Bijlage 2.2 - Toelichting regeling energiearmoede DAEB
Tekst van het document
Toelichting 1. Inleiding Volgens onderzoek van TNO leven er in Eindhoven circa 14.000 huishoudens in energiearmoede. Daarvan woont 75% in een sociale huurwoning. Kleine energiebesparende maatregelen zijn mogelijk voor alle huishoudens in Eindhoven die te maken hebben met energiearmoede. Het College van B&W van de gemeente Eindhoven (‘College’) heeft van het Rijk specifieke uitkeringen ontvangen om huishoudens die te maken hebben met energiearmoede te ondersteunen bij het nemen van energiebesparende maatregelen (‘rijkssubsidie’). Met deze regeling beoogt het College deze rijksmiddelen beschikbaar te stellen aan woningcorporaties voor het uitvoeren van verduurzamingsmaatregelen aan woningen. 2. Kern van de regeling De regeling biedt woningcorporaties actief in de gemeente Eindhoven de mogelijkheid subsidie aan te vragen voor verduurzaming van woningen van lage energetische kwaliteit. De gemeente heeft uitvoerig (data-)onderzoek verricht ter identificatie van woningen die binnen deze doelgroep vallen. De regeling schrijft voor dat subsidieverlening slechts geschiedt ten behoeve van de door het College aangemerkte woningen van lage energetische kwaliteit. Zowel sociale huurwoningen als particuliere koop- en huurwoningen kunnen in aanmerking komen voor verduurzaming. In totaal is een subsidiebedrag van EUR 6.728.000,-- beschikbaar.
Het college hecht waarde aan een evenredige verdeling van de subsidie onder de woningen die voor verduurzaming in aanmerking komen. Daarom heeft het College het bedrag dat per woning aan verduurzaming kan worden uitgegeven gemaximeerd op EUR 498,--. Dit bedrag is gebaseerd op de onderzoeksgegevens van TNO (circa 14.000 huishoudens in energiearmoede) en het totale beschikbare subsidiebedrag van EUR 6.728.000,--. Het College signaleert evenwel het risico dat deze verdeelsleutel leidt tot onderbesteding van het totale subsidiebedrag. Het College hecht er belang aan dat de subsidie maximaal ten goede komt aan de inwoners van de gemeente Eindhoven en wil bij de uitvoering van de regeling de flexibiliteit behouden om een hoger subsidiebedrag uit te geven per woning. Om die reden biedt de regeling het College de mogelijkheid het bedrag per woning te verhogen als na vier maanden blijkt dat de besteding van de subsidieregeling wezenlijk achterblijft. Om te voorkomen dat hierdoor de prikkel ontstaat dat bewoners een eventuele verhoging afwachten, bepaalt de regeling uitdrukkelijk dat op een dergelijke verhoging zowel aanspraak maken (i) eigenaren van woningen waaraan reeds verduurzamingsmaatregelen zijn uitgevoerd, als (ii) eigenaren van nog te verduurzamen woningen.
De gemeente zal via de haar beschikbare kanalen ruchtbaarheid geven aan een dergelijke verhoging, zodat ook bewoners van reeds verduurzaamde huizen zoveel mogelijk op de hoogte raken van een eventuele verhoging van het maximumbedrag. De subsidie moet voor 31 december 2023 besteed zijn aan de verduurzamingsmaatregelen. Gelet op de beperkte omvang van de maatregelen acht het College niet aannemelijk dat het uitvoeren daarvan leidt tot huurverhoging. Gelet op de kwetsbare positie van de doelgroep van
sociale huurders vereist het College voor subsidieverlening van de woningcorporaties niettemin dat zij verklaren dat de maatregelen niet zullen leiden tot huurverhoging. Voor particuliere verhuur acht het College een dergelijke verklaring niet doelmatig. Voor toekenning van subsidie komen in aanmerking de woningcorporaties die verbonden zijn in het Duurzaamheidspact van de gemeente Eindhoven, te weten de organisatie Woonstichting ‘Thuis, Stichting Sint Trudo, Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl of Stichting Wooninc. De subsidieverdeling vindt plaats naar rato van het aantal woningen dat elke corporatie bezit in de gemeente Eindhoven. Deze verdelingssystematiek heeft tot gevolg dat de woningcorporatie met het grootste aantal woningen in bezit (ook) het hoogste subsidiebedrag ontvangt voor verduurzamingsmaatregelen aan woningen van particuliere woningeigenaren en particuliere verhuurders. Voor zover elke woningcorporatie uiteindelijk minder verduurzamingsmaatregelen uitvoert dan waarvoor zij subsidie heeft ontvangen, verlaagt de gemeente de uiteindelijke subsidie bij vaststelling daarvan conform artikel 14 van de regeling. 3. DAEB De kerntaken van woningcorporaties zijn in de Woningwet aangewezen als Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB). Ook de instandhouding van het corporatiebezit, met inbegrip van verduurzaming daarvan, is een kerntaak van de woningcorporaties.
Op basis van de Woningwet is slechts de Minister bevoegd om aan woningcorporaties een subsidie voor de uitvoering van DAEB te verstrekken. De regeling voorziet in daarom in een aanvullende aanwijzing van de verduurzamingsactiviteiten ten behoeve van sociale huurwoningen als Diensten van Algemeen Economisch Belang, zoals bedoeld in het Besluit 2012/21/EU van de Europese Commissie betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (‘DAEB-Vrijstellingsbesluit’). De regeling belast de woningcorporaties met de uitvoering van deze aanvullende DAEB. a. Algemeen belang en marktfalen De activiteiten die het College met de regeling subsidieert vallen onder de kerntaak van de woningcorporaties (‘instandhouding van corporatiebezit’) en zijn als zodanig onder de Woningwet aangewezen als DAEB. Dat de onderhoudstaken van woningcorporaties, met inbegrip van verduurzaming van het corporatiebezit, een algemeen belang dienen en dat ten aanzien daarvan marktfalen bestaat, blijkt aldus uit het feit dat de wetgever deze activiteiten in de Woningwet heeft aangemerkt als DAEB.
Dat ook ten aanzien van verduurzaming van particulier woningbezit marktfalen bestaat, blijkt uit het feit dat volgens TNO ongeveer een kwart van de energiearmoede zich voordoet in deze doelgroep. b. Mechanismen (over)compensatie De regeling bevat duidelijke parameters voor berekening (artikel 8), monitoring (artikel 12) en herziening van de compensatie (artikel 6 en 14). De regeling voorziet voorts in een specifieke bepaling ter voorkoming van overcompensatie (artikel 15). De subsidiabele kosten zijn beperkt
tot de daadwerkelijk gemaakte kosten voor de uitvoering van verduurzamingsmaatregelen. Terugbetaling van teveel betaalde subsidie geschiedt in beginsel via subsidievaststelling na voltooiing van de verduurzamingsmaatregelen. Artikel 15 biedt het College de mogelijkheid ook na vaststelling van de subsidie eventuele overcompensatie terug te vorderen.