Bijlage 1 - Toelichting verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit 2021
Tekst van het document
Bijlage 1 : toelichting op de Verordening op de Adviescommissie Omgevingskwaliteit, gemeente Eindhoven 2021 Algemeen Met de Omgevingswet (hierna: de wet) die naar verwachting op 1 januari 2022 in werking treedt, wordt het stelsel van ruimtelijke regels volledig herzien. De wet bundelt de wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Belangrijk verbeterdoel van de nieuwe wet is een kader te bieden dat overheden meer afwegingsruimte biedt om doelen voor de leefomgeving te bereiken. “Decentraal, tenzij” is een belangrijk principe van de wet. Dit betekent dat taken en bevoegdheden in principe bij het lokale bestuur, zoals de gemeente liggen. Alleen indien het gaat om een nationaal of internationaal belang of als dat doelmatiger of doeltreffender is, stelt het Rijk regels. Eén van de doelen van de wet is het bereiken van een goede omgevingskwaliteit (artikel 1.3 van de wet). Daarbij gaat het om het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Gemeenten hebben een grote vrijheid in de wijze waarop zij het doel van een goede omgevingskwaliteit willen bereiken. Dat geldt ook voor de rol van de gemeentelijke adviescommissie (hierna: commissie) daarbij.
Een adequate invulling van de taak en de werkwijze van deze commissie draagt bij aan het doel van een goede omgevingskwaliteit. In de verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit 2021 (Eindhoven) worden de adviestaken, werkwijze, benoeming van leden en adviestermijn opgenomen van de Eindhovense adviescommissie Omgevingskwaliteit. Deze toelichting bevat een beschrijving, nadere toelichting op de artikelen uit de Verordening. Artikelsgewijs Artikel 1. Definities Commissie Dit is de gemeentelijke adviescommissie Omgevingskwaliteit op grond van artikel 17.9 van de wet. Goede omgevingskwaliteit "Een goede omgevingskwaliteit" is naast veiligheid en gezondheid opgenomen in de maatschappelijke doelstelling van de wet (artikel 1.3 van de wet). Dit geeft aan dat aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn. Het gaat daarbij zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden (Kamerstukken II 2013-2014, 33962, nr. 3). De gemeente heeft de plicht de zorg voor de omgevingskwaliteit zelf in te vullen, inclusief het adviesstelsel op het gebied van de omgevingskwaliteit.
Burgers kunnen, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, ten aanzien van de het doel van een goede omgevingskwaliteit een beroep doen op de algemene zorgplicht. Artikel 2. Taak en werkzaamheden Dit artikel bevat een overzicht van zowel de wettelijke en de extra adviestaken van de commissie omgevingskwaliteit. De commissie baseert haar advies voor omgevingsplan actviteiten voor bouwen en slopen op de criteria uit de welstandsnota. Eerste lid Dit lid beschrijft de adviestaak in algemene zin: het adviseren van de raad en het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) op het gebied van de omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet. De commissie adviseert dus niet over andere aspecten van de fysieke
Bijlage : toelichting Verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit, juni 2021
leefomgeving, zoals een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het gaat om het toetsen op omgevingskwaliteit, voorheen was dit alleen welstand. Tweede lid Er is in dit lid een onderscheid tussen de verplichte taken en extra adviestaken van de commissie. De verplichte taken staan onder lid 2, onderdeel a, subonderdelen 1 t/m 3 en onderdeel b. Onder artikel 2 onderdelen d t/m g staan de extra adviestaken, die elke gemeente mag toevoegen. Eindhoven heeft ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan van de Verordening commissie Ruimtelijke Kwaliteit naar deze verordening. Dit betekent dat de huidige toetsing zoals opgenomen in de welstandsnota, de Verordening commissie Ruimtelijke Kwaliteit, de Bouwverordening gemeente Eindhoven en de Erfgoedverordening 2010 als basis dient voor dit artikel. Lid 2 Onderdeel a Dit betreft de advisering over aanvragen om een omgevingsvergunning of de advisering over een ontwerpbesluit als het college geen bevoegd gezag is. De commissie adviseert op verzoek van het college over een aanvraag voor: 1 .̊ een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument Bij rijksmonumenten is een toets door de commissie nodig bij alle omgevingsplanactiviteiten.
De wet definieert een rijksmonumentenactiviteit als volgt: “een activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht”. De commissie adviseert niet over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot archeologische rijksmonumenten. De commissie brengt advies uit met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Uitgangspunten daarbij zijn: - het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten; - het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist is voor het behoud van die monumenten; - het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; en - het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Dit volgt uit artikel 8.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) dat de beoordelingsregels voor de rijksmonumentenactiviteit bevat.
Voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot archeologische rijksmonumenten is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister van OCW) aangewezen als advies- en instemmingsorgaan in de gevallen dat het college het bevoegd gezag is.. Ook is de Minister van OCW (mede) bevoegd tot toezicht en handhaving waar het gaat om archeologische rijksmonumenten. Behoud in situ (in de bodem) is hierbij het uitgangspunt. Voor als gemeentelijk monument beschermde archeologische monumenten is de commissie wel het aangewezen adviesorgaan. Dit is opgenomen in artikel 2, tweede lid, onderdeel e. 2 .̊ een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument of een gemeentelijk monument Bij gemeentelijke monumenten is een toets van de commissie nodig als het gaat om een omgevingsplanactiviteit voor bouwen of slopen. De bescherming van monumenten of archeologische monumenten als gemeentelijk monument gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Met een
Bijlage : toelichting Verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit, juni 2021
voorbereidingsbesluit kan voorbescherming worden geboden aan een locatie waarvoor wordt overwogen deze de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Overgangsrecht gemeentelijke monumenten Het overgangsrecht in de wet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt dat er bij het in werking treden van de wet een vergunningplicht geldt voor activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten die nog op grond van de [ Erfgoedverordening 2010 zijn aangewezen. De regels uit die verordening blijven gelden tot het moment dat dit onderwerp in het nieuwe deel van het omgevingsplan is geregeld. Dit volgt uit de artikelen 22.4 en 22.8 van de wet en artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet in samenhang met artikel 22.2 van het omgevingsplan (bruidsschat). De in de Erfgoedverordening 2010 opgenomen vergunningplicht geldt als een verbod op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. 3 .̊ een omgevingsplanactiviteit in geval de commissie in het omgevingsplan als adviseur is aangewezen In het omgevingsplan wordt straks opgenomen wanneer een toets van de adviescommissie verplicht is. In dit artikel leggen we de relatie tussen deze verordening en het Omgevingsplan.
De raad kan op grond van artikel 16.15, tweede lid, van de wet in het nieuwe deel van het omgevingsplan bepalen in welke gevallen een advies verplicht is. Dit kan per gebied of per type activiteit of bouwwerk verschillen. Zolang nog geen gevallen zijn aangewezen, zet het college het bestaande beleid met betrekking tot het vragen van commissieadvies voort. Omdat het omgevingsplan ook bij een projectbesluit of een voorbereidingsbesluit kan worden gewijzigd, brengt dit mee dat ook Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het Waterschap en de Minister van OCW de commissie als adviseur in het omgevingsplan kunnen aanwijzen. Regels over de aanwijzing van de commissie als adviseur kunnen ook onderdeel zijn van de voorbeschermingsregels waarmee een voorbereidingsbesluit het omgevingsplan wijzigt. Overigens betekent dit niet dat de commissie daarmee ook formeel adviesorgaan van die andere bestuursorganen wordt. Als het college geen bevoegd gezag is voor de aanvraag om een omgevingsvergunning maar adviseur, is de commissie ook adviseur en richt het advies van de commissie zich tot het college in plaats van het bevoegd gezag (artikel 4.22 van het Omgevingsbesluit).
4 .̊ een andere activiteit in geval burgemeester en wethouders een advies nodig achten met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit Dit zijn extra adviestaken; in welke gevallen burgemeester en wethouders ook om advies kunnen vragen. We hebben hier in ieder geval opgenomen dat de commissie om advies wordt gevraagd bij een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit voor het bouwen of slopen van bouwwerken in de hele stad. Dit is conform ons huidige welstandsbeleid, alle plannen in de stad worden beoordeeld op basis van dit artikel. Dit onderdeel is gelijkwaardig aan de huidige zogenoemde “kan-bepaling” over de welstandsadvisering in artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht. Het college kan – voor zover dat in het omgevingsplan niet anders is geregeld – op grond daarvan zelf bepalen of zij een advies inwinnen bij de commissie. De beoordeling van de omgevingsplanactiviteit bouwen door de commissie Bij het beoordelen van een bouwplan volgt de commissie de beoordelingsregels die in het omgevingsplan staan en de regels uit onze Welstandsnota (dit wordt een bijlage bij het omgevingsplan). De beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden de vergunning kan worden verleend of geweigerd. Het gaat hierbij om regels over het bouwwerk zelf als wel zijn relatie tot de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan.
Bijvoorbeeld de bouwhoogte, de
Bijlage : toelichting Verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit, juni 2021
bouwmassa, het maximale bebouwingsoppervlak, de aanwijzing van bouwvlakken, de situering op de bouwvlakken, de karakteristiek van de bebouwing, en het uiterlijk van bouwwerken zoals vastgelegd in de welstandsnota. De wet biedt de gemeente een kans om te zorgen voor een betere inbedding en aansluiting van welstandsaspecten binnen het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. Het streven naar een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in artikel 1.3 van de wet is daarbij het overkoepelende doel. Daarom is de advisering niet beperkt tot ingrepen aan beschermde monumenten en het uiterlijk van bouwwerken. De commissie adviseert zowel over de toepassing van de regels in het omgevingsplan zelf (zoals de mogelijkheid tot “binnenplanse” afwijkingen), als over de toepassing van de beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit gebeurt vanuit het doel van een goede omgevingskwaliteit. Onderdeel b Dit onderdeel gaat over de advisering omtrent een het aanwijzen van een rijksmonument of (rijks) archeologisch monument. De Minister van OCW vraagt ingevolge de Erfgoedwet altijd advies aan het college van de gemeente waar een monument of archeologisch monument zich bevindt, alvorens te besluiten het aan te wijzen als rijksmonument. In dat geval is de commissie adviseur van het college.
De commissie is ook adviseur in geval het college het voornemen heeft een monument of archeologisch monument aan te wijzen als gemeentelijk monument (door de locatie de functieaanduiding gemeentelijk monument te geven). Onderdeel c Dit onderdeel geeft invulling aan de mogelijkheid als bedoeld in artikel 17.9, tweede lid, van de wet om de commissie in te schakelen bij het ontwikkelen van beleid voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Zoals hierboven vermeld gaat het uitsluitend om beleid op het gebied van de omgevingskwaliteit. Hierbij moet worden gedacht aan het ontwikkelen van beleid inclusief omgevingsvisie, omgevingsplan, maatwerkregels omgevingskwaliteit en de Welstandsnota. Dit is conform ons huidige welstandstoetsing. Onderdeel d Dit onderdeel betreft de opgavegerichte advisering in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave. In geval van een verkenning in het kader van een projectprocedure of projectbesluit als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de wet onderzoekt het bevoegd gezag de mogelijke oplossingen voor een opgave. Door de verkenning kan het bevoegd gezag inzichten verkrijgen in: - de aard van de opgave, - de relevante ontwikkelingen voor de fysieke leefomgeving, en - de mogelijke oplossingen voor die opgave.
Hieronder vallen ook de oplossingen die anderen aandragen en waarvan het bevoegd gezag na beoordeling ervan besluit deze mee te nemen in de verkenning. Burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen van het Rijk en de provincie die een mogelijke oplossing hebben aangedragen, kunnen aan het college vragen een deskundige instantie als de commissie over hun oplossing te raadplegen. Het college kan ook zelf advies vragen over de aangedragen oplossingen voor de opgave. De laatste zinsnede van dit onderdeel geeft aan dat ook als er geen sprake is van een projectprocedure of projectbesluit het college aan de commissie advies kan vragen in het kader van een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving.] Onderdeel e. Dit onderdeel gaat over de erfgoedtoetsing van actitviteiten voor cultuurhistorische waardevole panden, structuren en landschappen, niet zijnde rijks- of gemeentelijke monumenten. De bestaande erfgoed toetsing zoals opgenomen in de huidige Erfgoedverordening 2010 is hierbij het uitgangspunt.
Bijlage : toelichting Verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit, juni 2021
Het gaat over cultuurhistorische waardevolle landschappen, structuren en gebouwen zoals opgenomen op de cultuurhistorische waardenkaart. Onderdeel f Dit onderdeel gaat over de advisering van de commissie bij de uitvoering van het beleid inzake de openbare ruimte. Dit is conform onze huidige welstandstoetsing overgenomen uit de Verordening commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Onderdeel g. Dit onderdeel gaat over de begeleiding tijdens het ontwerpproces; het betreft de ontwerpgerichte advisering. Deze taak heeft geen betrekking op het adviseren over door het college op aanvraag te nemen besluiten, maar op het informeren en begeleiden van planindieners en ontwerpers gedurende het ontwerpproces, met het doel een hoogstaande stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit te bereiken. Dit onderdeel biedt de mogelijkheid om in een specifiek geval de commissie of een lid van de commissie te belasten met of te betrekken bij deze taak. Onderdeel h. Dit onderdeel gaat over het vooroverleg. Dit doen we nu ook al met de huidige commissie ruimtelijke kwaliteit en is zeer waardevol. Plannen worden er beter van en de vergunningverlening verloopt daarna soepeler. Vooroverleg bij een vergunningaanvraag wordt in de wet niet gereguleerd. De bestaande praktijk kan op grond van dit onderdeel worden voortgezet.
Het belang van een goed vooroverleg neemt toe, aangezien het vereiste van onlosmakelijke samenhang vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) niet is overgenomen in de wet. De initiatiefnemer is er zelf verantwoordelijk voor dat zij of hij voor alle activiteiten beschikt over de vereiste vergunningen. Het is aan de initiatiefnemer om de verschillende eisen op elkaar af te stemmen. Vooral bij complexe projecten is vooroverleg van groot belang. Onderheel i. In dit onderdeel is bepaald dat de commissie ook adviseur kan zijn bij het stellen van maatwerkvoorschriften in verband met het uiterlijk van bouwwerken, de zorg voor cultureel erfgoed en werelderfgoed en andere zaken die de omgevingskwaliteit betreffen. Daarnaast kan de commissie adviseren bij stedenbouwkundige plannen en visies voor de fysieke leefomgeving. De aanschrijvingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 13a van de Woningwet in geval van een bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, is opgenomen in de bruidsschat als bedoeld in artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Dit in de vorm van een bevoegdheid tot stellen van maatwerkvoorschriften (zie artikel 22.7 in samenhang met artikel 22.4 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan).
De specifieke zorgplicht voor rijksmonumenten verplicht initiatiefnemers om maatregelen te nemen om het beschadigen of vernielen van (voorbeschermde) rijksmonumenten te voorkomen. Een activiteit hoeft daarbij niet gericht te zijn op een rijksmonument. Het is voldoende dat een activiteit in de fysieke leefomgeving effect heeft op dat rijksmonument. Een voorbeeld hiervan is het bouwen van een tunnel, waardoor een rijksmonument kan verzakken. De regels voor de specifieke zorgplicht staan in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De gemeente kan op grond daarvan maatwerkvoorschriften opleggen.
Bijlage : toelichting Verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit, juni 2021
Ondereel j. Dit onderdeel regelt de toetsing op grond van regels in verordeningen op grond van artikel 149 van de Gemeentewet die een eis ten aanzien van de omgevingskwaliteit bevatten, te weten regels over reclame. Reclame-uitingen binnen de bijzondere gebieden (zoals opgenomen in het reclamebeleid) en aan monumenten kunnen worden getoetst door de commissie.
Artikel 3. Verplichte adviezen Dit artikel sluit aan op de verplichte adviezen op grond van artikel 17.9 van de wet bij de toets voor rijksmonumenten en het op grond van de vastgestelde gemeentelijke Erfgoedverordening 2010 verplichte advies bij gemeentelijke monumenten. Artikel 4. Samenstelling Eerste lid Dit lid geeft invulling aan artikel 17.7, eerste lid, van de wet, waarin is bepaald dat de raad het aantal leden vaststelt. Er worden 2 plaatsvervangers benoemd, zodat de commissie ook kan functioneren wanneer één of meer vaste leden zijn verhinderd. Dit borgt de continuiteit bij ziekte en verlof. De commissie bestaat uit een lid-voorzitter, tenminste 5 vakdeskundige leden en maximaal 7 vakdeskundige leden en een burgerlid. Dit is conform de vorige verordening. De huidige commissie bestaat momenteel uit 6 leden waarvan 5 vakdeskundige leden en een burgerlid. Met dit artikel is in de toekomst -mocht daar een noodzaak voor zijn en mits de middelen beschikbaar zijn- een uitbreiding naar 7 of 8 leden mogelijk. Tweede lid Dit lid geeft aan dat de leden als deskundigen en dus op persoonlijke titel en op grond van hun persoonlijke kwalificaties worden benoemd. Hun lidmaatschap is niet afhankelijk van het bekleden van een bepaalde functie of het hebben van een bepaalde hoedanigheid. De leden vertegenwoordigen geen bijzondere belangen.
Dat betekent bijvoorbeeld dat belangenorganisaties op het gebied van de omgevingskwaliteit geen vertegenwoordigers in de commissie hebben. De leden zullen hun functie onafhankelijk dienen uit te oefenen. Daartegenover staat dat benoeming niet achterwege zal blijven enkel vanwege het lidmaatschap van een bepaalde groepering of het bekleden van een bepaalde bestuurlijke of maatschappelijke functie. Daarnaast beschikken de leden over inzicht in maatschappelijke verhoudingen op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Derde lid Dit lid voorziet in de mogelijkheid om een burgerlid te benoemen. Voor dit lid geldt de eis van inzicht in maatschappelijke verhoudingen op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Vierde en vijfde lid Deze leden zien toe op de deskundigheidsgebieden die in de commissie vertegenwoordigd moeten zijn. De wet schrijft voor dat binnen de commissie enkele leden deskundig dienen te zijn op het gebied van de monumentenzorg, en dat die in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een monument. Volgens de Memorie van toelichting dient de commissie ten minste over deskundigheid op het gebied van cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap en stedenbouw te beschikken (Kamerstukken II 2014-2015, 33962 nr. 3, p. 581).
In aanvulling hierop is de deskundigheid aangevuld met erfgoed en duurzaamheid. Het is mogelijk dat één persoon meerdere disciplines in zich verenigt. Zesde lid Dit lid zorgt voor een aanscherping van de wettelijke eis van onafhankelijkheid ten opzichte van het gemeentebestuur. Artikel 17.8 van de wet stelt slechts als eis, dat de leden van het gemeentebestuur geen lid zijn van een gemeentelijk adviesorgaan.
Bijlage : toelichting Verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit, juni 2021
Zevende lid Dit lid regelt dat commissieleden ook integraal plannen kunnen beoordelen en regelt dat zij kennis hebben van de ruimtelijke opbouw van Eindhoven. Leden zijn naast hun specifieke deskundigheid vaardig om een bijdrage te leveren aan een samenhangende afweging bij de beoordeling van de ruimtelijke- en omgevingskwaliteit. Er is voldoende kennis van de ruimtelijke opbouw en de kwaliteiten van de gemeente Eindhoven. Artikel 5. Benoeming Eerste tot en met derde lid Deze leden hebben betrekking op de benoemingstermijn als bedoeld in artikel 17.7, eerste lid, van de wet. Het eerste lid regelt de benoeming voor de eerste termijn. Het tweede lid ziet toe op de herbenoeming. De regels voor de herbenoeming zijn logischerwijs alleen van toepassing op de leden, niet op hun plaatsvervangers. In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen om leden 2 jaar na hun aftreden opnieuw te benoemen. We willen voor de doorstroming elke 3 jaar minimaal de helft van commmissie vervangen, om te voorkomen dat we na 6 jaar ineens de hele commissie moeten vervangen. Vierde lid Dit lid voorziet in de mogelijkheid dat de voorzitter en de plaatsvervangers in functie worden benoemd. Burgemeester en wethouders zorgen voor de werving van nieuwe leden, de leden worden door de raad benoemd. Vijfde lid Dit lid regelt schorsing en ontslag.
De wet bepaalt dat de raad de leden benoemt en ontslaat (artikel 17.7, tweede lid, van de wet). Het is vanzelfsprekend dat leden op eigen aanvraag worden ontslagen. Zij kunnen verder worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden. Artikel 6. Ondersteuning van de commissie De commissie wordt in ieder geval bijgestaan door een ambtelijk secretaris die voor de uitoefening van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig is aan de commissie. De secretaris wordt dus niet door bestuurlijke belangen geleid. Datzelfde geldt voor de medewerkers die eventueel aan de secretaris worden toegevoegd en die door de secretaris worden aangestuurd. Artikel 7. Adviestermijn In de wet is geen termijn gesteld waar binnen de commissie moet adviseren. Deze termijn mag volgens artikel 3:6 van de Awb niet zodanig kort zijn, dat de commissie zijn taak niet meer kan vervullen. We hebben de standaard bepaling opgenomen uit de modelverordening. Indien geen advies wordt uitgebracht binnen de genoemde adviestermijn, staat dit de besluitvorming door het college niet in de weg (artikel 3:6, tweede lid, van de Awb). Artikel 8. Beraadslaging en standpuntbepaling Eerste en tweede lid Deze leden bevatten een nadere regeling van uitwerking van de wettelijke eis van openbaarheid als bedoeld in artikel 17.9, vijfde lid, van de wet.
Derde lid Uit artikel 4:7 van de Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot toelichting van een plan ten overstaan van de commissie dient te worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning. Anderen hebben geen spreekrecht.
Bijlage : toelichting Verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit, juni 2021
Het spreekrecht is van invloed op het tijdstip waarop de vergadering van de commissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op de vergadering voor te bereiden. De regeling van dit spreekrecht wordt opgenomen in het reglement van orde (zie artikel 12). De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen waarin het advies op de aanvraag voor een omgevingsvergunning of op een voorgenomen beschikking formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor informeel vooroverleg of bij de beleidsgerichte, opgavegerichte of ontwerpgerichte advisering. De potentiële initiatiefnemer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte planprocedure vooroverleg stimulering verdient. Vierde lid Dit lid ziet erop toe dat in de vergadering voldoende leden aanwezig zijn, zodat een deskundig oordeel kan worden gevormd. Het borgt ook de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de wet). Vijfde lid Met deze bepaling wordt verstrengeling van belangen tegengegaan.
Zesde lid Dit lid verwijst naar de Awb die uitvoerders van wetten een geheimhoudingsplicht oplegt ten aanzien van gegevens waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Op grond van artikel 2:5, tweede lid, van de Awb is de plicht tot geheimhouding ook van toepassing op instellingen die een wettelijke taak uitvoeren. Daaronder vallen ook adviesorganen. Dit lid plaatst buiten twijfel dat de geheimhoudingsplicht ook op de commissie en de daarvoor werkzame personen van toepassing is. Artikel 9. Afdoening onder verantwoordelijkheid van de commissie Dit artikel geeft de mogelijkheid om de advisering namens de commissie over te laten aan een of meer leden, al dan niet in een vaste samenstelling als subcommissie. De commissie blijft verantwoordelijk voor het advies. Een goede omschrijving van de volmacht is nodig om aan het advies een doorslaggevende betekenis toe te kennen. Dit kan worden opgenomen in het reglement van orde (artikel 12).
Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de wet) De commissie kan ervoor kiezen de volmacht te beperken tot de plannen met relatief geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op meer dan één vergelijkbare vallen de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld. Een ruimere volmacht is mogelijk indien de betrokken leden of de subcommissies volledig beschikken over de professionele deskundigheid die in een specifiek geval nodig is voor de advisering (bijvoorbeeld deskundig op het gebied van cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratiearchitectuur, landschap, stedenbouw, architectuur en archeologische monumentenzorg). Ook hier blijft gelden de wettelijke eis dat enkele leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg in ieder geval worden betrokken bij de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 17.9, eerste lid, van de wet).
Bijlage : toelichting Verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit, juni 2021
Artikel 10. Adviseurs Dit artikel geeft de commissie de bevoegdheid zich ten behoeve van de advisering te laten voorlichten door ambtenaren (eerste lid) of door externe deskundigen (tweede lid). Een ambtenaar of een andere deskundige kan ingevolge het derde lid op uitnodiging van de commissie aanwezig zijn bij de vergaderingen of als adviseur deelnemen aan de beraadslagingen. Deze regeling sluit aan op de gegroeide praktijk, waarbij de commissies afhankelijk van de behoefte, specifieke adviseurs inschakelen (bijvoorbeeld een specialist op het gebied van historische interieurs of een specialist op het gebied van duurzaam bouwen). Artikel 11. Verwerking van het advies Eerste lid Dit lid ziet toe op het vragen van een second opinion aan een gemeentelijke adviescommissie van een andere gemeente in geval het college zich niet kan verenigen met het advies van de commissie. Om oneindig ‘shoppen’ te voorkomen is dit slechts één keer per activiteit toegestaan. Een advies van de commissie dat voldoet aan de wettelijke eisen van zorgvuldigheid en motivering als bedoeld in artikel 17.9, derde lid, van de wet, behoeft in beginsel geen nadere motivering.
Een nadere motivering is wel vereist in geval een aanvrager of een derde-belanghebbende een contraadvies heeft overgelegd, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het advies in strijd is met de geldende beoordelingscriteria (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2952).] Tweede lid Dit lid is opgenomen met het oog op een goede vervulling van de adviestaak. Daarvoor is nodig dat de commissie voortdurend inzicht heeft in hoe het college omgaat met de uitgebrachte adviezen. Het college van burgemeester en wethouders kan het advies van Adviescommissie Omgevingskwaliteit naast zich neerleggen, mits er zwaarwegende (maatschappelijke) redenen zijn, b.v. gezondheid. Het college moet dit goed kunnen motiveren en de commissie daarvan op de hoogte stellen. Artikel 12. Reglement van orde Eerste lid Het college van B&W stelt een reglement van orde vast. Tweede lid Dit lid geeft aan welke onderwerpen in ieder geval in het reglement van orde worden opgenomen. Het gaat om de werkwijze van de commissie, waaronder de indeling in subcommissies en de verslaglegging van vergaderingen. Derde lid Dit lid regelt de bekendmaking van het reglement van orde. Dat kan als bijlage bij deze verordening, of als aparte bekendmaking met een goede verwijzing naar deze verordening. Juridisch gezien behoeft het reglement van orde niet in de verordening zelf te worden opgenomen. Artikel 13.
Relatie met andere adviseurs, waaronder supervisoren Dit artikel regelt een goede afstemming tussen de werkzaamheden van andere adviseur(s) op het gebied van de omgevingskwaliteit en de commissie. We hebben in Eindhoven een aantal supervisoren. We hebben de relatie en procesafspraken tussen supervisoren en commissie benoemd in dit artikel. De bedoeling is dat plannen in de supervisie gebieden eerst aan de supervisor worden voorgelegd en dan pas aan de commissie. Dit artikel zorgt voor duidelijkheid voor intiatiefnemers, de commissie en de supervisoren. De supervisor wordt door de voorzitter eens per kwartaal uitgenodigd voor een gesprek in de commissie. De erfgoed toetsing is voorbehouden aan de erfgoed leden van de commissie.
Bijlage : toelichting Verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit, juni 2021
Artikel 14. Vergoeding Dit artikel regelt de vergoeding die de leden en de adviseurs, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, ontvangen. Wij hebben hier de regeling overgenomen uit de huidige Verordening commissie Ruimtelijke Kwaliteit, waarbij commissieleden een vergoeding van € 100 per uur per zitting ontvangen. Artikel 15. Jaarverslag Het jaarverslag als bedoeld in artikel 17.9, zesde lid, van de wet kan voor de raad aanleiding zijn voor bijstelling van het gemeentelijk beleid. De commissie kan naar aanleiding van de verrichte werkzaamheden beleidsaanbevelingen doen. Bijvoorbeeld over de in het omgevingsplan op te nemen beoordelingscriteria met betrekking tot de omgevingskwaliteit. Om die reden verschijnt het jaarverslag tijdig vóór de jaarlijkse beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. De specifieke bepalingen over het jaarverslag van het college zijn onder de wet vervallen. In verband met de politieke verantwoordelijkheid voor de omgevingskwaliteit heeft het college het voornemen om de bestaande praktijk van verantwoording en terugkoppeling voort te zetten en deze mee te nemen in de verplichte evaluatierapportage over de uitvoering van het omgevingsrecht aan de raad.
In de gemeentelijke evaluatierapportage kan bijvoorbeeld aandacht worden besteed aan hoe is omgegaan met de adviezen van de commissie en aan het (tijdig) inwinnen en ontvangen van advies binnen de afdoeningstermijn. Daarnaast wordt de werking van deze verordening ten minste éénmaal in de vier jaar samen met de commissie geëvalueerd. Artikel 16. Overgangsrecht Dit artikel regelt dat aanvragen ingediend voor het inwerkingtreden van deze verordening volgens het oude recht door de commissie worden afgedaan. Artikel 17. Vervallen en intrekking oude regeling Eerste lid Alleen de regels met betrekking tot de commissies in de artikelen 9.1 t/m 9.10 van de Bouwverordening gemeente Eindhoven (1993) vervallen op grond van dit lid. De erfgoedverordening 2010 zal nog worden aangepast in het vierde kwartaal 2021 om aan te sluiten op deze nieuwe verordening Adviescommssie Omgevingskwaliteit Eindhoven. Tweede lid Dit lid ziet toe op de intrekking van de Verordening commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerking treding van de verordening. De verordening treedt tegelijkertijd met de invoering van de Omgevingswet in werking.
Bijlage : toelichting Verordening adviescommissie Omgevingskwaliteit, juni 2021