CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Minima effect-rapportage van het NIBUD 2024

Raadsvergadering 2 juli 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Effect & vereenvoudiging minimaregelingen16.119 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Sanne Lamers, Guus Wieman

maart 2024

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

Auteurs Sanne Lamers Guus Wieman

Nibud, Utrecht,

maart 2024 In opdracht van de gemeente Eindhoven

Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor consumenten (via onze websites, (social) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen en hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.

Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Eindhoven. In 2023 heeft de gemeente Eindhoven een soortgelijk onderzoek laten uitvoeren. Dit onderzoek is een vervolg hierop. Utrecht, maart 2024

Inhoud 1 Inleiding ........................................................................................................................ 5 1.1 Centrale vraag ............................................................................................................... 5 1.2 Kern minima-effectrapportage ......................................................................................... 5 1.2.1 Huishoudtypen ............................................................................................................. 5 1.2.2 Inkomensniveaus ......................................................................................................... 6 1.2.3 Armoedeval ................................................................................................................. 6 1.2.4 Voorbeeldhuur ............................................................................................................. 6 1.3 Leeswijzer ...................................................................................................................... 6 2 Onderzoeksmethode: begrotingen .................................................................................. 7 2.1 Inleiding .......................................................................................................................

7 2.2 Inkomsten .................................................................................................................... 7 2.3 Uitgaven ....................................................................................................................... 8 2.4 Indeling en verrekening begroting.................................................................................... 9

2.5 Voorwaarden aan de begrotingen ..................................................................................... 9 2.6 De begrotingen............................................................................................................. 10 3 Minimabeleid ................................................................................................................ 10 3.1 Landelijk beleid ............................................................................................................ 10 3.2 Lokaal minimabeleid...................................................................................................... 14 3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid ................................................................................................... 14 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering ...................................................................... 14 3.2.3 Individuele inkomenstoeslag ......................................................................................... 15 3.2.4 Meedoenbijdrage ......................................................................................................... 15 3.2.5 Kinderopvang en peuteropvang .....................................................................................

16 3.2.6 Individuele bijzondere bijstand...................................................................................... 16 3.2.7 Energietoeslag ............................................................................................................ 16 3.3 Huishoudens met een zorgvraag ..................................................................................... 17 3.3.1 Collectieve zorgverzekering ........................................................................................ 17 3.3.2 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ................................................................ 17 3.3.3 Uitgangspunten huishoudens met zorgvraag .................................................................. 17 4 Resultaten ..................................................................................................................... 22 4.1 Financiële situatie per huishoudtype ................................................................................ 23 4.2 Armoedeval.................................................................................................................. 25 4.3 Financiële situatie per huishoudtype inclusief IIT .............................................................. 26 5 Conclusies en aanbevelingen ........................................................................................

28 5.1 Bestedingsruimte en armoedeval .................................................................................... 28 5.2 Aannames en de effecten ............................................................................................... 29 5.3 Suggesties bij regelingen ............................................................................................... 32 Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven ................................................................................ 33 Bijlage 2 | Begrotingen ..................................................................................................... 36

1 Inleiding 1.1 Centrale vraag Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Eindhoven in 2024? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk. In de begrotingen worden alle minimaal onvermijdbare uitgaven afgezet tegen verschillende inkomensniveaus.

1.2 Kern minima-effectrapportage Om tot een antwoord te komen op de onderzoeksvraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.

1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Eindhoven is gekozen voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); c. Eenoudergezin met 2 jongere kinderen (3 en 5 jaar); d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar); e. Paar zonder kinderen onder de AOW-gerechtigde leeftijd; f. Paar zonder kinderen ouder (AOW-gerechtigde); g. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); h. Paar met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar); i. Paar met meerderjarig thuiswonend kind;

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 5

j. Alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd met zorg; k. Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met zorg. 1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Eindhoven is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand of AOW, 110, 120, 130, 140 en 150 procent van de geldende bijstandsnorm.

1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven, minder overhoudt dan met een lager inkomen. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen: • een werkloosheidsval of uitstroomval, dat is een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk; • een doorstroomval, dat is een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen.

1.2.4 Voorbeeldhuur Het CBS heeft in kaart gebracht1 dat 96 procent van de mensen met een uitkering in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage vanuit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huurprijs (aftoppingsgrens) waarmee we rekenen in dit onderzoek is vastgesteld in overleg met de gemeente Eindhoven. Voor een- en twee-persoonshuishoudens is dat 650 euro per maand. Voor drie- of meerpersoonshuishoudens is dat 697 euro per maand.

1.3 Leeswijzer Het rapport is als volgt opgebouwd: • In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. • In hoofdstuk 3 staan alle landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen waarmee in het rapport wordt gerekend, toegelicht. • In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen bij gebruik van de inkomensondersteunende regelingen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen? • Tenslotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.

1

https://www.woononderzoek.nl/style/custom/citavista/pdf/Kernpublicatie_WoON_2021_INTERACTIEF.pdf

____________________

2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen, omdat de doelgroep over het algemeen in een huurwoning woont (zie paragraaf 1.2.4). De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens, de voorbeeldhuishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een bepaalde begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt ook geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden worden echter vaak gebruikt door mensen met lage inkomens als “overlevingsstrategie”. Wanneer er sprake is van (afbetaling van) schulden dan is de werkelijkheid minder gunstig dan in dit rapport berekend. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen.

In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.

2.2 Inkomsten In deze rapportage worden op zes inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: volledige bijstand/AOW-uitkering, 110 procent, 120 procent, 130 procent, 140 procent en 150 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag en kindgebonden budget. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Voor het berekenen van de inkomensgrenzen voor de eenoudergezinnen geldt dat de alleenstaande ouderkop (onderdeel van het kindgebonden budget) niet wordt meegenomen en de combinatiekorting wel. Voor het voorbeeldhuishouden ‘paar met meerderjarig thuiswonend kind’ geldt dat alle inkomsten onder netto besteedbaar huishoudinkomen vallen. De inkomsten van het meerderjarig kind (studerend aan HBO/WO instelling) bestaan uit de DUO-inkomsten, waarvoor geldt dat ze een gift zijn en niet een lening, en daarnaast rekenen we met inkomsten uit een gemiddelde bijbaan.

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 7

In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn.

2.3 Uitgaven De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket waarvan het pakket voor sociale participatie een onderdeel vormt. “Meedoen in de maatschappij” behoort tot de basisbehoeften van huishoudens. De pakketten aan uitgaven zijn voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van alle pakketten beschreven. Het basispakket en het pakket voor sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie Het pakket voor sociale participatie is opgesteld door het Nibud in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid.

Deze uitgaven vallen buiten de reikwijdte van dit onderzoek en worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als noodzakelijk. Indien een huishouden hieraan toch kosten heeft, wordt de vrije bestedingsruimte (het saldo) lager dan in deze rapportage is weergegeven. Bij een negatieve ruimte zullen de huishoudens overgaan op “overlevingsstrategieën”.2 Mensen die werken, maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Dit zijn kosten voor bijvoorbeeld werkkleding en vervoerskosten om van en naar werk te gaan. Naast de post werkgerelateerde posten nemen we ook de bijkomende kosten voor kinderopvang mee wanneer er in het huishouden kinderen van onder de 12 jaar zijn. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum. Uitgavenbedragen De begroting bestaat uit alleen noodzakelijke pakketten met daarin vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. De bedragen die gebruikt zijn om de hoogte van de ____________________ uitgavenposten (pakketten) te bepalen, liggen op 25 procent van de verdeling, het zogenaamde 1ste kwartiel.

Dit betekent dat van alle waargenomen prijzen een kwart onder het richtbedrag zit en driekwart erboven. Voor kleding is uitgegaan van de gemiddelde prijs 2

https://aedes.nl/huurbeleid-en-betaalbaarheid/nibud-welke-factoren-spelen-een-rol-bij-betaalrisicos

omdat er winkels geselecteerd zijn uit het goedkopere segment. Voor voeding is gekeken naar een mix van A-merken en huismerken. Voor de bepaling van het richtbedrag is het belangrijk dat het artikel betaalbaar is voor de doelgroep én dat het artikel doorlopend voor die prijs beschikbaar is. Er wordt bewust niet gewerkt met actieprijzen of met de allerlaagste prijs waarvoor een artikel te koop is. Dit is omdat het artikel voor die prijs vaak niet voor iedereen doorlopend beschikbaar is en omdat de kwaliteit en levensduur niet gegarandeerd kunnen worden. Zeker bij duurzame consumptiegoederen kan dit uiteindelijk leiden tot hogere kosten.

2.4 Indeling en verrekening begroting In de begrotingen onderscheidt het Nibud verschillende soorten uitgaven. • Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal met een contract. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. • Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor, men moet ervoor sparen. De hoogte is vooraf niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. • Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen, persoonlijke verzorging. • Sociale Participatie: Uitgaven die een huishouden wat vrijer kan invullen. Voorbeelden zijn contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor gemeentelijke- en waterschapsheffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Alle inkomensondersteunende maatregelen die de overheid (zowel landelijke als lokale) aanbiedt voor minima zijn meegenomen bij een bepaalde uitgavenpost, en zijn daarmee onderdeel van de begrotingen.

De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk. Zo zijn alle meer generieke lokale minimaregelingen meegenomen in de berekeningen. De individuele bijzondere bijstand nemen we niet mee in de MER-berekeningen omdat daarvoor geldt dat deze sterk afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie.

2.5 Voorwaarden aan de begrotingen In het onderzoek rekenen we met voorbeeldhuishoudens en met minimale bedragen. Om voor deze huishoudens berekeningen te kunnen maken moet het Nibud uitgaan van drie belangrijke voorwaarden. Het is raadzaam om rekening te houden met het feit dat die voorwaarden in de praktijk altijd niet opgaan en huishoudens daarbij hulp nodig hebben. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken.

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 9

2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom belangrijk om te weten hoe en waar inkomensondersteuning moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van wijzigen op gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een vrij actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er te veel bezuinigd wordt en er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen. Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.

2.6 De begrotingen Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.

3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.

3.1 Landelijk beleid 2024 Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke uitkeringen, de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. In 2024 zijn er op dit terrein een aantal belangrijke onderdelen aangepast die van invloed zijn op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen: een hogere huurtoeslag, een hoger minimumloon en een hogere bijstandsuitkering en AOW. Daarnaast verandert de hoogte van de meeste belastingschijven. Specifiek gaat het om de volgende veranderingen per 1 januari 2024: 1. Tarief eerste belastingschijf daalt en heffingskortingen stijgen (sterk). 2. De huurtoeslag stijgt en het kindgebonden budget stijgt sterk. 3. Minimumloon en uitkeringen stijgen. 4. De zorgtoeslag daalt.

Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Met de heffingskorting betalen zij minder belasting. Er zijn verschillende heffingskortingen: • Algemene heffingskorting: voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. • Arbeidskorting: voor iedereen die betaald werk doet, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. • Inkomensafhankelijke combinatiekorting: voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouders of aan de minst verdienende fiscale partner. • Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting: voor AOW-gerechtigden. Tabel 1: Landelijke heffingskortingen in bedragen per jaar Heffingskorting

2023

2024

Onder AOW leeftijd

€ 3.070

€ 3.362

Vanaf AOW leeftijd

€ 1.583

€ 1.735

Arbeidskorting

€ 5.052

€ 5.532

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

€ 2.694

€ 2.950

Ouderenkorting

€ 1.835

€ 2.010

€ 478

€ 524

Algemene heffingskorting

Alleenstaande ouderenkorting

De landelijk jonggehandicaptenkorting is niet meegenomen in dit onderzoek omdat deze bedoeld is voor huishoudens die Wajong ontvangen en deze vormen geen onderdeel van dit onderzoek.

Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren (bijvoorbeeld inkomen). De volgende toeslagen zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens. Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Tabel 2: Zorgtoeslag bedragen Inkomensgrens alleenstaand

€ 38.520

€ 37.496

Inkomensgrens paar

€ 48.224

€ 47.368

Vermogensgrens alleenstaand

€ 127.582

€ 140.213

Vermogensgrens paar

€ 161.329

€ 177.301

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 11

Maximaal maandbedrag alleenstaand

€ 154

€ 123

Maximaal maandbedrag paar

€ 265

€ 236

Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag is per persoon. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur3 volledige huurtoeslag tot een bepaalde huur. Voor een huur boven dit bedrag wordt voor een- en tweepersoonshuishoudens 65 procent. Voor huishoudens vanaf drie personen is dit een hogere huur. Alleenstaanden of ouderen/ hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot vervolgens nog 40 procent vergoed. Tabel 3: Huurtoeslag bedragen Vermogensgrens per persoon

€ 33.748

€ 36.952

Huurtoeslaggrens

€ 808,60

€ 879,66

Huurgrens volledige huurtoeslag

€ 452,20

€ 454,47

Huurgrens 65% huurtoeslag 1p en 2p

€ 647,19

€ 650,43

Huurgrens 65% huurtoeslag 3p of meer

€ 693,60

€ 697,07

Huurgrens 40%

€ 808,06

€ 879,66

____________________ Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet Kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd.

Maximale vergoeding dagopvang

€ 9,12

€ 10,25

Maximale vergoeding buitenschoolse opvang

€ 7,85

€ 9,12

Tabel 4: Kinderopvangtoeslag bedragen per uur

3

De minimale basishuur is inkomensafhankelijk en bedraagt voor huishoudens op minimumniveau 192 euro. (Voor

AOWgerechtigden is dit voor eenpersoonshuishoudens 190,18 euro en voor meerpersoonshuishoudens 188,37 euro). Bij een hoger inkomen wordt de basishuur hoger.

Kindgebonden budget Elk huishouden met kinderen jonger dan 18 jaar komt in aanmerking voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’. Er geldt een inkomensgrens. Na de inkomensgrens wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. In 2024 zijn de bedragen van het kindgebonden budget flink verhoogd. Daarnaast zijn ook de inkomensgrenzen veranderd. Tabel 5: Kindgebonden budget, bedragen per maand

Maximale bedrag eerste kind

€ 65

€ 203

Maximale bedrag vanaf tweede kind

€ 75

€ 203

Extra bedrag kind 12 t/m 15 jaar

€ 35

€ 57

Extra bedrag kind 16 en 17 jaar

€ 37

€ 77

Extra bedrag Alleenstaande ouder

€ 320,67

€ 290

Inkomensgrens alleenstaande

€ 25.070

€ 26.81

Inkomensgrens paar

€ 43.397

€ 35.849

9

Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. Tabel 6: Kinderbijslag

0 – 6 jaar

€ 261,70

€ 279,49

6 – 12 jaar

€ 317,77

€ 339,38

12 – 18 jaar

€ 373,85

€ 399,27

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 13

3.2 Lokaal minimabeleid Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Eindhoven voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de berekeningen komen in de volgende paragrafen aan bod.

3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Eindhoven kan door huurders alleen kwijtschelding worden aangevraagd voor de afvalstoffenheffing, hondenbelasting en begraafplaatsrechten. De laatste twee nemen we niet mee in dit onderzoek. Bij het vaststellen van de kwijtschelding wordt getoetst aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Bij een inkomen boven bijstandsniveau wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Er vindt een correctie plaats voor eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies exclusief eigen risico. Ook wordt er rekening gehouden met de daadwerkelijke afbetalingen aan de Rijksbelastingen en houdt de gemeente rekening met de kosten van kinderopvang en met de verhoogde norm voor AOW Bij het waterschap is kwijtschelding mogelijk voor de waterzuiveringsheffing en de ingezetenenheffing. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, anders dan de gemeente, de norm van 95 procent van de toepasselijke norm. De kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en de kwijtschelding van de waterschapslasten worden apart berekend. 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht.

Daarom biedt de gemeente Eindhoven inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering met korting, de Gemeentepolis, aan bij zorgverzekeraar VGZ of CZ. Bij VGZ is het minst uitgebreide pakket het Gemeentepakket Compact. Dit pakket rekenen we door voor alle voorbeeldhuishoudens zonder een zorgvraag. De reden hiervoor is dat we voor alle voorbeeldhuishoudens zonder zorgvraag uitgaan van een goede gezondheid. Een te ruime zorgverzekering leidt in deze gevallen tot onnodige oververzekering, de huishoudens zijn dan duurder uit dan nodig is. Bij onderliggende zorgvragen is het wel verstandig om een ruimere zorgverzekering af te sluiten. In de uitgebreide variant (Gemeentepakket Compleet € 0 eigen risico) wordt er meer vergoed en is het verplichte eigen risico meeverzekerd. Deze rekenen we door bij de huishoudens met een zorgvraag omdat deze beter aansluit bij de zorgbehoefte. Om voor deelname aan de collectieve zorgverkering in aanmerking te komen, hanteert de gemeente Eindhoven een inkomensgrens van 130 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. De vermogensgrens zoals genoemd in de Participatiewet is van toepassing. Tabel 7: Collectieve zorgverzekering kosten per maand 2024 VGZ Gemeentepakket

VGZ Gemeentepakket

Compact

Compleet € 0 eigen risico

Basisverzekering

€ 146,95

€ 146,95

Aanvullende verzekering (incl Tand 250)

€ 24,40

€ 83,15

Gemeentelijke bijdrage

€ 8,00

€ 28,00

€ 163,35

€ 202,10

Kosten minima

In de begrotingen rekenen we met de premies van de Gemeentepolis als het huishouden daarop recht heeft bij de post “zorgverzekering”. Omdat bij het uitgebreide pakket het eigen risico is meeverzekerd, wordt voor het huishouden met een zorgvraag de post “eigen risico” op nul gezet. Voor de andere huishoudens rekenen we wel met een bedrag voor de reservering van het eigen risico. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

3.2.3 Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag (IIT) in de gemeente Eindhoven is bedoeld voor huishoudens vanaf 21 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd, die gedurende minimaal vijf jaar moeten rondkomen van een inkomen dat niet hoger is dan 103 procent van de bijstandsnorm. Andere voorwaarden om voor de IIT in aanmerking te komen zijn dat het eigen vermogen niet hoger is dan het wettelijk vrij te laten vermogen en dat er geen zicht op inkomensverbetering is. Daarbij wordt rekening gehouden met de eigen krachten en bekwaamheden en met de eigen inspanningen om het inkomen te verbeteren. De hoogte van de IIT bedraagt voor: • paren 786 euro per jaar, • alleenstaande ouders 721 euro per jaar • alleenstaanden 599 euro per jaar. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van de voorbeeldhuishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd. Dit geldt alleen voor die met inkomen op 100 procent, bij het volgende inkomen (110 procent) heeft dit huishouden geen recht meer op de IIT.

3.2.4 Meedoenbijdrage Voor alle huishoudens met een inkomen niet hoger dan 120 procent van de bijstandsnorm heeft de gemeente een bedrag per bewoner beschikbaar voor bijvoorbeeld sport-, cultuurof schoolkosten. De volgende vrij te besteden jaarbedragen per bewoners voor die huishoudens zijn beschikbaar: • 0 tot 4 jaar: 215 euro; • 4 tot 12 jaar: 300 euro; • 12 tot 18 jaar: 583 euro; • 18 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd: 187 euro; • AOW-gerechtigde leeftijd en ouder: 341 euro. Voor jongeren verrekenen we de vergoedingen met de post “schoolkosten” en de post “sociale participatie”. Voor ouderen (> 18 jaar) met de begrotingspost “sociale participatie”. Voor alle inwoners die voor Meedoenbijdrage in aanmerking komen geldt ook dat men gratis mat de bus kan reizen in de daluren. We nemen dit voordeel mee voor de helft van de OV-kosten. Niet alle reizen kunnen in een daluur worden gemaakt. De regeling wordt verrekend met de post “vervoer”. Diplomazwemmen Voor kinderen van 6 jaar en ouder vergoedt de gemeente Eindhoven het behalen van zwemdiploma A. In de begrotingen is dit niet meegenomen, omdat we uitgaan van kinderen die ofwel een diploma hebben ofwel te jong zijn.

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 15

3.2.5 Kinderopvang en peuteropvang Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot wanneer de middelbare school begint een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Voor huishoudens die deelnemen aan een re-integratietraject of die een sociaal medische indicatie hebben wordt deze eigen bijdrage vergoed. In de begrotingen geldt deze situatie niet en gaan we uit van een eigen bijdrage voor de kosten van de kinderopvang. Voor de alleenstaande ouder in de bijstand die niet in aanmerking komt voor de kinderopvangtoeslag en ook geen gebruik kan maken van de kinderopvang gaan we uit van 2 dagdelen peuteropvang (voorschoolse educatie). Dit vanuit het uitgangspunt dat ook jonge kinderen in contact komen (participatie) met andere kinderen. In de gemeente Eindhoven is er voor ouders met kinderen in de leeftijd van 2,25 tot 4 jaar de voorschoolregeling. De kosten voor 8 uur (twee dagdelen) is gelijk aan de inkomensafhankelijk bijdrage die geldt volgens de kinderopvangtoeslagtabel (tot een bruto-inkomen van 28.298 euro is de eigen bijdrage 4 procent (100 - 96 procent). Het uurtarief van een peuterspeelzaal in Eindhoven4 is 10,25 euro. De totale kosten komen daarbij op 12,30 euro per maand per kind (10,25 euro x (8*45)/12 x 4%).

De kosten, als die er zijn, voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. De kinderopvangtoeslag is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

3.2.6 Individuele bijzondere bijstand De gemeente Eindhoven verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Het draagkrachtloos inkomen dat de gemeente Eindhoven bij het vaststellen van individuele bijzondere bijstand hanteert is 120 procent. Daarboven is de draagkracht: 35 procent van de ruimte boven het inkomen van 120 procent van de bijstandsnorm. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Een uitzondering zijn de huishoudtypen met een zorgvraag. Bij deze huishoudtypen gaan we uit van een aantal veronderstellingen (zie ook paragraaf 3.3). Voor de kosten die hieruit voorvloeien hanteren we de bijzondere bijstand.

____________________ 3.2.7 Energietoeslag De gemeente Eindhoven keert in 2024 nog 800 euro per huishouden uit van de energietoeslag 2023. Het inkomen van het huishoudens mag niet hoger zijn dan 130 procent van de bijstandsnorm. In dit onderzoek gaan we uit van een bedrag van 66,67 euro per maand. In de begroting is dit opgenomen bij de inkomstenpost lokale tegemoetkoming.

4

https://www.korein.nl/_asset/_public/__site_1/Tarieven/2024/KO_Peuterwerk_2024_Eindhoven.pdf

Daarnaast presenteren we scenario B wanneer deze energietoeslag niet op de begroting is opgenomen.

3.3 Huishoudens met een zorgvraag In dit onderzoek worden ook alleenstaanden onder de AOW-leeftijd en alleenstaande ouderen vanaf de AOW-leeftijd met extra zorgkosten onderzocht. Hieronder volgen de regelingen van de gemeente Eindhoven waarmee de huishoudens met een zorgvraag te maken hebben. Daarna wordt het profiel van het huishoudtype nader omschreven en wordt bekeken wat het effect van de regelingen zijn op de maandbegrotingen van deze beide huishoudtypen.

3.3.1 Collectieve zorgverzekering Zoals in paragraaf 3.2.2 staat beschreven, kent de gemeente Eindhoven een uitgebreide collectieve zorgverzekering waar huishoudens met extra zorgkosten veel profijt van kunnen hebben: Gemeentepakket Compleet € 0 eigen risico. Via dit pakket is onder meer het verplicht eigen risico van 385 euro per jaar meeverzekerd, evenals een volledige vergoeding voor de eigen bijdrage CAK en een vergoeding voor medicijnen inclusief de eigen bijdrage daarvan (tot een maximaal bedrag per jaar).

3.3.2 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo zelfstandig mogelijk dagelijks leven kunnen leiden en kunnen meedoen in de maatschappij. In gemeente Eindhoven is dit een maatwerkvoorziening: de gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Voorbeelden zijn de dagbesteding en de huishoudelijke hulp. Voor de voorziening geldt meestal een eigen bijdrage van maximaal 20,60 euro per maand.

3.3.3 Uitgangspunten huishoudens met zorgvraag Om de begrotingen voor huishoudens met een zorgvraag op te maken, moeten zogenoemde zorgprofielen worden opgesteld. Vervolgens kan bepaald worden welke extra kosten dit huishouden heeft en welke vergoedingen daar tegenover staan. De profielen in dit onderzoek gelden als algemene gemiddelden en zijn opgesteld door het Nibud, in samenspraak met Ieder(In)5.

____________________ Voor de huishoudens onder de AOW-gerechtigde leeftijd geldt het volgende algemene gemiddelde zorgprofiel:

5

Ieder(In) is een belangenorganisatie voor mensen met een beperking of een chronische ziekte.

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 17

Longproblemen Eigen bijdragen aan genees- en hulpmiddelen van 54 euro per maand Rolstoelgebonden 2 uur huishoudelijke verzorging per week 12 uur persoonlijke verzorging per week 4 uur verpleging per week Woningaanpassing (drempels weg, traplift) Personenalarmering Gebruik belbus / collectief vervoer Het algemene gemiddelde zorgprofiel voor de huishoudens vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd ziet er als volgt uit: Stofwisselingsziekte Bril Gehoorapparaat Rollator Eigen bijdragen aan genees- en hulpmiddelen van 54 euro per maand Lichte vorm van incontinentie Maakt gebruik van de maaltijdvoorziening Is aangewezen op een energieverrijkt dieet. 3 uur huishoudelijke verzorging per week 14 uur persoonlijke verzorging per week 4 uur verpleging per week Personenalarmering Gebruik belbus, collectief vervoer of vergelijkbaars Woningaanpassing (drempels weg, traplift) Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de huishoudens met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen. Huishoudelijke hulp De huishoudelijke hulp is in de gemeente Eindhoven een maatwerkvoorziening. Hiervoor geldt de inkomensafhankelijke eigen bijdrage van 20,60 euro. In het Gemeentepakket Compleet € 0 eigen risico, wordt de eigen bijdrage CAK volledig vergoed. Dit wordt verrekend met de uitgavenpost “eigen bijdragen/ betalingen zorg”.

Persoonlijke verzorging en verpleging De persoonlijke verzorging en verpleging vallen in het basispakket van de zorgverzekering. Hierdoor komen er dus geen extra kosten bij. Maaltijdvoorziening De maaltijdvoorziening zorgt voor meerkosten ten opzichte van de situatie waarin de warme maaltijd zelf wordt bereid. De gemeente Eindhoven vergoedt via de bijzondere bijstand tot maximaal 8,65 euro per maaltijd. Voor dit onderzoek gaan we uit van 8,50 euro gemiddeld per warme maaltijd. Voor huishoudens met een zorgvraag die zelfstandig wonen en niet meer zelf voor een warme maaltijd kunnen zorgen, bijvoorbeeld door ziekte, handicap of ouderdom biedt de gemeente Eindhoven individuele bijzondere bijstand voor de meerkosten (Maatwerk). Uitgangspunt is dat dit de kosten zijn boven 3,35 euro per maaltijd.

De maaltijdvoorziening van de oudere huishoudens met zorgvraag verrekend met de vergoeding, vallen onder de post “voeding”.

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 19

Dieetkosten De voorbeeldhuishoudens met een zorgvraag maken gebruik van een specifiek dieet. De meerkosten van verschillende diëten kunnen zeer uiteenlopen. Bij deze zorgvraag wordt uitgegaan van een energieverrijkt dieet. De meerkosten van dit dieet bedragen 400 euro per jaar. Vergeleken met andere diëten is dit niet bijzonder hoog. De dieetkosten worden vergoed vanuit de collectieve zorgverzekering Gemeentepakket Compleet € 0 eigen risico. Ook kan er belastingaftrek voor opgevoerd worden mits de kosten niet zijn vergoed. Collectief vraagafhankelijk vervoer Het voorbeeldhuishouden met een zorgvraag maakt vanwege een mobiele beperking gebruik van aanvullend vervoer. In de gemeente Eindhoven kan dat via de Taxbus waarvoor een Wmo-tarief voor huishoudens met een zorgvraag geldt: • opstaptarief is 1,08 euro; • kilometerprijs is 0,19 euro (na 25 km is de kilometerprijs 2,57 euro). Langere ritten vallen onder Valys. Hiervoor geldt een kilometertarief van 26,8 eurocent. In de begrotingen wordt gerekend met: • vier ritten per maand van 5 kilometer enkele reis (8 keer het opstarttarief en 40 km): 16,24 euro per maand. • langere reizen voor bijvoorbeeld het bezoeken van een specialist van 4 ritten per jaar van 50 kilometer enkel reis. Omgerekend is dat (400 km per jaar): 8,93 euro per maand. Tenslotte gaan we er bij deze huishoudtypen vanuit dat er geen fiets wordt gebruikt.

Deze kosten (aanschaf en onderhoud 10,55 euro per maand) worden niet meegenomen. De meerkosten vervoer van dit huishouden met zorg zijn dan ook 19,76 euro per maand en zijn verrekend met de post “vervoer”. Waskosten Voor de extra waskosten in verband met incontinentie bij het zorghuishouden gaan we uit van twee keer per week extra wassen, wat neerkomt op 16 euro per maand. Voor deze extra kosten is individuele bijzondere bijstand mogelijk. De kosten en de eventuele vergoeding wordt opgenomen onder de post “was- en schoonmaakmiddelen”. Het huishouden kan ook gebruik maken van de forfaitaire belastingaftrek voor incontinentie. Medicijnen Als eigen bijdrage voor medicijnen voor het huishouden met zorg met hoog gebruik rekenen we 650 euro op jaarbasis. Dit bedrag is door het Nibud en Ieder(in) vastgesteld in eerder onderzoek. In de collectieve zorgverzekering Gemeentepakket Compleet € 0 eigen risico, worden dergelijke kosten volledig vergoed. Voor huishoudens met een te hoog inkomen die geen recht hebben op de collectieve zorgverzekering worden de kosten verrekend met de belastingaftrek. De kosten en vergoeding worden verrekend met de uitgavenpost “eigen betalingen zorg”. Woningaanpassing De kosten voor een woningaanpassing (traplift), die vanuit de Wmo wordt toegekend, worden doorgegeven aan het CAK voor de inning van de eigen bijdrage.

Deze eigen bijdrage wordt vergoed vanuit de collectieve zorgverzekering.

Personenalarmering De kosten voor de personenalarmering worden vanuit de collectieve aanvullende zorgverzekering vergoed. Deze kosten drukken hierdoor niet op de begroting van huishoudens met een zorgvraag die voor deze collectieve zorgverzekering in aanmerking komen. In de begrotingen nemen we voor hen geen extra bedrag op bij de post “eigen bijdragen/betalingen zorg”. Voor de abonnementskosten rekenen we een bedrag van 25 euro per maand. Attentiekosten/Mantelzorg Naast bovengenoemde zorgkosten rekenen we nog 8 euro per maand voor attentiekosten voor hulp van buren, vrienden, etc. In Eindhoven bestaan er voor deze kosten geen expliciete vergoeding. Wel is er de regeling Mantelzorgondersteuning maar hier worden geen bedragen uitgekeerd. De bovenstaande kosten en bijbehorende vergoedingen hebben betrekking op de zorgprofielen die als uitgangspunt voor deze minima-effectrapportage zijn gekozen. Uiteraard zal het zorgprofiel per individu verschillend zijn en daarmee zullen er dus ook verschillende kosten zijn. In de gehanteerde zorgprofielen wordt bijvoorbeeld uitgegaan van huishoudelijke verzorging. Niet meegenomen zijn dagbesteding en persoonlijke begeleiding die ook onder de Wmo vallen. Dit is niet in de begrotingen meegenomen, omdat de gekozen zorgprofielen hier niet om vragen.

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 21

4 Resultaten Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Een en ander is schematisch weergegeven in volgende tabel. Deze tabel geeft een overzicht van het saldo van de inkomsten minus de uitgaven. Dit is de meer vrije bestedingsruimte per maand die de onderzochte huishoudtypen hebben nadat zij alle noodzakelijke uitgaven hebben gedaan. Bij het berekenen van de bestedingsruimte worden alle landelijke en lokale regelingen meegenomen, waar de huishoudens recht op hebben in 2024. Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven. En armoedeval in oranje. Licht oranje als er sprake is van een armoedeval ten opzichte van een ander inkomen dan het voorliggende inkomen. Tabel 8: Inkomsten min uitgaven per maand in euro’s met energietoeslag Huishoudtype

100

110

120

130

140

150

a. Alleenstaande tot AOW-leeftijd

145

178

307

353

449

543

b. Alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

404

445

561

580

658

715

c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen

585

570

679

670

773

902

d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen

403 461

526

655

e. Paar zonder kinderen 142

215

353 352

367 333

496 396

f. Ouder paar

482

603

624

729

838

g. Paar met 2 jonge kinderen

433

379

441

579

507

550

594

h. Paar met 2 oudere kinderen

175

237

375

218

279

323

393 127

462 159

599 287

581 287

i. Paar met meerderjarig thuiswonend kind j. Alleenstaande tot AOW-leeftijd met zorg h. Alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg

409

450

565

534

543

634 356 550

Tabel 9: Inkomsten min uitgaven per maand in euro’s zonder energietoeslag Huishoudtype

100

110

120

130

140

150

a. Alleenstaande tot AOW-leeftijd

78

111

240

353

449

543

b. Alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

337

378

494

580

658

715

c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen

518

503

612

670

773

902

d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen

403 461

526

655

e. Paar zonder kinderen 75

148

286 285

300 333

429 396

f. Ouder paar

415

536

624

729

838

g. Paar met 2 jonge kinderen

312

374

594

512

507

550

h. Paar met 2 oudere kinderen

108

170

323

308

218

279

366

i. Paar met meerderjarig thuiswonend kind

345

414

551

600

653

717

j. Alleenstaande tot AOW-leeftijd met zorg

60

92

220

287

356

449

h. Alleenstaande vanaf AOW-leeftijd met zorg

342

383

498

534

543

550

698 449

4.1 Financiële situatie per huishoudtype a. Alleenstaande In Eindhoven heeft een alleenstaande met een inkomen op bijstandsniveau 145 euro vrije bestedingsruimte nadat alle uitgaven uit het basispakket inclusief die aan sociale participatie zijn voldaan. Bij de situatie dat er geen energietoeslag wordt meegenomen is de vrije ruimte minder dan 100 euro. Als er een onvoorziene uitgaven is de ruimte niet groot waardoor dit huishouden kwetsbaar is. Dit huishouden wordt niet geconfronteerd met een armoedeval. b. Alleenstaande oudere Hetzelfde huishoudtype (alleenstaande) maar dan boven de AOW-gerechtigde leeftijd heeft, na bekostiging van de uitgaven uit het basispakket en sociale participatie, veel meer ruimte (404 euro) over als zij alleen een AOW-uitkering hebben (337 euro bij geen energietoeslag). Op 150 procent is de bestedingsruimte 715 euro. Het AOW-bedrag en de AOW-norm is hoger dan de bijstand waardoor deze huishoudens meer vrij te besteden hebben. c. Eenoudergezin met twee jonge kinderen Ook het eenoudergezin met twee jonge kinderen heeft ruim voldoende inkomsten om alle minimale uitgaven te kunnen doen. Op bijstandsniveau houdt dit gezin 585 euro vrij te besteden over (518 euro zonder energietoeslag); dit bedrag loopt op tot 902 euro op 150 procent. d.

Eenoudergezin met twee oudere kinderen Het eenoudergezin met twee oudere kinderen houdt duidelijk minder over dan het eenoudergezin met jonge kinderen: 353 euro op bijstandsniveau en stijgt naar 655 euro op 150 procent. Als de energietoeslag niet wordt meegenomen is de ruimte bij bijstand 286 euro. Dat het eenoudergezin met twee oudere kinderen minder bestedingsruimte heeft dan het eenoudergezin met jonge kinderen, heeft te maken met het feit dat de kosten voor oudere kinderen over het algemeen hoger zijn dan voor jonge kinderen. Dit geldt bijvoorbeeld voor voeding, kleding en schoolkosten. Ook in 2024 is de hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget niet voldoende het verschil te compenseren. e. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een vrije bestedingsruimte van 142 euro (75 euro bij geen energietoeslag). Dit is minder ruim dan bij de alleenstaande. Dit komt doordat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding. De hogere bijstandsnorm voor een paar is niet voldoende om deze extra kosten van te betalen waardoor er minder te besteden is dan bij een volwassene. f. Ouder paar Het oudere paar heeft duidelijk meer te besteden dan hetzelfde huishoudtype jonger dan de AOW-leeftijd. Dit zagen we al bij de alleenstaande oudere.

De AOW-norm is ruimer dan de bijstandsnorm waar vanuit wordt gegaan. Het ouder paar heeft met alleen een

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 23

AOWinkomen 433 euro per maand vrij te besteden nadat alle minimale uitgaven die gelden voor dit huishoudtype zijn gedaan (366 euro zonder energietoeslag). Bij het inkomen op 150 procent is dit gestegen naar 838 euro per maand. g. Paar met twee jonge kinderen Het paar met jonge kinderen heeft voldoende vrije bestedingsruimte om alle minimale uitgaven te kunnen doen, 379 euro per maand (312 euro zonder energietoeslag). Dit loopt op tot 594 euro bij het inkomen op 150 procent. g. Paar met twee oudere kinderen Paren met twee oudere kinderen hebben minder vrije bestedingsruimte dan het paar met jonge kinderen. Maar meer dan het paar zonder kinderen. Op bijstandsniveau is de vrije bestedingsruimte 175 euro per maand (als de energietoeslag niet wordt meegenomen is dat 108 euro). We zagen al dat de kosten van oudere kinderen hoger zijn dan jonge kinderen (huishoudentype d en c). In 2024 zien we dat paren met oudere kinderen meer ruimte hebben dan de paren zonder kinderen. De combinatie van landelijke en lokale ondersteuning biedt deze ruimte voor de huishoudens met kinderen. Hierbij is het goed op te merken dat er in de berekeningen geen zakgeld is opgenomen. Het zakgeld voor een ouder kind bedraagt gemiddeld 23 euro per kind per maand. Ouders kunnen hiervoor kiezen maar kunnen ook stimuleren dat hun kind een bijbaantje gaat zoeken om zelf wat geld te verdienen. h.

Paar met meerderjarig thuiswonend kind Het paar met een meerderjarig kind heeft in principe gezamenlijk voldoende inkomen om de kosten van alle drie de volwassenen te kunnen betalen. We nemen zowel het inkomen van het meerderjarige kind als dat van de ouders mee. Het inkomen van het meerderjarig kind bestaat uit een maximale aanvullende studiebeurs, het reisproduct en inkomsten uit een gemiddelde bijbaan. Dit inkomen is groter dan het kindgebonden budget en de kinderbijslag voor een ouder kind en compenseert daarnaast de hogere kosten van onderwijs aan een HBO of WO instelling. Hierbij gelden de volgende opmerkingen: • De aanvullende beurs is een prestatiebeurs. We gaan ervan uit dat het meerderjarig kind binnen 10 jaar de studie succesvol afgerond. Tot die tijd is de aanvullende beurs in principe een studieschuld. • Het inkomen van het meerderjarig kind is toegepast om alle huishouduitgaven te doen. De uitgaven aan de kleding, mobiele telefoon en sociale activiteiten van het meerderjarige kind doet het kind vaak zelf. Uitgaven als de huur en de energierekening betalen de ouders vaak. Bij de scenario zonder de energietoeslag is het saldo van dit huishoudtype ook voldoende. Er eveneens van uitgaand dat de inkomsten van de meerderjarige bij het huishoudinkomen worden meegeteld. i.

Alleenstaande tot AOW-leeftijd met een zorgvraag De begroting van huishoudens met een zorgvraag wijkt op diverse punten af van de standaardbegrotingen (zie paragraaf 3.3.3). Zo heeft de alleenstaande met een zorgvraag onder de AOW-leeftijd duidelijk minder te besteden dan hetzelfde huishouden zonder deze kosten. De collectieve zorgverzekering vergoedt een deel maar er blijven nog kosten over die op de begroting van dit huishouden drukken. De vrije bestedingsruimte van een

alleenstaande zonder zorg is al niet hoog te noemen, de reden dat dit huishouden met de extra kosten een nog minder gunstige financiële situatie heeft. Zeker als we de energietoeslag niet meenemen is dit huishouden kwetsbaar vanwege een erg kleine vrije bestedingsruimte. j. Alleenstaande oudere met een zorgvraag Ook de begroting van de oudere met een zorgvraag wijkt af van de standaardbegrotingen. Toch is de vrije bestedingsruimte redelijk ruim te noemen. Ook hier zien we weer het effect van de hogere AOW-norm ten opzichte van de bijstandsnorm. De alleenstaande oudere met een zorgvraag heeft bij de hogere inkomens minder vrij te besteden dan een de alleenstaande oudere waarbij er geen zorgbehoefte is doorgerekend. Het zorghuishouden moet bij dat inkomen meer zorgkosten zelf betalen.

4.2 Armoedeval Voor elk huishoudtype zijn verschillende inkomensniveaus doorgerekend. Naast het minimuminkomen zijn inkomens op 110, 120, 130, 140 en 150 procent van het netto minimuminkomen gespecificeerd. Soms leidt een hoger inkomen tot een beperktere vrije bestedingsmogelijkheid. Dit komt doordat landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen, zoals huurtoeslag en kindregelingen, er niet op voorhand toe leiden dat een huishouden meer te besteden heeft bij een hoger inkomen. Deze armoedeval wordt ook wel doorstroomval genoemd. Een andere situatie ontstaat vaak wanneer huishoudens vanuit een uitkering uitstromen naar betaald werk. Deze armoedeval wordt ook wel de uitstroomval genoemd. Op dat moment nemen de kosten door werk toe en komen rechten op diverse inkomensondersteunende regelingen (gedeeltelijk) te vervallen. Uit tabel 8 blijkt dat het merendeel van de onderzochte huishoudtypen te maken heeft met een armoedeval bij het inkomen van 130 procent van de toepasselijke norm. Bij de meeste huishoudens heeft dit te maken met het wegvallen van het recht op de energietoeslag. Dit is te zien in vergelijking met tabel 9 waarin de energietoeslag niet is meegenomen. Daar zijn de meeste armoedevalsituaties op 130 procent niet meer te zien.

Alleen bij de beide gezinnen met de oudere kinderen en de paren met jonge kinderen is op 130 procent nog wel een armoedeval te zien. Deze huishoudens hebben bij 130 procent geen recht meer op zowel de Meedoenbijdrage (de bijdrage voor maatschappelijk participatie en voor vervoer). Vooral de Meedoenbijdrage is ruim voor de oudere kinderen en voor paren. De inkomenstoename is te klein om het wegvallen van deze ondersteuning te compenseren. Voor de paren met oudere kinderen geldt zelfs dat de inkomenstoename bij 140 en 150 procent gecombineerd met de afname van de toeslagen niet voldoende is om boven het saldo bij 120 procent te komen. Voor de oudere huishoudens met een zorgvraag zien we een armoedeval op 130 procent. En ook het jongere huishouden met een zorgvraag heeft niet meer te besteden bij 130 procent ten opzichte van 120 procent. Het recht op de collectieve zorgverzekering vervalt bij dit inkomen en daarmee de ruime vergoedingen vanuit Gemeentepakket Compleet € 0

Minima-effectrapportage gemeente Eindhoven 2024 25

eigen risico, naast dat de ondersteuning vanuit de bijzondere bijstand afneemt vanwege de toename van de draagkracht. Hierdoor is bij het inkomen op 140 en 150 procent ook sprake van een armoedeval ten opzichte van de situatie bij 120 procent. Verder zien we bij alleenstaande ouders met 2 jonge kinderen een armoedeval wanneer het huishouden vanuit bijstandsniveau gaat werken voor een inkomen van met 110 procent de norm. De kosten van werk en kinderopvang worden niet gecompenseerd door de toename in inkomen. De bestedingsruimte van alleenstaande ouders met 2 jonge kinderen is wel de grootste van alle onderzochte huishoudens.

4.3 Financiële situatie per huishoudtype inclusief IIT In de volgend figuren gaan we uit van recht op de Individuele Inkomenstoeslag (IIT). Het huishouden (tot AOW-leeftijd) heeft langdurig (minimaal vijf jaar) een laag inkomen niet hoger dan 103 procent van de norm. In tabel 10 zien we de saldo’s als de energietoeslag wordt meegenomen. De huishoudens hebben meer ruimte op het eerste inkomensniveau. In tabel 11 is de energietoeslag niet meegenomen en is te zien wat saldo. Voor beide scenario’s is weer weergegeven in oranje of er sprake is van een armoedeval. Tabel 10: Inkomsten min uitgaven per maand in euro’s met IIT met energietoeslag Huishoudtype a. Alleenstaande tot AOW-leeftijd b. Alleenstaande vanaf AOW-leeftijd

100 110 120 130 140 150 195 404

178

307 353

449

543

445

561 580

658

715

c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen

578

570

679

670

773

902

d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen

413

367

496

403

526

655

352

333

396

461

e. Paar zonder kinderen

208

215

f. Ouder paar

433

482 603

624

729 527

838 571

g. Paar met 2 jonge kinderen

445

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14125241/1