Bijlage 1 - Toelichting AVOI Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren
Tekst van het document
Toelichting op de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren gemeente Eindhoven 2022 ALGEMEEN DEEL Deze Algemene verordening ondergrondse infrastructuren gemeente Eindhoven (hierna: de Verordening) is vastgesteld door de raad van de gemeente Eindhoven bij besluit van 21 september 2022 en treedt in de plaats van de Verordening kabels en leidingen gemeente Eindhoven 2014. De aanleiding om tot een nieuwe Verordening te komen is (1) de noodzaak om de bestaande regeling te actualiseren en (2) het ontbreken van juridische grondslag om invulling te geven aan de nieuwe regierol van de gemeente in de warmtetransitie (van het gas af).
Omgevingswet Zoals het er nu naar uitziet zal op 1 januari 2023 de Omgevingswet in werking treden. Deze wet bevat voor de gemeenteraad de verplichting om voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast te stellen waarin regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Naast regels die nu zijn opgenomen in bestemmingsplannen, beheersverordeningen, exploitatieplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en inpassingsplannen, geldt deze verplichting ook voor bepaalde regels over de fysieke leefomgeving die nog in gemeentelijke verordeningen zijn gesteld. Infrastructuur is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Dat geldt ook voor energie-infrastructuur en telecommunicatie-infrastructuur. Dit betekent dat deze onderwerpen uiteindelijk terecht moeten komen in het omgevingsplan. Omdat artikel 5.4 lid 4 van de Telecommunicatiewet een uitputtende regeling bevat voor een verordening over werkzaamheden voor een elektronisch communicatienet, moeten alle bepalingen die daar over gaan in een aparte verordening blijven staan (de VNG werkt op dit moment aan een nieuwe modelverordening). Als de Omgevingswet in werking treedt, heeft iedere gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege. Dit omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk en een nieuw deel.
Het tijdelijke deel bestaat onder meer (zie artikel 22.1 Omgevingswet) uit besluiten die zijn aangewezen in artikel 4.6 van de Invoeringswet. De Verordening kabels en leidingen of de Verordening Ondergrondse Infrastructuren wordt hier niet genoemd. Dit betekent dat de onderhavige nieuwe verordening niet automatisch deel zal uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van rechtswege en gedurende de overgangsfase, maar uiterlijk 31 december 2029, moet worden opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan.
Wet collectieve warmtevoorziening Vermoedelijk zal in 2023 ook de Wet collectieve warmtevoorziening (hierna: de Wcw) van kracht worden. In de concepttekst van de Wcw, die ter consultatie heeft gelegen, wordt onder andere voorzien dat de gemeente de bevoegdheid krijgt voor het aanwijzen van warmtekavels. Een warmtekavel is een aaneengesloten gebied binnen één of meerdere gemeenten waarvoor een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen. Binnen een warmtekavel kunnen burgemeester en wethouders, indien als oplossing voor verduurzaming is gekozen voor een collectief warmtesysteem, na het doorlopen van een transparante en non-discriminatoire aanwijzingsprocedure één warmtebedrijf aanwijzen dat binnen de warmtekavel het
exclusieve recht (en de plicht) krijgt een warmtenet aan te leggen en te exploiteren. Uit de concepttekst van de Wcw volgt dat het in principe verboden is zonder aanwijzing van het college warmte te transporteren en te leveren aan verbruikers. Indien meerdere aanvragen worden ingediend worden deze gerangschikt op basis van duurzaamheid, kosteneffectiviteit, leveringszekerheid, participatie verbruikers en uitvoerbaarheid. Aldus biedt de Wcw de gemeente belangrijke instrumenten voor het voeren van de regie in de energietransitie, waarbij ook aspecten zoals duurzaamheid van de te leveren warmte een rol kunnen spelen (mits er meerdere aanvragers zijn). Zover is het op het moment van het vaststellen van deze verordening echter nog niet. De gemeente heeft en zal in diverse nota’s vastleggen op welke wijze en binnen welke kaders de gemeente invulling wil geven aan haar regierol in de warmtetransitie. In het raadsbesluit Sturing en eigendom van collectieve warmte- en koudevoorzieningen geeft de gemeente haar visie op de lokale warmtemarkt en welke rol zij wil aannemen bij de aanleg van collectieve warmtesystemen. De raad heeft november 2021 de Transitievisie Warmte (hierna: de Transitievisie) vastgesteld. Zij wil hiermee kunnen sturen op (onder meer) de
ligging
van
het
hoofdtransportnet,
de
warmtevoorziening
op
nieuwbouwlocaties
en
herontwikkelingslocaties en de productie van duurzame warmte door (nieuwe) warmtebronnen. Voor het succesvol realiseren van het gemeentelijke energiebeleid is het essentieel dat de gemeente ook nu reeds de regie kan voeren op de aanleg van warmtenetten in Eindhoven. Voordat de Wcw in werking is getreden, is het dan ook niet wenselijk dat zonder meer vergunningen voor warmtenetten (moeten) worden afgegeven, omdat in dat geval niet geborgd is dat deze warmtenetten in overeenstemming zijn met de gemeentelijke beleid , terwijl aanwezige warmtenetten (of delen daarvan) tegelijkertijd de (uitvoering van de) Transitievisie in gevaar kunnen brengen. Zo kan de aanwezigheid van leidingen de realisatie van nieuwe warmtenetten (ter uitvoering van de strategie) in gevaar brengen, onder meer omdat de businesscase van nieuwe warmtenetten daarmee onder druk komt te staan. In het algemeen is het wenselijk dat in een gebied slechts één warmtenet aanwezig is.
Om de energietransitie succesvol te kunnen uitrollen is het dan ook wenselijk om in de periode tot de inwerkingtreding van de Wcw nieuwe aanvragen voor warmtenetten te kunnen afhouden wanneer dat noodzakelijk is voor een effectieve en doelmatige invulling en uitvoering van de regierol in het kader van de warmtetransitie en/of het beschermen van ruimtereserveringen ten behoeve van de aanleg en exploitatie van leidingen in leidingstroken die zijn vastgelegd in de gemeentelijk beleid . Met het oog daarop zijn in artikel 3.5, aanhef en onder h. en i., van de Verordening specifieke weigeringsgronden opgenomen. Mogelijk is het met de inwerkingtreding van de Wcw en de daarin geregelde regierol voor de gemeente niet langer noodzakelijk om deze weigeringsgronden te handhaven. Dat zal te zijner tijd evenwel nader onderzocht moeten worden. Het nu opnemen van deze weigeringsgronden is uitdrukkelijk bedoeld om in de periode tot inwerkingtreding van de Wcw onomkeerbare gevolgen te voorkomen.
DOEL VAN DE VERORDENING Het voornaamste doel van de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren (AVOI; hierna ‘AVOI’) is de realisatie van één uniform regime voor al het werk in de openbare ruimte teneinde de gewenste gemeentelijke regierol zo optimaal mogelijk te kunnen invullen. Beleidsmatig, procesmatig en praktisch wordt voorzien in lokaal beleid voor ordening van de openbare ondergrond en gelijke behandeling van partijen. De AVOI geeft tevens invulling aan de wettelijke plicht voor de gemeente om een Telecommunicatieverordening op te stellen. De AVOI heeft ook betrekking op de netten van de nutsbedrijven.
De AVOI beoogt een goede ruimtelijke en functionele (samenhangende) ordening van de openbare ondergrond te bewerkstelligen. Dit is van belang omdat de ruimte in de ondergrond steeds schaarser wordt. Daarnaast heeft de gemeente steeds verdergaande verantwoordelijkheden op het gebied van onder meer de openbare orde en veiligheid, de bescherming van het milieu, flora, fauna en volksgezondheid, het bereikbaar en leefbaar houden van de stad en het nemen van (adaptieve) maatregelen in het kader van de energietransitie en om ervoor te zorgen dat de stad is opgewassen tegen de verandering van het klimaat. De AVOI reguleert de werkzaamheden in de openbare ruimte, waarbij de wegverharding (ook bermen, plantsoenen, e.d.) wordt opgebroken. Ook de objecten die nodig zijn ten behoeve van deze werkzaamheden vallen onder de reikwijdte van de AVOI. Losse objecten die niet gekoppeld zijn aan deze werkzaamheden, blijven onder het reguliere gemeentelijke vergunningenregime (APV) vallen.
De AVOI is onder andere gericht op minimalisatie van overlast, schade aan milieu, ecologie en volksgezondheid en het beperken van de maatschappelijke kosten ten gevolge van werk in uitvoering; meer grip en sturing op werkzaamheden; het waarborgen van bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie tijdens werkzaamheden; eenduidige regels en sanctiemogelijkheden; uniforme regels en een efficiënt gebruik van de openbare ruimte. Het doel van deze toelichting is aanvullende informatie te bieden over de toepassing van de AVOI. De toelichting is dan ook vooral bestemd voor gebruik binnen de gemeente en door netbeheerders en grondroerders.
ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1. Begripsbepalingen In dit artikel zijn begripsomschrijvingen opgenomen. De meeste omschrijvingen spreken voor zich en behoeven daarom geen nadere toelichting.
‘degeneratiekosten’ Door de werkzaamheden wordt vrijwel steeds schade toegebracht aan de openbare grond en de daar in of op aanwezige eigendommen van de gemeente. Ook de kwaliteit van de openbare grond (en verharding) vermindert door deze werkzaamheden. Daarom worden afspraken gemaakt over de berekening en vergoeding van de kosten van deze kwaliteitsvermindering.
‘grondroerder’ De grondroerder is de partij die de graafwerkzaamheden verricht of laat verrichten. Een derde partij kan namens de grondroerder het feitelijke werk uitvoeren in het realisatieproces, mits rechtsgeldig en voldoende door de netbeheerder of opdrachtgever daartoe gemandateerd. De opdrachtgever is veelal een aannemer of installateur, maar kan ook de (afdeling van een) netbeheerder zijn. In dat laatste geval kwalificeert de netbeheerder tevens als grondroerder.
‘instemmingsbesluit’ en ‘vergunning’ In de AVOI wordt een bewust onderscheid gemaakt tussen de begrippen ‘instemmingsbesluit’ en ‘vergunning’. Het eerste begrip heeft betrekking op de instemming die de gemeente (het college) aan de aanbieder van een openbaar elektronisch telecommunicatienetwerk kan verlenen op grond van artikel 5.4 lid 1 van de Telecommunicatiewet. In deze wet is eveneens bepaald dat het college in het instemmingsbesluit bijzondere voorschriften kan opnemen (artikel 5.4 lid 2 en lid 3) en dat de gemeenteraad met betrekking tot het verrichten van de werkzaamheden bij verordening regels vaststelt (artikel 5.4 lid 4). Het instemmingsbesluit heeft betrekking op alle werkzaamheden in het kader van de aanleg, instandhouding en opruiming van telecomkabels in de openbare ruimte binnen de gemeentegrenzen ongeacht of deze ruimte in beheer is van de gemeente of een ander bestuursorgaan zoals het Rijk, de provincie of het waterschap. In tegenstelling tot het instemmingsbesluit heeft de vergunning betrekking op overige kabels en leidingen en is de plicht tot het aanvragen van een vergunning beperkt tot de openbare ruimte in beheer van de gemeente. Het regime van de Telecommunicatiewet is niet van toepassing op niet-telecomkabels.
De gemeente kan daarom voorschriften verbinden aan een vergunning die niet zijn beperkt tot de limitatieve lijst van voorschriften die de gemeente ingevolge artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet aan een instemmingsbesluit kan verbinden. De vergunning heeft betrekking op alle werkzaamheden in het kader van de aanleg, instandhouding en opruiming van alle kabels en leidingen, behoudens telecomkabels, in de openbare ruimte binnen de gemeentegrenzen, doch uitsluitend voor zover die gronden in eigendom en/of bekeer zijn van de gemeente.
‘kabels en leidingen’ Onder kabels en leidingen worden ook de daarbij behorende ondergrondse en bovengrondse infrastructuur begrepen, zoals: -
lege buizen,
-
ondergrondse ondersteuningswerken (mantelbuizen, kabelgoten, handholes, lasdozen, duikers),
-
beschermingswerken,
-
signaalinrichtingen (zoals optische en elektrische versterkers),
-
componenten voor het verbinden van kabels met onroerende zaken (zoals transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover ze liggen binnen de installatie van een producent/afnemer).
Voorbeelden van de kabels en leidingen zijn telecommunicatie- en elektriciteitskabels (koppel-, transporten distributiekabels), gasleidingen (transport-, distributie- en dienstleidingen), warmte- en koudenetten, leidingen voor warmte-koude opslag en waterleidingen. Industriële of private netten behoren hier ook toe.
‘netbeheerder’ Met het begrip netbeheerder wordt in eerste instantie bedoeld degene die een net beheert. Voor het gemak wordt de aanvrager van een vergunning ook als netbeheerder aangemerkt, hoewel daar feitelijk nog geen sprake van kan zijn vóór de aanleg van een kabel of leiding. Ook degene in wiens opdracht de kabel of leiding wordt aangelegd wordt in de AVOI aangemerkt als netbeheerder. Nadat de leiding is aangelegd, zal de exploitant of beheerder van de leiding worden beschouwd als netbeheerder. Veelal zal dat dezelfde partij zijn als degene onder wiens verantwoordelijkheid de leiding is aangelegd, maar dat behoeft niet altijd het geval te zijn.
‘warmtenet’ Bij de definitie van warmtenet is niet verwezen naar de definitie van warmtenetten in de Warmtewet teneinde niet alleen warmtenetten, maar ook koudenetten onder de definitie te laten vallen. Voor het overige is wel aangesloten bij de definitie uit de Warmtewet.
Artikel 1.2. Reikwijdte In dit artikel wordt het toepassingsbereik van de AVOI weergegeven. De gemeentelijke betrokkenheid is gericht op het beheer van openbare ruimte die in eigendom of beheer is bij de gemeente of waarover de gemeente een wettelijke coördinatieverplichting heeft. Op grond van artikel 5.4 Telecommunicatiewet heeft de gemeente een wettelijke coördinatieplicht voor zover het werkzaamheden betreft in het kader van de aanleg, instandhouding en opruiming van telecomkabels in de openbare ruimte binnen de gemeentegrenzen. Daarbij is dus niet van belang of deze ruimte in beheer is van de gemeente of een ander bestuursorgaan zoals het Rijk, de provincie of het waterschap. In alle gevallen is voor de genoemde werkzaamheden een instemmingsbesluit van het college nodig. Voor alle andere kabels en leidingen dan telecomkabels geldt dat voor werkzaamheden in het kader van de aanleg, instandhouding, verlegging en opruiming daarvan alleen een vergunning van het college nodig is, voor zover die werkzaamheden plaatsvinden in, op of boven openbare gronden die in eigendom of beheer zijn bij de gemeente. De openbare ruimte betreft de ruimte in, op of boven de openbare gronden.
Door in de verordening voortdurend te spreken over ‘werkzaamheden in, op of boven openbare gronden’ behoort duidelijk te zijn, dat het hier gaat om zowel werkzaamheden onder het maaiveld als ook werkzaamheden boven het maaiveld. Tot de openbare gronden worden gerekend openbare wegen, inclusief stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken, evenals wateren inclusief de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen, die voor een ieder toegankelijk zijn. De AVOI is dus niet van toepassing op kabels en leidingen die in, op of boven nietopenbare gronden liggen. De AVOI is niet van toepassing op gronden die weliswaar eigendom zijn van de gemeente, maar die niet openbaar zijn. Wanneer een netbeheerder en/of grondroerder daar werkzaamheden in het kader van de aanleg, instandhouding, verlegging en opruiming van kabels en leidingen wil verrichten zal daarvoor privaatrechtelijke toestemming van de gemeente moeten worden verkregen. De AVOI maakt geen onderscheid tussen openbare en niet-openbare kabels en leidingen. De AVOI is dus van overeenkomstige toepassing bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet-openbare kabels en/of leidingen (zoals private netten en industriële kabels en leidingen) in openbare gronden.
In het eerste lid is voorts tot uitdrukking gebracht dat de AVOI niet alleen betrekking heeft op de uitvoering van werkzaamheden in het kader van de aanleg van kabels en leidingen, maar ook op de beheerfase (het hebben/houden, onderhouden en verleggen van kabels en leidingen in de openbare ruimte) en de fase na het definitief buiten gebruik stellen (verwijderen) van netten. In het tweede lid is bepaald dat de AVOI ook betrekking heeft op toekomstige openbare gronden, nu de coördinerende taak van de gemeente ook geldt ook ten aanzien van de toekomstige openbare ruimte.
Gedacht kan daarbij worden aan gebiedsontwikkeling waarbij de gemeente de ingerichte openbare ruimte van een projectontwikkelaar ontvangt. De gemeente heeft in die gevallen een zorgplicht ten aanzien van de belangen van de netbeheerders en dient te bewaken dat de voorschriften uit deze AVOI worden toegepast. Het derde lid bepaalt dat deze verordening niet van toepassing is op leidingen ten behoeve van de gemeentelijke riolering. Op leidingen ten behoeve van niet-gemeentelijke riolering is de verordening wel van toepassing. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om pers-/drukleidingen van het waterschap.
Artikel 1.3. Coördinatie van werkzaamheden Dit artikel heeft als doel om de regie te regelen met betrekking tot (werkzaamheden aan) kabels en leidingen binnen de openbare ruimte. De gemeente is als eigenaar van de grond en als hoeder van de openbare ruimte de aangewezen partij om deze rol op zich te nemen. Ten aanzien van telecomkabels is de coördinerende taak wettelijk aan de gemeente opgedragen in de Telecommunicatiewet. Deze wettelijke taak strekt zich uit tot alle openbare ruimte binnen de gemeentegrenzen. Om regietaken op een efficiënte manier te kunnen vervullen, is het noodzakelijk dat de gemeente de beschikking heeft over de middelen van vergunningverlening en handhaving ten aanzien van alle (werkzaamheden aan) kabels en leidingen. De regierol is niet beperkt tot afstemming van de verschillende gebruiksfuncties van de ondergrond, maar houdt ook afstemming met bovengrondse functies in.
Artikel 1.4. Handboek Kabels en Leidingen De gemeente stelt een Handboek op waarin nadere regels worden opgenomen die betrekking hebben op de thema’s die in de AVOI zijn geregeld. HOOFDSTUK 2: TELECOMKABELS
Artikel 2.1. Reikwijdte hoofdstuk 2 Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 2.2. Telecommunicatiewet De bepalingen in dit hoofdstuk moeten worden gelezen tegen de achtergrond van de relevante bepalingen in de Telecommunicatiewet. Het Handboek Kabels en Leidingen geeft de hieruit voortvloeiende relevante aandachtspunten aan.
Artikel 2.3. Verbodsbepaling Het is verboden zonder of in afwijking van een voorafgaand door het college verleend instemmingsbesluit omtrent de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden, telecomkabels in of op openbare gronden aan te leggen, in stand te houden of op te ruimen. Voor het begrip telecomkabels wordt aangesloten bij de definitie van kabels in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet. Volgens deze definitie gaat het om: fysieke geleidingsdraden bestemd voor de rechtstreekse overdracht van signalen tussen punten en de bij deze fysieke geleidingsdraden behorende ondergrondse ondersteuningswerken, beschermingswerken en signaalinrichtingen, alsmede inrichtingen,
bestemd om daarin verbinding tot stand te brengen tussen fysieke geleidingsdraden in, op of boven openbare gronden enerzijds en fysieke geleidingsdraden in gebouwen en daarmee één geheel vormende gronden anderzijds dan wel tussen laatstgenoemde fysieke geleidingsdraden onderling. Dit betekent dat niet alleen voor het leggen, in stand houden of opruimen van de kabels (in enge zin) een instemmingsbesluit nodig is, maar ook voor het aanleggen van bouwwerken die één geheel vormen met de kabels (waaronder POP-kasten).
Artikel 2.4 Melding van voorgenomen werkzaamheden Als uitgangspunt geldt dat werkzaamheden in de openbare ruimte verboden zijn, tenzij de aanbieder of grondroerder beschikt over een instemmingsbesluit. Het in de Telecommunicatiewet vastgelegde principe van graafrechten in relatie tot de vereiste instemming van het college is vertaald naar de AVOI en wordt toegepast op werkzaamheden van alle aanbieders van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Conform het wettelijk bepaalde geldt dat die instemming betrekking heeft op de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Het tweede lid benadrukt dat vooroverleg wenselijk is, teneinde te komen tot een goede ordening van de kabels en leidingen en afstemming van de werkzaamheden in de openbare ruimte. Het onderscheid tussen reguliere werkzaamheden, werkzaamheden van niet ingrijpende aard en spoedeisende werkzaamheden wordt m.b.t. de instemmingsprocedure in dit artikel duidelijk gemaakt. Tot de niet ingrijpende werkzaamheden behoren werkzaamheden waarvoor gedurende niet meer dan een korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk werkzaamheden worden verricht en waarvan de impact voor de omgeving relatief beperkt en kortstondig is. Er wordt als norm een lengte van de kabels en/of leidingen korter of gelijk aan 25 meter gehanteerd. Voor gestuurde boringen is altijd een instemmingsbesluit nodig.
Bij spoedeisende werkzaamheden kan het voorkomen dat melden vooraf onmogelijk is. Het bepaalde in artikel 2.6 (verplichtingen) en 2.7 (stellen nadere regels, voorschriften en beperkingen) is van overeenkomstige toepassing op niet ingrijpende werkzaamheden. Voor spoedeisende werkzaamheden geldt het bepaalde in artikel 5.6 Telecommunicatiewet. Het formulier voor het melden van werkzaamheden wordt beschikbaar gesteld in een digitaal meldsysteem.
Artikel 2.5. Beslistermijn en aanhouding De beslistermijn van het college is maximaal acht weken en is afgeleid uit de Awb. Op grond van de Awb is het college verplicht binnen een redelijke termijn een besluit te nemen, waarbij die redelijke termijn wordt geacht te zijn verstreken na verloop van acht weken. Daarbij bestaat de mogelijkheid om de beslistermijn met 8 weken te verlengen, indien het niet lukt om binnen 8 weken tot een besluit te komen. Het college kan onder bepaalde voorwaarden de termijn tot besluitvorming verlengen. In het vijfde lid wordt bepaald dat de ‘lex silencio positivo’, oftewel de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, zoals die is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht, niet van toepassing is op de AVOI. Dit leerstuk is niet van toepassing op beschikkingen op grond van de AVOI, omdat grote publieke belangen in het geding kunnen zijn waaronder bereikbaarheid en veiligheid. Een en ander betekent dat ná het verstrijken van de beslistermijn de vergunning of het instemmingsbesluit niet van rechtswege wordt geacht te zijn verleend.
Artikel 2.6. Verplichtingen Elke aanbieder en/of grondroerder moet aan de in dit artikel opgesomde verplichtingen voldoen als hij werkzaamheden gaat verrichten zoals bedoeld in de AVOI. Daarnaast kan het college aan het instemmingsbesluit of de vergunning aanvullende voorschriften of beperkingen verbinden. Dit is geregeld in artikel 2.7. Op het verleggen van kabels van elektronische communicatienetwerken zijn de wettelijke regels (Telecommunicatiewet) van toepassing, volgens het principe ‘liggen om niet, verplaatsen om niet’. Aangezien de wettelijke regels rechtstreeks van toepassing zijn, stelt de verordening geen nadere regels over het verleggen van telecomkabels.
Artikel 2.7. Stellen nadere regels, voorschriften en beperkingen Alle grondroerders moeten aan een aantal verplichtingen voldoen als zij werkzaamheden gaan verrichten zoals bedoeld in de AVOI. Deze verplichtingen zijn opgenomen in artikel 2.6. Daarnaast kan het college aan het instemmingsbesluit aanvullende voorschriften of beperkingen verbinden. Daarbij geldt dat het college aan een instemmingsbesluit slechts voorschriften en beperkingen kan verbinden, mits daarmee de belangen, genoemd in artikel 5.4 lid 3 Telecommunicatiewet, worden gediend. Omwille van de uniformiteit is in artikel 2.7 geregeld welk soort voorschriften en beperkingen aan een vergunning kunnen worden verbonden.
Artikel 2.8. Geldigheidsduur instemmingsbesluit Dit artikel beperkt de werkingsduur van het instemmingsbesluit om uitvoering van werkzaamheden geruime tijd na afgifte te voorkomen. Eventueel tussentijds gewijzigd gebruik van gronden kan de uitvoering van werkzaamheden alsnog onwenselijk maken. In gevallen waar uitvoering en voorbereiding een langere doorlooptijd vergen, dient dat bij de melding te worden aangegeven en kan hiermee bij het verlenen van het instemmingsbesluit rekening worden gehouden. Het vierde lid dient ertoe te voorkomen dat een instemmingsbesluit meerdere keren wordt gebruikt, bijvoorbeeld in de situatie dat binnen één jaar een reeds gelegde telecomkabel moet worden vervangen. In dat geval dient een nieuw instemmingsbesluit te worden aangevraagd.
Artikel 2.9. Melding wijziging voorzieningen Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 2.10. Verplichting tot verwijdering telecomkabel Aangegeven is dat formeel gezien een netbeheerder verplicht is op aanzeggen van de gemeente leidingen te verwijderen als de betreffende telecomkabels buiten gebruik zijn gesteld. Vooral bij reconstructies moeten buiten gebruik gestelde kabels worden verwijderd. Uiteraard zal dit gegeven de consequenties steeds in afstemming tussen de gemeente en de betrokken aanbieder gebeuren, mede om onnodige overlast voor omwonenden te beperken.
HOOFDSTUK 3: KABELS EN LEIDINGEN
Artikel 3.1. Reikwijdte hoofdstuk 3 Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 3.2. Verbodsbepaling Het is verboden zonder of in afwijking van een voorafgaand door het college verleende vergunning kabels en/of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, te onderhouden, te verleggen, in stand te houden of te verwijderen. Een vergunning op grond van deze verordening is dus niet nodig voor het (mede) gebruiken van een kabel of leiding. Het verkrijgen van een vergunning op grond van deze verordening laat onverlet dat in voorkomende gevallen ook nog een andere vergunning nodig kan zijn, zoals een omgevingsvergunning voor bouwen of een watervergunning. Deze verordening ziet niet op het verlenen van die vergunningen.
Artikel 3.3. Aanvraag vergunning Als uitgangspunt geldt dat werkzaamheden in de openbare ruimte ten behoeve van het aanleggen, onderhouden, en verwijderen van kabels en leidingen, alsmede het in stand houden van kabels en leidingen in de openbare ruimte verboden zijn, tenzij de netbeheerder of grondroerder beschikt over een vergunning. Het tweede en derde lid benadrukken dat vooroverleg wenselijk is, teneinde te komen tot een goede ordening van de kabels en leidingen en afstemming van de werkzaamheden in de openbare ruimte. In het geval van werkzaamheden ten behoeve van ‘reguliere’ kabels en leidingen is vooroverleg niet verplicht (facultatief). Is daarentegen sprake van werkzaamheden ten behoeve van warmte- en koudeleidingen, transportleidingen of andere complexe ondergrondse infrastructuren (zoals bijvoorbeeld stoom- of waterstofnetten) dan is vooroverleg verplicht, omdat deze werkzaamheden doorgaans omvangrijk zijn en derhalve grote gevolgen hebben voor de directe omgeving. Ook leggen warmte- en koudenetten, transportleidingen en andere complexe ondergrondse infrastructuren een relatief groot beslag op de ondergrondse ruimte. Daarom is het des te belangrijker dat de gemeente op goede wijze invulling kan geven aan haar regierol. Het vooroverleg is daar een belangrijk onderdeel van.
Het onderscheid tussen reguliere werkzaamheden, werkzaamheden van niet ingrijpende aard en spoedeisende werkzaamheden wordt m.b.t. het vergunningvereiste in dit artikel duidelijk gemaakt. Tot de niet ingrijpende werkzaamheden behoren werkzaamheden waarvoor gedurende niet meer dan een korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk werkzaamheden worden verricht en waarvan de impact voor de omgeving relatief beperkt en kortstondig is. Er wordt als norm een lengte van de kabels en/of leidingen korter of gelijk aan 25 meter gehanteerd. Voor gestuurde boringen is altijd een vergunning nodig. Bij calamiteiten en spoedeisende werkzaamheden kan het voorkomen dat melden vooraf onmogelijk is. Het bepaalde in artikel 3.6 (verplichtingen) en 3.7 (stellen nadere regels, voorschriften en beperkingen) is van overeenkomstige toepassing op niet ingrijpende werkzaamheden en spoedeisende werkzaamheden.
De formulieren voor aanvragen van een vergunning dan wel het melden van werkzaamheden van nietingrijpende aard of spoedeisende werkzaamheden worden beschikbaar gesteld in een digitaal meldsysteem.
Artikel 3.4. Beslistermijn en aanhouding De beslistermijn van het college is maximaal acht weken en is afgeleid uit de Awb. Op grond van de Awb is het college verplicht binnen een redelijke termijn een besluit te nemen, waarbij die redelijke termijn wordt geacht te zijn verstreken na verloop van acht weken. Daarbij bestaat de mogelijkheid om de beslistermijn met 8 weken te verlengen, indien het niet lukt om binnen 8 weken tot een besluit te komen. Het college kan onder bepaalde voorwaarden de termijn tot besluitvorming verlengen. Een beslissing wordt pas genomen nadat het op grond van artikel 3.3 lid 3 verplichte vooroverleg heeft plaatsgevonden. In het zesde lid wordt bepaald dat de ‘lex silencio positivo’, oftewel de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, zoals die is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht, niet van toepassing is op de AVOI. Dit leerstuk is niet van toepassing op beschikkingen op grond van de AVOI, omdat grote publieke belangen in het geding kunnen zijn waaronder bereikbaarheid en veiligheid. Een en ander betekent dat ná het verstrijken van de beslistermijn de vergunning of het instemmingsbesluit niet van rechtswege wordt geacht te zijn verleend.
Artikel 3.5. Weigeringsgronden Het college kan een vergunning slechts weigeren indien daarmee de belangen worden gediend die de AVOI beoogt te beschermen. In dit artikel is een opsomming gegeven van deze belangen. Voor het weigeren van een vergunning geldt dat dit pas mogelijk is indien de belangen niet voldoende kunnen worden beschermd door voorschriften en of beperkingen te verbinden aan de vergunning. Vanwege het maatschappelijk belang van de door kabels en leidingen geleverde diensten, zal de gemeente slechts in uitzonderlijke gevallen overgaan tot het weigeren van een vergunningaanvraag. Aangezien de aanvragers van een vergunning uiteindelijk ook een beroep kunnen doen op wettelijke gedoogplichten (opgenomen in de Telecommunicatiewet en de Belemmeringenwet Privaatrecht), is het van belang om de aanleg van kabels en leidingen waar mogelijk te dulden en slechts tot weigering van een vergunningaanvraag over te gaan indien het opnemen van voorschriften of beperkingen de in dit artikel genoemde belangen onvoldoende beschermen. De in dit artikel genoemde belangen zijn bedoeld een evenwichtige afweging te kunnen maken bij gevallen van strijdige belangen. Onder de te beschermen belangen vallen ook die van de netbeheerders.
De gemeente heeft bijvoorbeeld een rol ten aanzien van de duurzame veiligheidsstelling van de openbare drinkwatervoorziening (Drinkwaterwet) en een coördinerende rol op gebied van de aanleg van samenhangende infrastructuur voor telecomdiensten. Onder h en i zijn weigeringsgronden opgenomen, die in het bijzonder van belang zijn in het kader van de aanleg van warmtenetten. Van belang daarbij is dat warmtenetten, meer dan bijvoorbeeld het elektriciteits- en drinkwaternet, met een commercieel oogmerk worden aangelegd, terwijl tegelijk de ruimtelijk impact van warmtenetten aanmerkelijk groter is. De gemeente wil voorkomen dat individuele warmtenetten, mede door de schaarse ruimte in de ondergrond en de ruimtelijke spreiding van schaarse duurzame bronnen in de stad, een optimale (collectieve) energie-oplossing beperken of blokkeren.
Daarnaast wil de gemeente voorkomen dat enkel warmtenetten worden gerealiseerd met rendabele aansluitingen die vervolgens de toch al minder rendabele aansluitingen nog minder rendabel maken (zie ook de algemene toelichting op de AVOI).
Artikel 3.6. Verplichtingen Elke netbeheerder en/of grondroerder moeten aan de in dit artikel opgesomde verplichtingen voldoen als hij werkzaamheden gaat verrichten zoals bedoeld in de AVOI. Daarnaast kan het college aan de vergunning aanvullende voorschriften of beperkingen verbinden. Dit is geregeld in artikel 3.7. De meeste in artikel 3.6 genoemde verplichting spreken voor zich en behoeven derhalve geen nadere toelichting. Een uitzondering daarop vormt de in het achtste lid geregelde aanwijzingsbevoegdheid. Op grond van het achtste lid is een netbeheerder verplicht maatregelen (waaronder het verwijderen, verleggen en/of aanpassen van kabels en leidingen) te nemen als dat noodzakelijk is voor het uitvoeren van werken door of vanwege de gemeente. Van deze bevoegdheid kan derhalve geen gebruik worden gemaakt ten behoeve van louter commerciële ontwikkelingen, waarbij de gemeente de te leveren gronden niet bouwrijp maakt. Een beslissing wordt pas genomen nadat het op grond van artikel 3.3 lid 3 verplichte vooroverleg heeft plaatsgevonden. Het college zal in het kader van het geven van een aanwijzing moeten onderzoeken of verplaatsing en/of aanpassing van de kabel of leiding werkelijk noodzakelijk is. Daarbij dienen de belangen van de vergunninghouder/rechthebbende, de gemeente en derden tegen elkaar te worden afgewogen.
Het college neemt het besluit tot een aanwijzing voor het verleggen van een leiding zo mogelijk op basis van overeenstemming, bereikt in het vooroverleg. Het aanwijzingsbesluit richt zich op de noodzaak tot verleggen en het tijdstip waarop dit gerealiseerd moet zijn. Als het college een aanwijzingsbesluit neemt dan moet de vergunninghouder op eigen kosten de kabel of leiding aanpassen of verwijderen. Het aanwijzingsbesluit is een rechtmatig besluit (tenzij in bezwaar of beroep anders zou worden geoordeeld). Een vergunninghouder of rechthebbende heeft dan ook recht op nadeelcompensatie, als hij gevolg van een rechtmatig besluit onevenredige schade leidt. Het college heeft hiervoor een nadeelcompensatieregeling vastgesteld. Een netbeheerder heeft recht op een vergoeding als die regeling dat bepaalt, in alle andere gevallen draagt de kabelbeheerder de kosten zelf. Naast het geven van een aanwijzing als hier bedoeld, biedt de verordening in artikel 3.9, aanhef en onder e, ook de mogelijkheid om een verleende vergunning in te trekken als dat noodzakelijk is voor werken door of vanwege de gemeente. De gemeente kan kiezen van welke bevoegdheid zij gebruik wenst te maken. Het geven van een aanwijzing is eenvoudiger dan het intrekken of wijzigen van een vergunning.
Ook bij het nemen een aanwijsbesluit om een kabel of leiding te verleggen, geldt dat de vergunning om een kabel of leiding in de grond te hebben of te houden vervalt. Het systeem waarbij het college een aanwijzing geeft voorkomt problemen in de praktijk. Het blijkt namelijk vaak voor te komen dat niet duidelijk is of er een vergunning is verleend, de rechthebbende stelt dat de gemeente in het verleden civielrechtelijk toestemming heeft verleend of de vergunning (c.q. de verklaring of overeenkomst waarin de toestemming zou zijn vastgelegd) niet is terug te vinden. Hoewel het risico dat een vergunning of een toestemmingsverklaring niet terug is te vinden bij de vergunninghouder ligt (die moet immers stellen en bewijzen dat er een vergunning is verleend) leidt deze situatie in de praktijk tot veel discussies met netbeheerders, en maakt het de handhaving veel moeilijker. Van de aanwijzingsbevoegdheid kan ook
gebruik worden gemaakt als er geen vergunning is verleend, of er voor de kabel of leiding civielrechtelijk toestemming is verleend. De aanwijzing is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waardoor er mogelijkheden zijn voor bezwaar en beroep. Tot slot is van belang dat de gemeente een aanwijzing tot verwijdering, verplaatsing of aanpassing van de kabel of leiding geeft, waarna de betreffende netbeheerder een vergunning moet aanvragen voor het verwijderen, verplaatsen of aanpassen van de kabel of leiding.
Artikel 3.7. Geldigheidsduur vergunning Dit artikel beperkt de werkingsduur van de vergunning om uitvoering van werkzaamheden geruime tijd na afgifte te voorkomen. Eventueel tussentijds gewijzigd gebruik van gronden kan de uitvoering van werkzaamheden alsnog onwenselijk maken. In gevallen waar uitvoering en voorbereiding een langere doorlooptijd vergen, dient dat bij de aanvraag te worden aangegeven en kan hiermee bij het verlenen van de vergunning rekening worden gehouden. Het vierde lid dient ertoe te voorkomen dat een vergunning meerdere keren wordt gebruikt, bijvoorbeeld in de situatie dat binnen één jaar een reeds gelegde kabel of leiding moet worden vervangen. In dat geval dient een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. Het uitganspunt is dat vergunningen (voor zover die betrekking hebben op het in stand houden van kabels en leidingen) voor onbepaalde tijd worden verleend. Een uitzondering op dat uitgangspunt kan worden gemaakt wanneer op het moment van het verlenen van de vergunning sprake is van een concreet voorzienbare ontwikkeling, in verband waarmee de kabel of leiding niet kan blijven liggen.
De concrete voorzienbaarheid van een ontwikkeling moet worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag of en in hoeverre ten tijde van de beslissing op de aanvraag aan de hand van onder meer concrete beleidsvoornemens voorzienbaar was dat zich een ontwikkeling zal voordoen waarvoor het nodig is kabels en leidingen te verwijderen. Ook moet er in enigerlei mate zekerheid bestaan over het tijdsbestek waarbinnen die ontwikkeling zich zal voordoen. Al met al zal niet te snel gebruik mogen worden gemaakt van de bevoegdheid om een vergunning voor bepaalde tijd de verlenen. In geval van een vergunning voor bepaalde tijd, eindigt de vergunning voor het in stand houden van de kabel of leiding automatisch na afloop van de daarin genoemde termijn en moet de netbeheerder de kabel of leiding op dat moment voor eigen kosten verwijderen.
Artikel 3.8. Stellen nadere regels, voorschriften en beperkingen. Alle grondroerders moeten aan een aantal verplichtingen voldoen als zij werkzaamheden gaan verrichten zoals bedoeld in de AVOI. Deze verplichtingen zijn opgenomen in artikel 3.6. Daarnaast kan het college aan de vergunning aanvullende voorschriften of beperkingen verbinden. Daarbij geldt dat het college aan een vergunning slechts voorschriften en beperkingen kan verbinden, mits daarmee de belangen worden gediend die de AVOI beoogt te beschermen (specialiteitsbeginsel). Die belangen staan opgesomd in artikel 3.6 (weigeringsgronden).
Omwille van de uniformiteit is in artikel 3.7 geregeld welk soort voorschriften en beperkingen aan een vergunning kunnen worden verbonden.
Artikel 3.9. Wijziging of intrekking vergunning Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om een vergunning te wijzigen of in te trekken in bepaalde, limitatief benoemde, situaties. Hiermee wordt geen rechtsonzekerheid voor netbeheerders beoogd, maar wordt wel nagestreefd dat de noodzakelijke voorwaarden voor de gewenste regievoering ook worden vervuld. Onderdeel e geeft het college de bevoegdheid om een vergunning te wijzigen of in te trekken in het geval het noodzakelijk is om maatregelen te nemen (waaronder het verleggen van kabels en leidingen) voor het oprichten van gebouwen of uitvoeren van werken. Daarbij gaat het om werkzaamheden door of vanwege de gemeente in het algemeen belang. Van deze bevoegdheid kan derhalve geen gebruik worden gemaakt ten behoeve van louter commerciële ontwikkelingen, waarbij de gemeente de te leveren gronden niet bouwrijp maakt. De in onderdeel e bedoelde bevoegdheid bestaat naast de in artikel 3.6, achtste lid, opgenomen bevoegdheid om een aanwijzing te geven. Ook bij intrekking van een vergunning geldt dat het college moet onderzoeken of verplaatsing en/of aanpassing van de kabel of leiding noodzakelijk is. Daarbij dienen de belangen van de vergunninghouder/rechthebbende, de gemeente en derden tegen elkaar te worden afgewogen.
Het college neemt het besluit tot wijziging of intrekking van een vergunning - voor zover noodzakelijk in verband met het oprichten van gebouwen of uitvoeren van werken door of vanwege de gemeente in het algemeen belang - zo mogelijk op basis van overeenstemming, bereikt in het vooroverleg. Het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning richt zich op de noodzaak tot verleggen en het tijdstip waarop dit gerealiseerd moet zijn. Als het college een vergunning wijzigt of intrekt dan moet de vergunninghouder op eigen kosten de kabel of leiding aanpassen of verwijderen. Het besluit is immers rechtmatig (tenzij in bezwaar of beroep anders wordt geoordeeld). Een vergunninghouder heeft recht op nadeelcompensatie, als hij gevolg van een rechtmatig besluit onevenredige schade leidt. Het college heeft hiervoor een nadeelcompensatieregeling vastgesteld. Een netbeheerder heeft recht op een vergoeding als die regeling dat bepaalt, in alle andere gevallen draagt hij de kosten zelf. Tot slot is van belang dat de gemeente een vergunning intrekt of wijzigt, waarna de betreffende netbeheerder een vergunning moet aanvragen voor het verwijderen, verplaatsen of aanpassen van de kabel of leiding.
Artikel 3.10. Verplichting tot verwijdering kabel of leiding Aangegeven is dat formeel gezien een netbeheerder verplicht is op aanzeggen van de gemeente leidingen te verwijderen als de vergunning is verlopen/ingetrokken of als de betreffende kabels en leidingen buiten gebruik zijn gesteld. Vooral bij reconstructies moeten buiten gebruik gestelde kabels en leidingen worden verwijderd. Uiteraard zal dit, gelet op de consequenties, waaronder de overlast voor omwonenden, steeds in goed overleg tussen de gemeente en de betrokken netbeheerder gebeuren’.
Artikel 3.11. Rechtsopvolging Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. HOOFDSTUK 4: HANDHAVING
Artikel 4.1. Toezicht en handhaving Dit artikel maakt alle betrokken partijen bewust van het niet-vrijblijvende karakter van de AVOI. Uitgangspunt is dat partijen zich houden aan de bepalingen van de AVOI, waarmee nagestreefde doeleinden bereikt kunnen worden. De gemeente is belast met de handhaving van hetgeen in de verordening is opgenomen en ten aanzien van het instemmingsbesluit. Het eerste lid geeft aan dat het college ambtenaren kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens deze AVOI. Als een of meer partijen zich niet houden aan de voorschriften van deze AVOI behouden burgemeester en wethouders zich nadrukkelijk het recht voor gebruik te maken van de hen toekomende bevoegdheden en mogelijkheden zowel bestuursrechtelijk als civielrechtelijk en eventueel strafrechtelijk. Bestuursrechtelijk zijn met name de Awb en de Gemeentewet van belang met de huidige bepalingen inzake bestuursdwang, last onder dwangsom en bestuurlijke boete. Civielrechtelijk blijven de opties van onrechtmatige daad van toepassing. Strafrechtelijk is naast het wetboek van Strafrecht in algemene zin ook de Wet op de economische delicten relevant, omdat daarin rechtstreeks bepalingen uit de Telecommunicatiewet van toepassing zijn verklaard.
In de regel zal het college handhavend optreden, maar onder bijzondere omstandigheden kan worden verlangd dat achteraf een situatie wordt gelegaliseerd. Bijvoorbeeld indien voor reeds uitgevoerde werkzaamheden een melding is gedaan terwijl een instemmingsbesluit had moeten worden aangevraagd. Het laten verwijderen of verplaatsen van de kabels en/of leidingen kan zodanig onevenredig zijn in verhouding tot het openbaar belang dat de vereiste instemmings- of vergunningsprocedure alsnog moet worden gevolgd. Daarbij komt dat het van belang is dat moet worden voldaan aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de desbetreffende procedure. Te denken valt onder andere aan een aantal (praktische) zaken, zoals het verstrekken van relevante gegevens. De kosten die de gemeente maakt voor het alsnog volgen van de vereiste procedure, is ook te beschouwen als een dienst van de gemeente waarvoor alsnog (verhoogde) leges verschuldigd kunnen zijn. Ook eventuele herstraatkosten enzovoorts kunnen in rekening worden gebracht. Afgezien van voornoemde preventieve en vooral correctieve of repressieve acties kan het college in voorkomende gevallen ook ingrijpen in het lopende proces en werkzaamheden (onder bepaalde voorwaarden) ook tijdelijk stil leggen. In het derde lid staat beschreven in welke gevallen dit kan.
Het college heeft de mogelijkheid de verleende instemming of vergunning in te trekken als niet voldaan is aan de voorschriften wat betreft plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden. Het college gaat niet over tot intrekking van het instemmingsbesluit voordat zij de houder van het instemmingsbesluit of de vergunning heeft gehoord. Aan het besluit tot intrekking van het instemmingsbesluit of de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabels en/of leidingen te verplaatsen of deze te verwijderen.
HOOFDSTUK 5: SLOTBEPALINGEN
Artikel 5.1 Intrekking oude verordening Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.2 Wijziging van andere verordeningen Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.3. Overgangsrecht De AVOI heeft directe werking. Dit betekent dat deze verordening na de inwerkingtreding direct van toepassing is op aanvragen die reeds zijn ingediend, maar waarop nog niet is beslist. Datzelfde geldt voor wat betreft een beslissing op een eventueel bezwaar. Daarop is ook de nieuwe verordening van toepassing (ex nunc-beoordeling). Lid 2 bepaalt dat voor kabels en leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig én in gebruik zijn, de vergunning op basis waarvan zij aangebracht zijn geldt als een vergunning als bedoeld in deze verordening. Kabels en leidingen die zonder vergunning aanwezig zijn in de ondergrond, vallen niet onder deze regeling. Deze verordening legaliseert derhalve ook geen bestaande illegale situaties.
Artikel 5.4. Hardheidsclausule Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.5. Inwerkingtreding. Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 5.6. Citeertitel Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting.
****