CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting Verordening VHO Eindhoven 27 november 2020

Raadsvergadering 16 maart 2021, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Herziening Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs gemeente Eindhoven 202120.756 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

TOELICHTING ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke nevenvestiging, dislocatie). Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die door het bevoegd gezag (het schoolbestuur) bij het college kunnen worden aangevraagd. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting onderwijs worden aangevraagd. In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om aanvullende voor bekostiging in aanmerking komende zaken te bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen uitgaven mogen doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan op grond van de wet (artikel 6 van de WPO en WEC en artikel 77 van de WVO). Dat is nader uitgewerkt in artikel 3 van de Verordening. Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen: 1° Het begrip nieuwbouw omvat de realisatie van een nieuw schoolgebouw voor een school die nog niet eerder is bekostigd.

2° Transformatie is ingegeven door de wens bestaande schoolgebouwen (gedeeltelijk) te behouden. Daaraan kunnen overwegingen ten aanzien van duurzaamheid, monumentale en/of beeldbepalende status etc. ten grondslag liggen. 3° Vervangende nieuwbouw vervangt (geheel of gedeeltelijk) een bestaand schoolgebouw, al dan niet op dezelfde locatie. 4° Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op de school. Het bevoegd gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding in aanmerking als wordt voldaan aan de in bijlage I opgenomen criteria (noodzaak van de voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde. 5° Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen en het college een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om een onderwijsgebouw dat geheel of gedeeltelijk leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft, maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij

definitief d.d. 27 november 2020

1|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

ingebruikgeving van een onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de betreffende school. Een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor het huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs. Het in gebruik geven van een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie 9°. 6° Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het algemeen tijdelijke huisvesting die in semipermanente gebouwen is gerealiseerd. 7° Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van de voorgenomen investering en de oppervlakte van het terrein. 8° Onderwijsleerpakket en meubilair resp. leer- en hulpmiddelen en meubilair wordt in principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs wordt toegekend.

Een uitzondering is de situatie dat het college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat een grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf de start van de school. In die situatie heeft het bevoegd gezag nog aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij toename van het aantal leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt geen eerste inrichting toegekend omdat het bevoegd gezag in het verleden al bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen. Zie verder de toelichting in bijlage III, deel C. 9° Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is, niet nodig heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik is uitsluitend mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is ingeroosterd. Onderdeel b. Herstel van constructiefouten Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand is gekomen.

Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert kan voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 17 e.v.) worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt opgenomen op het programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen het door het college vastgestelde bekostigingsplafond.

definitief d.d. 27 november 2020

2|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

Onderdeel c. Herstel in verband met schade In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de Verordening niet verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het college kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen verzekering afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college. Onderdeel d. Huur van een sportveld Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor voortgezet onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder B.4 en bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van een sportveld voor buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over een eigen sportveld en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke middelen gerealiseerd sportveld. Artikel 3.

Bekostiging in onderhoud en aanpassing lokaal bewegingsonderwijs, bouwvoorbereiding en overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken In artikel 3 zijn een aantal voor bekostiging in aanmerking komende zaken opgenomen. De bekostiging bouwvoorbereiding kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat de investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van de feitelijke kosten. Doelstelling van de bekostiging bouwvoorbereiding is dat het bevoegd gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan. De bekostiging bouwvoorbereiding stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen. De beschikbaar gestelde bekostiging bouwvoorbereiding maakt onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal vastgestelde investeringskrediet. In een haalbaarheidsonderzoek worden zaken als locatie, samenvoeging, bouwkundige kwaliteit van een bestaand gebouw, etc. onderzocht. Ten aanzien van parkeervoorzieningen geldt dat deze op maaiveld op eigen terrein worden gerealiseerd. De kosten hiervoor zijn opgenomen in de (norm)bekostiging in bijlage IV van de Verordening.

Indien niet in voldoende mate voorzien kan worden in parkeren op eigen terrein, kan de gemeente ervoor kiezen extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte of een gebouwde parkeervoorziening op eigen terrein te bekostigen. Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van feitelijke kosten. De

definitief d.d. 27 november 2020

3|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

normbedragen voor de diverse voorzieningen die op basis daarvan worden bekostigd, zijn opgenomen in bijlage IV, deel B. Uitgangspunt van de ter beschikking gestelde vergoeding is dat deze taakstellend is. Indien het taakstellend budget toch wordt overschreden, komt de overschrijding voor rekening van het bevoegd gezag. Na oplevering van de voorziening legt het bevoegd gezag verantwoording af aan het college. Gedacht kan worden aan een gespecificeerde verantwoording met als bijlagen alle rekeningen die op het project betrekking hebben, of een accountantsverklaring. Uit de verantwoording moet blijken of de uitgaven stroken met het doel van de vergoeding. Tevens moet uit de verantwoording blijken of er sprake is geweest van een financieel voordeel. Als daarvan sprake is geweest, vloeit het voordeel terug naar de gemeente. Artikel 5. Informatieverstrekking Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is om de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de WPO, artikel 110 van de WEC en artikel 76w van de WVO). Het betreft de actuele gegevens, zoals: -

gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres bestuurder(s) en bankrekeningnummer);

-

gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres school, telefoonnummer);

-

bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;

-

naam contactpersoon;

-

medegebruik/verhuur.

Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening.

HOOFDSTUK 2. PROGRAMMA EN OVERZICHT Artikel 6. Indienen aanvraag Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Door te werken met een standaardformulier worden de gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een eenduidige wijze ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen. Omdat de gemeente gebruik maakt van een softwareapplicatie, kan dit ook een digitaal formulier zijn. Voor het overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht worden opgenomen de aanvragen die zijn ingediend voor het programma, maar niet worden gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPO, 94 van de WEC en 76c van de WVO en toelichting bij artikel 12). Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde gezagsorganen een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan, (IHP)) heeft vastgesteld moet een aanvraag definitief d.d. 27 november 2020

4|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

worden ingediend. De reden is dat de wetgever aan het IHP en het uitvoeringsprogramma (vooralsnog) geen juridische status heeft gegeven. Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag Lid 1 Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van bevoegd gezag en school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een leerlingenprognose en/of een bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de aanvraag een leerlingenprognose indient. Het college en het bevoegd gezag kunnen overeenkomen dat het college een leerlingenprognose opstelt voor een of meerdere onderwijssoorten en dat deze leerlingenprognose dan bepalend is als onderbouwing van de aanvraag. Een bevoegd gezag kan dan afzien van het laten opstellen van een leerlingenprognose. Ter vereenvoudiging van de aanvraagprocedure is onder ‘e’ opgenomen dat indien een voorziening is opgenomen in het tot het IHP behorende uitvoeringsprogramma dat inzake de onderbouwing van de noodzaak en omvang kan worden verwezen naar het uitvoeringsprogramma.

Lid 2 Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet stellen, als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de hersteldatum niet volledig dan besluit het college de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing. Lid 3 Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze gegevens aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Omdat de ingediende aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2022 is opgenomen het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober 2020), moet het college tijdig beschikken over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van 1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld.

Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste gegevens ook daadwerkelijk noodzakelijk is. De in het derde lid opgenomen termijn is een fatale termijn. Dit betekent dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn ontvangen het college besluit om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.

definitief d.d. 27 november 2020

5|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een overzicht beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan aanvragen, zowel vanuit het bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of deze aanvragen al of niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat vooraf aan het beoordelen van de aanvragen. Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting Lid 1 De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete aanvragen te bespreken voordat het programma wordt voorgelegd aan het bestuurlijk overleg (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt voorkomen dat het bestuurlijk overleg onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de aanvragen. Lid 2 Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na het beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming op een of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg plaats met het bevoegd gezag.

Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten die in het kader van het vast te stellen programma worden toegekend. Het college moet in de beschikking wel motiveren waarom op het programma is afgeweken van het bedrag dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is overlegd. Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad Lid 1-4 Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt vastgesteld, overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het vaststellen of wijzigen van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de WPO, artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO) is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met alle bevoegde gezagsorganen. In plaats van een overleg met alle bevoegde gezagsorganen kan het college besluiten het overleg in te richten per onderwijssector (primair, (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs). Het overleg over de voorzieningen huisvesting onderwijs kan ook ingebed worden in een breder gestructureerd overleg in het kader van het lokaal onderwijsbeleid. Het staat de aanvrager die niet aan het overleg deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken.

Degenen die wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de hoogte zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in het overleg eventueel op kunnen reageren.

definitief d.d. 27 november 2020

6|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

Lid 5-8 De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO, artikel 100, zesde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Zowel een bevoegd gezag als het college kan de Onderwijsraad advies vragen over het voornemen tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs. De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor het vragen van dit advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben op de relatie tussen het voorgenomen besluit tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Het college is in alle gevallen verplicht het verzoek om advies in te dienen bij de Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren. Daarnaast moet het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die de adviseur voor een goede vervulling van zijn taak nodig heeft (artikel 3:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van zijn oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen betrekken.

De Onderwijsraad brengt binnen vier weken (artikel 95 lid 9 van de WPO, artikel 93 lid 9 van de WEC en artikel 76f lid 9 WVO), nadat de Onderwijsraad alle noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het college zendt het advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de bevoegde gezagsorganen. Afhankelijk van het ontvangen advies kan het college besluiten een nieuw bestuurlijk overleg te organiseren. Indien het advies leidt tot een bijstelling van de voorgenomen inhoud van het programma, organiseert het college sowieso een nieuw bestuurlijk overleg. Wanneer het college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen daarvan vermeld in de motivering bij het programma en/of overzicht. Indien het college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad wordt de Onderwijsraad daarvan in kennis gesteld (artikel 3:43 van de Awb). Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de stukken die moeten leiden tot een besluit van het college. Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht Lid 2 Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen.

Het vaststellen van het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in dezelfde vergadering worden genomen als het besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht.1 Het bekostigingsplafond staat los van het totaal

1

LJN BG8296, Raad van State, 200803033/1.

definitief d.d. 27 november 2020

7|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

van het investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of alle aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden gehonoreerd. Het college kan een bekostigingsplafond per onderwijssector of per voorziening vaststellen. Achtergrond van deze mogelijkheid is te voorkomen dat één onderwijssector of één bepaalde voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor andere gewenste investeringen niet kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare investeringsbedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van de zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van een door de gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan of IHP/uitvoeringsprogramma. Lid 3 Uitgangspunt van de Verordening is dat het programma en, als dit noodzakelijk is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 december van het lopende kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale termijn. Wordt het programma en overzicht niet voor 31 december vastgesteld dan betekent dit niet dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor bekostiging in aanmerking komen.

Op grond van Artikel 6:2 van de Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het college niet tijdig een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om in deze situatie de procedure van bezwaar en beroep te volgen. Artikel 12. Bekend maken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht Artikel 95 van de WPO, 93 van de WEC en 76f van de WVO vermelden de criteria die het college moet hanteren bij het vaststellen van het programma voorziening huisvesting onderwijs. Het uitgangspunt voor het overzicht voorziening huisvesting onderwijs is opgenomen in artikel 96 van de WPO, 94 van de WEC en 76g van de WVO. In dit artikel wordt bepaald op welke wijze het besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht aan de bevoegde gezagsorganen wordt bekend gemaakt. Lid 1 De aanvragers ontvangen de collegebesluiten binnen een termijn van drie weken nadat het programma en overzicht zijn vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat de onderwijswetten bepalen (zie toelichting artikel 13, eerste lid) dat binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld overleg over de uitvoering van de voorziening moet plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43 van de Awb moet het college het besluit meedelen aan degenen die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Omdat het programma en overzicht onderdeel uitmaken van het bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan het vaststellen van het programma, is in de Verordening opgenomen dat het besluit aan de schoolbesturen wordt toegezonden.

definitief d.d. 27 november 2020

8|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

Lid 2 De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en overzicht is in de Verordening opgenomen dat de besluiten ter inzage worden gelegd. Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te komen tot het bekostigen van de voorziening. Door het maken van deze afspraken voorafgaande aan de start van de uitvoering van het project worden onduidelijkheden en misverstanden in het verdere uitvoeringstraject voorkomen. Lid 1 In artikel 95, achtste lid, van de WPO, artikel 93, achtste lid, van de WEC en artikel 76n van de WVO is opgenomen dat het college binnen vier weken met het betrokken bevoegd gezag in overleg treedt over de uitvoering van het programma. De in dit overleg gemaakte afspraken worden door het college in een verslag vastgelegd. De onderwerpen die besproken moeten worden zijn o.a.: a.

het bouwheerschap, met als uitgangspunt dat het bevoegd gezag optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel 103, eerste lid, van de WPO, artikel 101, eerste lid, van de WEC en artikel 76n, eerste lid, van de WVO). Het alternatief is dat het college de voorziening tot stand brengt (artikel 103, tweede lid, van de WPO, artikel 101, tweede lid, van de WEC en artikel 76n, tweede lid, van de WVO). In het overleg moet worden vastgesteld of van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt;

b.

het tijdstip heeft een relatie met artikel 14. Als bekend is wanneer de te toetsen stukken worden ingediend, kan daarmee rekening worden gehouden in de planning van de werkzaamheden van de gemeente;

c.

indien gekozen wordt voor een andere uitvoering, worden daarover vooraf afspraken gemaakt. Er kan bijvoorbeeld (zie toelichting art. 15) worden gedacht aan rechtstreekse betaling van facturen door de gemeente aan de opdrachtnemer in plaats van via het bevoegd gezag dat bouwheer is;

d.

het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte). Door het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het moment van het vaststellen van het programma en het aanvragen van de goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen, kan er aanleiding zijn dat het eerder genomen besluit moet worden herzien. In het overleg wordt vastgelegd of het college gebruik maakt van deze mogelijkheid, zodat het college, na ontvangst tot goedkeuring van het bouwplan en de kostenbegroting kan besluiten om de toegekende vergoeding te herzien;

e.

de wijze waarop voorkomen wordt dat wordt gebouwd voor leegstand. Dit volgt uit de motie M3 ‘Motie IHP Analyse per project’ van de gemeenteraad, aangenomen in de raadsvergadering van 29 november 2016. In de motie wordt het college opgeroepen een kleine maatschappelijke kosten baten analyse uit te voeren per project dat deel uitmaakt

definitief d.d. 27 november 2020

9|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

van het (uitvoeringsprogramma van het) integraal huisvestingsplan (IHP), waarbij tevens wordt getoetst op het uitgangspunt ‘niet bouwen voor leegstand’. Deze toetsing vindt ook plaats bij de beoordeling van de aanvraag van het bevoegd gezag, maar omdat er soms lange tijd tussen de beoordeling van de aanvraag en de feitelijke uitvoering zit, is ervoor gekozen om bij de start van het project nogmaals naar dit punt kijken. f.

voorafgaand aan de uitvoering worden afspraken gemaakt over de wijze waarop de gemeente op de hoogte wordt gehouden. Dat kan bijvoorbeeld door een rol in een projectorgaan of het ontvangen van (tussentijdse) faseresultaten;

g.

indien er een voorziening wordt gerealiseerd waarin ruimten zijn opgenomen die worden verhuurd of in gebruik worden gegeven aan derden, worden voorafgaand aan de uitvoering afspraken gemaakt over de wijze waarop het voor derden bestemde deel van de voorziening wordt gerealiseerd;

h. de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over de besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van verantwoording is grotendeels afhankelijk van de omvang het project (zie ook toelichting artikel 15); i.

de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende voorzieningen is de aanvrager op grond van aanbestedingswetgeving verplicht een aanbestedingsprocedure te volgen. Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan het bepaalde in de Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese regelgeving. In verband met het bepaalde in artikel 14 lid 3 worden in het overleg ook afspraken gemaakt over het gunningscriterium. Hiermee wordt bedoeld een keuze uit de gunningscriteria zoals beschreven in het tweede lid van artikel 2.114 van de Aanbestedingswet 2012. Vaststelling van subgunningscriteria hoeft geen onderdeel te zijn van de afspraken;

j.

in het overleg kunnen ook afspraken gemaakt worden over een exitscenario.

Lid 2 Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening, is bepaald dat de afspraken worden vastgelegd in een verslag. Lid 3 Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de wijze van uitvoering van de voorziening deelt het college dit mee aan het bevoegd gezag en vermeldt dat de bekostiging wordt opgeschort. Deze mededeling is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.

definitief d.d. 27 november 2020

10|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

Lid 5 De in het eerste lid opgenomen lijst is niet uitputtend. Het kan voorkomen dat het college en het bevoegd gezag ook over andere thema’s afspraken willen maken. Deze worden dan separaat overeen gekomen. Lid 6 Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden. Over het algemeen betreft het voorzieningen van geringe omvang en/of complexiteit, waarvoor in een eerder stadium al een offerte is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergen. Heeft het overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de aanvrager binnen vier weken bericht over het moment waarop de bekostiging een aanvang neemt. Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat het college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk plan naar het oordeel van college gezien de aard van de voorziening niet vereist is kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan de procedure van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, zesde lid).

Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit het college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de bekostiging. Basis voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes. Lid 1 Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO, artikel 101 van de WEC en artikel 76n van de WVO en heeft een relatie met artikel 13, eerste en tweede lid. Op basis van de daar gemaakte afspraken wordt het bouwplan en de kostenbegroting ingediend. Het college toetst, voordat het bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe ontwikkelingen en stelt het bedrag van de bekostiging vast. -

Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt bedoeld, staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van de bouwregelgeving, dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven beschikking.

-

De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd. Maakt het bevoegd gezag aanspraak op: -

de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal getoetst, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het normbedrag en het college geen hoger bedrag dan het normbedrag beschikbaar stelt;

-

de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een inhoudelijke toetsing van de begroting plaats. De kostenbegroting die was ingediend bij de aanvraag voor het

definitief d.d. 27 november 2020

11|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

programma was namelijk een eerste raming van de kosten. Deze begroting had toen als functie te komen tot het vaststellen van een bedrag als onderdeel voor het vaststellen van het programma. Gelet op het tijdsverloop tussen het ontvangen van de aanvraag en het besluit tot het vaststellen van het programma kan het definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van de begroting die is ontvangen als onderdeel van de ingediende aanvraag voor het programma. Nadat het college heeft ingestemd met de bouwplannen en begrotingen, worden de offertes aan het college voorgelegd. Vervolgens beslist het college over de definitieve hoogte van de bekostiging. Het voorleggen van de offertes kan achterwege blijven indien de best passende offerte niet leidt tot overschrijding van de begroting (zie lid 4). Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk moment het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee de bekostiging. Lid 2 De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college niet binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde goedkeuring te zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. De fatale termijn is noodzakelijk met het oog op een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en de duidelijkheid richting aanvrager.

Gelijktijdig met het goedkeuren van het bouwplan en begroting stelt het college het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO, artikel 97, eerste lid, van de WEC en artikel 76j van de WVO. Lid 3 Indien het college heeft besloten dat de instemming met de bouwplannen en de begrotingen achterwege kan blijven (zie artikel 13 lid 6), overlegt de aanvrager de uitgebrachte offertes. Lid 4 Indien bouwplannen en begrotingen wel zijn voorgelegd aan het college en het college hiermee heeft ingestemd, hoeven de uitgebrachte offertes niet ter instemming aan het college te worden voorgelegd tenzij de offertes de begroting overschrijden. In dat geval moeten de offertes alsnog worden voorgelegd aan het college. Indien de offertes niet ter instemming zijn voorgelegd aan het college, geschiedt de verantwoording door de aanvrager achteraf. Artikel 15. Aanvang bekostiging Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO, artikel 100, vierde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Het geeft het college de vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze het bedrag van de bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht, hoogte van het investeringsbedrag).

Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen. Dit betekent bijvoorbeeld dat wordt overeengekomen dat de: -

vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt uitbetaald;

definitief d.d. 27 november 2020

12|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

-

vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de termijnbetalingen aan de aannemer op basis van de door de aannemer ingediende termijnstaat (automatische verwerking met valutadata in financiële administratie), en

-

vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van de nota’s van het bevoegd gezag.

De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever, tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de vergoeding door het college rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt verstrekt. Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een relatie tussen college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is de formele lijn dat het college het bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en het bevoegd gezag het bedrag aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd gezag ook verantwoording van de ontvangen middelen afleggen. De wijze waarop is nader uitgewerkt in artikel 4. Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging Lid 1 De data van 15 september en 15 oktober zijn gekozen met het oog op het moment dat de gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel perspectief is het noodzakelijk om te weten of een via het programma toegekende voorziening in het jaar van toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld dat realisatie niet mogelijk is: -

in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend begrotingsjaar, dan blijft het beschikbaar gestelde krediet gehandhaafd, en

-

ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het beschikbaar gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit besluit is dat de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw moet worden aangevraagd.

De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang voor het college, omdat het college na de genoemde data kan toetsen of een opdracht is verleend. De term ‘door het bevoegd gezag dat optreedt als bouwheer’ betekent dat, als het college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het recht op bekostiging niet vervalt. Het bevoegd gezag heeft dan immers recht op een voorziening. Lid 3 Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen, bijvoorbeeld procedures in het kader van de ruimtelijke ordening. Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om de gestelde termijnen te verlengen. Lid 5 De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid.

definitief d.d. 27 november 2020

13|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

HOOFDSTUK 3. AANVRAGEN MET SPOEDEISEND KARAKTER Artikelen 17-20. Aanvragen met spoedeisend karakter Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs indienen. Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte termijn moet worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere aanvraagprocedure. Het spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan: -

brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie moet plaatsvinden;

-

herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen asbest), of

-

overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).

De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’ voor de reguliere procedure, zoals een situatie: -

dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6 van de Verordening – een aanvraag in te dienen voor het programma, of

-

dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst wegens het toepassen van de financiële weigeringsgrond omdat het bekostigingsplafond niet toereikend is.

Artikel 17. Indienen aanvraag Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar worden ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet bij voorbaat bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch) worden gemeld en de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. Na de melding moet de aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen. Artikel 18. Inhoud aanvraag Lid 1 Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd gezag verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de aanvraag moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een calamiteit die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden. Lid 2 Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden. Artikel 19. Tijdstip beslissing Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de beslistermijn een korte periode aangehouden. definitief d.d. 27 november 2020

14|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

Artikel 20. Uitvoeren beslissing Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen I tot en met IV van de Verordening. Als extra toets gelden de elementen van onvoorzienbaarheid en acuut optreden (calamiteit) en de spoedeisendheid (het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in verband met de voortgang van het onderwijs). In tegenstelling tot de reguliere procedure kan het college bij de spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond hanteren. Dit blijkt uit de relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en artikel 100, eerste lid, van de WPO, artikel 96, tweede lid, van de WEC en artikel 98, eerste lid, van de WEC en artikel 76i, tweede lid, van de WVO en artikel 76k, eerste lid, van de WVO. Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van toepassing.

HOOFDSTUK 4. AANVRAGEN VOOR BEKOSTIGING VAN ONDERHOUD EN AANPASSING LOKAAL BEWEGINGSONDERWIJS, BOUWVOORBEREIDING EN OVERIGE VOOR BEKOSTIGING IN AANMERKING KOMENDE ZAKEN Artikelen 21-25. Bekostiging van onderhoud en aanpassing lokaal bewegingsonderwijs, bouwvoorbereiding en overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken Naast twee procedures (regulier en spoed) voor de bekostiging van huisvestingsvoorzieningen, bevat de Verordening de mogelijkheid bekostiging aan te vragen voor een aantal overige zaken. Het betreft zaken die geen huisvestingsvoorziening zijn, maar wel in aanmerking komen voor bekostiging. Deels volgt dit uit de wet, bijvoorbeeld in geval van bouwvoorbereiding, deels is er sprake van lokaal beleid. Qua procedure is aansluiting gezocht bij de systematiek van de reguliere aanvraagprocedure van een huisvestingsvoorziening. In een aantal gevallen, bijvoorbeeld indien de bouwvoorbereiding en het hoofdkrediet tegelijkertijd worden aangevraagd, is het denkbaar dat het bevoegd gezag voor hetzelfde gebouw tegelijkertijd een aanvraag voor artikel 6 en artikel 21 indient. Doordat beide aanvraagprocedures grotendeels dezelfde stappen en termijnen kennen, kan er sprake zijn van parallelle processen. De overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken worden niet op het programma of overzicht geplaatst. Toekenning of afwijzing geschiedt middels een beschikking.

Artikel 21. Indienen aanvraag Bij indiening van een aanvraag dient gebruik te worden gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. Dit vergroot de eenduidigheid en vergelijkbaarheid van aanvragen.

definitief d.d. 27 november 2020

15|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

Een aanvraag voor bekostiging van zaken die zijn opgenomen in artikel 21 t/m 25, is geen aanvraag voor opname op het programma. Dat is immers alleen bestemd voor huisvestingsvoorzieningen. Artikel 22. Inhoud aanvraag Lid 1 Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het college de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Lid 2 Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet stellen, als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Artikel 23. Beoordelen aanvraag In bijlage VI van de Verordening zijn de criteria opgenomen aan de hand waarvan de aanvraag wordt getoetst. Artikel 24. Tijdstip beslissing Lid 1 Uitgangspunt van de Verordening is dat het college uiterlijk 31 december van het lopende kalenderjaar een besluit neemt over de aanvraag. De datum van 31 december is geen fatale termijn. Heeft het college op 31 december geen besluit genomen, dan betekent dit niet dat de aangevraagde bekostiging automatisch is toegekend. Op grond van artikel 6:2 Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het college niet tijdig een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om de procedure van bezwaar en beroep te volgen. Lid 2 De kennisgeving is een beschikking. Artikel 25.

Uitvoeren beslissing Indien het college heeft besloten de aangevraagde bekostiging toe te kennen, treden het college en het bevoegd gezag in overleg over de wijze van uitvoeren. Daarbij is aansluiting gezocht bij de bepalingen van de reguliere procedure voor een huisvestingsvoorziening (art. 13 t/m 16).

HOOFDSTUK 5. INTEGRAAL HUISVESTINGSPLAN Artikel 26-27. Integraal huisvestingsplan In de onderwijswetten wordt gedetailleerd beschreven hoe de aanvraag en toekenning of afwijzing van huisvestingsvoorzieningen verloopt. Uitgangspunt is een jaarlijkse cyclus. De onderwijswetten kennen (vooralsnog) geen instrument vergelijkbaar met een Integraal HuisvestingsPlan (IHP). Een IHP is een instrument dat geschikt is voor de planning van huisvestingsvoorzieningen voor de (middel)lange termijn. In de praktijk wordt het instrument IHP door veel gemeenten (zo ook door definitief d.d. 27 november 2020

16|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

Eindhoven) gebruikt om inzicht te krijgen in noodzakelijke en beschikbare onderwijshuisvesting op de (middel)lange termijn. Het IHP bevat een uitvoeringsprogramma. Het uitvoeringsprogramma beschrijft de huisvestingsbehoefte/-wensen van de scholen op de korte termijn. Bij voorkeur wordt bij samenstelling van het uitvoeringsprogramma een relatie gelegd met de meerjarenbegroting van de gemeente. Het uitvoeringsprogramma is geen programma in de zin van de wet (zie artikel 1), maar onderdeel van het IHP. Een beschrijving in een uitvoeringsprogramma is dus ook geen vaststelling in de zin van paragraaf 2.3 van de Verordening. Het proces van IHP naar programma en overzicht is een proces van grof naar fijn. De langjarige visie is weergegeven in het IHP, de korte termijnplanning is opgenomen in het uitvoeringsprogramma en jaarlijks in een overzicht van alle aanvragen in de vorm van het jaarlijkse programma (toegekende aanvragen) en overzicht (afgewezen aanvragen). In de Verordening is een procedure opgenomen die de aard, inhoud, totstandkoming en actualisatie van een IHP (inclusief uitvoeringsprogramma) beschrijft. Een IHP is een beleidsdocument waarin de gemeente de huisvestingsbehoefte van het onderwijs in de gemeente beschrijft. In de Verordening is deze termijn niet nader uitgewerkt; dat geldt ook voor het uitvoeringsprogramma. Dit wordt overgelaten aan het college.

Het IHP (uitvoeringsprogramma) wordt in beginsel jaarlijks geactualiseerd. Bij het opstellen en actualiseren van het IHP/uitvoeringsprogramma streeft het college naar consensus met de schoolbesturen teneinde tot een zo breed mogelijk gedragen (actualisatie van het) IHP/uitvoeringsprogramma te komen. Beschrijving van een huisvestingsvoorziening in het IHP/uitvoeringsprogramma is geen aanvraag in de zin van artikel 6 (regulier), 17 (spoed) of 21 (overige voor bekostiging in aanmerking komende zaken) van de Verordening. In artikel 7 en 22 wordt wel een koppeling met het uitvoeringsprogramma gemaakt, in die zin dat beschrijving in het uitvoeringsprogramma leidt tot sterke vereenvoudiging van de reguliere aanvraagprocedure. Artikel 26. Inhoud IHP Het IHP dient tenminste de in dit artikel genoemde gegevens te bevatten om dit vergelijk op zorgvuldige wijze te maken en helder vast te leggen. Onder sub ‘m’ van dit artikel is opgenomen dat de reactie van de bevoegde gezagsorganen op het IHP en het commentaar van het college daarop wordt toegevoegd aan het IHP (zie ook artikel 27). Artikel 27. Opstellen en actualiseren IHP Lid 1 Het IHP wordt opgesteld en geactualiseerd door het college. Lid 2

definitief d.d. 27 november 2020

17|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

Bij het opstellen van het IHP streeft het college naar consensus met de schoolbesturen teneinde tot een zo breed mogelijk gedragen IHP te komen. De bevoegdheid om het IHP vast te stellen berust bij de gemeenteraad. Lid 3 Actualisatie van het IHP of het daarvan onderdeel uitmakende uitvoeringsprogramma vindt jaarlijks plaats. Het jaarlijks actualiseren volgt uit een aangenomen amendement 5 Jaarlijkse actualisatie IHP (PvdA,GL) d.d. 29-11-2016, Raadsnummer 16R7026. Verder is het omwille van de koppeling met artikel 7 en 21 van belang dat er een actueel uitvoeringsprogramma beschikbaar is. Lid 4 Er kunnen zich situaties voordoen, waarbij bijstelling van het (gedetailleerde) uitvoeringsprogramma wel noodzakelijk is, maar het (meer globale) IHP geen bijstelling behoeft. Leden 5-7 In leden 5 t/m 7 wordt nader uitgewerkt op welke wijze het overleg met de bevoegde gezagsorganen over het IHP wordt ingericht en plaatsvindt. Lid 8 In lid 8 wordt aangegeven dat het college de gemeenteraad op de hoogte stelt van de reacties van de schoolbesturen. Lid 9 Het college legt het IHP ter vaststelling voor aan de gemeenteraad uiterlijk 13 maanden voorafgaand aan het eerste jaar waarop het IHP betrekking heeft.

Deze termijn hangt samen met het feit dat bevoegde gezagsorganen aanvragen voor huisvestingsvoorzieningen 11 maanden voorafgaand (aanvragen voor 1 februari voor bekostiging in daarop volgend jaar) moeten indienen. Op deze manier is het IHP vastgesteld voordat de aanvragen voor het eerste in het IHP beschreven jaar moeten worden ingediend. De schoolbesturen kunnen dan gebruik maken van de vereenvoudigde aanvraagprocedure (zie artikelen 7 en 22). Vaststelling van een IHP door het college of de gemeenteraad is geen voor bezwaar en beroep vatbare beslissing omdat het IHP een beleidsdocument is waaraan geen rechten of verplichtingen kunnen worden ontleend.

HOOFDSTUK 6. MEDEGEBRUIK EN VERHUUR Artikelen 28-34. Medegebruik en verhuur De artikelen 28-34 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de WPO, artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan moet de gemeenteraad bij Verordening een procedure vaststellen voor het medegebruik en de verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk om delen van lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik door de eigen school. definitief d.d. 27 november 2020

18|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

De artikelen 28 t/m 32 worden door het college toegepast als het college een aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan besluiten dat de aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel van medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden voorzien. Artikel 28. Aanduiden omstandigheden Onderdelen a en c Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen op het moment dat het college op grond van artikel 6 of 17 een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw, vervangende nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen. Het college moet twee zaken vaststellen, te weten dat: -

de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een tekort aan capaciteit heeft, en

-

er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.

Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen (ruimte voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met de bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk zijn. Onderdeel b Dit wordt alleen toegepast als een onderwijssector (bijv. voortgezet onderwijs) is ondergebracht bij een instelling die valt onder de Wet educatie en beroepsonderwijs. Artikel 29. Omschrijving leegstand Lid 1 De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage III, deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening gehouden met de drempelwaarde. Bij het vorderen wordt geen onderscheid gemaakt in leegstand bij een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs. Dit betekent dat het college kan besluiten leegstand die wordt vastgesteld in een school voor basisonderwijs toe te wijzen aan een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voor voortgezet onderwijs.

Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen huisvesting onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven. Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming heeft gegeven moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.

definitief d.d. 27 november 2020

19|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

Lid 2 Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs kan op basis van het lesrooster per week maximaal 26 klokuren worden ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen buiten hun reguliere lestijden voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar een lokaal bewegingsonderwijs dat nog geen 40 klokuren in gebruik is. Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren uitgegaan van minimaal 32 lesuren2 en maximaal 40 lesuren, omdat voor het voortgezet onderwijs het aantal van 40 lesuren, gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs, de maximumgrens vormt. Dit betekent dat als in een lokaal bewegingsonderwijs: -

voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een andere school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs voor het verschil tussen 26 klokuren en het aantal ingeroosterde klokuren;

-

voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren of 26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een school voor voortgezet onderwijs voor de resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren;

-

voor een school voor voortgezet onderwijs minder dan 40 klokuren ingeroosterd zijn medegebruik mogelijk is door: 1° een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als de klokuren medegebruik passen binnen de 26 klokuren, en 2° een school voor voortgezet onderwijs voor de resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren.

Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende onderwijssector geldende reële schooltijden. Artikel 30. Nalaten vorderen, volgorde van vorderen Lid 1 Dit lid geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge regeling hebben getroffen is er voor het college geen reden om dat te doorkruisen, tenzij het college heeft vastgesteld dat de school die medegebruiker is in de eigen accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle leerlingen te

2

In het voortgezet onderwijs wordt gehanteerd het begrip lesuren. Hierbij wordt uitgegaan van een lesuur van

50 minuten, met daarnaast 10 minuten voor het omkleden c.a. van de leerlingen. Voor het vaststellen van de capaciteit en de ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs voor het voortgezet onderwijs wordt zodoende gerekend met een klokuur. definitief d.d. 27 november 2020

20|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

huisvesten. Als bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling hebben geregeld moet het college hiervan in kennis worden gesteld. Het college moet vaststellen of door het medegebruik de (meest) optimale situatie is gecreëerd. Leden 2 en 3 In de leden 2 en 3 wordt geregeld welke volgorde wordt gehanteerd bij het vorderen van leegstand. Artikel 31. Overleg en mededeling Lid 1 Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het vorderen voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen van bijv. een aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het vorderen voor medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg over het programma. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij het voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma bestaat de mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het programma wordt niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een afzonderlijk besluit van het college. Lid 2 Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor het overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.

Uiteraard moet ook hier het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben om de nodige maatregelen te treffen. Lid 3 Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid hebben tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is de termijn waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo kort mogelijk gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen heeft genomen heeft over dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden met het bevoegd gezag. Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in de gelegenheid geweest om zich voor te bereiden op het medegebruik. Lid 4 Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt, moet weten waar het aan toe is. Om deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan bijv. worden gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk zijn om in het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het vorderen voor medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de eigen school noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat uitgangspunt van de Verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik gaat.

definitief d.d. 27 november 2020

21|53

Toelichting Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Gemeente Eindhoven 2021

Artikel 32. Vergoeding Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te maken met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. Uitgangspunt is de kostenstructuur van de rijksvergoeding materiële instandhouding. In onderling overleg kunnen de bevoegde gezagsorganen echter ook een andere vergoeding voor medegebruik overeenkomen. Deze vergoeding komt overeen met de werkelijke kosten. Artikel 33. Overleg en mededeling Artikel 33 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden zowel tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de genoemde activiteiten kan in overeenstemming zijn met de bestemming van het schoolgebouw (eisen bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw wordt gegeven, maar dat is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet in overeenstemming met de bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit dat het medegebruik niet eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van het bestemmingsplan is vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming met het onderwijs van de school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag in het overleg met het college de gelegenheid krijgt om specifieke wensen aangaande het medegebruik naar voren te brengen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11742055/1