CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan Lichthoven fase 1 (kavels C en D)

Raadsvergadering 20 juni 2023, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel tot gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Lichthoven fase 1 (kavels C en D)34.494 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

81

4.5

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen (inrichtingen, transportroutes en buisleidingen). Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Hierbij wordt ook een beschrijving gegeven van het wettelijk kader op gebied van externe veiligheid. Tot slot wordt het groepsrisico verantwoord. 4.5.1

Wettelijk kader

Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt; april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2011). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen het Plaatsgebonden risico en het Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jr) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jr) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten';

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol vol transport (vervoer gevaarlijke stoffen in leidingen en weg/ spoor en vaarweg).

Dit betekent dat elke 'nieuwe' ontwikkeling getoetst moet worden aan de normen voor plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Indien verwacht wordt dat nabij een 'nieuwe' ontwikkeling gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, verwerkt, bewerkt, gebruikt of getransporteerd, dan is een onderzoek naar de risico's noodzakelijk.

Voor het PR geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag in geen geval worden overschreden. In Nederland zijn weinig locaties waar conflicten zijn met het plaatsgebonden risico. Vooral rond LPG tankstations zijn veelal knelpunten aanwezig.

Bij het GR zal, bij beoordeling van nieuwe ontwikkelingen, rekening moeten worden gehouden met een oriënterende waarde. Voor de oriënterende waarde geldt dat afwijken alleen mogelijk is met een degelijke motivering. Vooral in dichtbevolkte en intensief gebruikte gebieden zoals 82

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

stadscentra kan er spanning zijn tussen de aanwezigheid van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en het GR.

Hieronder wordt beschreven welke risicovolle inrichtingen in of nabij het gebied liggen, of er vervoer van gevaarlijke stoffen in het gebied plaatsvindt en of er risicovolle buisleidingen liggen: Er is een Bevi-inrichting (emplacement) nabij het plangebied die invloed heeft; Nabij of binnen het plangebied liggen geen buisleidingen die invloed hebben op het plan; Nabij het plangebied zijn geen gemeentelijke wegen die invloed hebben op het plan; Nabij het plangebied zijn geen snelwegen gelegen die invloed hebben op het plan; Nabij het plangebied is de spoorweg Boxtel-Eindhoven gelegen die invloed heeft op het plan.

4.5.2

Gemeentelijk beleid: Visie Externe Veiligheid

De Gemeente Eindhoven heeft in mei 2009 de Visie externe veiligheid vastgesteld. Daarin is onder meer vastgelegd hoe in de stad nabij risicobronnen wordt omgegaan met het veilig stellen van een acceptabel niveau voor risico's in het kader van externe veiligheid en de beheersbaarheid ervan. Ook is in de visie voor de gebieden buiten invloedsgebieden van risicobronnen (o.m. het gebied > 200m van het spoor) een verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt. Dit betekent dat lokale ruimtelijke besluiten en milieubeheervergunningen vanuit de visie kunnen worden gemotiveerd. Hiermee wordt richting en uitwerking gegeven aan een verantwoorde veilige integrale invulling van duurzame ruimtelijke ontwikkelingen die passend zijn binnen de Brainportontwikkelingen en het programma 'Brabant Veiliger'. In de Visie wordt aangegeven waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en onder welke veiligheidscondities dat mogelijk is. Tevens wordt aangegeven waar in de stad geïnvesteerd dient te worden in een beter niveau van beheersbaarheid. Tot slot wordt beschreven waar de veiligheid in de bestaande woonomgeving door het treffen 'aanpakken' van bestaande knelpunten kan worden verbeterd. In de visie is een aantal aanvullende maatregelen bij functies nabij risicobronnen (wonen, werken, recreatie) opgenomen.

Om de risico's zo klein mogelijk te houden, komen er aanvullende beschermingsmaatregelen voor de veiligheid van kwetsbare functies in de buurt van risicobronnen. Nieuwe kwetsbare functies moeten op een afstand van minimaal 30 meter van het spoor en de rijkswegen worden gesitueerd. In een gebied van 200 meter rondom een risicovolle transportas worden geen functies toegestaan voor personen die verminderd zelfredzaam zijn (zoals kinderdagverblijf, basisschool, bejaardenhuis, verpleeghuis, ziekenhuis e.d.). De verantwoording van het groepsrisico wordt gedaan door de raad van de gemeente Eindhoven, waarbij een afweging wordt gemaakt tussen het belang van de ruimtelijke ontwikkeling ten opzichte van het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg van een ramp of incident met gevaarlijke stoffen. Bij de verantwoording wordt advies bij de Veiligheidsregio ingewonnen.

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

83

4.5.3

Overige wet- en regelgeving

Per 1 april 2015 zijn de Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In de wet is het Basisnet juridisch verankerd. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiermee wordt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) beoogd om duidelijkheid te bieden over het maximaal aantal transporten en de daarbij behorende maximale omvang van de risico's die dat transport mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet weg, Basisnet spoor en Basisnet water. Het Bevt vormt het toetsingskader voor ruimtelijke plannen voor het vervoer over de weg, het spoor en het water. Op basis van het Bevt gelden de volgende normen. De contour van het PR met een kans van 10-6 per jaar geldt als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat: 1. het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien: a. het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde en het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt of, b. de oriëntatiewaarde wordt overschreden. 2.

bij het mogelijk maken van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten in het plasbrandaandachtsgebied (PAG) gemotiveerd moet worden waarom deze objecten toelaatbaar zijn, gelet op de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.

4.5.4

Kwantitatieve risicoanalyse Spoor

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een Kwantitatieve risicoanalyse vanwege de ligging nabij het spoor uitgevoerd. De rapportage behorende bij deze risicoanalyse is opgenomen in bijlage 18 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de conclusies van de risicoanalyse.

Plaatsgebonden risico Uit het Basisnet spoor blijkt dat het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar voor het betreffende traject op 6 m ligt. Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 50 meter van de spoorlijn. De PR 10-6 risicocontour reikt dan ook niet over het plangebied. Op basis hiervan vormt de PR 10-6 contour geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Plasbrandaandachtsgebied Het plasbrandaandachtsgebied is het gebied tot 30 m van het spoor waarin rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. De 30 meter wordt, conform de Regeling basisnet (artikel 16, lid 3), gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf van het buitenste doorgaande spoor voor het doorgaand verkeer. Gebouw C ligt op minimaal 50 meter afstand van de spoorbundel voor het doorgaand verkeer, zie figuur 4.3. Gebouw ligt verder van het spoor af dan gebouw C. De beoogde ontwikkelingen zullen dan ook in geen geval binnen het plasbrandaandachtsgebied gerealiseerd worden.

84

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

Figuur 4.3 Afstand plangebied tot buitenste spoorstaaf doorgaande spoor

Groepsrisico In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico hoger dan de oriëntatiewaarde. In de toekomstige situatie blijft het groepsrisico gelijk.

Tabel 4.2 Groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie Situatie

Factor t.o.v. OW

Bij aantal slachtoffers

Groepsrisico huidige situatie

9,7

1.956

Groepsrisico toekomstige situatie 9,7

1.661

Voor het groepsrisico geldt geen harde norm maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht. Door de beoogde ontwikkeling neemt het groepsrisico van het spoor niet toe. Wel geldt in de huidige en toekomstige situatie een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Hierdoor dient een verantwoording van het groepsrisico opgesteld te worden waarin onder andere ingegaan wordt op de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Naar aanleiding van overleg met de veiligheidsregio worden aan het gebouw aanvullende maatregelen getroffen in de vorm van een brandwerende gevel tot 50 meter en een afschakelbare ventilatievoorziening. De verantwoording is in het bestemmingsplan opgenomen in bijlage 20. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig.

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

85

4.6

Duurzaamheid

De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is. 1. CO2 reductie Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. In januari 2017 heeft de gemeenteraad in het Klimaatplan 2016-2020 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.

1A) Aardgasloze verwarming Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten. In het Klimaatplan 2016-2020 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.

1B) Duurzame mobiliteit Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen, smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.

1C) Warmte- en energiebesparing Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz. 86

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

1D) duurzame energie opwekking Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.

2 Circulaire Economie Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020 hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.

2A) duurzame materialen Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen. In het WELL-certificaat dat bij deze ontwikkeling wordt nagestreefd is dit ook een van de punten.

2B) geen afval In 2020 wil de gemeente Eindhoven 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.

2C) flexibel en demontabel bouwen Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.

2D) deeleconomie/ as a service concepten De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten. Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.

3) Natuur Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding? vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

87

3A) biodiversiteit Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.

3B) oppervlakte groen We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.

4. Sociale basisbehoeften The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).

4A) Klimaatadaptatie Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. In het Klimaatplan 2016-2020 is de ambitie opgenomen dat de gemeente Eindhoven in 2020 klimaatrobuust handelt en dat de gehele stad in 2050 klimaatrobuust is. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.

4B) gezonde verstedelijking Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte.

4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.

Specifiek Eindhovens Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.

88

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.

4.6.1

Planbeschrijving

In het plan is veel aandacht voor duurzaamheid (zie ook paragraaf 4.6), maar ook voor de gezondheid van de gebruikers. Licht en groen zijn de drijvende factoren in het plan.

Karakteristiek voor het gebouw zijn de balkons met veel ruimte voor planten. Hierdoor heeft een groot deel van de gebruikers toegang tot zijn eigen groene buitenruimte. Hoge verdiepingshoogten van de woningen en commerciële ruimten in de plint van de gebouwen en een gevel met veel glas zorgen voor veel natuurlijk licht en vergezichten. Dit alles komt ten goede aan de gezondheid van de gebruikers. Het bevorderen van het gebruik van de trap, kans bieden aan flora en fauna zijn voorbeelden van het stimuleren van gezondheid en de biodiversiteit. De gevel van beide gebouwen wordt opgebouwd uit materiaal wat goed verouderd en dus toekomstbestendig is. Op deze manier is de uitstraling van het gebouw ook voor een langere tijd gewaarborgd.

Klimaatrobuust ontworpen Het ontwerp ondersteunt de ambitie van de gemeente Eindhoven om hydrologisch neutrale stedelijke gebieden te maken en om het wateroverlast op piekmomenten te beperken. In het plan wordt er daarom rekening gehouden met een buffer voor de afwatering van regenwater bij heftige regenval. Via de klimaattool van de gemeente Eindhoven resulteert de ontwikkeling in een neutrale waterberging. Onderzocht moet gaan worden in welke vorm dit gestalte krijgt; als buffer op het dak, in een ondergrondse ruimte of als geïntegreerd landschappelijk element in de gebiedsinrichting. Dit wordt in de volgende fase meegenomen in het ontwerp.

Energieoplossing Het casco van het gebouw is energiezuinig en gasloos. De gevel is goed geïsoleerd met een minimale Rc-waarde van 4,7 en de daken en de vloer hebben een minimale Rc-waarde van 6,3. Met een warmtepomp worden de gebouwen in de winter door middel van vloerverwarming verwarmd en in de zomer worden de gebouwen gekoeld door middel van bodemkoeling. De twee woongebouwen delen een inpandige transformatorruimte aan de noordkant van gebouw C. In de kelder bevindt zich een WKO-installatie en CV-verdeelruimte. Op het dak wordt er indien nodig door middel van pv-panelen elektriciteit opgewekt.

Afvalinzameling De afvalinzameling van de gebouwen (restafval en papier) op kavel C+D is ondergronds voorzien in de nieuwe inrichting van de Stationsweg. De afvalinzameling t.b.v. The Student Hotel welke vanwege de herinrichting van de Stationsweg tijdelijk voorzien is op kavel D, zal ook middels ondergrondse afvalcontainers in de Stationsweg opgenomen worden.

Biodiversiteit vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

89

Lichthoven blok C en D stralen met hun transparantie en groen op maaiveld niveau en in de groene pergola's, niet alleen groen en licht uit, maar voorziet de flora en fauna ook unieke mogelijkheden om zich meer in het gebied te vestigen. Beplanting biedt veel mogelijkheden voor verhoging van de biodiversiteit. Er zal worden gekeken of er inheemse flora in op en bij het gebouw gebruikt kan worden.

Gezonde verstedelijking Rondom de twee gebouwen is er veel ruimte gereserveerd voor groen. Dit geeft de gebouwen en de aanliggende straten een aantrekkelijke gevel. Om het verblijfsgebied tussen de gebouwen zo veel mogelijk te activeren is de hoofdentree van gebouw C aan de zuidzijde tegenover gebouw D gepositioneerd. En de hoofdentree van gebouw D is aan de noordzijde tegenover gebouw C gepositioneerd.

Openbare (toegankelijke) ruimte Voor het gehele gebied van het Stationsplein tot aan de Dommel (inclusief de Stationsweg en de Gender) is er een integraal inrichtingsplan (concept) gemaakt voor het openbaar gebied. Hierbij worden de gebouwen in het plan Lichthoven door middel van een sterk vergroend openbaar dek met elkaar verbonden. Het dek ligt op een half-verdiepte parkeergarage, waardoor het 1,5 m hoger dan het maaiveld ligt. Op het dek staan verhoogde bakken waar de planten in staan. Deze ‘groene’ bakken zorgen voor meer bergingscapaciteit in het geval van extreme regenval. Ook op andere manieren wordt er ruimte gemaakt voor meer bergingscapaciteit: zo wordt de Gender naar de oppervlakte gehaald, zodat deze gebruikt kan worden als overstort voor het rioleringsstelsel en afwateringkanalen van de stad. Hulpdiensten kunnen de gebouwen bereiken via de spoorzijde of de Stationsweg.

4.7

Bodem

Toetingskader Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen.

Onderzoek Ten behoeve van deze ontwikkeling is in juni 2020 een verkennend bodemonderzoek een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend onderzoek asbest in bodem/puin uitgevoerd. De rapportage van het vooronderzoek is opgenomen in bijlage 6 en het verkennend bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 7 bij deze toelichting. Op basis van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd.

Verkennend bodemonderzoek Deellocatie A: parkeerterrein Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd 90

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

is. Onder de klinkerverharding van het parkeerterrein is een volledige puinlaag aanwezig (0,15-0,50 m -mv). De ondergrond is ter plaatse van boring A01 en A02 zwak tot matig puinhoudend. De bovengrond is licht verontreinigd met nikkel. De laag onder de puinverharding is licht verontreinigd met minerale olie, PCB en PAK. De ondergrond is analytisch niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, kobalt, molybdeen en 1,2-dichloorethenen.

PFAS onderzoek Getoetst aan het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” voldoet de onderzochte bodem voor de parameter PFOS en PFOA op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse ‘’Landbouw/Natuur’’. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard.

Deellocatie B: braakliggend terrein Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. Plaatselijk is op de locatie aan volledige puinlaag aanwezig (0,0-0,50 m -mv). Tevens is de boven- en ondergrond plaatselijk zwak puinhoudend. De bovengrond is analytisch niet verontreinigd. De zwak puinhoudende ondergrond is licht verontreinigd met PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met kwik, molybdeen, nikkel, xylenen en naftaleen.

PFAS onderzoek Getoetst aan het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” voldoet de onderzochte bovengrond voor de parameter PFOS en PFOA op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse “Landbouw/Natuur”. De onderzochte ondergrond voldoet op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse “Wonen/Industrie”. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard.

Verkennend onderzoek asbest in bodem Deellocatie A: parkeerterrein Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.

Deellocatie B: braakliggend terrein Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

91

Aanvullend onderzoek Vanwege een wijziging in de planvorming is opnieuw onderzoek uitgevoerd voor een tweetal deellocaties. In april 2021 is een rapportage verkennend bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem/puin uitgevoerd (bijlage 8) . In juli 2021 is nog een nader onderzoek uitgevoerd (bijlage 9). Op basis van deze aanvullende onderzoeken kan het volgende worden geconcludeerd.

Deellocatie C: Tussenliggend gebied Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "heterogeen verdacht, niet lijnvormig”. Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. Zintuiglijk zijn in de bodem bijmengingen met baksteen, beton, puin, asfalt en kooldeeltjes aangetroffen. De ondergrond is ter plaatse van boring C17 in het traject sterk verontreinigd met koper. De boven- en ondergrond is over het gehele terrein licht verontreinigd met zware metalen, minerale olie en PAK. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetoond. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Geadviseerd wordt om de aard en de omvang van de vastgestelde sterke koperverontreiniging in de grond ter plaatse van boring C17 nader te onderzoeken.

Deellocatie D: Diepe ondergrond In totaal is er 1 boring handmatig tot 6 m -mv geboord. De ondergrond (2,0 - 6,0 m -mv) bestaat uit lagen veen, klei en leem. Zintuiglijk zijn er geen verontreinigingen aangetroffen. Analytisch zijn er eveneens geen verontreinigingen aangetoond.

Verk ennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 (deellocatie C en D) Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte/asbesthoudende materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.

Nader bodemonderzoek (koperverontreiniging) Het nader bodemonderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van een sterke verontreiniging met koper in de grond, die tijdens een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van boring C17 (traject 0,5-1,0 m -mv) is aangetoond.

De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, matig fijn tot matig grof zand. De ondergrond is plaatselijk zwak humeus. 92

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

De bodem is plaatselijk tot 1,00 m -mv uiterst asfalt- en matig slakhoudend. Ter plaatse van boring C103 bestaat traject 0,00-0,15 m -mv uit volledig puin. In het opgeboorde materiaal is zintuiglijk geen olie-waterreactie waargenomen. Gezien het feit dat uit de analyseresultaten blijkt dat de bodem niet of nauwelijks verontreinigd is met koper en er alleen lichte verontreinigingen zijn aangetoond, kan gesteld worden dat de sterke koper verontreiniging in het verkennend bodemonderzoek hoogstwaarschijnlijk een puntbron van zeer geringe omvang betreft (< 1 m3).

Gelet op de zeer beperkte omvang is er geen sprake van een feitelijk geval van bodemverontreiniging. Het verwijderen van de sterke verontreiniging is gelet op de geringe omvang niet doelmatig. Sanerende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Een beslissing in deze ligt bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (gemeente Eindhoven).

Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de lichte verontreinigingen, bevestigd. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken, aanvullende onderzoeken en nader bodeonderzoek naar een koperverontreiniging kan worden geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw op de onderzoekslocatie.

4.8

Natuur

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) en het bijbehorende Besluit natuurbescherming (Bnb) en de Regeling natuurbescherming (Rnb) in werking getreden. Door de inwerkingtreding van deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet komen te vervallen. Het is de bedoeling dat deze nieuwe wet en de bijbehorende Bnb en Rnb uiteindelijk opgaan in de nieuwe Omgevingswet waarvan verwacht wordt dat die in 2021 in werking treedt. Met het van kracht worden van deze wet komen vrijwel alle verantwoordelijkheden bij de provincies te liggen. 4.8.1

Wet natuurbescherming

De nieuwe wet beoogt zoveel als mogelijk aan te sluiten bij de Europese kaders (o.a. vastgelegd in de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn). Volgens de wetgever is hiermee sprake van een hoog beschermingsniveau van de natuur. De Europese beschermingskaders zijn met het oog op een goede doorwerking en duidelijkheid over de consequenties daarvan zo veel mogelijk één-op één opgenomen in de wet zelf. Alleen voor zover nodig voor een adequate bescherming van natuurwaarden die niet beschermd worden door Europese regelgeving, voorziet de Wnb in een aanvullende bescherming. Dit betreft bijvoorbeeld de bescherming van diersoorten die niet vallen onder de Europese beschermingskaders. De Wnb voorziet in een instrumentarium in de vorm van beheerplannen en programma's voor gebieden en soorten, teneinde de samenhang tussen gebieds- en soortenbescherming mogelijk te maken. Verder is gekozen voor één vergunning- en ontheffingprocedure en is tegen besluiten rechtsbescherming in twee instanties mogelijk. Zoals eerder al gezegd zijn de provincies in hoofdzaak verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeschermingsbeleid. Gelijktijdig met de in werkingtreding van Wnb veranderen de lijsten met beschermde soorten. Zo zijn een aantal plantensoorten (o.a. orchideeën) en insecten- en vissoorten (o.a. kleine vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

93

modderkruiper en bittervoorn) niet langer meer beschermd. Andersom zijn dieren die voorheen niet beschermd waren (o.a. haas, bosmuis en kleine ereprijs) nu wel beschermd. Voor de soorten die beschermd zijn geldt een verbod om die opzettelijk te verstoren als dat van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding. Door de integratie van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet in de nieuwe Wnb is er nog maar één natuurvergunning nodig van één bevoegd gezag.

Wnb en onderscheid in gebieden De Wnb gaat uit van vijf gebiedssoorten te weten: Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland, bijzondere nationale natuurgebieden, nationale parken, bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De Wnb verplicht tot het tot stand brengen van het Natuur Netwerk Nederland en tot het aanwijzen van Natura 2000-gebieden, die beide van cruciaal belang zijn voor het nakomen van de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn. In de nabijheid van het plangebied zijn geen van de hiervoor genoemde gebieden gesitueerd. Eerder in deze toelichting is geconcludeerd dat de ontwikkeling geen invloed heeft op stikstofgevoelige gebieden. Het is dan ook niet zinvol om in deze paragraaf uitgebreid in te gaan op de wetgeving omtrent de verschillende beschermde gebieden.

De zorgplicht Artikel 1.11 Wnb voorziet in de zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nagelaten moeten worden of dat maatregelen genomen moeten worden om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Die plicht is niet alleen van belang voor soorten maar ook voor gebieden. De zorgplicht fungeert als vangnet ten opzichte van de bij en krachtens de Wnb gestelde voorschriften. Bestuursrechtelijke handhaving van de zorgplicht is mogelijk in kennelijke gevallen van onzorgvuldig handelen en in situaties waarin er geen concreet voorschrift ter bescherming van de desbetreffende natuurwaarde van toepassing is.

4.8.2

Toetsing

Het plangebied en de directe omgeving is een volledig verhard terrein met diverse gebouwen in het centrum van de stad Eindhoven. Het plangebied is daardoor in zijn algemeenheid potentieel ongeschikt voor beschermde flora en fauna en kent geen natuurwaarden.

Soortenbescherming Ten behoeve van het planvoornemen en de bestemmingsplanwijziging dient onderzocht te worden of met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een overtreding van de geldende natuurwet en -regelgeving. In dat kader is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is te vinden in bijlage 10. Hieruit blijkt dat het plangebied mogelijk deel uitmaakt van de functionele leefomgeving van de huismus en dat 'vogels zonder jaarrond beschermd nest' op de planlocatie aanwezig kunnen zijn. De huismus dient nader onderzocht te worden. Dit nader onderzoek is in bijlage 11 te vinden. In het nader onderzoek wordt er bevestigd dat de huismus aanwezig is en daardoor een wetsovertreding te verwachten valt.

Vanwege de huismus is op 4 februari 2021 een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd. Voor de aanvraag ontheffing is een activiteitenplan opgesteld. In maart 2021 zijn tijdelijke compenserende maatregelen getroffen.

Gebiedsbescherming 94

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

Het plangebied is niet gelegen binnen beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 4,5 kilometer en betreft het 'Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux'. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Dit bestemmingsplan voorziet in nieuwe woningen en commerciële functies. Deze woningen zullen een (beperkte) verkeersaantrekkende werking hebben in de gebruiksfase. Ze zullen daarentegen niet gasgestookt worden.

De aanlegfase leidt daarbij ook tot het nodige gebruik van mobiele werktuigen en verkeersbewegingen. De werkzaamheden en wijziging in verkeersstromen zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving.

In dat kader zijn stikstofberekeningen uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is opgenomen in bijlage 12 van deze toelichting. De aanlegfase is te vinden in bijlage 13 en de gebruiksfase in bijlage 14 van de toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat de maximale uitstoot stikstofdepositie naar de omliggende gevoelige habitattypen 0,02 mol per hectare per jaar is voor de aanlegfase. Omdat er sprake is van een toename van stikstofdepositie op reeds overbelaste Natura 2000-gebieden, is een vergunning Wet natuurbescherming vereist. De ontwikkeling maakt deel uit van de Woondeal Eindhoven. Hierom is een Wnb-vergunning verkregen via het stikstofregistratiesysteem. De verleende Wnb vergunning is bijgevoegd als bijlage 17 bij deze toelichting. Voor de gebruiksfase blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Recent is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Door de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 geldt er voor de aanlegfase een vrijstelling voor de bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie. Onder de vrijstelling valt onder andere het bouwen en slopen van een bouwwerk en de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden.

Dit zijn ook de bronnen waar emissies te verwachten te zijn in de realisatiefase van de beoogde ontwikkeling. Omdat voor deze werkzaamheden een vrijstelling geldt, is een berekening voor de realisatiefase niet meer nodig. Op 10 maart 2022 is een nieuwe berekening gemaakt op basis van Aerius versie 2021.0.4. De aangepaste memo is opgenomen in bijlage 15 en de nieuwe berekening in bijlage 16. Het plangebied bevindt zich op 140 meter van het dichtstbijzijnde NNB-gebied Beek en Bron. Er vindt geen ruimtebeslag plaats op een NNB-gebied. De werkzaamheden zullen mogelijk leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. De kwalificerende soorten van het beheertype N03.01 'Beek en Bron' behoren tot de soortgroepen broedvogels, libellen, vissen en planten. Het is nog onduidelijk of bij de aanleg van de ondergrondse parkeergarage de waterhuishouding van het beheertype N03.01 Beek en Bron wordt beïnvloed. Er vindt mogelijk externe werking plaats op het NNB-gebied of op kwalificerende soorten door de aanleg van een ondergrondse parkeergarage. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten als aan de zorgplicht kan worden voldaan. 4.8.3

Conclusie

Het plangebied maakt deel uit van de functionele leefomgeving van de huismus. Er is een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd en tijdelijke compenserende maatregelen zijn getroffen. In de aanlegfase is er sprake van maximaal 0,02 mol depositie per hectare per jaar. Hiervoor is een WNB-vergunning verkregen via het stikstofregistratiesysteem. Vanwege de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering en geldt voor de aanlegfase een vrijstelling voor bouwwerkzaamheden. vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

95

In de gebruiksfase is er geen sprake van een depositie hoger dan 0,00 mo/ha/jr.

4.9

Trillingen

In Nederland bestaat geen specifiek juridisch kader voor trillingen zoals geld voor geluid met de Wet Geluidhinder. Het juridisch kader wordt door wetgeving bepaald, welke niet specifiek voor trillingen is bestemd. Partijen kunnen elkaar in geval van trillingshinder of -schade civielrechtelijk aanspreken op basis van onrechtmatige daad. Hierbij wordt aangetekend dat in dergelijke geschillen de rechter tegenwoordig verder kijkt dan het pure causale verband tussen trillingen en het geclaimde gevolg (hinder of schade). Van minstens even groot belang voor de uitkomst van dergelijke zaken is de mate waarin partijen deskundig zijn en zich redelijk en zorgvuldig hebben opgesteld. Partijen die terzake deskundig zijn (grote opdrachtgevers van infrastructurele werken, bouwbedrijven, grote beheerders van infrastructuur) hebben een zwaardere plicht waar het betreft het informeren van de andere partij, het instellen van onderzoeken en het overwegen van alternatieven. Het principe dat de partij die eist ook moet bewijzen geldt altijd maar in de praktijk wordt deze bewijsplicht door de rechter aanzienlijk lichter gewogen, zeker als de deskundige partijen zich weinig zorgvuldig hebben opgesteld. In het ruimtelijk spoor is het kader de Wet ruimtelijke ordening. Daarom dienen voor het aspect trillingen bestemmingen ruimtelijk zorgvuldig te worden gescheiden.

Verder is de jurisprudentie met betrekking tot meetrichtlijnen en normstelling van belang. In de gebruiksfase van de infrastructuur is de SBR B richtlijn "hinder voor personen in gebouwen" als normstelling te hanteren. Ook is de SBR A richtlijn "schade aan gebouwen" als normstelling te hanteren met betrekking tot de aanlegfase. De beoordelingssystematiek in de SBR B richtlijn "hinder voor personen in gebouwen" kent streefwaarden. 4.9.1

Toetsing en conclusie

Om inzicht te krijgen in het trillingsrisico is trillingsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 4. Uit de trillingsmetingen in de bodem op veld A, de overdrachtsmetingen aan TSH en daarop gebaseerde prognose wordt geconcludeerd dat het huidige spoorgebruik niet tot trillinghinder hoeft te leiden in de woontoren en het appartementenblok op Lichthoven C en D. Voorwaarde hiervoor is wel dat tenminste woontoren blok C wordt voorzien van een betonnen draagconstructie en vloeren met een zodanige stijfheid dat de laagste buig-eigenfrequentie tenminste 12 Hz bedraagt. De trillingssterkten tijdens goederentreinpassages zijn dan hooguit licht voelbaar en voldoen naar verwachting aan de streefwaarden uit de SBR-B voor woonfunctie. Voor appartementenblock D is de keuze voor de draagconstructie iets minder kritisch, maar wordt geadviseerd om eveneens een betonnen draagconstructie toe te passen. Daarnaast blijft het van belang om stijve woningvloeren toe te passen met een laagste buig-eigenfrequentie van 12 Hz om versterking van spoortrillingen in het dominante frequentiegebied van 4 tot 10 Hz te voorkomen. In het ontwerp wordt hier rekening gehouden. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

96

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 5

5.1

Waterparagraaf

Inleiding

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium een plaats te geven in het besluitvormingsproces voor ruimtelijke plannen. Daarin zijn zowel de actuele waterhuishouding in het plangebied beschreven als de watereisen waaraan ontwikkelingen (binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan) moeten voldoen. Ruimtelijke plannen moeten onder meer worden getoetst aan het criterium "hydrologisch neutraal" conform het landelijke en lokale waterbeleid. Met het bestemmingsplan Lichthoven fase 1 (kavels C en D) worden binnen het plangebied ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het planvoornemen voorziet per saldo echter niet in de toename van verhard oppervlak. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder b en c van het Besluit ruimtelijke ordening.

5.2

Beleid

5.2.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet regelt het beheer van oppervlakte- en grondwater en is gericht op de samenhang met de ruimtelijke ordening. De wet kent een vergunningstelsel (watervergunning).

5.2.1.1 Nationaal Waterplan 2016 - 2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken. 5.2.2

Provinciaal beleid

5.2.2.1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (hierna: PMWP) is op 18 december 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. Het plan staat voor het samen werken aan een provincie waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving en waarin de zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving centraal staat. De agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het PMWP integreert de milieu- en de wateropgave en het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Behalve het PMWP is er een provinciaal natuurbeleidsplan (Brabant Uitnodigend Groen), een energieplan (Energieagenda) en is er beleid om de Brabantse agrofoodsector duurzaam te maken (Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood). Het PMWP vult deze plannen aan daar waar er grote raakvlakken zijn met het milieu- en waterbeleid. Op deze manier wordt gewerkt aan een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving.

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

97

Wettelijke taken De wettelijke taken op het gebied van milieu en water worden zorgvuldig uitgevoerd. Voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen het omgevingsrecht besteedt de provincie de uitvoering van taken uit aan de drie Brabantse omgevingsdiensten. De gemeente Eindhoven valt onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Oost Brabant (ODZOB). Afstemming vindt plaats in het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht. De provincie bereid zich voor op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Integrale en gezamenlijke aanpak Provincie en partners blijven samenwerken (lokaal, regionaal, nationaal en internationaal). De provinciale rol hangt af van het onderwerp en van de onzekerheid die er is over doel en route. De provincie werkt waar mogelijk gebiedsgericht samen en dat moet uiteindelijk vanzelfsprekend worden. Daarbij worden alle belangen zoveel mogelijk meegenomen. De provincie nodigt de Brabantse partners (gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders, bedrijven en maatschappelijke organisaties) uit om een gezamenlijke klimaatagenda voor Brabant op te stellen. De provincie heeft daarbij de rol van kennismakelaar en verbinder (integratie van projecten en uitrol van goede voorbeelden. In de klimaatagenda worden gezamenlijke ambities en maatregelen vastgelegd. Ook op Europees niveau blijft de provincie samenwerken aan de milieu- en wateropgaven. Bij grote ruimtelijke en infrastructurele werken wordt gezocht naar oplossingen met minder milieueffecten, bijvoorbeeld door de hoogwaardige inzet van secundaire materialen. Groene inpassing krijgt veel aandacht. De gronden en provinciale wegen die bij de provincie in bezit zijn worden beheerd op een natuur- en milieuvriendelijke manier. De provincie brengt de duurzaamheidsaspecten van nieuwe grote projecten en programma's bij aanvang in beeld middels een duurzaamheidsscan.

De provincie gaat verder met het Programma DuurzaamDoor. Provincie en partners kijken samen wie welke rol kan oppakken bij het stimuleren van gedrag dat bijdraagt aan gezondheid, veiligheid en groene groei in relatie tot milieu en water.

5.2.3

Beleid Waterschap

5.2.3.1 Waterbeheerplan 'Waardevol Water' Waterschap de Dommel heeft op 29 september 2015 het Waterbeheerplan “Waardevol Water” vastgesteld. Dit strategisch document dat op 1 januari 2016 in werking getreden beschrijft de doelstellingen voor de periode 2016-2021 en op welke wijze zij die wil bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedbeheerplan de Dommel, het Nationaal en het Provinciaal Milieu- en Waterplan.

Dit plan biedt ruimte voor initiatieven van derden en speelt in op kansen die zich in het waterschapgebied voordoen, waarbij de in het plan beschreven doelen leidend zijn. In de projecten zelf worden de doelen van het Waterbeheerplan uitgewerkt in concrete maatregelen. Het waterschap heeft de volgende uitgangspunten geformuleerd die richtinggevend zijn voor de plannen en oplossingen. Beekdalbenadering: ook al zijn de verschillen tussen stad en buitengebied groot toch maken zij deel uit van hetzelfde beekdal waar logische natuurwetten gelden. Door dit beekdal als groter geheel steeds voor ogen te houden, kan integraler en effectiever worden gewerkt. wel is samenwerking met andere overheden, waterpartners en inwoners daarbij essentieel. Water verbindt de stad met het buitgebied. De gebruiker centraal: de omgeving wordt op heel veel verschillende manieren gebruikt en de behoeften en belangen van de gebruikers veranderen continu. Ook de waarde van water verandert mee en daarop moet worden ingespeeld. Samen sterker: door samen te werken met andere overheden en waterpartners, boeren en bedrijven en door samen oplossingen te zoeken en uitvoering te geven wordt het meest 98

vastgesteld Lichthoven fase 1 (kavels C en D) Gemeente Eindhoven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12736102/2