Bijlage 1 - Was wordt tabel zestiende wijziging APV
Tekst van het document
1.5 Wijziging artikel 2:29 Sluitingstijden Het huidige artikel 2:29 voorziet in sluitingstijden voor openbare inrichtingen. Dit artikel bevat de gebieden in Eindhoven met de geldende sluitingstijden van daarin gevestigde openbare inrichtingen. Dit artikel leest niet makkelijk. Daarnaast brengt de inrichting van het huidige artikel met zich mee dat elke wijziging in gebied of sluitingstijd aan de raad dient te worden voorgelegd. Dit is niet praktisch. Daarom wordt voorgesteld om de sluitingstijden voor de betreffende gebieden neer te leggen in een aanwijzingsbesluit. Dit geeft de burgemeester de mogelijkheid om tussentijds gebieden op inhoud te wijzigen zonder dat er een wijziging van de APV voor nodig is. De raad kan indien noodzakelijk nader geïnformeerd worden middels een raadsinformatiebrief. Tegelijkertijd met deze wijziging zal een aanwijzingsbesluit worden voorgelegd aan de burgemeester door middel van een apart dossier. 1.6 Wijziging artikel 2:30 Aanwezigheid leidinggevende In artikel 2:30 lid 3 is bepaald dat als een persoon als leidinggevende moet worden bijgeschreven op de vergunning, de vergunninghouder dit moet melden aan de burgemeester. Daarbij is vergeten op te nemen dat dit ook dient te gebeuren indien een leidinggevende van de vergunning geschrapt moet worden. Dit wordt nu hersteld.
1.7 Wijziging artikel 2:34c Indeling paracommerciële rechtspersonen en 2:34 j Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van verzorgende aard In de Alcoholwet staat een limitatieve opsomming van wat er onder een paracommerciële rechtspersoon wordt vestaan: “Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf.” In de APV wordt onder paracommerciële rechtspersoon ook verstaan paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van verzorgende aard. Dit is strijdig met de limitatieve opsomming in de Alcoholwet. De artikelen 2:34c sub c en 2:34j dienen dan ook te worden geschrapt. Daarnaast vindt een vernummering van de artikel 2:34c sub d en e plaats naar respectievelijk 2:34c sub c en d. 1.8 Wijziging artikel 2:40a lid 5 24
Artikel 2:40a bepaalt dat de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer: a. openbare inrichtingen als bedoeld in artikel 2:27, b. inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf als bedoeld in artikel 2:35, c. speelgelegenheden als bedoeld in artikel 2:39, d. seksinrichtingen als bedoeld in artikel 3.1.1 en e. andere, voor het publiek openstaande ruimten of gebouwen of daarbij behorende erven, tijdelijke sluiting kan bevelen of bevelen dat daar tijdelijk bepaalde sluitingsuren gelden of dat daar te zijner beoordeling ter bescherming van die belangen of in verband met die bijzondere omstandigheden genoegzame maatregelen worden getroffen. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat de burgemeester een of meer openbare bekendmakingen van het bevel kan laten aanbrengen bij de toegang. Het is verboden dat te beletten of te belemmeren. De rechthebbende moet ervoor zorgen dat die daar tijdens de geldingsduur aanwezig blijven. Het vijfde lid wordt in lijn gebracht met artikel 2:80d (ondermijning) en het VNG model. Voorgesteld wordt om artikel 2:40a aan te passen als volgt: ‘’5. De burgemeester kan een of meer openbare bekendmakingen van het bevel laten aanbrengen bij de toegang. Het is verboden dat te beletten of te belemmeren.
De rechthebbende moet ervoor zorgen dat die daar tijdens de geldingsduur aanwezig blijven.’’ 1.9 Wijziging artikel 2:48 en de artikelen 2:48a-d Glazen drinkgerei of (wegwerp)plastic Artikel 2:48, eerste lid bepaalt dat het verboden is om op een openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke of drinkgerei van welke aard dan ook met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, als dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins overlast veroorzaken. Gebleken is dat handhaving van artikel 2:48 lid 1 lastig is, vanwege de bewijslast ten aanzien van het nuttigen van alcoholhoudende drank op een openbare plaats. Voorgesteld wordt dan ook om dit artikel uit te breiden met “te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke of drinkgerei van welke aard dan ook met alcoholhoudende drank bij zich te hebben’’. Tevens wordt voorgesteld om het vierde lid van dit artikel te schrappen, omdat dit al geregeld wordt in het nieuw voorgestelde artikel 2:48a. De oorspronkelijke artikelen 2:48a, 2:48b, 2:48c en 2:48d worden geïntegreerd in één helder artikel, waardoor de regels meer uniform en samenhangend zijn gemaakt.
De bepalingen uit de oorspronkelijke artikelen zijn samengebracht in één artikel, waardoor de regels over gevaarlijk drinkgerei en verpakkingen minder versnipperd zijn. Dit maakt de APV toegankelijker voor zowel burgers als handhavers. De oude bepalingen hadden herhalingen, zoals verboden op het verstrekken van glas, blik en wegwerpplastic op verschillende locaties. Deze zijn nu eenduidig geformuleerd per doelgroep (horeca, detailhandel, openbare ruimte). De nieuwe formulering voorkomt strijdigheid met hogere wetgeving, zoals de SUP-richtlijn, die wegwerpplastic voor consumptie ter plaatse al verbiedt. De Alcoholwet (artikel 35) regelt al de verstrekking voor consumptie elders dan ter plaatse, waardoor het niet nodig is om in de APV een apart verbod op wegwerpplastic hiervoor op te nemen. Een aparte verbodsbepaling voor de verstrekking van alcohol voor gebruik elders dan ter plaatse is niet noodzakelijk, aangezien lid 3 al bepaalt dat de verkoop van drank in blik in aangewezen periodes en gebieden verboden is.
25
Detailhandel en standplaatsen worden expliciet benoemd. Eerder lag de focus vooral op horeca, nu zijn ook winkels/slijterijen en standplaatsen meegenomen. Tenslotte worden terrasuitzonderingen explicieter geformuleerd. Horecaterrassen binnen de inrichting blijven buiten het verbod, behalve als de burgemeester anders bepaalt. 1.10 Wijziging artikel 2:52 c Aanbieden van deelvoertuigen op of aan de weg of het openbaar water Wijziging artikel 2:52c inzake deelmobiliteit Door de wijziging van dit artikel wordt een concessie voor deeltweewielers gerealiseerd. Met deeltweewielers bedoelen we de “normale” fiets, e-bikes, scooters, en deelbakfietsen. Deelmobiliteit is een van de speerpunten van het Masterplan Mobilteit 2050, om de stad leefbaar en bereikbaar te houden. Hierover is afgesproken dat we toewerken naar een stadsbreed dekkend netwerk van mobiliteitshubs met deelmobiliteit. We streven er hiermee naar om deelmobiliteit een zichtbare en herkenbare plek te geven en te zorgen voor een betrouwbaar aanbod. Door het delen van mobiliteit winnen we ruimte en bieden we inwoners en bezoekers een betaalbaar mobiliteitsalternatief. Momenteel werkt Eindhoven met vergunningen voor het aanbod van deeltweewielers in de stad. Er zijn momenteel drie aanbieders actief met in totaal ca. 2100 voertuigen. Per 1 december 2025 lopen deze vergunningen af.
Daarom is dit het moment om een andere samenwerkingsvorm met de markt te overwegen. Het vertrek van Go Sharing (e-bikes en scooters) vorig jaar, het faillissement van Cargoroo (bakfietsen), maar ook de ervaring die Eindhoven met vergunningen heeft, laat zien dat de markt middels een vergunningensysteem (nog) niet kan bieden wat maatschappelijk wenselijk is. Het aanbod wordt niet gegarandeerd in de hele stad, de kwaliteit van de voertuigen laat regelmatig te wensen over, en de ritprijzen zijn vaak zodanig dat het niet voor iedereen betaalbaar is. Om deelmobiliteit uit te laten groeien tot een serieus onderdeel van ons mobiliteitssysteem is meer nodig. Eindhoven zoekt een partnership met de markt waarin we samen ontwikkelen en werken aan een betaalbaar, betrouwbaar en beschikbaar aanbod deeltweewielers. Met lagere tarieven en met een stadsbreed aanbod van verschillende type voertuigen in onze hubs op loopafstand. Waar je ook bent in de stad en waar je ook naartoe moet. Met verbindingen naar de andere gemeenten in de Brainportregio. En met een betrouwbaar aanbod, een herkenbaar merk van hoogwaardige kwaliteit, waar onze inwoners en bezoekers van op aan kunnen. Het organiseren van een concessie voor deeltweewielers in de gemeente is een manier om meer sturing uit te oefenen op de aanbieder(s).
In een concessie krijgt een partij het alleenrecht op exploitatie van een bepaalde dienst. Het college heeft de raad hierover middels collegebrief reeds geïnformeerd (B&W:15 april 2025/collegebrief raad:16 april 2025) Voordelen van een concessie Het organiseren van een concessie voor deeltweewielers in de gemeente is een manier om meer sturing uit te oefenen op de aanbieder(s). In een concessie krijgt een partij het alleenrecht op exploitatie van een bepaalde dienst. We zien een aantal voordelen in het werken met een concessie: • We bieden meer perspectief aan de markt doordat we voor langere termijn afspraken maken. Hierdoor kunnen we ook meer terugvragen aan de markt. Binnen een concessie kan een breed scala van eisen en wensen opgenomen worden. • Door deze schaalgrootte kan er een efficiëntere business-case worden opgetuigd. En daardoor duurzamer, waar nu diverse bedrijven door de stad rijden om de tweewielers te verplaatsen, brengen we dat terug naar één. • Aanbieders kunnen beoordeeld worden op zowel prijs als kwalitatieve criteria. Dit maakt dat de partijen aan de voorkant met elkaar moeten concurreren, dit verbetert het uiteindelijke aanbod. 26
• Binnen de concessie zijn er mogelijkheden om financiële middelen beschikbaar te stellen aan de concessiehouder. Zoals opgenomen in de kadernota. Dat helpt om de businesscase en het aanbod voor de gebruiker verder te verbeteren. • Een concessie biedt de mogelijkheid om te werken met ingroeimogelijkheden. Zo kan begonnen worden met de meest rendabele locaties in Eindhoven en vervolgens kan dit steeds verder uitgebreid worden, ook naar de regio. Speerpunten uit de concessie • We lopen voorop! Het is de eerste keer dat een concessie zoals deze voor een stad in Nederland wordt gerealiseerd. We toetsen onze ideeën daarom ook met de markt. Op 18 maart jl. Hebben we tijdens de marktverkenning een eerste toets gehad. Er werd met veel enthousiasme gereageerd op onze plannen door de acht aanwezige deelvervoeraanbieders. • Samen leren en verder ontwikkelen: Het opgenomen bedrag in de Kadernota gebruiken we om aan de knoppen te draaien van ‘betaalbaarheid, beschikbaarheid en betrouwbaarheid’. We gaan een partnership aan waarin we na drie jaar evalueren en desnoods kunnen stoppen als het niet aan onze ambities voldoet. Deze ontwikkelruimte biedt volop mogelijkheden om te experimenteren, samen te leren en het systeem gezamenlijk verder te ontwikkelen.
• De “Brainportfiets”: Kans om een sterk deelmobiliteitsconcept neer te zetten met ons eigen unieke en herkenbare beeldmerk voor Eindhoven en regio. We verkennen de mogelijkheden hierin. • Nadrukkelijk aandacht voor de “normale fiets”, zonder trapondersteuning, ook wel spiergedreven fiets genoemd. Hiermee maken we het aanbod betaalbaarder en gezonder. • Betaalbaardere tarieven: De tarieven voor het gebruik van deelmobiliteit moeten meer in balans zijn met andere vervoeropties, zodat deelmobiliteit beschikbaar wordt voor een grotere groep Eindhovenaren. Daarnaast verkennen we ook of een tariefstructuur kunnen hanteren waarbij een vast bedrag wordt gerekend voor een bepaalde tijdsperiode, in plaats van betalen per minuut. Dit heeft een positief effect op de verkeersveiligheid. • Kansen voor inzet van ons werkleerbedrijf Ergon. We zien mogelijkheden voor Ergon in een rol in de serviceverlening van de deeltweewielers, zoals onderhoud van de voertuigen, herverdeling van voertuigen, batterijwissels, en reageren op klachten en meldingen. Ook Ergon reageert enthousiast op dit concept. • Deelmobiliteit in de Brainportregio: we bouwen de mogelijkheid voor regiogemeenten in om later in te stappen om zo het netwerk verder uit te breiden in de regio. Een aantal regiogemeenten heeft hier al enthousiast op gereageerd. Gezien het krappe tijdspad moeten we wel aan eigen planning vasthouden.
Wel zullen we opnemen dat per ingang van de concessie het toegestaan is dat voertuigen over de gemeentegrens gaan, net zoals nu ook met de vergunningen het geval is. Dit artikel treedt in werking per 1 december 2025 (afloopmoment vergunningen).
1.11 Toevoeging artikelen 2:80 t/m 2:80e Ondermijning Deze artikelen geven de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen. De burgemeester kan deze bevoegdheid inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde, veiligheid of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat vanuit een gebouw, een branche of in een gebied. Daarom wordt het ook wel de ‘ondermijningsvergunning’ genoemd. Aangezien deze bevoegdheid ingrijpt in de mogelijkheid om zonder een vergunning een bedrijf te kunnen vestigen en tevens de rechtszekerheid dient te 27
worden gewaarborgd voor ondernemers die al voor de aanwijzing een bedrijf ter plaatse exploiteren zal toepassing van deze bevoegdheid alleen mogelijk zijn als dit naar het oordeel van de burgemeester noodzakelijk is. Uit de jurisprudentie volgt dat het juridisch-technisch mogelijk is om de vergunningplicht bij een onveilig en malafide ondernemersklimaat in te zetten, maar dat de inzet van deze bevoegdheid bij het aanwijzingsbesluit wel goed moet worden gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de uitoefening van een bedrijf in de regel kwalificeert als het verrichten van een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. Op een vergunningstelsel dat de uitoefening van dienstenactiviteiten reguleert, heeft artikel 9 van de Dienstenrichtlijn betrekking. Dit betekent dat de burgemeester dient te onderbouwen dat een aanwijzingsbesluit tot het onderwerpen van dienstverrichters aan een vergunningstelsel een gerechtvaardigde beperking van het vrij verrichten van diensten inhoudt (de openbare orde en veiligheid zijn een dwingende reden van algemeen belang), niet discriminatoir en doelmatig is en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt (de maatregel is geschikt, noodzakelijk en evenredig). Zie bijvoorbeeld ABRvS 03-03-2021, ECLI:NL:RVS:2021:461 (Autoverhuurbranche Tilburg). Voor de aanwijzing van een gebied, straat of gebouw bestaan geen beperkingen.
Indien daartoe de noodzaak aanwezig wordt geacht kan de burgemeester dus ook de hele gemeente aanwijzen als een gebied waarvoor een vergunningplicht geldt. Daarmee kan de bevoegdheid ook voor bepaalde branches worden gebruikt. Van de mogelijkheid om een vergunningplicht te introduceren gaat bovendien een preventieve werking uit. Het draagt bij aan het aantrekken van bonafide ondernemers en het weren van malafide ondernemers. Pandeigenaren worden gestimuleerd hun verantwoordelijkheid te nemen om bonafide ondernemers in hun panden te vestigen. Zo dragen de artikelen niet alleen bij aan het terugdringen van ondermijning, maar ook aan het vergroten van bewustwording en weerbaarheid van de maatschappij en een gezond ondernemersklimaat. Het is een manier om positieve en welwillende krachten te mobiliseren. Artikel 2:80 Exploitatieplicht: Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Lid 1: In dit lid worden in het artikel veel voorkomende begrippen omschreven. Bij de uitoefening van een bedrijfsmatige activiteit gaat het om bedrijfsmatige activiteiten in voor het publiek openstaande gebouwen of op daarbij behorende erven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven.
Als bedrijfsmatige activiteit wordt niet aangemerkt (de uitoefening van) een slijtersbedrijf, horecabedrijf of andere openbare inrichting of een seksbedrijf, waarvoor al een vergunningplicht geldt op grond van artikel 3 van de Alcoholwet, respectievelijk artikel [2:28] of artikel [3.2.1.] van de APV. Bij die vergunningaanvragen vindt al een vergelijkbare toetsing plaats. Ook de weigerings- en intrekkingsgronden zijn vergelijkbaar. In voorkomend geval kan sluiting plaatsvinden op basis van andere artikelen; zie artikel 2:40a. Het begrip ‘bedrijfsmatig’ moet worden vastgesteld aan de hand van de feitelijke situatie. Daarbij zal bijvoorbeeld worden gekeken naar de vraag of er personen werkzaam zijn, er reclame wordt gemaakt voor de werkzaamheden, er sprake is van een KvK-inschrijving en of er bijvoorbeeld derden betrokken zijn bij de activiteiten. Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld. In het algemeen zal het zo
28
zijn dat wanneer iemand werkzaamheden uitvoert en deelneemt aan het economisch verkeer om daar voordeel uit te halen er sprake is van een bedrijfsmatige uitoefening. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van het begrip exploitant is aansluiting gezocht bij hoofdstuk 3. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. Lid 2 : De systematiek van dit artikel gaat uit van een gebouw-, gebieds- of branchegerichte vergunningplicht. Hiermee kan maatwerk in de stad geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De burgemeester wijst een bedrijfsmatige activiteit en gebouw of gebied uitsluitend aan als naar zijn oordeel de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan.
Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche, gebouw of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren. Het belang van de verbetering van de situatie kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen gebouw verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De vergunning wordt op grond van artikel 1:.7 APV verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit. Als sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaald(e) branche, gebouw of gebied kan op grond van het APV-artikel een vergunningplicht voor een branche, gebouw of gebied worden ingevoerd. Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben. Het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan echter ook de gehele gemeente beslaan.
Bij aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid of leefbaarheid gereguleerd moeten worden. Lid 3: In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Een vergunning is vereist, ook als het gaat om een wijziging. Zo zal onder andere een nieuwe vergunning aangevraagd moeten worden als de bedrijfsmatige activiteit verandert, de ondernemingsvorm wijzigt of als er sprake is van een nieuwe ondernemer of bestuurder. Artikel 2:80a Aanvragen exploitatievergunning 29
Lid 1: Om een aanvraag om vergunning te kunnen beoordelen is het van belang dat de aanvrager de nodige gegevens en bescheiden verschaft (zie ook de artikelen 4:2 tot en met 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht). Gegevens met betrekking tot de exploitant zijn onder andere relevant in verband met de eisen die ten aanzien van deze personen worden gesteld, het feit dat de vergunning persoonsgebonden is en niet verleend kan worden aan personen die niet voldoen aan de verblijfsrechtelijke toets zoals vereist op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen. Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken. Dat vloeit voort uit artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb. Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigerings- en beoordelingsgronden van de aangevraagde vergunning. Lid 2: De algemene weigeringsgronden staan vermeld in artikel 1:8 APV. In het tweede lid van artikel 2:80a staan de specifieke weigeringsgronden vermeld. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling 58 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3.
Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Sub a leefbaarheid Behalve de mogelijkheid om de vergunning te weigeren, in te trekken of voorschriften te verbinden in het belang van de openbare orde en veiligheid is dit ook mogelijk in het belang van de leefbaarheid. Hiermee wordt het woon- en leefklimaat bedoeld, waartoe ook het ondernemersklimaat behoort. Het belang van de leefbaarheid sluit aan bij de vaak onzichtbare, maar toch ontwrichtende effecten van ondermijnende activiteiten op de samenleving. Zo kan het zijn dat bedrijven die als dekmantel fungeren voor criminele activiteiten niet direct voor zichtbare of concrete openbare orde problemen zorgen, terwijl hun aanwezigheid wel een negatieve invloed heeft op de leefbaarheid in de buurt, wijk of omgeving. Die negatieve invloed wordt dan merkbaar als bonafide bedrijven wegtrekken of zich daar niet meer willen vestigen, het aantal malafide ondernemingen toeneemt, bewoners verhuizen zodra zij de kans krijgen, en dergelijke. Het hierboven omschreven criterium ‘Leefbaarheid’ kan nooit een criterium op zich zijn. Sub b levensgedrag Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de Alcoholwet, de Beleidsregel beoordeling levensgedrag Eindhoven 2023, en de jurisprudentie hierover.
Deze reikwijdte wordt – met betrekking tot dit artikel - begrensd door de mate van relevantie met de ontplooide of te ontplooien bedrijfsmatige activiteit. Dit betekent dat bij de beoordeling van levensgedrag een gedraging, die op zichzelf beschouwd zou kunnen getuigen van ‘slecht levensgedrag’, meeweegt, als die gedraging ook in relatie tot of relevant is voor het bedrijf of de exploitatie van het bedrijf (samenhangcriterium). De persoon van de exploitant en beheerder is van belang voor de wijze van exploitatie van het bedrijf. Om die reden mag deze niet van slecht levensgedrag zijn. Gedragingen die in ieder geval meegenomen worden in de beoordeling van het levensgedrag zijn: betrokkenheid bij geweldsdelicten, witwaspraktijken, drugsdelicten (zoals productie, transport of handel), mensenhandel, uitbuiting, 30
verduistering, illegale prostitutie, fraude, illegaal gokken, faciliteren criminaliteit, wapendelicten (zoals illegaal wapenbezit, -transport of –handel), heling. Ook eerdere weigering van een vergunning vanwege levensgedrag of andere bestuurlijke maatregelen waarbij sprake is van verwijtbaarheid zullen worden betrokken bij de beoordeling ten aanzien van het levensgedrag. In eerste instantie worden in de beoordeling omtrent het levensgedrag gedragingen en veroordelingen meegenomen die in een periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit op een aanvraag om vergunning hebben plaatsgevonden. Gedragingen en veroordelingen buiten deze periode worden slechts in de beoordeling betrokken als de hoeveelheid en/of de aard daartoe aanleiding geven. Dit om te voorkomen dat iemand eindeloos wordt achtervolgd door in het verleden gemaakte fouten. Het niet nakomen van de verplichtingen uit dit artikel of de vergunningsvoorschriften kan reden zijn om de vergunning in te trekken. Sub d in lid 5 is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de aanvraag is vermeld. Dit geldt ook voor situaties waarin sprake is van wijziging van beheerder(s). Om de beheerderslijst actueel te houden, moeten wijzigingen bij de burgemeester worden gemeld.
Dit geldt in het bijzonder voor nieuwe beheerders van wie getoetst moet worden of zij aan de eisen voldoen voordat zij op (het aanhangsel bij) de vergunning kunnen worden bijgeschreven. Zijn beheerders niet aangemeld, dan kan dit reden zijn om de vergunning te weigeren of in te trekken. In het uiterste geval kan dit leiden tot sluiting. Naast deze redenen om een vergunning te weigeren, dan wel in te trekken of hieraan voorschriften te verbinden is dit ook mogelijk op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (art. 3 jo. art. 7 Wet Bibob). Het Bureau Bibob kan om een advies worden gevraagd (art. 9 Wet Bibob). Artikel 2:80b Wijzigen exploitatievergunning Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezette bedrijfsmatige activiteit, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook als slechts een van de exploitanten stopt.
Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden als de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen. Artikel 2:80c Intrekken exploitatievergunning De algemene intrekkings- of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 1:6. In artikel 2:80c staan de specifieke intrekkings- en wijzigingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling 8 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Als de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Onderdeel f is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan als de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld. 31
Artikel 2:80d Sluiten van het pand Artikel 2:40a biedt de mogelijkheid overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Artikel 2:80 bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid wanneer sprake is van een vergunningplicht. Het toetsingskader voor sluiting is anders dan voor een vergunning. Als een sluiting op grond van artikel 2:40a in dezelfde situatie leidt tot het aanwijzen als vergunningplichtig, gevolgd door een weigering van de vergunning, dient de burgemeester ervoor te waken dat het oordeel over de vergunning niet vermengd raakt met het oordeel over de sluiting. Een besluit tot sluiting biedt de mogelijkheid tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 Awb als het besluit niet wordt opgevolgd. Toepassen van bestuursdwang is een herstelsanctie en is gericht op het beëindigen van de gedragingen. Artikel 2:80d Sluiten van het pand Lid 1 t/m 4; Naast de bekendmaking aan belanghebbende wordt ter plaatse een afschrift van het besluit tot sluiting aangebracht. Zo is voor eenieder voldoende kenbaar dat gedurende de sluiting niemand het gebouw of daarbij behorende erf zonder toestemming van de burgemeester mag betreden. Het is verboden dat afschrift te verwijderen. Lid 5: Dit lid biedt de burgemeester de mogelijkheid om een sluiting op te heffen.
De burgemeester zal daartoe in de regel alleen overgaan op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand gewaarborgd zijn. Hiervan is geen sprake als er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de situatie die heeft geleid tot een sluiting. Artikel 2:80e Overige bepalingen Lid 1: De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in het aangewezen gebied uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken.
Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat met name gelet op de openbare orde en veiligheid er een dwingende reden van algemeen belang is en de gestelde eisen ook evenredig (geschikt en noodzakelijk) zijn, zodat het stelsel en de voorwaarden gerechtvaardigd zijn. Lid 2: De openbare orde en veiligheid vormt een reden om van een lex silencio positivo af te zien. Vanwege het belang waarvoor de vergunningplicht in het leven wordt geroepen (de leefbaarheid, openbare orde en veiligheid) is het onwenselijk als een vergunning zou ontstaan door enkel tijdsverloop. Dit betekent 32
niet dat een beslissing op een aanvraag oneindig uitgesteld kan worden. Voor aanvragen om vergunning geldt de beslistermijn van artikel 1:2 van deze verordening. Die beslistermijn kan opgeschort worden als de Wet Bibob wordt toegepast en een advies bij het Landelijk Bureau Bibob wordt gevraagd. De beslistermijn wordt ook opgeschort als de aanvraag niet compleet is. De aanvrager krijgt dan de gelegenheid om dit aan te vullen. 1.12 Wijziging artikel 4:3 tijden vrijstelling van de geluidsnormen De Wim van Doorne Muziekkiosk in het Stadswandelpark is al sinds 1990 een laagdrempelig openluchtpodium dat een belangrijke culturele en sociale functie vervult in Eindhoven. Jaarlijks vinden hier van mei tot en met oktober meerdere gratis toegankelijke muziekconcerten plaats, met name op zondagmiddagen. De programmering – gericht op amateurmusici zoals koren, orkesten en muziekgezelschappen – draagt bij aan de zichtbaarheid van cultuur in de openbare ruimte en sluit aan bij de stedelijke ambitie om cultuur toegankelijk te maken voor iedere Eindhovenaar. Muziek is geen nevenactiviteit maar de kern van de bedrijfsvoering van de kiosk. Daardoor wordt structureel geluid geproduceerd, waarvoor onder het Omgevingsplan momenteel slechts vijf ontheffingen per jaar kunnen worden verleend. In de praktijk vinden echter jaarlijks meerdere concertdagen plaats.
Hierdoor ontstaat een structureel spanningsveld tussen de maatschappelijke functie van de kiosk en de geldende geluidsnormen. Om deze waardevolle concerttraditie te behouden én in overeenstemming te brengen met de regelgeving, wordt voorgesteld het aantal toegestane geluidsontheffingen voor deze locatie te verruimen naar maximaal twaalf per jaar. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in geluidsniveaus: vijf keer mag het reguliere niveau (70 dB(A)/85 dB(C)) worden benut; zeven keer geldt een verlaagd niveau (60 dB(A)/75 dB(C)) gedurende één dagdeel. Met deze wijziging wordt toenadering gezocht bij de bestaande situatie en ontstaat een werkbaar kader dat recht doet aan zowel de leefkwaliteit in de omgeving als het culturele belang van de kiosk voor de stad. 1.13 Wijziging artikel 5:18 APV Standplaatsen Artikel 5:18 lid 4 bepaalt dat burgemeester en wethouders in uitzonderlijke gevallen van het in het eerste lid vermelde verbod ontheffing kunnen verlenen. De zinssnede “in uitzonderlijke gevallen” wordt geschrapt omdat dit de indruk wekt dat het incidenteel gebeurt, terwijl dit structureel gebeurd. ============================================================================== ==============================================================================
33