CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Regionaal Risicoprofiel 2025-2028

Raadsvergadering 25 maart 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Zienswijze ontwerp Regionaal Risicoprofiel 2025 2028 VRBZO38.980 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

2 alinea's met “sluiting”: 353 1007

22

blootstelling wordt als een volksgezondheidsprobleem geclassificeerd dat om langdurige aandacht en interventie vraagt. Dit crisistype wordt dan ook niet nader geanalyseerd. 4

Plagen en plantenziekten

Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 De landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 geeft geen variabelen over de ondergrens. Beoordeling expertgroep Er zijn in de regio Zuidoost-Brabant geen specifieke plagen met ongedierte of plantenziekten relevant. Wel is opgemerkt dat er rekening moet worden gehouden met meer voorkomen van de teek (ziekte van Lyme) en de processierups. Dit zal voor de regio Zuidoost-Brabant niet leiden tot een crisissituatie. Er zal voornamelijk behoefte zijn aan goede voorlichting. Dit crisistype wordt dan ook niet nader geanalyseerd.

5

Zorgcontinuïteit (druk op de zorg)

Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 Dit crisistype is niet opgenomen in de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009. Er zijn geen variabelen over de ondergrens. Beoordeling expertgroep Zorgcontinuïteit (druk op de zorg) wordt niet gezien als een opzichzelfstaand crisistype maar als een cascade-effect van een andere crisistype zoals een uitbraak van een humane infectieziekte of bijvoorbeeld door tekort aan personeel, sluiting van een locatie, logistieke stagnatie, enzovoorts.

Vitale voorzieningen

3

1

Uitval/verstoring elektriciteitsvoorziening

2

Uitval/verstoring gas/warmtevoorziening

3

Uitval/verstoring data en telecommunicatie

4

Uitval/verstoring drinkwatervoorziening

5

Uitval/verstoring afhandeling verkeer en vervoer

Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 Dit crisistype is niet opgenomen in de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009. Er zijn geen variabelen over de ondergrens.

23

Beoordeling expertgroep Uitval/verstoring afhandeling verkeer en vervoer wordt niet gezien als een opzichzelfstaand crisistype maar als een cascade-effect van een ander crisistype zoals een uitval/verstoring van elektriciteitsvoorziening. Hoewel verstoringen in verkeer en vervoer aanzienlijke overlast kunnen veroorzaken, leiden ze zelden tot situaties die de omvang van een ramp of crisis bereiken. 6

Uitval/verstoring afhandeling voedselvoorziening

Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 De landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 geeft geen variabelen over de ondergrens. Beoordeling expertgroep Voedselvoorziening kan mogelijk uitvallen als gevolg van een ander crisistype zoals een overstroming. Een andere mogelijkheid is een opzettelijke storing (bijvoorbeeld door een staking). Gezien de tijdelijke aard van een staking is het niet waarschijnlijk dat dit leidt tot een voedselcrisis. Gezien de strategische geografische spreiding van voedseldistributiecentra in Nederland zal dit voor de regio Zuidoost-Brabant niet leiden tot een crisissituatie. In de RbRa wordt verder aangehaald dat grootschalige voedselcrises niet vaak voorkomen en op basis van de eerdere analyse is het beeld dat de impact in geval van optreden beperkt zal blijven.

7

Uitval/verstoring afvalverwerking

Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 De landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 geeft geen variabelen over de ondergrens. Beoordeling expertgroep Een uitval / verstoring van de afvalverwerking heeft tot gevolg dat afval blijft liggen. Hoewel dit zeer hinderlijk is, zal dit voor de regio Zuidoost-Brabant niet leiden tot een crisissituatie. Uitval/verstoring van de afvalverwerking wordt bovendien tot op heden met name (inter)gemeentelijk opgelost.

Fysieke leefomgeving en milieu

4

8

Uitval/verstoring rioolwaterzuiveringsvoorz iening

1

Ongevallen chemische stoffen (stationair)

2

Ongevallen biologische agentia (stationair en verkeer)

24

3

Stralingsongevallen (stationair en verkeer)

4

Milieu-incidenten

Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 Dit crisistype is niet opgenomen in de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009. Er zijn geen variabelen over de ondergrens. Beoordeling expertgroep Milieu-incidenten zijn geïntegreerd in andere crisistypen binnen het risicoprofiel. Bijvoorbeeld, een industrieel ongeval met milieugevolgen kan worden behandeld onder het bredere crisistype 'industriële incidenten', waarbij de milieugevolgen als een subaspect worden meegenomen.

5

Verkeersongevallen weg

De crisistypen ‘verkeersongevallen weg’ en ‘verkeersongevallen weg chemische stoffen’ worden gezamenlijk uitgewerkt onder het crisistype ‘verkeersongevallen weg (o.a. chemische stoffen)’.

6

Verkeersongevallen weg chemische stoffen

De crisistypen ‘verkeersongevallen weg’ en ‘verkeersongevallen weg chemische stoffen’ worden gezamenlijk uitgewerkt onder het crisistype ‘verkeersongevallen weg (o.a. chemische stoffen)’.

7

Verkeersongevallen water

De crisistypen ‘verkeersongevallen water’ en ‘verkeersongevallen water chemische stoffen’ worden gezamenlijk uitgewerkt onder het crisistype ‘verkeersongevallen water (o.a. chemische stoffen)’.

8

Verkeersongevallen water chemische stoffen

De crisistypen ‘verkeersongevallen water’ en ‘verkeersongevallen water chemische stoffen’ worden gezamenlijk uitgewerkt onder het crisistype ‘verkeersongevallen water (o.a. chemische stoffen)’.

9

Verkeersongevallen lucht

10

Verkeersongevallen spoor

De crisistypen ‘verkeersongevallen spoor’ en ‘verkeersongevallen spoor chemische stoffen’ worden gezamenlijk uitgewerkt onder het crisistype ‘verkeersongevallen spoor (o.a. chemische stoffen)’.

11

Verkeersongevallen spoor chemische stoffen

De crisistypen ‘verkeersongevallen spoor’ en ‘verkeersongevallen spoor chemische stoffen’ worden gezamenlijk uitgewerkt onder het crisistype ‘verkeersongevallen spoor (o.a. chemische stoffen)’.

12

Incidenten in tunnels

13

Ongeval buisleidingen

14

Branden gebouwde omgeving

25

5

15

Instortingen gebouw

16

Explosie

1

Verstoring publieksveiligheid evenementen

2

Openbare orde verstoringen

3

Polarisatie

Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 Dit crisistype is niet opgenomen in de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009. Er zijn geen variabelen over de ondergrens. Beoordeling expertgroep Polarisatie is toenemend wij-zij-denken. Het is een proces waarbij de tegenstellingen tussen groepen in de samenleving sterker worden, waardoor groepen steeds meer tegenover elkaar komen

Maatschappij

te staan. Polarisatie kan zich manifesteren op verschillende locaties, bijvoorbeeld in een buurt, op een school of op de werkvloer, maar ook op (sociale) media. Het wordt daarmee niet gezien als een opzichzelfstaand crisistype maar met name als een proces wat een vruchtbare voedingsbodem kan zijn voor verschillende crisistypen zoals bijvoorbeeld (extreem) geweld in openbare ruimte of openbare orde verstoringen. 4

Extreem geweld in openbare ruimte

5

Criminaliteit

Landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009 Dit crisistype is niet opgenomen in de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel 2009. Er zijn geen variabelen over de ondergrens. Beoordeling expertgroep Criminaliteit, hoewel belangrijk, past meestal niet binnen de context van een regionaal risicoprofiel, tenzij het gaat om zeer grootschalige criminaliteit met bredere implicaties.

6

Cyberaanvallen

7

Ramp op afstand

26

7

Risicoanalyse

In dit hoofdstuk worden de resultaten van de uitgevoerde risicoanalyse op hoofdlijnen toegelicht. Per maatschappelijk thema wordt een samenvattende en kwalitatieve beschrijving gegeven van de onderliggende crisistypen. Deze beschrijvingen zijn ontleend aan de gedetailleerde uitwerkingen van de crisistypen, zoals opgenomen in de bijlagen.

7.1

Natuur en klimaat

Het maatschappelijk thema ‘natuur en klimaat’ omvat crisistypen die hoofdzakelijk worden beïnvloed door natuurlijke processen. Binnen dit thema worden diverse crisistypen behandeld die de regio Zuidoost-Brabant kunnen treffen, zoals extreem weer (koudegolf, sneeuw en ijzel, storm en windhozen, hittegolf), overstromingen (wateroverlast door hoge rivierwaterstanden, wateroverlast door extreme neerslag, dijkdoorbraak) en natuurbranden. Voor veel van deze crisistypen speelt klimaatverandering een belangrijke rol in de toename van gevolgen en waarschijnlijkheid. De intensiteit en duur van deze weersomstandigheden kan variëren, de impact verschilt sterk per locatie. Daarnaast vertonen deze crisistypen onder een sterke relatie met vitale processen zoals elektriciteits-, drinkwater-, gasvoorziening en telecommunicatie. Deze vitale processen kunnen niet alleen binnen het direct getroffen gebied verstoord raken, maar ook daarbuiten, met aanzienlijke maatschappelijke ontwrichting als gevolg. Wateroverlast door hoge rivierwaterstanden De regio Zuidoost-Brabant valt buiten de directe invloedssfeer van overstromingen door de grote rivieren, zoals de Maas, maar is wel kwetsbaar voor wateroverlast door hoge rivierwaterstanden, vooral langs kleinere rivieren en beken zoals de Dommel, de Aa en de Kleine Beerze.

Deze overlast wordt vooral veroorzaakt door zware regenval in combinatie met smeltwater, wat in de winter en het vroege voorjaar de waterstanden doet stijgen. Klimaatverandering leidt tot intensievere en frequentere neerslag en vergroot de kans op wateroverlast in de regio Zuidoost-Brabant. De scheiding tussen de traditionele hoogwaterperiode (oktober-april) en extreme neerslag in de zomer lijkt te vervagen, waardoor de regio gedurende een langere periode kwetsbaar is. De kans dat wateroverlast wordt veroorzaakt als gevolg van hoge rivierwaterstanden wordt geschat op 1 keer per 100 jaar (of: ieder jaar 1% kans op zo’n situatie). Kijken we echter naar de combinatie van langdurig aanhoudende neerslag, zoals in de periode 2023 – 2024, dan is de verwachting dat deze kans zal stijgen. Laaggelegen woonwijken en dorpen lopen risico op waterschade, wat kan leiden tot veiligheids- en gezondheidsrisico’s en een bedreiging vormen voor primaire levensbehoeften. Daarnaast kan wateroverlast schade veroorzaken aan infrastructuur. Ook landbouwpercelen kunnen overstromen, wat leidt tot gewasschade en verliezen voor boeren. Verder kan verontreiniging en overstroming van natuurlijke habitats schade opleveren voor milieu en natuur.

Wateroverlast door extreme neerslag Neerslag kan lokaal intens zijn en in korte tijd vallen, vaak in de zomer, of langer duren en over grote gebieden vallen, meestal in de winter. Extreme neerslag kan leiden tot wateroverlast in zowel stedelijke als landelijke gebieden. De stedelijke gebieden met veel verharding in de regio Zuidoost-Brabant zijn bijzonder gevoelig voor wateroverlast doordat regenwater moeilijk weg kan zakken. Langdurige neerslag daarentegen veroorzaakt in de regio Zuidoost-Brabant vooral problemen in landelijke gebieden. De cumulatie van hoge (grond)waterstanden en langdurige periode van neerslag, maakt dat de verwachting dat er vaker wateroverlast zal optreden bij op zichzelf minder extreme

27

buien, toeneemt. Extreme neerslag is in Nederland sterk toegenomen door de opwarming van de aarde. Toekomstige zomers zullen minder lichte buien hebben, maar meer zware en intense regenval, wat de kans op wateroverlast verhoogt. De toename van temperatuur en vocht leidt er daarnaast toe dat zware buien sneller kunnen uitgroeien tot complexen buien die gepaard gaan met onweer, hagel, windstoten en valwinden. Verder zorgt toenemende droogte in de zomer voor een extra uitdaging omdat regenwater moeilijk in een droge bodem kan infiltreren. Wateroverlast door extreme neerslag kan ernstige gevolgen hebben voor laaggelegen woonwijken, bedrijven en infrastructuur zoals snelwegen en spoorwegen in de regio Zuidoost-Brabant. Ook kan het leiden tot onder andere verstoringen in nutsvoorzieningen of het overbelast raken van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RZWI’s) met milieuschade en gezondheidsrisico’s tot gevolg. Dijkdoorbraak De regio Zuidoost-Brabant valt buiten de directe invloed van grote rivieren maar heeft wel regionale keringen langs kleinere rivieren zoals de Dommel en de Aa. Deze keringen spelen een essentiële rol in het beheersen van waterstanden en het voorkomen van overstromingen.

De kans op een dijkdoorbraak is relatief klein, maar door periodes van zware neerslag en smeltwater, met name in de winter en het vroege voorjaar, kunnen de waterstanden in deze rivieren toenemen, wat de druk op de dijken vergroot. Klimaatverandering draagt bij aan het risico, omdat intensievere regenbuien en nattere winters en lentes voor hogere waterstanden zorgen. Bovendien kan droogte de dijken verzwakken, waardoor ze kwetsbaarder worden voor doorbraken bij hevige regenval. Maar ook menselijke activiteiten zoals graafwerkzaamheden of gebreken in onderhoud kunnen de stabiliteit van de dijken verder aantasten. Daarnaast kunnen dierlijke graafactiviteiten en bepaalde vegetatie het risico op instabiliteit verhogen. Een dijkdoorbraak zou aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de regio Zuidoost-Brabant. Er kan wateroverlast ontstaan in laaggelegen gebieden, wat schade kan veroorzaken aan huizen, infrastructuur en landbouw. Nutsvoorzieningen zoals stroom, water en gas kunnen uitvallen, wat het dagelijks leven en de bedrijfsvoering ernstig verstoort. Ook drinkwaterbronnen kunnen worden besmet, en historische gebouwen en natuurlijke habitats lopen het risico op onherstelbare schade.

Koudegolf, sneeuw en ijzel Een koudegolf is gedefinieerd als een opeenvolging van minimaal vijf ijsdagen (maximumtemperatuur lager dan 0°C) waarvan ten minste drie dagen met strenge vorst (minimumtemperatuur lager dan -10°C). Door de klimaatverandering is extreem weer in de vorm van koude, sneeuw en ijzel in de toekomst minder waarschijnlijk maar nog steeds een mogelijkheid. Het wordt namelijk minder koud en koudegolven nemen af. Sinds 1901 nam het gemiddeld aantal ijsdagen per jaar af met bijna 5 dagen. Dit komt doordat er in de winter steeds vaker sprake is van een westenwind in plaats van koudere wind uit het noordoosten. Als de wind wel uit het noordoosten komt is de aangevoerde lucht bovendien minder koud dan voorheen omdat het noordpoolgebied opwarmt. Door de opwarming neemt ook het aantal potentiële sneeuwdagen af. Gevolgen van koudegolven, sneeuw en ijzel hebben onder andere betrekking op infrastructuur, gezondheid en mobiliteit. In de RbRa is een scenario uitgewerkt van een sneeuwstorm in Nederland; de waarschijnlijkheid daarvan wordt ingeschat op eens in de 50 jaar. Door klimaatverandering met de toenemende temperaturen wordt de kans op een sneeuwstorm de komende jaren naar verwachting steeds kleiner. De kans dat koudegolven, sneeuw en ijzel dermate extreem zijn dat het de regio Zuidoost-Brabant enkele dagen stillegt is niet groot.

28

Storm en windhozen Stormen kunnen in Nederland het hele jaar door voorkomen. De zwaarste stormen doen zich meestal in het winterperiode voor door de grote temperatuurverschillen in de atmosfeer. Stormen in het zomerhalfjaar (april tot en met september) worden zomerstormen genoemd. Zomerstormen komen niet zo vaak voor, dit in tegenstelling tot stormen in het winterhalfjaar (oktober tot en met maart). Zomerstormen zijn door de kleinere temperatuurverschillen vaak minder zwaar en korter van duur dan winterstormen. Zomerstormen veroorzaken vaak meer problemen doordat bomen in volle blad staan en daardoor gevoeliger zijn voor omwaaien. De onverwachte intensiteit van deze stormen leidt er tevens toe dat mensen en organisaties minder goed voorbereid zijn. Bovendien zijn er in de zomer meer mensen buitenshuis, wat het risico en de impact vergroot. Windhozen ontstaan bij kritische verschillen in luchtvochtigheid en temperatuur, ook vaak in de zomerperiode. Ontwikkelingen laten zien dat klimaatverandering vooralsnog weinig invloed heeft op de windsterkte in Nederland, en klimaatmodellen laten voor de toekomst ook geen toename zien van de windsterkte. Stormen en windhozen kunnen in relatief korte tijd leiden tot ernstige ontwrichting. De gevolgen van stormen en windhozen hangen af van de windsnelheden en het gebied in de regio Zuidoost-Brabant dat wordt getroffen.

Mogelijke gevolgen zijn onder andere schade aan gebouwen en infrastructuur, verkeershinder en verstoringen van energievoorzieningen. Stormen kunnen zelfs leiden tot slachtoffers door bijvoorbeeld omvallende bomen en rondvliegende materialen. Hittegolf Een hittegolf is gedefinieerd als een opeenvolging van minimaal vijf dagen met zomerse temperaturen (maximumtemperatuur van 25°C of hoger), waarvan er minimaal drie tropische dagen (maximumtemperatuur van 30°C of hoger) moeten zijn. Het stedelijk gebied in de regio Zuidoost-Brabant ervaart vaak hogere temperaturen dan de landelijke omgeving vanwege het stedelijk hitte-eilandeffect. Dit effect ontstaat doordat bebouwing warmte vasthoudt en lagere windsnelheden in stedelijke gebieden de warmte langer laten hangen. Dit zorgt ervoor dat stedelijk gebied ‘s nachts minder afkoelt, wat kan leiden tot een temperatuurverschil van meer dan 5°C tussen stedelijke en landelijke gebieden. In de afgelopen decennia is er in Nederland steeds vaker sprake van hittegolven. Zowel de frequentie als de intensiteit van hitteperiodes is toegenomen. Hittegolven worden ook steeds waarschijnlijker door de opwarming van het klimaat. De KNMI'23-klimaatscenario's voorspellen stijgende temperaturen en drogere zomers voor Nederland.

De vergrijzing (oudere mensen zijn fysiek kwetsbaarder voor extreme temperaturen) en verstedelijking in de regio ZuidoostBrabant kunnen de gevolgen van hittegolven verergeren. Natuurbranden De regio Zuidoost-Brabant omvat veel natuurgebieden met een totale oppervlakte van 25.827 hectare. Deze gebieden, met name de bossen en heidevelden langs de grens met België, zijn gevoelig voor natuurbranden en dan vooral tijdens de droge periodes in het voorjaar en de zomer. Natuurbranden in Zuidoost-Brabant kunnen ontstaan door zowel menselijke invloeden (zoals brandstichting of onoplettend gedrag) als natuurlijke oorzaken (zoals blikseminslag). De risico’s nemen toe door klimaatverandering, wat leidt tot langere periodes van droogte en hogere temperaturen. De verwachting is dat zowel de frequentie, gelijktijdig als de gevolgen van natuurbranden zullen toenemen. Natuurbranden kunnen leiden tot zowel directe als indirecte schade. Directe schade omvat de vernietiging van bebouwde omgeving, zoals recreatievoorzieningen en vitale infrastructuur, inclusief wegen en elektriciteitsvoorzieningen, met mogelijke verstoringen van het dagelijks leven als gevolg. Indien vitale infrastructuur, zoals hoogspanningsleidingen, beschadigd raakt, kan dit resulteren in grootschalige verstoringen van vitale processen. De indirecte gevolgen kunnen

29

eveneens aanzienlijk zijn, zoals economische verliezen in de recreatiesector en de kosten voor herstel van getroffen gebieden en infrastructuur. Daarnaast brengen natuurbranden ecologische schade met zich mee, waarbij zowel flora als fauna worden aangetast. De impact kan variëren van tijdelijke tot permanente schade, afhankelijk van de getroffen vegetatie. In sommige gevallen kan een natuurbrand leiden tot onherstelbare ecologische veranderingen, met langdurige effecten op het milieu. De kans op onbeheersbare, gelijktijdige, langdurig arbeidsintensieve natuurbranden in de regio Zuidoost-Brabant wordt als hoog ingeschat, mede door de invloed van klimaatverandering. Ook de RbRa classificeert natuurbranden als zeer waarschijnlijk.

7.2

Gezondheid

Onder het maatschappelijk thema 'gezondheid' vallen crisistypen die rechtstreeks de gezondheid van inwoners bedreigen, zoals humane infectieziekten, maar ook het crisistype dierziekten, die indirect gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid. Deze crisistypen delen diverse gemeenschappelijke factoren die hun gevolgen en waarschijnlijkheid beïnvloeden. Zo speelt klimaatverandering een belangrijke rol in het veranderen van de verspreiding van ziekteverwekkers door het verschuiven van leefomstandigheden en het uitbreiden van vectoren zoals muggen en teken naar nieuwe gebieden. Daarnaast bieden technologische ontwikkelingen zowel kansen als uitdagingen: innovaties zoals mRNA-vaccins verbeteren preventie en behandeling, maar de groeiende antibioticaresistentie bemoeilijkt de bestrijding van infecties. Ook de demografische kenmerken van de regio Zuidoost-Brabant, met een hoge bevolkingsdichtheid en vergrijzing, zorgt voor extra kwetsbaarheid voor uitbraken van infectieziekten. Tegelijkertijd verhoogt de concentratie van (pluim)veehouderijen in de regio Zuidoost-Brabant het risico op dierziekten, die grote economische en maatschappelijke ontwrichting kunnen veroorzaken, ook zonder directe impact op de volksgezondheid te hebben.

Humane infectieziekten Humane infectieziekten, veroorzaakt door micro-organismen zoals bacteriën, virussen, parasieten of schimmels, vormen een significant risico voor de volksgezondheid. Deze ziekten kunnen zich snel verspreiden via verschillende routes, waaronder direct contact, lucht, water, voedsel, of via vectoren zoals insecten. De mate van verspreiding en impact wordt sterk beïnvloed door geografische, klimatologische en demografische factoren. In de regio Zuidoost-Brabant, waar een hoge mate van mobiliteit is door nationale en internationale reizen (onder andere via Eindhoven Airport) en de bevolkingsdichtheid hoog is, is de kans op snelle verspreiding van infectieziekten aanzienlijk. Daarnaast heeft de regio Zuidoost-Brabant een bovengemiddeld aantal ouderen vergeleken met het landelijk gemiddelde in Nederland. Dit kan tijdens uitbraken leiden tot een hogere ziektelast en mortaliteit. Ziekten die van mensop-mens overdraagbaar zijn hebben doorgaans grotere gevolgen voor de samenleving vanwege hun potentieel om snel grote populaties te infecteren. Dit kan leiden tot overbelasting van de gezondheidszorgsystemen, zoals bleek tijdens de COVID-19-pandemie, die wereldwijd tot een ongekende crisis leidde. De pandemie had verstrekkende gevolgen op economisch en sociaal vlak, met bedrijfssluitingen, werkloosheid, en mentale gezondheidsproblemen als gevolg.

De druk op de gezondheidszorg en de impact op de vitale infrastructuur onderstreepten de kwetsbaarheid van samenlevingen voor dergelijke crises. Klimaatverandering en globalisering versterken de risico’s van infectieziekten door de uitbreiding van vectoren naar nieuwe gebieden en de versnelde mondiale verspreiding van ziekteverwekkers. Daarnaast vormt antibioticaresistentie een groeiend probleem, wat de behandeling van bacteriële infecties steeds moeilijker maakt en de ernst van uitbraken kan vergroten. De opkomst van nieuwe technologieën, zoals mRNA-vaccins en geavanceerde diagnostische methoden, biedt daarentegen hoop op betere preventie en behandeling van infectieziekten. Echter, de

30

complexiteit van snel muterende virussen, zoals influenzavirussen en coronavirussen, blijft een uitdaging voor het ontwikkelen van effectieve vaccins en behandelingen. De RbRa benadrukt de hoge waarschijnlijkheid van griepepidemieën in Nederland, hoewel pandemieën door nieuwe respiratoire virussen een lagere waarschijnlijkheid hebben, maar wel een veel grotere impact kunnen hebben. Dierziekten Dierziekten, ook bekend als veterinaire ziekten, kunnen worden geclassificeerd in twee hoofdgroepen: ziekten die van dier op mens overdraagbaar zijn (zoönosen) en ziekten die niet van dier op mens overdraagbaar zijn. Zoönosen, zoals vogelgriep en Q-koorts, vormen ernstige gezondheidsrisico's voor mensen en kunnen zich snel verspreiden tussen verschillende diersoorten en mensen. Dit maakt ze moeilijk te beheersen en impactvol vanwege de potentiële economische en sociale gevolgen. De regio Zuidoost-Brabant, met zijn hoge concentratie van (pluim)veehouderijen en een dichtbevolkte omgeving, loopt een verhoogd risico op de snelle verspreiding van dierziekten. Intensieve landbouwpraktijken en een goed ontwikkeld transportnetwerk dragen bij aan dit risico, evenals seizoensgebonden factoren zoals wintermaanden, waarin uitbraken van bijvoorbeeld vogelgriep vaker voorkomen. Uitbraken van dierziekten kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor zowel de volksgezondheid als de economie.

Zo leidde de uitbraak van Q-koorts in de regio Zuidoost-Brabant tot duizenden menselijke infecties, sterfgevallen en langdurige gezondheidsproblemen. Economisch leiden dergelijke uitbraken tot grote verliezen in de veehouderijsector en verstoringen in aanverwante industrieën. Daarnaast kunnen er door quarantainemaatregelen en andere restrictieve maatregelen maatschappelijke en sociale spanningen ontstaan. Klimaatverandering, globalisering en intensieve veehouderij vergroten het risico op uitbraken. Tegelijkertijd bieden technologische innovaties en de 'One Health'-benadering, een interdisciplinaire samenwerking om de gezondheid van mensen, dieren en het milieu te verbeteren, mogelijkheden voor betere preventie en bestrijding. Antibioticaresistentie vormt echter een groeiende bedreiging voor de behandeling van infecties. In de RbRa wordt de kans op uitbraken van ziekten zoals mond-enklauwzeer, varkenspest en vogelgriep als waarschijnlijk tot zeer waarschijnlijk ingeschat, met potentieel ernstige gevolgen.

7.3

Vitale voorzieningen

Onder het maatschappelijk thema ‘vitale voorzieningen’ gaat het om processen, producten of diensten die van essentieel belang zijn voor het dagelijkse leven in Nederland. Vitale voorzieningen kunnen bij uitval grote effecten hebben op de continuïteit van de samenleving. Ondanks de hoge betrouwbaarheid van vitale voorzieningen, is het niet ondenkbaar dat inwoners, bedrijven en overheid worden geconfronteerd met korte of langdurige uitval van vitale voorzieningen. De waarschijnlijkheid van verstoringen neemt ook toe door externe factoren, zoals klimaatverandering, toenemende cyberdreigingen en de complexiteit die ontstaat door de energietransitie. Het gaat hier om de volgende crisistypen: uitval/verstoring elektriciteitsvoorziening, uitval/verstoring gas-/warmtevoorziening, uitval/verstoring data en telecommunicatie, uitval/verstoring drinkwatervoorziening en uitval/verstoring rioolwaterzuiveringsvoorziening. Het daadwerkelijk oplossen van de oorzaak van uitval of verstoring van een vitale voorziening en het beheersen van de effecten daarvan binnen het eigen netwerk is een verantwoordelijkheid van de organisatie die de vitale voorziening levert. De respons van de overheid betreft vooral de maatschappelijk effecten.

31

Uitval/verstoring elektriciteitsvoorziening De elektriciteitsvoorziening is essentieel voor het functioneren van de Nederlandse samenleving en vormt de basis voor vrijwel alle maatschappelijke processen. In de regio Zuidoost-Brabant wordt het transport van elektriciteit beheerd door Enexis, de regionale netbeheerder, terwijl TenneT verantwoordelijk is voor het landelijke hoogspanningsnet. De infrastructuur voor elektriciteitsdistributie is goed ontwikkeld, met maatregelen om verstoringen snel te verhelpen. Verstoringen in de elektriciteitsvoorziening kunnen worden veroorzaakt door systeemfalen, externe factoren zoals extreem weer, en opzettelijke aanvallen, zoals cyberaanvallen. De energietransitie, waarbij de verschuiving naar duurzame en decentrale opwekking plaatsvindt, brengt nieuwe uitdagingen met zich mee, zoals een complexer netwerkbeheer. Hierdoor neemt het risico op verstoringen in de elektriciteitsvoorziening toe. Daarnaast worden er meer cyberaanvallen verwacht, en door klimaatverandering zal de kans op verstoringen in de elektriciteitsvoorziening verder toenemen, bijvoorbeeld door extremere weersomstandigheden. De gevolgen van verstoring van de elektriciteitsvoorziening variëren afhankelijk van de duur en schaal van de verstoring.

Hoewel de meeste verstoringen regionaal en van korte duur zijn, neemt door dergelijke ontwikkelingen de waarschijnlijkheid van verstoringen en hun impact toe. Korte onderbrekingen in de elektriciteitsvoorziening leiden doorgaans niet tot langdurige ontwrichting, maar bij grootschalige of langdurige verstoringen kunnen er cascade-effecten optreden, zoals de uitval van vitale processen in de gezondheidszorg, waterbeheer, telecommunicatie, enzovoorts. Zonder stroom komen deze processen stil te liggen, wat kan leiden tot ernstige gezondheids- en milieuproblemen en maatschappelijke onrust. Ook economische schade, zoals het stilvallen van bedrijfsprocessen en het betalingsverkeer, kan aanzienlijk zijn. Uitval/verstoring gas-/warmtevoorziening De maatschappelijke gevolgen van een verstoring van de gasvoorziening zijn sterk afhankelijk van de tijdsduur, weersomstandigheden en de omvang van de uitval. Vooral in het winterseizoen zijn de gevolgen groter, gezien de afhankelijkheid van gas voor verwarming. Kwetsbare groepen, zoals ouderen, zijn in deze periode bijzonder vatbaar voor de impact van gasuitval. Historisch gezien komt gasuitval in de regio Zuidoost-Brabant zelden voor en zijn incidenten doorgaans van korte duur en snel verholpen door de netbeheerders.

Een langdurige verstoring van de gasvoorziening kan diverse oorzaken hebben, zoals extreme weersomstandigheden, technische mankementen, menselijke fouten of opzettelijke sabotage. De verminderde binnenlandse gasproductie en de toenemende afhankelijkheid van geïmporteerd gas vergroten de kwetsbaarheid van de gasvoorziening, ondanks maatregelen zoals verhoogde gasopslag. De impact van gasuitval varieert afhankelijk van de betrokken sectoren. In huishoudens leidt uitval voornamelijk tot groot ongemak, zoals het niet kunnen koken of verwarmen van de woning. Voor bedrijven, met name in de industrie en glastuinbouw, kan gasuitval echter aanzienlijke economische schade veroorzaken door stilgelegde productieprocessen. Ziekenhuizen en zorginstellingen, afhankelijk van gas voor verwarming, kunnen te maken krijgen met continuïteitsproblemen. Hoewel de energietransitie op termijn de afhankelijkheid van gas vermindert, blijven risico’s bestaan door de complexiteit van het gasnetwerk en geopolitieke spanningen. Toch wordt verwacht dat de kans op grootschalige gasuitval op de lange termijn zal afnemen door de verschuiving naar duurzame energiebronnen. Uitval/verstoring data en telecommunicatie De telecommunicatie- en ICT-infrastructuur in Nederland is robuust en beveiligd, maar de toenemende afhankelijkheid van digitale systemen maakt deze infrastructuur ook kwetsbaarder voor verstoringen.

De belangrijkste aanbieders van telecommunicatiediensten zijn KPN, VodafoneZiggo en Odido, die een bijna volledige dekking van vaste en mobiele netwerken bieden. KPN heeft daarbij de taak om kritieke netwerken zoals het

32

alarmnummer 112, de Nood Communicatie Voorziening (NCV) en NL-Alert in stand te houden en te zorgen voor hoge betrouwbaarheid en beschikbaarheid. Uitval of verstoring van telecommunicatie en ICT kan echter aanzienlijke gevolgen hebben, variërend van korte periodes met beperkte impact tot langdurige storingen met ernstige economische en maatschappelijke gevolgen. Vooral kwetsbare groepen, zoals ouderen, zijn tijdens dergelijke storingen extra kwetsbaar door de verminderd bereikbare hulpdiensten en het mogelijk falen van personenalarmering. Technische storingen, menselijke fouten, extreme weersomstandigheden en cyberaanvallen zijn de voornaamste oorzaken van uitval of verstoring van ICT en telecommunicatie. De meest kwetsbare objecten binnen deze infrastructuur zijn datacenters, netwerkinfrastructuren, servers en mobiele netwerken. Deze vormen de ruggengraat van internet- en communicatiediensten en hun uitval kan leiden tot grootschalige onderbrekingen. Verstoringen in telecommunicatie kunnen directe gevolgen hebben voor het fysieke domein, zoals het uitvallen van verkeersregelinstallaties, ziekenhuizen en vitale voorzieningen. Dit kan leiden tot ernstige fysieke, economische en maatschappelijke schade, vooral als de verstoring langdurig is. De toenemende afhankelijkheid van digitale systemen betekent dat de impact van uitval steeds groter wordt.

De waarschijnlijkheid van uitval of verstoring van telecommunicatie in Nederland is reëel en neemt toe door factoren zoals de groeiende dreiging van cyberaanvallen, de complexiteit van digitale systemen, en de toenemende belasting van het elektriciteitsnet als gevolg van de energietransitie. Ondanks de robuustheid van het netwerk en de voorzorgsmaatregelen, blijft de kans op storingen bestaan, met mogelijk ernstige gevolgen voor de continuïteit van de samenleving. Uitval/verstoring drinkwatervoorziening In de regio Zuidoost-Brabant is Brabant Water verantwoordelijk voor de levering van drinkwater. Brabant Water heeft de wettelijke taak om 24/7 en 365 dagen per jaar schoon en gezond drinkwater te leveren. De beschikbaarheid van voldoende en goed drinkwater is essentieel voor het functioneren van de samenleving. Uitval van de drinkwatervoorziening heeft grote gevolgen voor huishoudens, bedrijven en vitale processen. Zonder toegang tot schoon drinkwater kunnen burgers niet koken, douchen of hun toilet doorspoelen. Dit kan snel leiden tot onrust, zeker als de verstoring langdurig aanhoudt. De gezondheidszorg, voedingsindustrie en andere sectoren zijn sterk afhankelijk van water, wat hun functioneren kwetsbaar maakt bij uitval. Bij langdurige verstoringen kunnen hygiëneproblemen ontstaan, wat de volksgezondheid in gevaar brengt.

Brabant Water is een grondwaterbedrijf wat diep grondwater onttrekt. Langdurige regenval heeft geen invloed op de grondwaterbronnen. Langdurige droogte heeft geen effect op de onttrekkingscapaciteit maar wel op de drinkwatervraag. Aan deze drinkwatervraag kan Brabant Water voldoen. De drinkwatervraag blijft stijgen door bevolkingsgroei en toename in het aantal huishoudens. Hoewel het watergebruik per persoon is afgenomen, zorgt de groeiende populatie voor een toename van de totale vraag. Brabant Water neemt maatregelen om aan deze vraag te voldoen, zoals het aanboren van nieuwe bronnen en het stimuleren van waterbesparing. Verstoringen in de drinkwatervoorziening kunnen voortkomen uit leveringsproblemen zoals leidingbreuken, uitval van waterproductiebedrijven of bacteriologische besmettingen (bv. E. coli.). Daarnaast kunnen cyberincidenten of storingen in de dienstverlening, zoals problemen met facturatie of communicatie, verstoringen veroorzaken. Hoewel kleine verstoringen regelmatig voorkomen, zorgt de hoge mate van redundantie in het systeem ervoor dat de kans op langdurige uitval zeer klein is. Incidenten worden doorgaans binnen enkele uren opgelost, waardoor de impact beperkt blijft. Drinkwatervoorziening is ook een bron voor het bluswater voor de brandweer. De brandweer van VRBZO is redelijk goed toegerust om niet afhankelijk te zijn van de drinkwatervoorziening.

Bij het uitvallen van deze voorziening moet de brandweer gebruik gaan maken van eigen watertanks en van zogenaamd open bluswater. Dit levert ongewenste vertraging op in de blussing.

33

Uitval/verstoring rioolwaterzuiveringsvoorziening De RWZI’s in de regio Zuidoost-Brabant, beheerd door Waterschap De Dommel en Waterschap Aa en Maas, zijn van essentieel belang voor de zuivering van afvalwater afkomstig van huishoudens, bedrijven en industrieën. RWZI Eindhoven is een van de grootste installaties van Nederland. Deze installaties, samen met het gemeentelijke rioleringssysteem en rioolgemalen, spelen een cruciale rol in het waarborgen van de waterkwaliteit in rivieren en beken, en het beschermen van de volksgezondheid. Verstoring hiervan, door bijvoorbeeld technische storingen, overbelasting door extreme neerslag, of verontreiniging met ongewenste stoffen zoals chemicaliën of medicijnresten, kan leiden tot ernstige gevolgen zoals de lozing van ongezuiverd rioolwater, vissterfte, en ecologische schade. Bovendien speelt klimaatverandering een steeds grotere rol; hevigere regenval kan leiden tot overbelasting van het rioleringssysteem, terwijl langdurige droogte kan resulteren in verstopping en concentratie van verontreinigingen. Daarnaast vormen ongewenste stoffen, zoals medicijn- en drugsresten, een toenemende bedreiging voor de biologische processen binnen de RWZI’s. De toenemende automatisering van zuiveringsinstallaties brengt nieuwe risico’s met zich mee, zoals de dreiging van cyberaanvallen, die de controle over deze installaties kunnen beïnvloeden.

Verouderde infrastructuur en schade door bouw- en graafwerkzaamheden verhogen ook het risico op storingen. De maatschappelijke gevolgen van uitval of verstoring van RWZI’s zijn significant. Ongezuiverd rioolwater dat in oppervlaktewater terechtkomt, kan leiden tot ernstige vervuiling, vissterfte en schade aan aquatische ecosystemen. Daarnaast kunnen bedrijven, vooral in de industrie, die afhankelijk zijn van schoon water, aanzienlijke economische schade ondervinden bij verstoringen in de waterzuivering. De impact op de volksgezondheid kan ook groot zijn, vooral in dichtbevolkte stedelijke gebieden, waar onhygiënische omstandigheden door rioolverstoppingen of overstorten kunnen leiden tot ziekte-uitbraken. Hoewel de waarschijnlijkheid van grootschalige verstoringen toeneemt door factoren zoals verouderde infrastructuur, klimaatverandering, en cyberrisico’s, blijven grootschalige incidenten relatief zeldzaam dankzij talrijke preventieve maatregelen en noodplannen. De meeste storingen zijn lokaal en tijdelijk van aard, waardoor de bredere impact meestal beperkt blijft. Technologische vooruitgang, zoals geavanceerde SCADA-systemen en innovatieve zuiveringstechnologieën, speelt een belangrijke rol in het verbeteren van de betrouwbaarheid en efficiëntie van RWZI’s.

7.4

Fysieke leefomgeving en milieu

Het maatschappelijk thema ‘fysieke leefomgeving en milieu’ omvat de crisistypen die direct invloed hebben op de leefomgeving. Dit varieert van incidenten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en tijdens transport, tot ongevallen met biologische agentia en stralingsongevallen. Daarnaast worden in dit thema ook de crisistypen belicht die samenhangen met de infrastructuur van de regio, zoals verkeersongevallen (weg, water, lucht, spoor) en incidenten in tunnels of met buisleidingen. Gebeurtenissen zoals branden in de gebouwde omgeving en gebouwinstortingen vallen eveneens onder dit thema. Deze crisistypen hebben niet alleen directe gevolgen voor de volksgezondheid en veiligheid, maar kunnen ook langdurige milieu- en economische schade veroorzaken. Ongevallen chemische stoffen (stationair) In de regio Zuidoost-Brabant bevinden zich honderden bedrijven waar in meer of mindere mate gevaarlijke stoffen worden gebruikt en/of opgeslagen. De gevolgen van een ongeval kunnen zich beperken tot de directe omgeving van de bron, maar in sommige gevallen kunnen gevaarlijke stoffen over een grote afstand worden verspreid. De snelheid waarmee een ongeval zich ontwikkelt hangt af van de oorzaak, de hoeveelheid, de soort en toestand van de gevaarlijke stof.

Mensen die in de directe omgeving van een bedrijf met gevaarlijke stoffen wonen of werken lopen het grootste risico om blootgesteld te worden aan gevaarlijke stoffen. Ongevallen met gevaarlijke stoffen kunnen worden

34

veroorzaakt door menselijke fouten, technische defecten en natuurrampen. De gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen hangen af van de aard, hoeveelheid van de stof, weersomstandigheden en responsmaatregelen. Blootstelling kan leiden tot gezondheidsproblemen, variërend van acute klachten zoals ademhalingsproblemen tot chronische aandoeningen bij langdurige blootstelling. In extreme gevallen kan het dodelijk zijn. Maar ook milieuschade door het vrijkomen van gevaarlijke stoffen kan leiden tot verontreiniging van bodem en water, wat schadelijk is voor planten en dieren, en kan resulteren in verlies van biodiversiteit. Stoffen die in voedselketens terechtkomen via gewassen of vee kunnen ook schadelijk zijn voor mensen en dieren. De waarschijnlijkheid van een ernstig ongeval met gevaarlijke stoffen in de regio Zuidoost-Brabant is lastig in te schatten en hangt af van diverse factoren. In de regio Zuidoost-Brabant bevinden zich verschillende industrieterreinen waar gevaarlijke stoffen worden gebruikt, wat het risico op ongevallen vergroot. Daarnaast speelt de aard van de gebruikte stoffen een belangrijke rol; sommige stoffen zijn intrinsiek gevaarlijker dan andere en de fysieke toestand van de stof, zoals vast, vloeibaar of gas, kan de kans op een ernstig ongeval beïnvloeden. Veiligheidsprocedures en -maatregelen die door bedrijven worden toegepast zijn van cruciaal belang.

Als deze onvoldoende zijn of niet strikt worden nageleefd, neemt de kans op een ongeval toe. Verder kunnen weersomstandigheden, zoals wind en regen, de verspreiding van gevaarlijke stoffen vergroten en daarmee de ernst van het ongeval beïnvloeden. Ongevallen biologische agentia (stationair en verkeer) Biologische agentia zijn micro-organismen zoals bacteriën, virussen, schimmels en parasieten, of hun toxines, die ziektes kunnen veroorzaken bij mensen, dieren of planten. Deze agentia kunnen van nature voorkomen of kunstmatig worden gecreëerd en gemodificeerd. Incidenten met biologische agentia, waaronder accidentele vrijlatingen en opzettelijke bio-terroristische aanvallen, vormen een toenemende dreiging voor volksgezondheid, economie en nationale veiligheid. De verspreiding van biologische agentia kan lokaal of via transportnetwerken plaatsvinden, wat aanzienlijke gezondheidsrisico’s, economische schade en maatschappelijke onrust veroorzaakt. In de regio Zuidoost-Brabant is er een verhoogde kwetsbaarheid door de combinatie van stedelijke en landelijke gebieden. Stedelijke gebieden kunnen een snelle verspreiding van ziektes faciliteren, terwijl landelijke gebieden vatbaar zijn voor uitbraken onder dieren en planten.

Belangrijke economische sectoren zoals technologie, landbouw en transport in de regio Zuidoost-Brabant dragen bij aan de kwetsbaarheid voor en potentiële verspreiding van biologische agentia. Technologische vooruitgang, zoals genetische manipulatie van pathogenen, kan biologische agentia gevaarlijker maken. Tegelijkertijd kan innovatie in diagnostische technologieën de detectie versnellen en een snelle respons mogelijk maken. De gevolgen van biologische incidenten zijn omvangrijk. Gezondheidsproblemen kunnen variëren van acute klachten tot langdurige complicaties zoals blijvende long- of neurologische schade. Psychische problemen zoals angst en stress komen ook vaak voor, vooral bij langdurige incidenten of bio-terrorisme. Milieueffecten kunnen eveneens aanzienlijk zijn, met risico’s voor biodiversiteit en ecosystemen. De waarschijnlijkheid van incidenten met biologische agentia neemt toe door globalisering, urbanisatie en bevolkingsgroei. Deze factoren dragen bij aan een snellere verspreiding. Stralingsongevallen (stationair en verkeer) Stralingsongevallen zijn incidenten waarbij radioactief materiaal vrijkomt tijdens productie, transport of gebruik. Deze incidenten kunnen zowel lokaal als regionaal ernstige gevolgen hebben.

In Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen ongevallen met categorie A-objecten, die regionale of grensoverschrijdende gevolgen kunnen hebben, en categorie B-objecten, die meestal lokale effecten hebben. Bij een A-incident is coördinatie door de rijksoverheid vereist, terwijl een B-incident lokaal/regionaal wordt gecoördineerd. In de regio Zuidoost-Brabant bevinden zich geen A-objecten, maar de regio kan wel te maken krijgen met grensoverschrijdende gevolgen van incidenten in

35

nabijgelegen nucleaire installaties, zoals in Mol, Tihange, Borsele en Doel. Hoewel incidenten met kerncentrales zeldzaam zijn, kunnen ze aanzienlijke gevolgen hebben. De gezondheidsrisico’s zijn groot, met mogelijke acute stralingsziekte en een verhoogd risico op kanker op de lange termijn. Daarnaast kunnen psychische klachten, zoals angst en stress, optreden in getroffen gemeenschappen. Economische schade kan voortkomen uit decontaminatie, gezondheidszorgkosten en verstoringen in de landbouwsector, met mogelijke besmetting van landbouwproducten. In Zuidoost-Brabant wordt radioactief materiaal ook gebruikt in ziekenhuizen, onderzoeksinstellingen en industriële bedrijven, wat een risico met zich meebrengt op kleinere stralingsongevallen. Dergelijke incidenten zijn meestal lokaal van aard en hebben een beperkte volksgezondheidsimpact. Mobiele incidenten ontstaan tijdens het transport van radioactieve materialen, zoals bij verkeersongevallen met vrachtwagens, treinen of schepen die deze stoffen vervoeren. Deze incidenten kunnen radioactief materiaal breed verspreiden, afhankelijk van de locatie van het ongeval en de weersomstandigheden. De kans op grote stralingsongevallen wordt als zeer laag beschouwd, maar de potentiële impact is significant, met ernstige gevolgen voor gezondheid, economie en maatschappelijke stabiliteit. Verkeersongevallen weg (o.a.

chemische stoffen) Wegverkeersincidenten, zoals kettingbotsingen, ongevallen met touringcars of incidenten met gevaarlijke stoffen, kunnen ernstige gevolgen hebben in de regio Zuidoost-Brabant. De regio Zuidoost-Brabant wordt doorkruist door belangrijke snelwegen (A50, A58, A2 en A67) en provinciale N-wegen die binnen- en buitenlandse bedrijven verbinden en waarover een grote hoeveelheid goederen, inclusief gevaarlijke stoffen, wordt vervoerd. Door de geografische ligging in dichtbevolkte en industriële gebieden wordt het risico bij ongevallen verhoogd, vooral op momenten van piekverkeer. De regio Zuidoost-Brabant kent een hoge verkeersintensiteit vanwege de aanwezigheid van logistieke centra, industrie en woon-werkverkeer. Slechte weersomstandigheden, zoals mist en gladheid, spelen vaak een rol bij het ontstaan van kettingbotsingen, terwijl menselijke fouten en technische gebreken kunnen bijdragen aan incidenten met gevaarlijke stoffen. Het vrijkomen van gevaarlijke stoffen door lekkages van tankwagens kan leiden tot ernstige gezondheids- en milieugevolgen. De economische impact van verkeersongevallen in de regio Zuidoost-Brabant kan groot zijn, met directe kosten voor onder andere sanering en infrastructuurherstel en indirecte kosten door verkeersopstoppingen, vertragingen en logistieke verstoringen.

Deze incidenten kunnen de bereikbaarheid van belangrijke locaties en diensten belemmeren en leiden tot frustratie bij de bevolking. Daarnaast vormen ongevallen met gevaarlijke stoffen een risico voor het milieu, met mogelijke verontreiniging van grond, water en lucht, wat langdurige schade aan ecosystemen en gezondheidsrisico's voor mensen en dieren in de omgeving veroorzaakt. Verkeersongevallen water (o.a. chemische stoffen) Scheepvaartincidenten in de regio Zuidoost-Brabant zijn zeldzaam, mede doordat de waterwegen, zoals het Wilhelminakanaal en de Dommel, geen deel uitmaken van het Basisnet vanwege het beperkte vervoer van gevaarlijke stoffen. Tijdens piekperiodes, zoals het zomerseizoen en bij verhoogd economisch scheepvaartverkeer, neemt echter het risico op ongevallen toe. Oorzaken van dergelijke incidenten variëren van menselijke fouten, zoals navigatiefouten of vermoeidheid, tot technische mankementen, weersomstandigheden en infrastructuurproblemen. Slecht weer of gebrekkig onderhoud aan schepen en waterwegen kunnen hierbij een rol spelen. De gevolgen van scheepvaartongevallen kunnen verstrekkend zijn op het gebied van gezondheid, milieu en economie. Gezondheidsrisico’s omvatten directe verwondingen, zoals verdrinking of blootstelling aan gevaarlijke stoffen.

Milieuschade kan optreden door het weglekken van olie of chemische stoffen, wat leidt tot watervervuiling en ecologische schade. De economische impact van scheepvaartongevallen kan eveneens groot zijn. Naast de directe schade aan schepen en infrastructuur kunnen verstoringen in de scheepvaart en toeleveringsketens leiden tot aanzienlijke economische verliezen.

36

Verkeersongevallen lucht Luchtvaartongevallen zijn incidenten waarbij luchtvaartuigen betrokken zijn die kunnen leiden tot schade, verwondingen of dodelijke slachtoffers. In de regio Zuidoost-Brabant, waar zich zowel de Vliegbasis Eindhoven (met civiel gebruik door Eindhoven Airport) als Kempen Airport bevinden, zijn luchtvaartongevallen een relevant risico. De regio Zuidoost-Brabant is een belangrijk logistiek en economisch knooppunt, met jaarlijks duizenden commerciële, militaire en privévluchten. Luchtvaartongevallen in deze dichtbevolkte regio kunnen verstrekkende gevolgen hebben, mede door de nabijheid van woonwijken, industrieterreinen en belangrijke infrastructuren zoals snelwegen en spoorwegen. De oorzaken van luchtvaartongevallen kunnen variëren van technische storingen en menselijke fouten tot ongunstige weersomstandigheden of, in zeldzame gevallen, sabotage of terroristische activiteiten. Hoewel de meeste ernstige luchtvaartongevallen plaatsvinden in de onmiddellijke nabijheid van luchthavens kunnen ook ongevallen buiten deze zone aanzienlijke schade veroorzaken. De luchtvaartsector speelt een cruciale rol in de lokale economie en een dergelijk incident kan leiden tot aanzienlijke economische verliezen, vooral in sectoren zoals technologie en logistiek.

Geavanceerde technologieën en verbeterde veiligheidsprotocollen hebben het aantal luchtvaartongevallen de afgelopen decennia aanzienlijk verminderd, maar ongevallen blijven een risico. De waarschijnlijkheid van een luchtvaartongeval wordt geschat op 0,16 per miljoen vluchten voor dodelijke incidenten en 1,21 per miljoen voor ongevallen zonder dodelijke afloop. Verkeersongevallen spoor (o.a. chemische stoffen) Spoorwegongevallen omvatten botsingen tussen treinen, ontsporingen, aanrijdingen op overwegen en incidenten met gevaarlijke stoffen. Deze ongevallen kunnen ernstige gevolgen hebben voor passagiers, treinpersoneel, omwonenden, de infrastructuur en het milieu. In de regio Zuidoost-Brabant spelen spoortrajecten een cruciale rol in zowel personen- als goederenvervoer. De regio wordt doorkruist door belangrijke spoorlijnen zoals de trajecten Eindhoven-Venlo, Eindhoven-’s-Hertogenbosch en Eindhoven-Weert. Deze lijnen zijn essentieel voor het vervoer van zowel passagiers als gevaarlijke stoffen. Een van de belangrijkste spoorlijnen voor goederenvervoer is de Brabantroute, die Rotterdam verbindt met Duitsland en België via steden zoals Breda, Tilburg en Eindhoven. Deze route wordt intensief gebruikt voor het transport van goederen, waaronder gevaarlijke stoffen.

Door de vertraging in het gebruik van de Betuweroute, een spoorlijn speciaal ontworpen voor goederenvervoer, neemt de druk op de Brabantroute toe. Hierdoor wordt verwacht dat de risicoplafonds voor gevaarlijke stoffen op de Brabantroute in de komende jaren worden overschreden, wat de kans op incidenten verhoogt. Incidenten op het spoor kunnen op elk moment plaatsvinden, maar de kans is groter tijdens piekuren, bij slecht weer of tijdens onderhoudswerkzaamheden. Verkeersongevallen op overwegen vormen een specifiek risico voor ernstige aanrijdingen tussen treinen en voertuigen. De oorzaken van spoorwegongevallen variëren van menselijke fouten en technische mankementen tot externe factoren zoals extreme weersomstandigheden of slecht onderhouden infrastructuur. De gevolgen van spoorwegongevallen zijn divers. Ongevallen met gevaarlijke stoffen, zoals ontsporingen van goederentreinen die chemische stoffen vervoeren, kunnen leiden tot ernstige gezondheidsrisico's en milieuschade. Hoewel grote spoorwegongevallen in de regio Zuidoost-Brabant zeldzaam zijn, kan de impact van dergelijke incidenten aanzienlijk zijn. Incidenten in tunnels De spoortunnel in Best is de enige spoortunnel in de regio Zuidoost-Brabant. De spoortunnel heeft een totale lengte van 2,6 kilometer, inclusief inritten, waarvan 900 meter gesloten en 200 meter verdiept.

De tunnel bevat ook het ondergrondse station van Best. De tunnel vormt een essentiële verbinding voor zowel regionaal als nationaal treinverkeer en is gelegen in een stedelijk gebied. Incidenten in deze tunnel, zoals branden of ontsporingen, kunnen bijzonder gevaarlijk zijn vanwege de afgesloten ruimte, beperkte ontsnappingsmogelijkheden en snelle verspreiding van rook. Het tijdstip van een incident speelt een grote rol; tijdens spitsuren kan de impact op het

37

treinverkeer en de gevolgen voor pendelaars aanzienlijk zijn. De oorzaken van incidenten in spoortunnels kunnen variëren van technische storingen en menselijke fouten tot externe factoren zoals extreem weer. Defecten aan treinmaterieel of de spoorinfrastructuur zijn hierbij de meest voorkomende oorzaken. Technologische en infrastructurele ontwikkelingen, zoals verbeterde ventilatiesystemen en detectie- en alarmtechnologieën, worden ingezet om de veiligheid te verhogen en incidenten zo veel mogelijk te beperken. De kans op een incident in de tunnel is relatief laag, mede door preventieve maatregelen zoals het ATB-vv veiligheidssysteem en het Basisnet Spoor. Desondanks kunnen de gevolgen van een ernstig incident groot zijn. Onvoorziene gebeurtenissen zoals menselijke fouten of sabotage blijven risico's die niet volledig uit te sluiten zijn. Ongeval buisleidingen In de regio Zuidoost-Brabant worden gevaarlijke stoffen niet alleen over de weg en per spoor vervoerd, maar ook via buisleidingen. Deze ondergrondse en soms bovengrondse leidingen strekken zich uit over grote afstanden en spelen een cruciale rol in de distributie van vloeistoffen en gassen, zoals aardgas, olie en chemische producten. De stoffen die worden vervoerd, variëren van brandbare en giftige vloeistoffen tot gassen.

Dit maakt de buisleidingen een essentieel onderdeel van de industriële infrastructuur, maar brengt ook aanzienlijke risico’s met zich mee. De belangrijkste bedreiging voor deze buisleidingen is het risico op lekkages of explosies, die vaak ontstaan door graafwerkzaamheden. In de regio Zuidoost-Brabant liggen leidingen in zowel stedelijke als landelijke gebieden, waarbij kwetsbare locaties zoals rivierkruisingen, spoorwegovergangen en dichtbevolkte gebieden een verhoogd risico lopen op incidenten. De gevolgen van een incident met een buisleiding kunnen zeer divers zijn. De ernst van een incident en de snelheid waarmee het zich kan verspreiden, hangt sterk af van de aard van de stof en de druk in de leiding. Hoewel ongevallen met buisleidingen relatief zeldzaam zijn, kunnen ze ernstige gevolgen hebben. Directe gezondheidsrisico's ontstaan door blootstelling aan giftige stoffen, wat kan leiden tot acute of langdurige gezondheidsproblemen. Milieuschade is een ander belangrijk gevolg, vooral als giftige stoffen in de bodem of waterwegen terechtkomen. Dit kan leiden tot langdurige vervuiling en verstoring van ecosystemen. Bovendien kunnen incidenten economische schade veroorzaken door het stilleggen van productieprocessen en verstoringen in de toeleveringsketen.

Een belangrijke ontwikkeling in de regio is de Delta Rhine Corridor, een strategisch infrastructuurproject dat gericht is op het verbeteren van de veiligheid en betrouwbaarheid van het buisleidingennetwerk. Dit project faciliteert ook de energietransitie door schonere energiebronnen, zoals waterstof, te transporteren. Dit draagt bij aan een duurzamer en veiliger transport van energie. Branden gebouwde omgeving In de regio Zuidoost-Brabant bevinden zich diverse gebouwen die bijzondere aandacht vereisen bij brandveiligheid, waaronder locaties waar niet of verminderd zelfredzame personen verblijven, zoals verpleeghuizen, ziekenhuizen, basisscholen en kinderdagverblijven. Ook is er hoogbouw, voornamelijk in Eindhoven en Helmond, dat extra uitdagingen oplevert bij brandbestrijding en evacuatie. Daarnaast zijn er in de regio objecten met een grootschalige publieksfunctie, zoals voetbalstadions, treinstations, winkelcentra en evenementgebouwen, waar veel mensen tegelijkertijd aanwezig kunnen zijn. Branden in gebouwen kunnen verschillende oorzaken hebben, waaronder elektrische storingen, menselijke fouten, brandstichting en externe factoren zoals blikseminslag. Statistieken tonen aan dat branden vaak leiden tot verwondingen, dodelijke slachtoffers en aanzienlijke materiële schade. Moderne uitdagingen zoals biobased bouwen en de energietransitie introduceren nieuwe brandrisico's.

Biobased materialen, zoals hout, zijn brandbaarder, terwijl de toenemende inzet van zonnepanelen en warmtepompen ook technische risico's meebrengt. Dit geldt ook voor de toepassing van allerlei moderne materialen en bouwwijzen, en ook functievermenging. Er is steeds meer sprake van complexe bebouwing in combinatie met de energietransitie, zoals parkeergarages met brandende

38

elektrische voertuigen onder woongebouwen. De huidige middelen van de brandweer zijn ontoereikend voor veilig, doelgericht en doelmatig repressief optreden. Het wordt steeds gevaarlijker om naar binnen te gaan, en dus zal er voorzien moeten worden in onbemenste systemen zowel voor de verkenning als voor de blussing. De gevolgen van branden in de gebouwde omgeving kunnen ernstig zijn en hangen sterk af van factoren zoals het tijdstip en de bezetting van het gebouw. Overdag kan een brand in een commercieel gebouw meer economische schade en slachtoffers veroorzaken, terwijl een brand 's nachts in een woongebied een grotere impact kan hebben op bewoners, vooral als zij verminderd zelfredzaam zijn. Branden kunnen aanzienlijke milieuschade veroorzaken door de uitstoot van giftige stoffen en de verontreiniging van bodem en water door bluswater. De waarschijnlijkheid van een brand in de gebouwde omgeving wordt beïnvloed door zowel menselijke factoren als technische omstandigheden. Hoewel bouwvoorschriften en brandpreventiemaatregelen branden kunnen helpen beperken, blijven menselijke fouten, technische gebreken en onachtzaamheid belangrijke oorzaken. Gebrek aan bewustwording, training en toezicht vergroten de kans op branden. Externe factoren, zoals klimaatverandering en extreme weersomstandigheden, kunnen de kans op brand eveneens vergroten, met name in perioden van droogte en hitte.

Regelgeving loopt achter op nieuwe ontwikkelingen, waardoor de mogelijkheid om branden te beperken met behulp van bouwvoorschriften en preventiemaatregelen afneemt / minder sterk wordt. Instortingen gebouw Grote steden zoals Eindhoven en Helmond hebben een hogere concentratie van hoge gebouwen en een hoge gebouwdichtheid, terwijl landelijke gebieden meer verspreide, kleinere structuren hebben. Gebouwinstortingen kunnen op elk moment plaatsvinden, maar zijn vooral verwoestend tijdens kantooruren of wanneer gebouwen vol zijn met bewoners of werknemers. Een gebouwinstorting kan leiden tot gewonden en dodelijke slachtoffers, aanzienlijke economische schade en beschadiging van omliggende infrastructuur. Statistieken laten zien dat structurele fouten, constructiegebreken en natuurlijke oorzaken vaak de belangrijkste factoren zijn bij gebouwinstortingen. Hoewel Zuidoost-Brabant niet bekend staat om aardbevingsactiviteit, kunnen grondverschuivingen of verzakkingen door bijvoorbeeld bodemdaling wel een risico vormen. Oudere gebouwen die niet voldoen aan de huidige bouwvoorschriften lopen een groter risico, maar regelmatige inspecties en verbeteringen in bouwmaterialen hebben de kans op dergelijke incidenten in Nederland aanzienlijk verminderd.

Hoewel ernstige gebouwinstortingen in Nederland zeldzaam zijn door strenge bouwvoorschriften en technische vooruitgang, blijven deze risico’s relevant, vooral in regio's met stedelijke groei zoals Zuidoost-Brabant. Historische incidenten in Nederland, zoals de instorting van de parkeergarage bij Eindhoven Airport in 2017, tonen aan dat ook moderne constructies kwetsbaar kunnen zijn. Mogelijk speelt ook economisch gewin mee wat leidt tot een mindere kwaliteit. Explosie (geen gevaarlijke stoffen) Explosies kunnen worden veroorzaakt door verschillende factoren, waaronder gaslekken, defecte elektrische apparatuur, bouwfouten of zelfs opzettelijke handelingen, zoals criminele activiteiten met explosieven. Hoewel woningexplosies meestal minder impact hebben dan industriële explosies, kunnen ze toch leiden tot dodelijke slachtoffers, gewonden, en aanzienlijke materiële schade. In dichtbevolkte stedelijke gebieden is het risico op woningexplosies groter door de hogere concentratie aan woningen en de afhankelijkheid van gas- en elektrische systemen. Gaslekken vormen een van de meest voorkomende oorzaken, waarbij opgehoopt gas kan exploderen wanneer het in contact komt met een ontstekingsbron. Maar ook vuurwerkbommen en/of de excessen in onbegrepen gedrag zijn inmiddels steeds vaker de oorzaak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15096178/2