CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Warmteplan Stadhuisplein

Raadsvergadering 20 september 2023, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Smart Thermisch Grid Stadhuisplein4.378 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven

Gemeente Eindhoven Ruimtelijke Expertise – Projectexpertise

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven Colofon Uitgave Gemeente Eindhoven

Versie Definitief

Datum 4 juli 2023

2

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven

Inhoudsopgave

1

Inleiding

4

2

Afbakening / reikwijdte van het warmteplan

6

2.1

Gebiedsafbakening warmteplan

6

2.2

Aantal aansluitingen

6

2.3

De geldigheidsduur van het warmteplan

6

2.4

De aansluitplicht en de uitzonderingen op de aansluitplicht

7

3.

Energiesysteem Stadhuisplein

8

3.1

Inleiding

8

3.2

Bouwprogramma en projectuitgangspunten

8

3.3

Opbouw van het Energiesysteem

8

4

Mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu

10

4.1

De energieprestatie van het Energiesysteem

10

4.2

De milieuprestatie van het Energiesysteem

12

Bijlage 1: Bouwprogramma Stadhuisplein

15

Bijlage 2: Procedure uitzondering aansluitplicht op het Energiesysteem

16

3

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven

1 Inleiding

Rondom het Stadhuisplein te Eindhoven gaat een intensieve stedelijke ontwikkeling van nieuwbouw plaatsvinden van 160.000 m2 bvo gebouwd programma waarvan circa 1.550 woningen plus nog circa 55.000 m2 aan commerciële voorzieningen. Dit programma wordt in ongeveer zes ontwikkelvelden in ontwikkeling gebracht. De huidige BENG–regelgeving stelt minimale energieprestatie-eisen aan de mate van schilisolatie en de invulling van de energievoorziening voor nieuwbouwontwikkelingen. Daarnaast bevat de BENG-regelgeving een toets die oververhitting in de zomer moet voorkomen. Nieuwbouwontwikkelingen hebben daardoor niet alleen een warmtevraag maar ook een koudevraag. Dat betekent dat er ook voorzien moet worden in een warmte/koudevoorziening met een gunstige energieprestatie. Als de gemeente niet coördineert kiezen marktpartijen voor individuele suboptimale oplossingen. Suboptimale oplossingen, zoals individuele WKO’s per gebouw en luchtwarmtepompen, zijn voor het gebied onwenselijk: •

Voor individuele WKO’s per gebouw zijn onvoldoende WKO-locaties beschikbaar vanwege onvoldoende ruimte in de ondergrond. Dit geeft een beperking om alle beoogde nieuwbouwontwikkelingen en ook bestaande gebouwen in de toekomst van duurzame energie te voorzien. Wanneer een warmteplan niet de collectieve verdeling van de schaarse locaties voor WKO-bronnen en de beperkte bodemcapaciteit reguleert, zullen de eerste nieuwbouwontwikkelingen op het Stadhuisplein de beperkte bodemcapaciteit opsouperen die er voor de volgende ontwikkelaars niet meer zal zijn. Dit zou ertoe leiden dat niet alle nieuwbouwprojecten gerealiseerd kunnen worden, omdat de beschikbare ruimte voor WKO’s niet maximaal efficiënt benut wordt. Tevens wordt de kans gemist om ook de bestaande bouw op termijn aardgasvrij en duurzaam te verwarmen via bodemenergie.

•

Luchtwarmtepompen verbruiken veel elektrische energie, dragen sterk bij aan hittestress en veroorzaken bovendien (nest)geluid. Gezien de grootte van het programma zou het om een aanzienlijke negatieve impact gaan.

Het warmteplan is daarmee een verdere stap nadat de Gemeente Eindhoven reeds het Masterplan Bodemenergie Eindhoven-Centrum (d.d. 14 januari 2022) heeft vastgesteld om daarmee de ruimtelijke ordening van de WKO bronnen te reguleren. In dit Masterplan zijn een aantal ordeningsregels opgenomen voor wat betreft bodemenergie en met betrekking tot grondwaterkwaliteit (zie hoofdstuk 4.2 van het Masterplan Bodemenergie Eindhoven-Centrum). Het warmteplan is specifiek bedoeld voor warmtenetten zoals gedefinieerd in de warmtewet1. Met het warmteplan wordt naast het verdelingsprincipe van schaarse capaciteit gestuurd op de minimale inzet van installaties aan, op of om de gebouwen die in de zomer voor koeling worden ingezet maar tegelijk het risico op hittestress en geluidsoverlast in de binnenstad vergroten. Er valt een optimalisatieslag te maken door een collectief WKO-systeem met Smart Thermal Grid te realiseren voor alle nieuwbouwontwikkelingen rondom het Stadhuisplein waarbij ook diverse bestaande gebouwen kunnen 1

‘Het geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan het transport van warmte, behoudens voor zover deze leidingen, installaties en hulpmiddelen zijn gelegen in een inpandig leidingstelsel, een binneninstallatie of een gebouw of werk van een producent en strekken tot toe- of afvoer van warmte ten behoeve van dat inpandig leidingstelsel, die binneninstallatie of dat gebouw of werk van een producent.’

4

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven aansluiten. Het Smart Thermal Grid is een collectief leidingnet waarmee bronwarmte en bronkoude uit de WKObronnen aan gebouwen geleverd wordt en ook warmte- en koude overschotten van de gebouwen onderling uitgewisseld kunnen worden. De in het gebied op te stellen warmtepompcentrales zetten de bronenergie om in bruikbare warmte voor ruimteverwarming en tapwaterverwarming en koude voor comfortkoeling. Deze warmte en koude wordt via warmte/koudenetten naar de appartementen en commerciële ruimtes gedistribueerd.

1.1

Juridisch kader warmteplan

Op grond van het Bouwbesluit 2012 (‘Bouwbesluit’) is de Gemeenteraad bevoegd een warmteplan vast te stellen. Een warmteplan is volgens artikel 1.1 Bouwbesluit een: “besluit van de gemeenteraad inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.” Door de vaststelling van een warmteplan dient een te bouwen bouwwerk met één of meer verblijfsgebieden (‘Nieuwbouw’) in beginsel op het in het warmteplan opgenomen distributienet te worden aangesloten (de “aansluitplicht”, zie artikel 6.10 lid 3 Bouwbesluit). Hiermee kan maximaal gebruik worden gemaakt van de lokale bronnen en legt het zo min mogelijk beslag op de ondergrondse ruimte. Daarnaast wordt in dit warmteplan de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van het Energiesysteem vastgelegd (hoofdstuk 4).

Dit is relevant voor de vraag of er sprake is van een aansluitplicht: op grond van artikel 1.3 lid 4 Bouwbesluit geldt de aansluitplicht namelijk niet als een ‘gelijkwaardige oplossing’ voor een aansluiting op het Energiesysteem wordt aangedragen. Van een dergelijke gelijkwaardige oplossing is sprake als met de (alternatieve) oplossing tenminste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu wordt bereikt als met de in dit warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal het Bouwbesluit worden opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (“Bbl”). In het Bbl komt de aansluitplicht op het warmtenet van artikel 6.10, lid 3, Bouwbesluit niet terug. Een overgangsrechtelijke bepaling in de vorm van de bruidsschat is in artikel 22.10 Invoeringsbesluit Omgevingswet (“Ib”) opgenomen. Artikel 22.10, lid 1, Ib bevat daarbij een overeenkomstige bepaling aan artikel 6.10, lid 3, Bouwbesluit. Artikel 22.10, lid 2, Ib bevat een gelijkwaardigheidsbeginsel zoals nu opgenomen in artikel 1.3, lid 4, Bouwbesluit. Voor het bestaan van de aansluitplicht op grond van dat artikel moet dus aan dezelfde eisen als nu het geval is worden voldaan.

Een bestaand warmteplan zal na de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel uitmaken van het ‘tijdelijke deel’ van het omgevingsplan. Gemeenten hebben tot eind 2029 de tijd om het ‘tijdelijke deel’ om te zetten naar de nieuwe regels van het Omgevingsrecht.

5

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven

2 Afbakening / reikwijdte van het warmteplan

2.1

Gebiedsafbakening warmteplan

Het plangebied voor het Energiesysteem waar dit warmteplan betrekking op heeft, is het Stadhuisplein. Dit gebied bevindt zich in het centrum van Eindhoven, grenzend aan de Dommel en is onderstaand in figuur 2.1 aangeduid.

Figuur 2.1 Gebiedsafbakening van het warmteplan

2.2

Aantal aansluitingen

De woningen en gebouwen in het aangeduide gebied worden gefaseerd gebouwd en bestaat uit circa zes ontwikkelvelden. Het energiesysteem sluit aan op de fasering van de nieuwbouw. De beoogde omvang van de nieuwbouw bedraagt in totaal circa 160.000 m2 bruto vloeroppervlak. De aansluitingen zijn als volgt onderverdeeld: •

Woonfunctie: circa 1.550 woningen/appartementen met een gemiddelde bruto vloeroppervlakte van 70 m².

•

2.3

Utiliteitsbouw (diverse functies) met een totaal bruto oppervlak van circa 55.000 m2.

De geldigheidsduur van het warmteplan

Het warmteplan geldt voor een periode van tien (10) jaar, te rekenen vanaf de dag nadat het warmteplan is vastgesteld in de gemeenteraad en – de kennisgeving van – dat besluit is gepubliceerd in de het Gemeenteblad en Staatscourant. De raad zal, nadat het warmteplan is vastgesteld, de bevoegdheid om de energieprestatie en/of de milieuprestatie van het warmtenet (zoals vastgelegd in dit warmteplan) aan te passen, mandateren aan het college.

6

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven Het kunnen aanpassen van een warmteplan is benodigd vanwege de waarschijnlijkheid dat gedurende de looptijd van het warmteplan, actuele gegevens beschikbaar zullen komen over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet, zoals berekend in dit warmteplan. Het laten doen van een nieuwe berekening met betrekking tot de energieprestatieberekening en gelijkwaardigheidstoets, zoals in dit warmteplan opgenomen, is wenselijk. Daarnaast kan de bouwopgave in het plangebied op een manier wijzigen waardoor het aantal geplande aansluitingen op het warmtenet gewijzigd zal moeten worden. Wijzigingen van geleidelijke aard zijn in overeenstemming met het Bouwbesluit. Deze wijzigingsbevoegdheid zal in overeenstemming met het warmteplan een looptijd hebben van 10 jaar, en voor dezelfde tijd zal ook het mandaat naar het college verleend moeten worden. Het mandaat dat de raad zal verlenen aan het college kan op basis van de Algemene Wet Bestuursrecht te allen tijde ingetrokken worden. Het mandaatbesluit moet expliciet in de besluitvorming worden meegenomen, wat zal gebeuren in het raadsvoorstel met nummer 23BST00927 en worden opgenomen in het mandaatregister.

2.4

De aansluitplicht en de uitzonderingen op de aansluitplicht

Door de vaststelling van een warmteplan dient Nieuwbouw in het gebied in beginsel op grond van artikel 6.10 lid 3 van het Bouwbesluit op het in het warmteplan opgenomen Energiesysteem te worden aangesloten. Het genoemde artikel luidt als volgt: “Een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden is aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte indien: Het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op dat distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt, en i. ii.

Niet groter is dan 40 m, of Groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.”

Daarnaast geldt de aansluitplicht niet in de gevallen zoals omschreven in artikel 1.12a (‘Uitzonderingen woonfunctie voor particulier eigendom’) en artikel 1.12b (‘Uitzonderingen voor een drijvend bouwwerk’) van het Bouwbesluit. Ten slotte geldt de aansluitplicht niet als een initiatiefnemer een ‘gelijkwaardige oplossing’ voor een aansluiting op het Energiesysteem aandraagt. Dit zoals omschreven in artikel 1.3 lid 4 Bouwbesluit. Dit artikel luidt als volgt: “Een in het eerste lid bedoelde gelijkwaardige oplossing voor een aansluiting op het distributienet voor warmte als bedoeld in artikel 6.10, derde lid, heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.” Nieuwbouw hoeft dus niet op het Energiesysteem te worden aangesloten als een initiatiefnemer op het gebied van energiezuinigheid en bescherming van het milieu ‘een gelijkwaardige oplossing voor een aansluiting op het Energiesysteem’ aandraagt. De energiezuinigheids- en milieuprestaties van het Energiesysteem staan omschreven in hoofdstuk 4. Tot slot geldt de aansluitplicht ook niet meer als de geldigheidsduur van het warmteplan is verstreken. In Bijlage 2 staat de Procedure uitzondering aansluitplicht op het Energiesysteem opgenomen.

7

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven

3. Energiesysteem Stadhuisplein 3.1 Inleiding Dit hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het Energiesysteem waarop voorliggend warmteplan betrekking heeft. In dit hoofdstuk geven we allereerst het bouwprogramma en de projectuitgangspunten. Vervolgens beschrijven we de opbouw van het Energiesysteem.

3.2 Bouwprogramma en projectuitgangspunten Het bouwprogramma in het afgebakende gebied bestaat uit een mix van functies: wonen, kantoren, dienstverlening, horeca, onderwijs, cultuur en ontspanning. Het overgrote deel zal bestaan uit woningbouw (ca 66%). Voor een gedetailleerde weergave van het programma wordt verwezen naar bijlage 1. Het collectieve energiesysteem is bedoeld voor leveringszekerheid van duurzame warmte voor ruimteverwarming en warm tapwater en voor levering van koude voor ruimtekoeling. Voor ruimteverwarming en voor ruimtekoeling is het uitgangspunt laagtemperatuur verwarming respectievelijk hoogtemperatuur koeling. Het uitgangspunt is dat aan zowel de commerciële ruimtes als de woningen koude geleverd zal worden. Gezien de huidige wettelijke eisen met betrekking tot de energetische kwaliteit (BENG) en de mogelijke aanscherpingen die komende jaren nog volgen, is het uitgangspunt dat de warmtevraag en het benodigde aansluitvermogen voor verwarming relatief laag zullen zijn. Tabel 3.1 geeft een indicatie van de benodigde vermogens en de jaarlijkse energievraag voor de nieuwbouw in het afgebakende gebied. Tabel 3.1 Vermogens en energievraag

Warmte

Koude

Aansluitvermogen

kW

7.700

5.100

Jaarlijkse energievraag

GJ

36.000

10.700

3.3 Opbouw van het Energiesysteem Het Energiesysteem voor het Stadhuisplein bestaat uit een combinatie van de volgende onderdelen: 1. Een collectief WKO-systeem met meerdere bronparen (een bronpaar bestaat uit een warme en een koude bron). 2. Meerdere collectieve regeneratiebronnen voor het handhaven van de energiebalans in het collectieve WKO-systeem. 3. Een Smart Thermal Grid waarmee bronwarmte en/of bronkoude vanuit het collectieve WKO-systeem naar de verschillende gebouwen gedistribueerd wordt. De gebouwen krijgen een aansluiting op het Smart Thermal Grid. 4. Warmtepompen leveren in combinatie met de aansluiting op het Smart Thermal Grid de benodigde warmte en koude voor de betreffende gebouwen. 5. Een inpandige infrastructuur voor warmte- en koudelevering in elk gebouw.

8

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven Onderstaande figuur geeft het Energiesysteem schematisch weer.

Figuur 3.1 Schematische weergave van het Energiesysteem

9

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven

4

Mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu

In dit hoofdstuk zijn de prestaties van het Energiesysteem weergegeven, gebaseerd op de uiteindelijke energiezuinigheids- en milieuprestatie van het Energiesysteem die optreedt vanaf het moment dat het geplande aantal aansluitingen zoals opgenomen in het warmteplan is bereikt. De mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van het Energiesysteem zijn in dit hoofdstuk concreet uitgewerkt. Eerst wordt ingegaan op de energieprestatie van het Energiesysteem, daarna op de milieuprestatie van het Energiesyste em. Als sprake is van gelijkwaardigheid ten aanzien van energie en milieu wordt met de alternatieve oplossing minimaal dezelfde energie- en milieuprestatie bereikt als bij aansluiting op het Energiesysteem. De energie- en de milieuprestatie is relevant voor de initiatiefnemer die een aanvraag indient voor een omgevingsvergunning voor Nieuwbouw en niet op het Energiesysteem wil aansluiten, maar op een gelijkwaardig alternatief (artikel 1.3 lid 4 Bouwbesluit). De procedure voor een aanvraag tot het laten vervallen van de aansluitplicht op het Energiesysteem op basis van gelijkwaardigheid, is beschreven in Bijlage 2.

4.1 De energieprestatie van het Energiesysteem BENG-systematiek Sinds 1 januari 2021 moeten alle nieuwe bouwwerken voldoen aan de energieprestatienormen die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit. Het gaat om de eisen voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG). Op dit moment betekent dit dat er voor bijvoorbeeld woongebouwen en kantoren een energieprestatie geldt conform onderstaande waarden uit tabel 4.1. Tabel 4.1 Energieprestatie BENG

BENG indicator

Eenheid

Eis woongebouwen

Eis kantoren

1 Warmtebehoefte (afhankelijk van A ls/Ag

kWh/m²

≤ 65

≤ 90

2 Fossiel energiegebruik

kWh/m²

≤ 50

≤ 40

3 Aandeel duurzame energie

%

≥ 40

≥ 30

verhouding)

Aanvullend wordt een eis gesteld aan het risico op hoge temperaturen volgens de TOjuli-indicator. Bij actieve koeling wordt verondersteld dat dit risico voldoende beperkt is en hoeft de TOjuli niet te worden bepaald. De BENG-systematiek is leidend voor de vergelijking tussen een aansluiting op het Energiesysteem en een alternatieve oplossing. Bij het bepalen of een alternatieve oplossing gelijkwaardig is aan de mate van energiezuinigheid van het Energiesysteem moet altijd worden uitgegaan van de meest actuele wet- en regelgeving over de energieprestatie van bouwwerken. Dit warmteplan regelt nadrukkelijk niet hoe de vergelijking moet worden gemaakt.

10

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven De energieprestatie van het Energiesysteem De energieprestaties (volgens de BENG-systematiek) van woongebouwen en kantoren die zijn aangesloten op het Energiesysteem zijn hieronder weergegeven in tabel 4.2. Tabel 4.2 Energieprestatie bij aansluiting op het Energiesysteem

BENG indicator

Eenheid

Eis woongebouwen

Eis kantoren

1 Warmtebehoefte (afhankelijk van A ls/Ag

kWh/m²

65,0

n.t.b.

2 Fossiel energiegebruik

kWh/m²

42,0

n.t.b.

3 Aandeel duurzame energie

%

56,0

n.t.b.

verhouding)

De berekeningen zijn uitgevoerd aan de hand van de volgende uitgangspunten. •

Voor een voorbeeld appartementencomplex is een dusdanig pakket energiemaatregelen gekozen dat rekenend met een lucht/waterwarmtepomp voldaan wordt aan de BENG-eisen die per 1 januari 2021 gelden conform het Bouwbesluit 2012 (zie tabel 4.1).

•

Vervolgens is de lucht/waterwarmtepomp uitgeruild door het concept met warmtepompen en het Energiesysteem. Dit resulteert voor de referentiegebouwen in een BENG-score zoals weergegeven in tabel 4.2.

De parameters van het Energiesysteem in een Energieprestatieberekening Het Energiesysteem is een distributienet voor warmte en koude. In een Energieprestatieberekening moet worden uitgegaan van de volgende gegevens van het Energiesysteem. •

•

Verwarming- en warmtapwatersysteem o

Collectieve warmtepompen.

o

Bron warmtepomp: grondwater.

o

Ontwerpaanvoertemperatuur cv-systeem ruimteverwarming: 40°C.

o

Ontwerpaanvoertemperatuur cv-systeem tapwaterverwarming: 65°C.

o

Type bijverwarming: elektrisch element.

o

Regeneratie, type collectieve bron: doublettype.

Koeling: o

Type opwekker: koudeopslag/bodemkoeling en beperkte nakoeling via collectieve warmtepomp.

o

Koeltransport: water.

o

HT-koeling.

De overige invoergegevens met betrekking tot de energieprestatieberekening dienen door de initiatiefnemer zelf op basis van het ontwerp van het bouwwerk bepaald en ingevoerd te worden.

Vergelijking van energiezuinigheid op basis van hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit: een Energieprestatieberekening •

Volgens de huidige wet- en regelgeving – zoals vastgelegd in hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit – moet een vergelijking worden gemaakt op basis van de NTA 8800. Daarbij mag worden uitgegaan van de software voor een Energieprestatieberekening volgens de NTA 8800.

•

Bij de toetsing van de Energieprestatieberekening worden de wettelijk verankerde definities en rekenmethodieken gehanteerd zoals die zijn vastgelegd in de NTA 8800.

•

De energiezuinigheidsprestatie van het gebouw met de alternatieve oplossing wordt berekend volgens de NTA 8800. Voor de onderbouwing van de gehanteerde energieprestatie van bouwkundige en installatietechnische maatregelen van duurzame alternatieven dient de aanvrager te beschikk en over 11

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven actuele kwaliteitsverklaringen opgenomen in de Databank Gecontroleerde Kwaliteitsverklaringen en Gelijkwaardigheidsverklaringen. Indien geen door BCRG goedgekeurde kwaliteitsverklaringen of gelijkwaardigheidsverklaringen beschikbaar zijn voor een techniek die de aanvrager wenst toe te passen, dient de aanvrager te rekenen met de forfaitaire waarden uit de NTA 8800. •

Vervolgens wordt de alternatieve oplossing uitgewisseld met de toepassing van het Energiesysteem.

•

Als sprake is van een gelijkwaardigheid op alle BENG-indicatoren (‘Warmtebehoefte’, ‘Fossiel energiegebruik’ en ‘Aandeel duurzame energie’), dan wordt met de alternatieve oplossing dezelfde mate van energiezuinigheid bereikt als met een aansluiting op het Energiesysteem.

Het is de intentie om de energieprestatie van het Energiesysteem in de loop van de tijd te verbeteren. Dit is mogelijk door de EMG verklaring periodiek te valideren door Bureau CRG. De warmte-exploitant vraagt een EMG verklaring aan. Indien na verlening van de eerste EMG-verklaring voor een collectief energiesysteem in het warmteplangebied een nieuwe EMG-verklaring door Burea CRG wordt vastgesteld voor dat collectieve energiesysteem en uit die EMG-verklaring volgt dat de energieprestatie ervan is verbeterd (hogere F p;ren of lagere Fp;del), wordt bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van een alternatief vanaf zes maanden na vaststelling van die EMGverklaring, uitgegaan van die verbeterde energieprestatie.

4.2 De milieuprestatie van het Energiesysteem In deze paragraaf is de milieuprestatie van het Energiesysteem vastgelegd. Het gaat hierbij om de volgende factoren: 1.

Geluid

2.

NOx en fijnstofuitstoot

3.

Bodemkwaliteit

4.

Hittestress

Aan de hand van deze factoren moet worden bepaald of de mate van bescherming van het milieu van een alternatieve oplossing ten minste gelijkwaardig is aan een aansluiting op het Energiesysteem. 1. Geluid Door het toepassen van het Energiesysteem is er geen geluidsproductie van installaties voor warmte- en koudeopwekking op de gevel van het naastliggend perceel en hetzelfde perceel. Bij toepassing van alternatieve installaties zal de aanvrager door middel van een akoestisch onderzoek moeten aantonen dat de alternatieve installatie ten behoeve van warmte- en koudeopwekking gemeten op de perceelsgrens niet hoger is dan de in tabel 4.3 genoemde waarde. Tabel 4.3 Geluidsniveau als bedoeld in artikel 3.8 lid 2 en artikel 3.9 lid 3 van het bouwbesluit

Item

Eenheid

Geluidsniveau

dB(A)

Waarde 35

2. NOx en fijnstofuitstoot Er is geen sprake van NOx en/of fijnstofuitstoot van het Energiesysteem binnen de gebiedsafbakening van dit warmteplan. Bij toepassing van alternatieve installaties zal de aanvrager moeten aantonen dat de NOx - en fijnstofuitstoot van de alternatieve oplossing (binnen het gebied Stadhuisplein), evenals bij een aansluiting op het Energiesysteem gelijk is aan 0. 12

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven 3. Bodemkwaliteit Voldaan moet worden aan de doelstellingen van het Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer EindhovenCentrum (Raadbesluitnummer 21BST01331, hierna GGB Eindhoven-Centrum) dan wel de meest recente versie daarvan. In het GGB Eindhoven-Centrum is een gebied vastgesteld waarbinnen grondwaterverontreinigingen met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen zich binnen bepaalde randvoorwaarden mogen verspreiden. Deze gebiedsgrenzen dienen dan ook robuust beschermd te worden.

4. Hittestress bestrijden Er is geen sprake van hittestress-toename door inzetten van luchtgekoelde koelmachines voor koeling van gebouwen in de lente- en zomerperioden. Deze hittestress betreft het Urban Heat Island effect. De toetsingswaarde voor dit criterium is nog in ontwikkeling en kan in een later stadium in dit warmteplan toegevoegd worden.

13

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven Vergelijking van de mate van bescherming van het milieu (uitgaande van de huidige berekeningswijzen die zijn opgenomen in het Bouwbesluit) De gelijkwaardigheid van de mate van bescherming van het milieu is aangetoond, indien de alternatieve oplossing voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden. •

Middels een akoestisch onderzoek is aangetoond dat de geluidsproductie van installaties voor warmte- en koudeopwekking op de perceelsgrens minimaal gelijk is of lager is dan de in tabel 4.4 genoemde richtwaarde. De aanvrager moet daarvoor op de bouwtekeningen laten zien waar de geluid producerende installaties worden geplaatst.

•

Er is aangetoond dat de NOx- en fijnstofuitstoot van de alternatieve oplossing (binnen het warmteplangebied) gelijk is aan 0.

•

Voldaan is aan de doelstellingen van het Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer EindhovenCentrum (versie 05 mei 2021) dan wel de meest recente versie daarvan.

•

Toename van hittestress wordt voorkomen.

Bij het bepalen of een alternatieve oplossing gelijkwaardig is aan de mate van bescherming van het milieu van het Energiesysteem moet altijd worden uitgegaan van de meest actuele wet- en regelgeving over het berekenen van milieuprestaties. Dit warmteplan regelt nadrukkelijk niet hoe de vergelijking moet worden gemaakt.

14

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven

Bijlage 1: Bouwprogramma Stadhuisplein Gebouwnaam/ontwikkelaar

Straat

1

Citywall / GEVA Vastgoed

Stadhuisplein 8

279

13.980

2

Van der Meeren

Begijnenhof 27-29

145

650

3

Nedbel

Begijnenhof 35

190

4.680

4

Certitudo

Stadhuisplein 10

496

19.110

5

CRA Woonbedrijf

Oude Stadsgracht

297

16.900

6

Moleneind

Stratumseind 56/58

145

-

1.553

55.320

Totaal

Woningaantal

Commercieel vloeroppervlak (m2 bvo)

15

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven

Bijlage 2: Procedure uitzondering aansluitplicht op het Energiesysteem

Een initiatiefnemer die een aanvraag indient voor een omgevingsvergunning voor – de bouw van – Nieuwbouw, en niet op het Energiesysteem wil aansluiten, moet aantonen dat deze Nieuwbouw is voorzien van een alternatieve oplossing die ten minste gelijkwaardig is aan de energie- en milieuprestaties die in dit warmteplan, zoals dat luidt ten tijde van het indienen van de aanvraag, zijn opgenomen. De procedure om te beoordelen of sprake is van een uitzondering op de aansluitplicht, als bedoeld in artikel 1.3 lid 4 Bouwbesluit, verloopt volgens onderstaand stappenplan. Aan dit stappenplan kunnen geen rechten worden ontleend. Het stappenplan kan bovendien wijzigen wanneer de berekeningswijze voor energieprestaties en/of milieuprestaties – ten aanzien van factoren waarvan de prestaties van het Energiesysteem zijn opgenomen in dit warmteplan – wijzigen. STAP 1: de initiatiefnemer dient een aanvraag in De initiatiefnemer dient een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen in bij het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (“het College”) en geeft hierbij aan dat hij een beroep doet op de gelijkwaardigheidsbepaling. De initiatiefnemer levert ter onderbouwing – in ieder geval – de volgende informatie aan: • Een energieprestatieberekening (conform geldende wet- en regelgeving). • Aanvullende documentatie zoals kwaliteitsverklaringen van het alternatieve energiesysteem.

• Een milieuprestatieberekening (conform geldende wet- en regelgeving). • Bij gebruik van geluid producerende installaties voor warmte- en koudeopwekking: − een tekening met de plaatsing van de installaties, en; − een akoestisch onderzoek dat aantoont dat het geluidsniveau onder de richtwaarde blijft. • Gegevens waaruit aantoonbaar blijkt dat de NOx- en fijnstofuitstoot van het voorgestelde alternatief binnen het plangebied gelijk aan 0 is. • Gegevens waaruit aantoonbaar blijkt dat het voorgestelde alternatief ten aanzien van bodemkwaliteit gelijk of beter scoort dan de in dit warmteplan opgenomen milieuprestatie ten aanzien van bodemkwaliteit. • Gegevens waaruit aantoonbaar blijkt dat het voorgestelde alternatief ten aanzien van hittestress gelijk of beter scoort dan de in dit warmteplan opgenomen milieuprestatie ten aanzien van hittestress. STAP 2: het college toetst de aanvraag Het College controleert of aanvraag volledig en correct is (ontvankelijkheidstoets). • Zijn alle documenten aangeleverd? • Zijn juiste getallen in de energieprestatieberekening (BENG) overgenomen? • Zijn juiste waarden uit de kwaliteitsverklaring overgenomen? Nee Het College stuurt de initiatiefnemer een brief, waarin het College aan de initiatiefnemer bericht dat de aanvraag nog niet in behandeling genomen kan worden.

De aanvrager wordt op grond van het bepaalde in artikel 4:5 Awb in de gelegenheid gesteld om binnen een door het College gestelde termijn de benodigde aanvullende gegevens te verstrekken. Indien deze niet (compleet) binnen de gestelde termijn worden geleverd, of de verstrekte gegevens zijn nog steeds onvoldoende voor de beoordeling van de aanvraag, kan worden besloten de aanv raag omgevingsvergunning, wegens onvolledigheid van stukken, buiten behandeling te laten. Ja Het College beoordeelt of de aansluitplicht kan vervallen. In dat kader controleert het College: • De energieprestatieberekening. • Of plaatsing van de alternatieve energievoorziening niet tot overschrijding van richtwaarden voor geluid leidt conform paragraaf4.2 van het Warmteplan.

16

Warmteplan Stadhuisplein Eindhoven • • •

Dat de NOx- en fijnstofuitstoot van het voorgestelde alternatief gelijk aan 0 is. De berekening en onderbouwing ten aanzien van bodemkwaliteit. De berekening en onderbouwing ten aanzien van hittestress.

STAP 3: het college neemt een beslissing op de aanvraag Nee Indien het alternatief niet voldoet aan de vereisten van gelijkwaardigheid, dan ontvangt de initiatiefnemer een weigeringsbesluit van het College, wegens strijdigheid met het Bouwbesluit. De aanvraag om een omgevingsvergunning wordt dan geweigerd. De initiatiefnemer kan vervolgens een nieuwe aanvraag indienen voor een omgevingsvergunning op basis van: • een aansluiting op het collectieve Energiesysteem (volgens reguliere procedure voor omgevingsvergunning), of; • een alternatieve oplossing die wel ten minste gelijkwaardig is aan de energie- en milieuprestaties die in dit warmteplan zijn opgenomen. Ja Indien sprake is van een alternatieve oplossing die (minimaal) gelijkwaardig is aan de energie- en milieuprestaties die in dit warmteplan zijn opgenomen, dan is de aansluitplicht niet van toepassing op grond van artikel 1.3 lid 4 Bouwbesluit. Dit betekent echter nog niet dat een omgevingsvergunning voor de aangevraagde Nieuwbouw kan worden vergund. Het College beoordeelt de aanvraag ook.

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12995589/2