - jaarrond
Boomkruiper, boerenzwaluw, grote bonte specht, ekster, zwarte kraai, koolmees,
beschermd: afhankelijk
spreeuw, pimpelmees, blauwe reiger, groene specht, zwarte roodstaart, grauwe
van ecologische factoren
vliegenvanger, huiszwaluw, torenvalk, gekraagde roodstaart, oeverzwaluw, kleine bonte specht, zwarte specht, ijsvogel
Vogels – in gebruik zijnde
Algemene soorten als merel, houtduif, winterkoning etc.
nesten Amfibieën
Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker (onb.), heikikker, kleine watersalamander, kamsalamander, vuursalamander, kikker
1 2
Reptielen
Levendbarende hagedis
Vlinders
Grote vos, weerschijnvlinder, iepenpage, teunisbloempijlstaart
Libellen
Beekrombout, bosbeekjuffer
Vissen
Beekprik
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data
14/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
In 2025 is een natuurtoets uitgevoerd voor het tracé van het HOV4-project dat ook door voorliggend plangebied loopt (Natuurtoets HOV4 Eindhoven, Antea Group, 7 april 2025). Uit dit onderzoek blijkt dat vogels (algemene broedvogels), vleermuizen (vliegroutes en foerageergebied), kleine marterachtigen, steenmarter en vlinders kunnen voorkomen in dit deel van het plangebied langs de Karel de Grotelaan. Mogelijke effecten op in het plangebied aanwezige soorten moeten worden bepaald. Bij mogelijke negatieve effecten op soorten, dienen voorafgaand aan de daadwerkelijke werkzaamheden vervolgstappen te worden genomen. Het kan dan gaan om soortgericht onderzoek, waaronder veldonderzoek, mitigerende maatregelen en/of een aanvraag van een Omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Zo kunnen bijvoorbeeld voor het behoud van vleermuizen nachtelijke activiteiten rondom vleermuisverblijven worden beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de verlichting. Ook kan er rekening worden gehouden met beschermde soorten door enkel in bepaalde seizoenen te werken. Wat voor mitigerende maatregelen er precies genomen dienen te worden, is afhankelijk van de soorten die voorkomen in het gebied. De voorgenomen sloop, herbouw en nieuwbouw van gebouwen in Blaarthem & Genderdal Midden kan effect hebben op bepaalde beschermde dier- en plantensoorten.
Bestaande gebouwen kunnen dienen als nestplaatsen en broedgebieden voor vogels, en spleten en holtes in gebouwen kunnen door vleermuizen worden gebruikt als schuilplaatsen of voor kraamkolonies. Het weghalen of aantasten van deze structuren zou, zonder mitigerende maatregelen, negatieve gevolgen kunnen hebben voor de lokale populaties van deze soorten. Op dit moment ontbreekt een volledig natuuronderzoek waaruit blijkt welke soorten in het plangebied te verwachten of aanwezig zijn. Geadviseerd wordt om hier tijdig onderzoek naar te doen. De wijk kent op dit moment al een relatief groen karakter. Het gebiedskader zet actief in op compensatie en toevoeging van groen (kwantitatief) en het realiseren van meer kwaliteit van het groen, denk daarbij aan verruigen van het groen en meer natuurinclusieve bebouwing. Groen vormt daarmee een belangrijke basis. Indien beschermde soorten aanwezig blijken en compenserende en/of mitigerende nodig zijn dan worden bij het in acht nemen van deze maatregelen voor beschermde dier- en plantsoorten geen aanzienlijke milieueffecten verwacht.
15/32
Kenmerk
3.2.2
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Beschermde gebieden
In Figuur 3.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden weergegeven.
Figuur 3.1 Beschermde gebieden ten opzichte van het plangebied
De meest nabije beschermde gebieden met een Natura 2000-status, zoals het Leenderbos, Grote Heide & De Plateaux, en Stabrechtse Heide & Beuven, liggen op een afstand van minimaal 4,0 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Ten westen van het plangebied op het een afstand van meer dan 9 kilometer ligt Natura 2000-gebied Kempenland-West. Gezien de aard en het lokale karakter van het plan, de onderlinge afstand tot deze gebieden en de aanwezigheid van andere bebouwde gebieden tussen het plangebied en deze gebieden, zijn directe negatieve effecten door verstoring (met uitzondering van stikstofdepositie) uit te sluiten. Op het onderdeel stikstofdepositie wordt in paragraaf 3.2.3 ingegaan. Het plangebied ligt op circa 150 meter afstand van gebieden die beschermd worden op grond van het Natuurnetwerk Nederland/Brabant (NNB). Het regime ter bescherming van het NNB kent in de provincie Noord-Brabant externe werking. Dit betekent dat niet alleen activiteiten binnen de NNBgrenzen, maar ook (potentiële) effecten op omliggende NNB-gebieden moeten worden beoordeeld. Dit is met name relevant wanneer een ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op de NNB-waarden door bijvoorbeeld geluid, licht, betreding of schaduwwerking. Geadviseerd wordt om dit nader te beoordelen in de vervolgprocedure.
Gelet op de aard van de ontwikkeling, de ambities van het gebiedskader ten aanzien van groen en de afstand tot het NNB worden er geen aanzienlijke effecten verwacht op dit moment.
16/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Figuur 3.2 NNN-gebieden ten opzichte van gebiedskader Blaarthem & Genderdal Midden
3.2.3
Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden
De achteruitgang van de biodiversiteit in Europa heeft geleid tot de aanwijzing van circa 160 Natura 2000-gebieden in Nederland met een Europese beschermingsstatus. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden gericht om achteruitgang van biodiversiteit tegen te gaan en natuurwaarden te versterken. Een toename van stikstofdepositie kan leiden tot ‘significant negatieve effecten’ op deze beschermde natuurgebieden. Om de mogelijke effecten van een initiatief op een Natura 2000-gebied in beeld te brengen, dient een stikstofonderzoek uitgevoerd te worden, inclusief een AERIUS-berekening. Dit onderzoek onderscheidt twee fasen: de aanlegfase (bouwfase) en de gebruiksfase (bijvoorbeeld verkeer). Indien een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol N/ha/jaar op een Natura 2000-gebied wordt berekend dan is het niet uit te sluiten dat er geen significante effecten optreden. Vervolgstappen zijn in dat geval het uitvoeren van een voortoets en/of passende beoordeling om te bepalen of stikstofdepositie ook daadwerkelijk leidt tot significante effecten.
Gezien de omvang van de mogelijk gemaakte ontwikkelingen in het gebiedskader, de daarmee gepaard gaande verkeerstoename en inzet van mobiele werktuigen en de afstand tot Natura 2000-gebieden (zie ook Figuur 3.1) is het aannemelijk dat de activiteiten zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase tot stikstofdepositie leiden op nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000gebieden. In de aanlegfase is het mogelijk om bronmaatregelen te treffen waarmee uitstoot van stikstofdepositie kan worden teruggedrongen. Daarbij is te denken aan inzet van elektrisch of schoner materieel.
17/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Wanneer sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000gebieden is het noodzakelijk om nader te beoordelen of deze toename ook (significant) negatieve gevolgen heeft voor het halen van de Natura 2000-doelen. Indien in de voortoets niet kan worden uitgesloten dat er significante effecten optreden, is vervolgonderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling. In een passende beoordeling worden alle effecten, inclusief cumulatie met andere projecten in de omgeving, integraal beoordeeld. Het plan kan alsnog worden vastgesteld als er geen significant negatieve effecten zijn in Natura 2000-gebieden. Het betrekken van mitigerende maatregelen zoals intern salderen, extern salderen of een ADC-toets zijn altijd onderdeel van een Passende Beoordeling. Vanwege het provinciaal beleid in Noord-Brabant wordt extern salderen momenteel niet gezien als een reële optie, aangezien de Provincie geen vergunningen verleent omdat vrijkomende stikstofruimte nodig is voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Intern salderen is in deze situatie ook weinig kansrijk omdat er vooral programma wordt toegevoegd en weinig tot geen sprake is van functiewijziging. Bij intern salderen wordt de stikstofruimte die ontstaat door het verdwijnen of reduceren van stikstofemissie veroorzakende bedrijven ingezet voor de nieuwe ontwikkeling ter plaatse.
Echter, intern salderen is momenteel alleen mogelijk in combinatie met een passende beoordeling (inclusief additionaliteitstoets). In de projectfase is het voornemen in dat geval vergunningplicht (Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteiten) Samenvattend wordt vanuit het aspect stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden geconcludeerd dat hier een opgave ligt om de gevolgen in het vervolgproces nader uit te werken. De eerste stap in dit onderzoeksproces is het uitvoeren van gedetailleerde stikstofberekeningen. Op basis daarvan kan worden beoordeeld of er een noodzaak is tot het uitvoeren van verdiepende studies zoals een voortoets of een passende beoordeling. Op basis van verwachte verkeersgeneratie (zie paragraaf 3.1.1.) en expert judgement is de verwachting dat er sprake zal zijn van stikstofdepositie, waardoor in de nadere planuitwerking ook een passende beoordeling zal moeten worden uitgevoerd. Het uitvoeren van een passende beoordeling leidt in deze situatie niet tot een mer-plicht omdat sprake is van een klein gebied op lokaal niveau (zie ook paragraaf 1.2.2 voor nadere duiding).
3.3
Lucht, geluid en trillingen
3.3.1 Luchtkwaliteit De indicator luchtkwaliteit wordt beoordeeld aan de hand van concentraties stikstof (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Eindhoven valt onder een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit voor zowel NO2 als PM10. Dit betekent dat toetsing aan de luchtkwaliteitsregels plaats dient te vinden. De luchtkwaliteitsregels zijn uitgewerkt in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder de Omgevingswet. Daarin zijn omgevingswaarden voor luchtkwaliteit opgenomen waaraan moet worden voldaan. Vanaf 2030 gaan strengere Europese luchtkwaliteitseisen gelden, ook in Nederland. De huidige omgevingswaarden en strengere luchtkwaliteitseisen vanaf 2030 zijn weergegeven in tabel 3.2.
18/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Tabel 3.2 Omgevingswaarden luchtkwaliteit Bkl en Europese luchtkwaliteitseisen 2030 Indicator
Omgevingswaarde volgens BKL
Omgevingswaarde 2030
NO2
40 µg/m
3
20 µg/m3
PM10
40 µg/m3
20 µg/m3
PM2,5
3
10 µg/m3
25 µg/m
In het Bkl zijn vervolgens regels opgenomen (artikel 5.54) over wanneer een activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een activiteit binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft of de toename van de emissie naar de lucht kleiner is dan 3 %. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit. Het gebruikte instrument voor de monitoring van luchtkwaliteit is het CIMLK. In Tabel 3.3 zijn de luchtkwaliteitsgegevens voor 2025 en 2030 uit het CIMLK van een ten oosten van het plangebied gelegen monitoringspunt opgenomen. Tabel 3.3 luchtkwaliteitsgegevens CIMLK monitoringspunt 17272738_30736 Indicator
2025
2030
NO2
17,3 µg/m
3
13,6 µg/m3
PM10
16,7 µg/m3
15,0 µg/m3
PM2,5
9,3 µg/m
3
7,8 µg/m3
Uit de luchtkwaliteitsgegevens blijkt dat de luchtkwaliteit nu en in 2030 voldoet aan de geldende luchtkwaliteitseisen. Het project Blaarthem & Genderdal Midden zal mogelijk een effect hebben op de luchtkwaliteit als gevolg van de toename van verkeer. Dit effect is inzichtelijk gemaakt door met behulp van de NIBM-tool te berekenen wat de bijdrage is van het extra verkeer op de emissie van PM10 en NO2. Hiervoor is de verkeersgeneratie gehanteerd zoals opgenomen in paragraaf 3.1, dat wil zeggen 3.700 extra voertuigbewegingen (exclusief 25% HOV4 reductie – worstcase) waarvan 2 % vrachtverkeer. In tabel 3.4 zijn de uitkomsten hiervan weergegeven. Tabel 3.4 projecteffect op basis van NIBM-tool Indicator
2030 - extra bijdrage plan
NO2
1,18 µg/m3
PM10
0,35 µg/m3
PM2,5
<0,1 µg/m3
Wanneer de achtergrondconcentatie uit het CIMLK en het planeffect op basis van het NIBM bij elkaar worden opgeteld dan wordt geconcludeerd dat er nog steeds wordt voldaan aan de omgevingswaarden uit het Bkl en de strengere Europese luchtkwaliteitseisen in 2030. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er voor luchtkwaliteit geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn als gevolg van het plan.
19/32
Kenmerk
3.3.2
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Geluid
De geluidbelasting in Eindhoven wordt veroorzaakt door diverse bronnen: wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai, industrielawaai en luchtverkeerslawaai. Voor het plangebied Blaarthem & Genderdal Midden is vooral wegverkeer van belang. Het plan zelf bevat geen bijzondere bedrijfsmatige of industriële geluidsbronnen. Eventuele voorzieningen kennen een geringe geluiduitstraling voor de bredere omgeving. Op lokaal niveau vraagt dit uiteraard wel om een goede inpassing, zie paragraaf ‘milieuzonering’. Daarentegen zal er wel een toename zijn door verkeer als gevolg van het plan. Deze verkeersbewegingen kunnen zowel binnen als buiten het plangebied tot een toename van de geluidsbelasting op geluidgevoelige gebouwen en terrein leiden. De gemeente Eindhoven is, als onderdeel van de agglomeratie Eindhoven, verplicht een Actieplan Geluid op te stellen in het kader van de Europese Richtlijn Omgevingslawaai (END), welke is geïmplementeerd in de Omgevingswet. Dit Actieplan, waarvan het Algemene Deel A en het gemeentelijke Deel B (voor Eindhoven) zijn opgesteld, heeft als doel het geluidklimaat in kaart te brengen en waar mogelijk te verbeteren, met een focus op gezondheidsaspecten. De meest recente END-geluidbelastingskaarten voor Eindhoven, met peiljaar 2021, zijn in 2022 vastgesteld.
De geluidcontouren van wegverkeer in en rondom het gebied (weergegeven in Figuur 3.3) laten zien dat het gebied vooral wordt belast door geluid afkomstig van verkeer dat over de Karel de Grotelaan rijdt. De geluidbelasting langs deze weg op de eerst lijn bebouwing is hoog.
Figuur 3.3 Geluidkaar Lden peiljaar 2021, plangebied in het wit omlijnd
Gezien de omvangrijke verdichting, de aanwezige geluidbronnen en de verwachte toename van de verkeersgeneratie is bij de nadere planuitwerking een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek dient de geluidsbelasting van alle relevante bronnen op de nieuwe geluidgevoelige objecten te bepalen en te toetsen aan de geldende standaard- en grenswaarden zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Geadviseerd wordt om ook aandacht te besteden aan de geluidbelasting op de bestaande woningen in het gebied en langs de
20/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
ontsluitingsroutes als gevolg van de toename in verkeersbewegingen, eventuele reflecties, etc. Voor gemeentewegen gelden standaardwaarden van 53 Lden en grenswaarden van 70 Lden. Afwijken van de standaardwaarden kan mits maatregelen zijn getroffen, zoals het treffen van bron- of overdrachtsmaatregelen of maatregelen aan gevels. Door het treffen van maatregelen kunnen negatieve effecten als gevolg van geluid worden beheerst. Aanzienlijke milieueffecten worden dan ook niet verwacht voor het thema geluid. 3.3.3 Trillingen Het plangebied Blaarthem & Genderdal Midden ligt niet direct langs een spoorlijn, waardoor een belangrijke potentiële bron van significante trillinghinder afwezig is. De ontwikkeling zelf bevat geen specifieke bronnen die trillingen genereren, met uitzondering van de verkeersaantrekkende werking. Trillingen door verkeer over wegen, veroorzaakt door de toegenomen verkeersintensiteit als gevolg van de transformatie, zijn in dit geval het meest relevante aandachtspunt. Dergelijke trillingen kunnen echter, afhankelijk van de intensiteit en de aard van de ondergrond, met passende maatregelen worden beheerst. De beoordeling en aanpak van trillingen door wegverkeer vindt plaats conform de geldende kaders en rekenmethoden (zoals de Standaard Rekenmethode Trillingen, SRM).
Gezien de aard van de ontwikkeling, de afwezigheid van een directe spoorlijn en het feit dat trillingen door wegverkeer over het algemeen goed beheersbaar en oplosbaar zijn, wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van de Kanaalzone-Zuid niet zal leiden tot aanzienlijke milieueffecten op het gebied van trillingen.
3.4
Bodem
Uit het bodeminformatiesysteem van de Gemeente Eindhoven blijkt dat in een deel het van het plangebied bodemonderzoeken zijn uitgevoerd in de afgelopen decennia. De resultaten van deze onderzoeken zijn niet inzichtelijk. In het kader van de planvorming van HOV4 is bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van onder andere de Limgburglaan en Karel de Grotelaan (Milieutechnisch onderzoek Limburglaan-Keizer Karel V Singel e.o. te Eindhoven, Tritium Advies, 2403468TB-01, maart 2025). Dit onderzoek grenst aan voorliggend plangebied en geeft daarmee redelijk inzicht in de te verwachten bodemkwaliteit. Uit dit onderzoek blijkt dat het gebied tot begin jaren ’60 van de vorige eeuw een agrarisch karakter had deels liggend in het Genderdal. Sindsdien is de huidige wegstructuur zichtbaar en is de woonwijk rondom ontwikkeld. In het gebied zijn gedempte watergangen aanwezig. Op basis van het vooronderzoek is door de onderzoekers de hypothese gesteld dat het gebied in beginsel onverdacht is voor het voorkomen van bodemverontreiniging, met uitzondering van de gedempte sloten. Uit de onderzoeksresultaten blijkt echter dat er plaatselijk bodemvreemd materiaal voorkomt (denk aan puin, baksteen, kolen, etc.) en daarmee gepaard plaatselijk ook licht tot sterke verontreinigingen van met name zware metalen en soms ook PAK en PCB. Er zij ook verhoogde concentraties aan PFAS aangetoond.
De gedempte watergangen kunnen gedempt zijn met asbestverdacht materiaal.
21/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
De gemeente Eindhoven heeft een geactualiseerde Bodemkwaliteitskaart 2023-2028 vastgesteld. Deze kaart geeft een actueel en dekkend beeld van de te verwachten chemische bodemkwaliteit in de gemeente. De kaart onderscheidt bodemfunctieklassen ('Industrie', 'Wonen', 'Landbouw/natuur') en bodemkwaliteitszones. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de landbodem tot 3 meter diepte en omvat het standaard NEN5740 stoffenpakket, aangevuld met PFAS-verbindingen. Met betrekking tot de bodemfunctieklassenkaart zijn zowel de boven- als ondergrond van de locatie gelegen binnen de bodemfunctieklasse ’Wonen’. Met betrekking tot de bodemkwaliteitszone zijn zowel de boven- als ondergrond gelegen in de zone ’Wonen en industrie voor 1960’. In de bovengrond kunnen de parameters PCB en PAK verhoogd voorkomen. De parameter PCB kan in de ondergrond verhoogd voorkomen. Regionaal komen verhoogde concentraties van metalen in het grondwater voor. Het gebiedskader voorziet in verschillende activiteiten die tot grondroerende werkzaamheden leiden, daarbij worden er bodemgevoelige gebouwen gerealiseerd. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
In het Omgevingsplan van de gemeente Eindhoven zijn aanvullende regels gesteld voor het realiseren van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Voor de realisatie dient beoordeeld te worden of de toelaatbare kwaliteit van de bodem (Interventiewaarde bodemkwaliteit, aangeduid in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving) niet wordt overschreden. Ook bij graafwerkzaamheden zal in het kader van ARBO-wetgeving inzicht moeten zijn in de kwaliteit van de bodem. Met het oog op de ingrepen zal de bodemkwaliteit in het gebied naar verwachting verbeteren, eventuele verontreinigingen kunnen namelijk (gedeeltelijk) worden weggenomen. Verder worden er geen activiteiten mogelijk gemaakt die een risico vormen voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Er worden geen aanzienlijke milieueffecten verwacht voor dit thema.
3.5
Archeologie en cultuurhistorie
3.5.1 Archeologie Volgens de archeologische waardenkaart van de gemeente Eindhoven bevinden zich in Blaarthem & Genderdal Midden hoofdzakelijk gebieden met een middelhoge archeologische verwachting. Aan de zuidzijde van het plangebied bevindt zich een gebied met een hoge archeologische verwachting en terrein van archeologische waarde.
22/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Figuur 3.4 Archeologische waardenkaart (bron: Gemeente Eindhoven)
De middelhoge verwachting leidt tot de noodzaak van nader onderzoek op locaties waar de bodem dieper dan 30 cm -mv wordt geroerd en waar in het verleden nog geen diepere verstoring heeft plaatsgevonden, mits de oppervlakte groter is dan 2.500 m². Omdat er al bebouwing aanwezig is in het plangebied is de bodem, zeker bij funderingen en kelders, mogelijk al verstoord. Het is aannemelijk dat de bodemingrepen voor nieuwbouw en herinrichting samen groter zullen zijn dan 2.500 m² en op plekken ook dieper dan 30 cm. De hoge verwachting leidt tot de noodzaak van nader onderzoek op locaties waar de bodem dieper dan 30 cm -mv wordt geroerd en waar in het verleden nog geen diepere verstoring heeft plaatsgevonden, mits de oppervlakte groter is dan 100 m². Het is aannemelijk dat de bodemingrepen voor nieuwbouw en herinrichting samen groter zullen zijn dan 100 m² en op plekken ook dieper dan 30 cm. Op terrein van archeologische waarde geldt noodzaak van nader onderzoek op locaties waar de bodem dieper dan 30 cm -mv wordt geroerd en waar in het verleden nog geen diepere verstoring
23/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
heeft plaatsgevonden, mits de oppervlakte groter is dan 50 m². Het is aannemelijk dat de bodemingrepen voor nieuwbouw en herinrichting samen groter zullen zijn dan 50 m² en op plekken ook dieper dan 30 cm. De geldende juridische kaders omtrent archeologie zijn gericht op het beschermen van eventueel aanwezige archeologische waarden. Bodemverstorende werkzaamheden die de vrijstellingsgrenzen overschrijden zijn pas mogelijk wanneer afdoende archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Bovendien geldt een meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten. Ten behoeve van de verdere planuitwerking is tenminste de uitvoering van een archeologisch bureauonderzoek noodzakelijk. Op basis van dit onderzoek kan een nauwkeuriger beeld worden verkregen over de aanwezigheid van waardevolle archeologische vondsten of structuren aanwezig zijn. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden bepaald of er maatregelen moeten worden genomen om de archeologische waarde te behouden tijdens de herontwikkeling of dat deze voorafgaand worden opgegraven. Met inachtneming van de wettelijke procedures, het uit te voeren onderzoek en de meldingsplicht, worden geen aanzienlijke milieueffecten verwacht ten aanzien van archeologische waarden als gevolg van de ontwikkeling in de Blaarthem & Genderdal Midden.
3.5.2 Cultuurhistorie Het gebied wordt gekenmerkt door een stedenbouwkundige structuur die samenhangt met wederopbouwarchitectuur. Het betreffen voornamelijk flatgebouwen en woningen rond hofjes, gebouwd aan weerszijden van een grote uitvalsweg. De wijk en de uitvalsweg komen voort uit het Algemeen Uitbreidingsplan van Ir. J.A. Kuiper uit 1946. Dit plan hanteerde de 'wijkgedachte', waarbij de Karel de Grotelaan werd ontworpen als de eerste parkway van Eindhoven, een brede verkeersader in een parkachtige setting met herhaalde bouwblokken die los in het groen zijn geplaatst. In Blaarthem & Genderdal Midden is geen sprake van Werelderfgoed, Rijksmonumenten of beschermde stads- of dorpsgezichten. Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente, weergegeven in Figuur 3.5, blijkt dat het gebied wel onderdeel is van het historisch stedenbouwkundig structuur ‘Genderdal’, ‘Aan de weg gerelateerde bebouwing’ en ‘Karel de Grotelaan’.
24/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Figuur 3.5 Cultuurhistorische waardenkaart (Bron: Eindhoven Open Data)
Ten behoeve van de planvorming van het HOV4-project is een cultuurhistorische analyse uitgevoerd (Milieuonderzoek cultuurhistorie en erfgoed Eindhoven, HOV4, Witteveen+Bos, 26 september 2025). Uit dit onderzoek blijkt dat er in het gebied een aantal monumentale bomen aanwezig zijn en plaatselijk wat gewaardeerde bomenrijen. Het eerdergenoemde uitbreidingsplan voor Eindhoven van J. Kuiper uit 1946 kent een hoge waardering. In het plangebied is één gemeentelijk monument aanwezig, dit betreft het voormalige kerkgebouw aan de Mendelssohnlaan 190 (De voormalige Heilige Hartenkerk aan het Brucknerplein). Dit gebouw wordt in cultuurhistorisch opzicht van belang beschouwd door de samenhang met de grote naoorlogse stadsuitbreidingen en een voorbeeld van ‘expressionistische invloeden in de modernistische architectuur van de jaren '50’. In Figuur 3.6 zijn deze cultuurhistorische waarden op kaart weergegeven. Uit de voorliggende ontwikkelplannen voor het gebied blijkt dat de aanwezige cultuurhistorische waarden veelal niet aangetast worden. Aandachtspunt voor de verdere uitwerking van de plannen vormt de hoge waardering van het uitbreidingsplan voor Eindhoven van J. Kuiper uit 1946.
25/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Figuur 3.6 Overzichtskaart cultuurhistorische waarden (Bron: Witteveen+Bos)
3.6
Klimaatadaptatie
In tegenstelling tot nu, werd waterbeheer vroeger nog niet gekoppeld aan ecologie, hittestress of biodiversiteit. Dit is ook terug te zien in de huidige situatie in het plangebied. Afwatering is ondergronds opgelost via riolering en kolken. Water wordt snel afgevoerd, niet vastgehouden of zichtbaar gemaakt in de openbare ruimte. Er zijn dan ook geen open waterlopen en waterberging in het gebied. De verharding van tuinen in de wederopbouwperiode was ook gericht op overzicht en onderhoudsgemak, wat leidt tot slechtere waterinfiltratie en een verarmde bodemkwaliteit. Het gebied kenmerkt zich dan ook door een groot verhard areaal, met beperkte groene infiltratiezones en een functionele, onderhoudsarme inrichting. In de volgende paragrafen wordt op de thema’s waterkwantiteit, hittestress en leefbaarheid ingegaan. 3.6.1
Waterkwantiteit
Uit de wateroverlastkaart blijkt dat wateroverlast een belangrijk probleem kan worden bij intense neerslag. Met name aan de doorgaande wegen valt de wateroverlastproblematiek op: water zal afstromen naar de groene ruimtes in het gebied. Deze hebben echter onvoldoende bergingscapaciteit voor al het water, en zullen bij extreem weer overstromen.
26/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Figuur 3.7 Waterdiepte bij hevige bui (Bron: Klimaateffectatlas)
Om deze kwetsbaarheid voor wateroverlast en extreme neerslag op te lossen, stelt het gebiedskader strikte eisen aan de waterbergingsopgave: • Gescheiden stelsel: Het huidige gemengde stelsel ten zuiden van de Karel de Grotelaan wordt, in lijn met de rest van het gebied, vervangen door een gescheiden stelsel voor •
•
vuilwater en regenwater Openbare ruimte: De bergingsopgave is gericht op het voorkomen van wateroverlast bij een maatgevende bui van 60 mm in één uur. Daarnaast streeft men ernaar dat er in de nieuwe panden geen wateroverlast kan optreden tot een neerslaggebeurtenis met een herhalingskans van 1x per 100 jaar. Minimaal 10 % van de openbare ruimte wordt onthard Private percelen en gebouwen: Nieuwe bouwwerken moeten waterneutraal worden aangelegd en voldoen aan de mest recente Eindhovense klimaattoets. De waterbergingsopgave voor private percelen moet binnen het eigen plangebied worden opgelost volgens de rekentool van het Paraplubestemmingsplan Waterberging, zonder dat dit
•
leidt tot overlast bij buren. Regenwater wordt waar mogelijk bovengronds geborgen en hergebruikt voor bijvoorbeeld irrigatie of het doorspoelen van toiletten Grondwater en Waterveiligheid: Grote delen van het plangebied kampen in natte perioden met een hoge grondwaterstand en een verhoogd risico op grondwateroverlast. Het gebiedskader volgt hierin het principe 'Water en Bodem sturend'. De grondwaterstand mag
27/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
niet worden verlaagd. Dit vereist dat nieuwe woningen verplicht waterdicht worden gebouwd en dat bouwgronden bij voorkeur worden opgehoogd. Ten behoeve van de waterveiligheid dient er bovendien een hoogteverschil van 30 cm te zijn tussen het toegangsniveau van een gebouw en het kruinpeil van de aangrenzende wegen Dankzij deze ontwerpeisen en de transformatie van 'kijkgroen' naar functioneel groen, kan het overtollige regenwater beter worden geïnfiltreerd en vertraagd worden afgevoerd. Met de inachtneming van deze randvoorwaarden worden er geen aanzienlijke negatieve milieueffecten op het gebied van waterkwantiteit en wateroverlast verwacht. 3.6.2 Hittestress De verwachte klimaatverandering, met warmere zomers en frequentere hittegolven, maakt hittestress tot een belangrijk aandachtspunt voor stedelijke gebieden. Figuur 3.8 toont aan dat het plangebied zich in de toekomstige situatie (2050) zou ontwikkelen tot een warmere en plaatselijk veel warmere omgeving. De gevoelstemperatuur in het gebied kan significant oplopen. Het gebied kent momenteel al een uitdaging met een relatief hoog Urban Heat Island (UHI) effect en veel hittestress. Verdere verdichting van het gebied zou dit effect kunnen versterken, wat de noodzaak tot actieve klimaatadaptatie in het gebied versterkt.
Figuur 3.8 Hittekaart gevoelstemperatuur 2050 (Bron: Klimaatatlas van Eindhoven)
Om de negatieve effecten van hittestress te mitigeren en een gezond microklimaat te borgen, zijn in het gebiedskader de volgende randvoorwaarden en maatregelen opgenomen: • Boomkroondekking en schaduw: Er wordt gestuurd op minimaal 30 % boomkroondekking in de openbare ruimte. Daarbij is als norm gesteld dat er 30 % schaduw op buurtniveau moet zijn, en 40 % schaduw op belangrijke loop- en wandelpaden (met name routes naar groen, koele plekken, HOV-haltes en voorzieningen)
28/32
Kenmerk
•
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Strategisch vergroenen: Op en nabij verblijfsplekken worden bomen en beplanting strategisch geplaatst om een fijn microklimaat te creëren en hittestress door alle seizoenen heen te reduceren. Voor de Karel de Grotelaan is de aanplant van een dubbele bomenrij (lindelaan) aan weerszijden van het fietspad wenselijk om klimaatadaptief te kunnen fietsen
•
Ontharden: De openbare ruimte wordt gemaximaliseerd onthard, met een harde eis van minimaal 10 % ontharding ten opzichte van de huidige situatie. Dit vermindert de opname van warmte door verharde oppervlakken
•
Groene daken en gevels: De daken van de 'Eindhovense laag' (circa 5 verdiepingen) worden zoveel mogelijk vergroend. Dit draagt niet alleen bij aan waterbuffering, maar heeft ook een direct verkoelend effect op de gebouwen en de directe omgeving
•
Ladder van koeling: Bij nieuwbouw wordt het toepassen van de 'ladder van koeling' vereist, waarbij actieve koeling pas de laatste stap is na het creëren van een verkoelende omgeving, warmtewerende elementen en passieve koeling
Met de borging van deze maatregelen in de verdere planuitwerking wordt het effect van de verdichting op de gevoelstemperatuur gedempt en verbeterd. Er worden dan ook geen aanzienlijke negatieve milieueffecten ten aanzien van hittestress verwacht. 3.6.3
Leefbaarheid
Voor deelplannen die hoogbouw bevatten wordt geadviseerd om een windhinder- en bezonningonderzoek uit te voeren om te beoordelen of de nieuwe bouwvolumes het microklimaat en de verblijfskwaliteit op straatniveau beïnvloeden. In voorliggend gebied wordt in beperkte mate hoogbouw voorzien. Met een slimme oriëntatie van bebouwing in relatie tot de zuidwestenwind, het toepassen van getrapte hoeken en set-backs in de hoogte kan hinder worden beperkt. Uit een eerste analyse van het windcomfort en de zonuren blijkt dat er geen aanzienlijke effecten zijn te verwachten ten aanzien van de leefbaarheid als gevolg van windhinder en bezonning.
3.7
Externe veiligheid
Voor de beoordeling van externe veiligheid in en rondom het plangebied Blaarthem & Genderdal Midden is gebruik gemaakt van de Atlas Leefomgeving. De analyse van de risicobronnen in de omgeving, zoals weergegeven op de risicokaart in Figuur 3.9, toont aan dat er in het plangebied en de directe omgeving geen risicobronnen aanwezig zijn. Hoewel er risicobronnen in de bredere omgeving aanwezig zijn, liggen deze op een afstand die, gezien de aard van deze ontwikkeling, geen significante belemmeringen vormen. Het plangebied valt alleen binnen een (voorlopig) aandachtsgebied voor een rampscenario met een gifwolk. Bij een dergelijk rampscenario is het advies om binnenshuis te schuilen met gesloten ramen en afgesloten ventilatie. In het Besluit bouwwerken leefomgeving is momenteel als standaard eis opgenomen dat ventilatie afsluitbaar moet zijn. Gelet daarop vormt dit geen belemmering voor de beoogde plannen. Bovendien introduceert het plan zelf geen nieuwe risicobronnen die een effect hebben op de omgeving. Er zijn geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten op het gebied van externe veiligheid.
29/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Figuur 3.9 Aandachtsgebieden ten opzichte van het plangebied (bron: Portaal Atlas Veiligheid)
3.8
Milieuzonering
Milieuzonering heeft als doel het waarborgen van een goede ruimtelijke ordening door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies, dit om hinder en risico's te voorkomen of te beperken. Het plangebied is momenteel primair gericht op wonen. Binnen het plangebied bevinden zich zones waar (maatschappelijke) voorzieningen zijn toegestaan, dit zijn milieucategorie 2 functies. In de directe omgeving van het plangebied zijn tevens zones met hogere milieucategorieën aanwezig, in het bijzonder de locatie van bedrijventerrein De Hurk-Croy ten noordwesten van het plangebied. De zonering van dit bedrijventerrein is zodanig vormgegeven dat er voldoende afstand is tussen de bestaande en beoogde functies in het plangebied.
30/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
Figuur 3.10 Milieuzonering omgeving en plangebied
Het beoogde plan zelf introduceert geen zware milieubelastende bedrijvigheid. Eventuele (maatschappelijke) voorzieningen binnen het plangebied zijn naar verwachting lichte van aard en leiden niet tot hinder. De introductie van nieuwe milieugevoelige functies, zoals woningen en onderwijsvoorzieningen, nabij al aanwezige en te realiseren voorzieningen vereist een zorgvuldige ruimtelijke afweging. De nadere invulling en beoordeling van de milieuzonering, inclusief het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat en de compatibiliteit met omliggende (bestaande) functies, zal plaatsvinden in de verdere planuitwerking. Er worden geen significante knelpunten op het gebied van milieuzonering verwacht gelet op de (lichte) aard van de aanwezige bedrijvigheid.
3.9
Geur
In het plangebied en de directe omgeving zijn geen agrarische geurbronnen aanwezig of beoogd. Geurhinder als gevolg van agrarische activiteiten is dus niet te aan de orde. In het plangebied zelf zijn ook geen industriële geurbronnen voorzien. Er zijn dus geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten op het gebied van geur.
31/32
Kenmerk
R002-1302942NLB-V01-mdg-NL
4 Conclusie Blaarthem en Genderdal Midden is een stadsdeel in Eindhoven dat aangewezen is voor grootschalige verdichting. Om deze stedelijke ontwikkeling te sturen, heeft de gemeente Eindhoven het Gebiedskader Blaarthem & Genderdal Midden opgesteld. Dit gebiedskader legt de ambities, randvoorwaarden en kansen vast voor de toekomstige planvorming en dient als eerste stap in de doorontwikkeling van het gebied. Het gebiedskader wordt vastgesteld door het college van B&W van de gemeente Eindhoven. Gelet op het kaderstellende karakter van dit gebiedskader voor andere toekomstige besluiten over projecten in het plangebied is een plan-mer-beoordeling opgesteld. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat het effect van de verdichting beperkt of beheersbaar is, mits de uitgangspunten en ambities uit het gebiedskader consequent doorvertaald en geborgd worden in de verdere planuitwerking en geldende kaders en voorzorgsbeginsels uit wet- en regelgeving worden gevolgd. De verdichting van het gebied zal tot een toename van de verkeersgeneratie van en naar het gebied leiden. De toename van verkeer kan tot effecten leiden op het gebied van geluid, stikstof en luchtkwaliteit. De effecten op het gebied van luchtkwaliteit zijn beperkt en leiden niet tot overschrijding van geldende en toekomstige luchtkwaliteitseisen.
De effecten op het gebied van geluid zijn beheersbaar door vroegtijdig na te denken over bron- en overdrachtsmaatregelen en/of oplossingen in de gevels van gebouwen. Het is op dit moment niet uit te sluiten dat er aanzienlijke effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie, waardoor het zeer waarschijnlijk noodzakelijk is om ten behoeve van de nadere planuitwerking een passende beoordeling uit te voeren waarin de effecten van de stikstofdepositie worden onderzocht. Het uitvoeren van een passende beoordeling leidt in deze situatie niet tot een mer-plicht omdat sprake is van een klein gebied op lokaal niveau (zie ook paragraaf 1.2.2 voor nadere duiding). Ondanks deze aandachtspunten en de noodzaak tot nadere, gedetailleerde studies in de vervolgfasen, kan, mits alle benodigde onderzoeken worden uitgevoerd en de voorgestelde milieumaatregelen en ambities strikt worden geïmplementeerd, de conclusie worden getrokken dat er voor de ontwikkeling van de Blaarthem & Genderdal Midden in Eindhoven geen aanzienlijke milieueffecten worden verwacht die niet beheersbaar zijn binnen de wettelijke kaders. Het opstellen van een milieueffectrapport (MER) is derhalve op basis van deze plan-mer-beoordeling niet noodzakelijk.