Bijlage 1 -Toekomstverkenning Wmo
Tekst van het document
Toekomstverkenning Wmo Inzicht in de belangrijkste ontwikkelingen binnen de Wmo
Toekomstverkenning Wmo Inzicht in de belangrijkste ontwikkelingen binnen de Wmo Definitief rapport Gemeente Eindhoven
Saskia Bijpost Heleen Rijnkels Marco Wilke Projectnummer Classificatie
PO021950 Intern gebruik
Bijgewerkte versie | 26 januari 2022
Partners in verbetering
| 2 | Toekomstverkenning Wmo
Inhoudsopgave H1 | Achtergrond vraag
5
H2 | Plan van aanpak 2.1 Aanpak
6 6
2.2 Afbakening van de Wmo
7
2.3 Data-analyse
7
2.4 Opbouw van het rapport
9
H3 | Historisch zorggebruik en kosten Wmo 3.1 Wmo-gebruik 2016 tot en met 2020
10 10
3.2 Wmo-kosten 2017 tot en met 2019
12
Figuur 4 Uitgaven per maatwerkvoorziening 2017-2019
13
H4 | Maatschappelijke ontwikkelingen 4.1 Demografische factoren
14 14
4.1.1 Vergrijzing
14
4.1.2 Mantelzorgers
16
4.2 Economische factoren
18
4.2.1 Koopkracht en inkomen
19
4.2.2 Arbeidsmarkt
20
4.3 Sociaal-culturele factoren
20
4.3.1 Langer zelfstandig thuis
20
4.3.2 Opleidingsniveau
21
4.3.3 Eenzaamheid
22
4.3.4 Dementie
24
4.3.5 Migratieachtergrond
24
4.4 Technologische factoren
25
4.4.1 Technologische innovatie
25
4.4.2 Digitalisering
26
4.4.3 Datagedreven werken
26
4.5 Politiek-juridische factoren
27
4.5.1 Aandacht voor preventie en sociale basis
27
4.5.2 Concurrentie financiën
27
4.5.3 Wonen
28
4.6 Overige ontwikkelingen
28
4.6.1 Tweedeling
29
4.6.2 Verstedelijking
29
4.6.3 Uitstroom Jeugdhulp naar Wmo
29
4.6.4 Ambulantisering van de GGZ
29
4.6.5 Compensatiebeginsel
30
H5 | Toekomstige vraag en kosten Wmo
| 3 | Toekomstverkenning Wmo
31
5.1 Vraagontwikkeling door demografische groei
31
5.2 Vraagontwikkeling door andere ontwikkelingen
34
5.3 Groei kosten Wmo
35
H6 | Aanknopingspunten voor vervolg 6.1 Belangrijkste ontwikkelingen 6.2 Handelingsperspectief
37 37 37
6.2.1 Strategieën voor de vergrijsde samenleving
38
6.2.2 Strategieën voor de psychisch kwetsbare inwoners
38
Bijlage A Lijst met uitgewerkte voorzieningen
39
Bijlage B Overzicht geïnterviewde organisaties en personen
40
Bijlage C Overzicht rapportages trendanalyse
41
| 4 | Toekomstverkenning Wmo
H1 | Achtergrond vraag In de periode 2017-2020 heeft de gemeente Eindhoven veel energie besteed aan het realiseren van een aantal beheersmaatregelen. Er is geïnvesteerd in de financiële houdbaarheid van voorzieningen in het sociaal domein. Dat vroeg focus op interne bedrijfsvoering en financiën. Nu is er ruimte voor een doorontwikkeling van beleid vanuit het perspectief van inwoners. De vraag is onder andere: “Doen we de goede dingen voor de inwoners die dit het meest nodig hebben?” en: “sluit onze dienstverlening nog voldoende aan bij de behoeften van de inwoners en ontwikkelingen in onze samenleving?”. De eerste stappen zijn daarin reeds door de gemeente gezet en dit heeft geresulteerd in onder andere een video met daarin de belangrijkste ontwikkelingen binnen het sociaal domein. Deze video wordt afgesloten met de uitnodiging: denk en werk met ons mee aan een toekomstbestendig en sociaal Eindhoven. Ter aanvulling en verdieping heeft de gemeente Eindhoven behoefte aan een ‘toekomstverkenning Wmo’, dit wil zeggen: inzicht in de ontwikkelingen die de komende jaren binnen de Wmo op hen afkomen.
Met die ontwikkelingen wordt met name bedoeld: ● Wie is onze doelgroep en hoe ontwikkelt de doelgroep zich? ● Welk aanbod is er nu en welke ontwikkelingen kunnen we daarin verwachten? ● Wat gebeurt het op het gebied van wet- en regelgeving? ● Welke beleidsmatige veranderingen kunnen we in de komende 10 jaar verwachten? ● Wat betekent dit voor vraag en aanbod naar Wmo-voorzieningen? De beoogde toekomstverkenning biedt niet alleen een fundament voor beleidsontwikkeling van de gemeente, maar heeft daarmee ook gevolgen voor de stakeholders, zoals de cliëntenraad (namens de inwoners), welzijnsorganisaties en onderwijspartners. Het is dan ook belangrijk om hen te betrekken bij de toekomstverkenning. De gemeente Eindhoven heeft behoefte aan een toekomstverkenning van de Wmo met nadruk op de maatschappelijke en wettelijke ontwikkelingen die de komende 5 tot 10 jaar op de gemeente afkomen. Er wordt daarbij ook gekeken naar de ontwikkelingen in de verschuivingen in de systeemwereld. Daarnaast heeft de gemeente behoefte aan (duiding van) data die deze ontwikkelingen schragen.
| 5 | Toekomstverkenning Wmo
H2 | Plan van aanpak Bij het maken van een toekomstverkenning –in dit geval van de Wmo- hoort een andere methode dan bij het beoordelen/evalueren van reeds bestaande feiten. Immers, flauw gezegd, we kennen de toekomst niet. En het eenvoudigweg extrapoleren van de kennis die we op dit moment hebben voldoet in ieder geval niet voor een verkenning. In dit hoofdstuk beschrijven we onze aanpak om tot de toekomstverkenning te komen.
2.1 Aanpak Methode In deze verkenning worden factoren beschreven die van invloed zijn op de ontwikkelingen binnen de Wmo. Om deze factoren te structuren wordt gebruik gemaakt van het gedachtegoed van de DESTEP1-analyse. Een methode die vaak binnen bedrijven wordt gebruikt om externe factoren te beschrijven. In dit geval beschrijven deze factoren de externe ontwikkelingen die vraag naar en aanbod van voorzieningen binnen de Wmo beïnvloeden, zonder dat de gemeente die factoren direct kan beïnvloeden. Een voorbeeld van een demografische factor is vergrijzing van de samenleving; een ontwikkeling die de vraag naar voorzieningen binnen de Wmo sterk beïnvloedt. We hebben een kleine variatie in thema’s gebruikt en maken een analyse aan de hand van de volgende factoren: ● Demografische factoren ● Economische factoren ● Sociaal-culturele factoren ● Technologische factoren ● Politiek-juridische factoren De ontwikkelingen die worden beschreven zijn gebaseerd op een aantal onderdelen die via een trechter van landelijk naar lokaal worden beschreven. Daar waar mogelijk worden de ontwikkelingen onderbouwd met data. Het is niet van alle factoren mogelijk om een directe vertaling te maken van de impact van de ontwikkeling op de gemeente Eindhoven.
Bronnen en stakeholders Om grip te krijgen op de relevante factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van de Wmo in Eindhoven hebben we vier sporen gevolgd: 1. Documenten van gezaghebbende instituten over de Wmo –en aanpalende terreinenzijn bestudeerd 2. We nemen interviews af met verschillende sleutelspelers (Bijlage B) uit Eindhoven om een beeld te krijgen van hun verwachtingen van de ontwikkeling van de Wmo: ○ Beleidsadviseurs ○ Bestuurders ○ Afvaardiging vanuit de uitvoering, waaronder WijEindhoven) ○ Externe partners ○ Afvaardiging van de werkgroep Wmo van de cliëntenraad 1
https://www.intemarketing.nl/marketing/analyses/destep
| 6 | Toekomstverkenning Wmo
3. Op basis van open data hebben we een data-analyse uitgevoerd; met name om de demografische effecten goed in beeld te krijgen. Om de data van de gemeente Eindhoven beter te kunnen duiden hebben we in overleg met de gemeente Eindhoven een referentiegemeente toegevoegd. In dit rapport wordt de data van Eindhoven afgezet tegen de gemeente Breda. 4. Binnen BMC hebben we vele deskundigen rondom de Wmo-problematiek bevraagd om verwachtingen over de ontwikkeling van de Wmo te spiegelen en te becommentariëren. BMC is werkzaam in honderden gemeenten in Nederland op het terrein van het sociaal domein en heeft als gevolg daarvan een behoorlijk zicht op mogelijke ontwikkelingen.
2.2 Afbakening van de Wmo In dit rapport gaan we uit van de inwoners die gebruik maken van de voorzieningen binnen de Wmo. Er zijn grofweg twee groepen inwoners die specifieke aandacht vragen. ● Ten eerste zijn dat ouderen, met name de 75-plusser die grotendeels vanuit een fysieke beperking een beroep doet op de gemeente. ● Ten tweede zijn dat de psychisch kwetsbare inwoners die vanuit een psychische beperking een beroep doen op de voorzieningen. Dit gaat vooral om volwassenen van 18-672 jaar. De Wmo kent een breed aantal voorzieningen, zowel informele oplossingen als algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. In dit onderzoek richten we ons specifiek op die voorzieningen die bedoeld zijn om kwetsbare inwoners te ondersteunen. Binnen het CBS worden de Wmo-voorzieningen in vier categorieën onderverdeeld: 1. Hulp bij huishouden 2. Ondersteuning thuis 3. Verblijf en opvang 4. Hulpmiddelen en diensten In de bijlage A zijn deze categorieën verder uitgewerkt in producten en voorzieningen.
2.3 Data-analyse Om de toekomstverkenning te onderbouwen met cijfers en feiten, is daar waar mogelijk een data-analyse uitgevoerd. Omdat het om een verkennende studie gaat hebben we gewerkt met openbare data aangevuld met data van de gemeente Eindhoven over de kosten van het zorggebruik in de afgelopen jaren. Het resultaat van de data-analyse is op de volgende plaatsen in de rapportage terug te vinden: ● In hoofdstuk 3 bieden we een beknopt overzicht van het historisch zorggebruik en kosten. ● In hoofdstuk 4 onderbouwen we een aantal maatschappelijke ontwikkelingen met data. Dit gaat met name om de factoren die direct invloed hebben op de vraag naar en het aanbod van Wmo-voorzieningen.
We hanteren de leeftijd van 67 als pensioenleeftijd. Tot die tijd zullen inwoners (indien mogelijk) een vorm van betaalde of vrijwillige arbeid verrichten. 2
| 7 | Toekomstverkenning Wmo
●
In hoofdstuk 5 geven we een prognose van het zorggebruik en kosten voor periode tot 2030. Het betreft niet louter een extrapolatie van het zorggebruik op basis van demografische ontwikkelingen. We betrekken hier ook de impact van een aantal maatschappelijke ontwikkelingen bij. Denk bijvoorbeeld aan het effect van langer zelfstandig wonen, toenemende mondigheid en de afname van het aantal mantelzorgers.
Figuur 1 laat een groot aantal indicatoren zien waarvan uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat ze verband houden met de vraag naar ondersteuning. Bijvoorbeeld: inwoners met een laag opleidingsniveau doen in de regel een groter beroep op voorzieningen dan inwoners die hoger opgeleid zijn. Omdat we in deze rapportage met openbare data werken, is het niet gelukt om alle indicatoren te kwantificeren. In hoofdstuk 4 plaatsen we de indicatoren zoveel mogelijk bij de verschillende maatschappelijke ontwikkelingen. Dit gaat om de vetgedrukte indicatoren.
Figuur 1 Indicatoren voor ondersteuningsvraag Referentiegemeente In de data-analyse maken we zoveel mogelijk de vergelijking met referentiegemeente Breda. Dit is niet bedoeld als een benchmark of een meetlat maar als hulpmiddel om trends te duiden en te begrijpen. We hebben Breda als referentiegemeente geselecteerd op basis van de volgende criteria: ● Aantal inwoners ● Centrumfunctie ● Opleidingsniveau ● Bevolkingsopbouw ● Mate van stedelijkheid ● Inkomen ● Gezondheid
| 8 | Toekomstverkenning Wmo
Dashboard Op veel plaatsen in het rapport gebruiken we afbeeldingen met een korte toelichting. Voor een compleet overzicht van de data-analyses die we gemaakt hebben, kan ook het dashboard geraadpleegd worden dat met de rapportage opgeleverd wordt. Disclaimer In deze toekomstverkenning en de data-analyse wordt uitgegaan van gegevens zoals nu bij ons bekend. Denk hierbij aan het gemeentelijk beleid, wetgeving en de huidige gemeentegrenzen.
2.4 Opbouw van het rapport
Voordat we ons richten op de toekomst van de Wmo geven we in hoofdstuk 3 een beknopt overzicht van aantallen cliënten, ondersteuningsvormen en kosten Wmo in de afgelopen 3 jaar. Dit beeld geeft een goede uitgangspositie om vooruit te kijken. In hoofdstuk 4 bespreken we maatschappelijke ontwikkelingen die impact hebben op de toekomstige vormgeving van de Wmo. We besteden daarbij aandacht aan het landelijke beeld en, daar waar data beschikbaar is, aan de situatie voor Eindhoven. In hoofdstuk 5 beschrijven we wat de impact van maatschappelijke ontwikkelingen is op de toekomstige vraag naar Wmo-voorzieningen. We schetsen de ontwikkeling van vraag en kosten. We ronden onze verkenning met een aantal aanknopingspunten voor het vervolg van de strategische oriëntatie. Dit rapport is conform onze offerte de eerste fase van het onderzoek zoals door de gemeente Eindhoven gevraagd is. De –mogelijk- tweede en derde fase houden een intensieve verdieping in van de verkenning. Het vervolg is gericht op een verdieping op de data, inspiratie voor beleid dat Eindhoven kan ontwikkelen alsmede een scenario studie waarin belangrijke gevolgen van beleidskeuzes uitgewerkt worden.
| 9 | Toekomstverkenning Wmo
H3 | Historisch zorggebruik en kosten Wmo In deze rapportage staat de verkenning van de toekomst centraal. Om die verkenning goed te kunnen maken, is het goed om te starten met referentiemateriaal. Hoe zag het zorggebruik in de Wmo er in de afgelopen jaren uit? En wat waren de financiële ontwikkelingen? We geven in dit hoofdstuk een beknopt overzicht op basis van beschikbare CBS-data. Daarbij vergelijken we Eindhoven steeds met referentiegemeente Breda om de trends van de afgelopen jaren beter te kunnen duiden. De keuze voor Breda is gemaakt op basis van de volgende selectiecriteria: aantal inwoners, mate van stedelijkheid, centrumfunctie, bevolkingsopbouw, inkomen en gezondheid.
3.1 Wmo-gebruik 2016 tot en met 2020 In figuur 2 is het aantal cliënten te zien dat gebruik maakt van een Wmo-voorziening in de periode 2016-2020. Links in de figuur staan de cijfers van Breda, rechts die van Eindhoven. In de CBS-data ontbraken de gegevens van 2016 voor Breda en van 2017 voor Eindhoven. Toch geeft dit een goed beeld van het zorggebruik in de afgelopen jaren. In het overzicht staan alleen de maatwerkvoorzieningen. De ondersteuning die geleverd is door middel van algemene voorzieningen is hier niet meegenomen omdat eenduidige en open data niet beschikbaar zijn. Voor de gemeente Eindhoven vallen de volgende zaken op: ● Hulp bij het huishouden daalt na 2016 en stijgt pas weer in 2020; ● Er is een flinke stijging in het gebruik van ondersteuning thuis in 2019, die in 2020 weer iets terugloopt; ● In 2020 is er een grote stijging in gebruik hulpmiddelen; ● Vanaf 2018 laat verblijf en opvang een daling zien.
| 10 | Toekomstverkenning Wmo
Figuur 2 Aantal cliënten dat gebruikt maakte van een of meer Wmo-voorzieningen 2016-2020 In figuur 3 is het totale zorggebruik uitgesplitst naar leeftijd. Dit laat zien dat er een duidelijke samenhang is tussen leeftijd en gebruik van Wmo-voorzieningen. ● Het gebruik in de leeftijdscategorie tot 30 jaar neemt na 2018 licht af; ● Vanaf de categorie 60-75 zien we een sterkere stijging optreden; ● De stijging in het gebruik is het grootst in de categorie vanaf 85 jaar, terwijl ook de categorie van 75 tot 85 een flinke stijging laat zien. Dit laat zien dat leeftijd een belangrijke voorspellende factor is voor de vraag naar ondersteuning.
| 11 | Toekomstverkenning Wmo
Figuur 3 Cliënten naar leeftijd in de periode 2016-2020
3.2 Wmo-kosten 2017 tot en met 2019 Voor dit onderzoek gebruiken wij CBS-cijfers uit de periode 2017 tot en met 2019. Te zien is dat de totale uitgaven in 2018 en 2019 zijn afgenomen. De grootste daling in uitgaven is te zien bij ondersteuning thuis en bij verblijf en opvang. ● Het aantal cliënten ondersteuning thuis is in 2018 en 2019 gestegen terwijl de uitgaven zijn afgenomen. Verklaring zou kunnen zijn dat de omvang van de ondersteuning per cliënt is afgenomen, dat goedkopere producten zijn ingezet en/of dat de duur van de ondersteuning is afgenomen. ● Bij verblijf en opvang zien we dat de daling in de kosten gepaard is gegaan met minder cliënten in dit cluster van ondersteuning.
| 12 | Toekomstverkenning Wmo
Figuur 4 Uitgaven per maatwerkvoorziening 2017-2019
| 13 | Toekomstverkenning Wmo
H4 | Maatschappelijke ontwikkelingen In dit hoofdstuk worden de belangrijkste ontwikkelingen beschreven die van invloed zijn op de vraag naar voorzieningen binnen de Wmo. In de eerste zes paragrafen worden de ontwikkelingen beschreven waarvan een vertaling kan worden gemaakt naar de impact die de ontwikkeling heeft op de gemeente Eindhoven. Daarnaast zijn er een aantal ontwikkelingen waarvan de impact niet te kwantificeren is. Deze algemene ontwikkelingen staan beschreven in de laatste paragraaf van dit hoofdstuk.
4.1 Demografische factoren In deze paragraaf worden de belangrijkste demografische factoren beschreven die van invloed zijn op de vraag naar voorzieningen binnen de Wmo. Eerst worden de landelijke trends behandeld en vervolgens wordt een vertaling gemaakt naar situatie in de gemeente Eindhoven.
4.1.1 Vergrijzing De samenleving vergrijst; er komen steeds meer ouderen en deze ouderen worden steeds ouder. Vanaf de leeftijdscategorie 60-75 jaar stijgt de behoefte aan zorg en voorzieningen, zowel absoluut als relatief. Met name de voorzieningen in de eerste drie categorieën Wmo-voorzieningen zijn sterk gerelateerd aan leeftijd: hulp bij huishouden, begeleiding en dagbesteding en hulpmiddelen. Dat maakt dat een stijging van het aantal ouderen en meer ouderen die ouder worden de vraag naar voorzieningen sterk beïnvloedt en het dus ook te voorspellen is met data. Impact Eindhoven Zoals eerder aangegeven zorgt vergrijzing voor een stijging van de vraag naar het aantal voorzieningen. In figuur 5 staat aangegeven hoe de demografie in Eindhoven zich ontwikkelt. In Eindhoven zal het aantal inwoners in alle leeftijdscategorieen toenemen.
| 14 | Toekomstverkenning Wmo
Figuur 5 Bevolkingsprognose tot 2035 per leeftijdscategorie Te zien is dat de oudste leeftijdscategorie het snelst groeit. leeftijdscategorie
60 tot 75 jaar
75 tot 85 jaar
boven 85 jaar
Groeipercentage per leeftijdscategorie in de periode 2020 - 2035
12%
24%
34%
Tabel 1 Groeipercentage 2020 - 2035 voor leeftijdscategorie 60-75, 75-85 en >85 De komende jaren stijgt het totaal aantal inwoners in Eindhoven van 233.800 inwoners naar 266.700 in 2035 (+8,7%). Het aandeel inwoners van 60 jaar en ouder stijgt zowel relatief als absoluut. Tussen 2020 en 2035 stijgt het aantal inwoners tussen 60 en 75 jaar van 34.000 naar 44.000 inwoners. Dat is stijging van 12% ten opzichte van het totaal aantal inwoners. De groep inwoners van 75 tot 85 jaar stijgt in diezelfde periode van 13.100 naar 19.500 inwoners. Deze groep inwoners stijgt met 24% ten opzichte van alle inwoners in Eindhoven. Het aantal inwoners van 85 jaar en ouder stijgt van 5.400 naar 9.300. Dat is een stijging ten opzichte van het totaal aantal inwoners van 34%. Met name de laatste twee leeftijdscategorieen zijn inwoners die gebruik maken van voorzieningen binnen de Wmo. De verwachting is dat het gebruik van
| 15 | Toekomstverkenning Wmo
Wmo-voorzieningen met eenzelfde percentage zal stijgen. De doorrekening staat in de volgende tabel 1A.
65-75
75-85
>85
2020
Gebruik van 1 of meer voorzieningen in 2020 voor totaal aantal inwoners in deze leeftijdscategorie
3.700
4.100
4.200
2035
Gebruik van 1 of meer voorzieningen in 2035 voor totaal aantal inwoners in deze leeftijdscategorie
4.144 (+12%)
5.084 (+24%)
5.628 (+34%)
Tabel 1A Toename van gebruik voorzieningen in 2035 bij leeftijd 65 jaar en ouder.
4.1.2 Mantelzorgers Geheel conform de filosofie van de Wmo heeft mantelzorg als een vorm van informele zorg een grote rol in de zorg voor ouderen. De wens van ouderen zo lang mogelijk zelfstandig te blijven, wordt mede bepaald door de beschikbaarheid van mantelzorgers kan alleen gerealiseerd worden als mantelzorgers (partner, kinderen, buren, vrienden, etc.). Echter, mantelzorgers worden gemiddeld ook ouder en hebben wat dat betreft minder (fysieke) mogelijkheden om hulp te bieden. Ongeveer 50% van de mantelzorgers is nu tussen de 50 en 75 jaar en ongeveer 10% van de mantelzorgers is 75 jaar en ouder. Het percentage mantelzorgers in de leeftijd van 75 jaar en ouder stijgt de komende jaren tot bijna 17% in 2035. Omdat de bevolking vergrijst, is de aanwas van nieuwe (jongere) mantelzorgers niet voldoende. Dat betekent dat de meest kwetsbare inwoners op steeds minder mantelzorgers beroep kunnen doen. De toename van het aantal ouderen die een beroep doen op zorg wordt vaak benoemd in de literatuur. Echter, voor de Wmo is de vergrijzing van mantelzorgers een minstens zo belangrijke ontwikkeling. Vanuit twee perspectieven heeft dit invloed op de Wmo. Door de groeiende groep ouderen wordt behoefte aan informele zorg groter, terwijl de groep inwoners die de ondersteuning kan leveren juist kleiner wordt.
Daarnaast blijven ouderen steeds langer thuis wonen omdat de toegangseis tot een intramurale setting strenger wordt, waardoor de zorgvraag aan mantelzorgers ook steeds zwaarder wordt. Impact Eindhoven In figuur 6a is de ontwikkeling van het aantal mantelzorgers te zien.
| 16 | Toekomstverkenning Wmo
In het bovenste gedeelte is de groei van het aantal 50-75 jarigen en het aantal inwoners ouder dan 85 jaar te zien. In figuur 6b laten we zien hoe de verhouding tussen het aantal 50-75 jarigen en 85 jaar en ouder verandert. In 2020 zijn per 85+ inwoner bijna 12 mantelzorgers in potentie beschikbaar. In 2030 daalt het aantal potentiële mantelzorgers per 85+ naar 10,1 en in 2035 naar 8,1. Kortom, het beroep dat op mantelzorgers gedaan kan worden, daalt. Prognose aantal mantelzorgers in verhouding tot het aantal 85+ in de periode 2020-2035
Figuur 6a Verhouding aantal potentiële mantelzorgers ten opzichte van aantal ouderen boven 85
| 17 | Toekomstverkenning Wmo
Figuur 6b Absoluut aantal ouderen in leeftijdsklasse 50 tot 75 en boven 85 in De periode 2020 tot 2035. In figuur 6c is te zien hoe het aantal mensen dat mantelzorg kan verlenen aan inwoners van 85 jaar afneemt in de periode 2020 tot 2035. In 2020 zijn per inwoner ouder dan 85 jaar in potentie zo´n 12 mantelzorgers beschikbaar. In 2035 zijn nog maar 8 mantelzorgers per inwoner van 85 jaar of ouder beschikbaar.
Figuur 6c Aantal potentiële mantelzorgers in de leeftijd 50 tot 75 jaar voor hulp aan inwoners vanaf 85 in de periode 2020 tot 2035
4.2 Economische factoren In deze paragraaf worden de belangrijkste economische factoren beschreven die van invloed zijn op de ontwikkelingen binnen de Wmo. Allereerst worden de landelijke ontwikkelingen
| 18 | Toekomstverkenning Wmo
beschreven en vervolgens wordt een doorkijk gemaakt naar de lokale impact van deze ontwikkelingen.
4.2.1 Koopkracht en inkomen De afgelopen jaren is de koopkracht enorm toegenomen. Door vele instituten wordt de komende 10 jaar slechts een beperkte koopkrachtontwikkeling van gezinnen verwacht. De benodigde middelen voor het goed omgaan met de klimaatontwikkeling en de noodzakelijke middelen voor de publieke sector, gezondheidszorg, onderwijs, veiligheid, zullen weinig restruimte laten voor de gemiddelde inkomensontwikkeling. Daarbij komt nog de ervaring dat de scheefheid in inkomensontwikkeling tussen ‘rijke’ en ‘arme’ inkomensgroepen enkel toeneemt. Verwacht wordt wel dat het aantal 60-plussers dat deelneemt aan de arbeidsmarkt (en dus een relatief hoog inkomen heeft) voorlopig blijft toenemen als gevolg van de verhoging van de AOW- en pensioenleeftijd. Verwacht mag worden dat ouderen aan koopkracht winnen. Die tendens is al geruime tijd zichtbaar. Reden daarachter is dat voor velen aanvullende pensioenopbouw sinds de jaren zestig van de vorige eeuw pas is gerealiseerd. Dus het aantal ouderen dat de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en naast de AOW een aanvullend pensioen heeft zal nog toenemen. Toenemende koopkracht bij ouderen maakt dat dat deze groep inwoners zelf kan investeren in bijvoorbeeld woningaanpassingen, zoals het levensloopbestendig maken van de eigen woning.
Daarnaast wordt de groep ouderen met aanvullend pensioen groter ten opzichte van de groep ouderen die dat niet heeft, waardoor bij de eventuele herintroductie van een inkomensafhankelijke eigen bijdragen er relatief meer bijdrage betaald worden door ouderen. De coronacrisis betekent voor een deel van de bedrijven, flexwerkers en zelfstandigen dat zij hun inkomen en/of kapitaal (deels) hebben zien wegvallen. Hierdoor doen meer mensen een beroep op inkomensondersteuning en vormen van schulphulpverlening. Ook het beroep op maatschappelijke opvang is toegenomen. Impact Eindhoven Het armoedeniveau is een voorspeller voor zorgvraag. De ontwikkelingen die we schetsen laten zien dat het inkomen van bepaalde groepen gemiddeld stijgt (oa ouderen) en van anderen daalt (bedrijven en inwoners getroffen in inkomen door coronacrisis). Ouderen hebben relatief meer te besteden dan 20 jaar geleden. Wanneer binnen de Wmo (wederom) een inkomensafhankelijke regeling wordt getroffen, heeft dat mogelijk gevolgen voor het aantal inwoners dat gebruik maakt van een voorziening. Zo is gebleken bij het afschaffen van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage dat het aantal ouderen dat gebruik ging maken van de huishoudelijke ondersteuning enorm is toegenomen. Wat de consequenties op de Wmo-zorgvraag zijn als gevolg van de coronacrisis, kunnen we niet inzichtelijk maken op basis van de beschikbare data.
Deze inzichten kunnen ondere verder uitgewerkt worden door: ● Inzicht in trajecten schuldhulpverlening in 2020 en 2021;
| 19 | Toekomstverkenning Wmo
● ●
Het aantal gebruikers van maatschappelijke opvang en/of het aantal inwoners dat hun huis is verloren; Inzicht in het gebruik van inkomensondersteuning in 2020 en 2021.
4.2.2 Arbeidsmarkt Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zal van grote invloed zijn op de omvang van en de kosten van zorgvoorzieningen. Op het moment van schrijven is het aanbod van gekwalificeerd personeel in de zorg schaars en de vraag groot. Daar dit een probleem is voor heel Nederland kan verwacht worden dat de loonkosten, meer dan evenredig, toenemen. Dat heeft invloed op het aanbod van voorzieningen binnen de Wmo, zoals hulp bij het huishouden. Helaas is het over een periode van 10 jaar moeilijk in te schatten wat dit effect zal zijn. Impact Eindhoven De schaarste van zorgpersoneel zal ook Eindhoven treffen. Eindhoven heeft wel het voordeel dat ‘de stad’ meer dan ‘het platteland’ aantrekkingskracht heeft voor jonge mensen. Het is wel zaak om deze ‘aantrekkingskracht’ te accommoderen. Dat geldt met name voor het aanbod van beschikbare woningen. Daar ‘zorgpersoneel’ relatief jong is zal de gemeente rekening moeten houden met een wellicht specifiek aanbod van betaalbare woonruimte voor starters om voldoende aanbod in de zorg mogelijk te houden. Door ABF Research is inzichtelijk gemaakt welke ontwikkelingen in vraag en aanbod van werknemers binnen de thuiszorgsector de komende jaren zijn te verwachten. Uit dit onderzoek blijkt dat het tekort de komende jaren zal oplopen tot 5000 medewerkers in de gehele zorgsector in de regio Zuidoost-Brabant.
De arbeidsmarkt in de regio Eindhoven wordt gekenmerkt door de Brainport. In deze regio is veel High-tec te vinden. Dat is interessant voor de ontwikkelingen op het gebied van aanbod van voorzieningen.
4.3 Sociaal-culturele factoren In deze paragraaf worden de belangrijkste sociaal-culturele factoren beschreven die van invloed zijn op de vraag naar voorzieningen binnen de Wmo.
4.3.1 Langer zelfstandig thuis De trend om zo lang mogelijk zelfstandig thuis te blijven wonen zal zich voortzetten. Interessant punt hierbij is de ontwikkeling op de woningmarkt. Bij gebrek aan aantrekkelijk alternatief hebben ouderen zelden de neiging om hun bestaande woning in te ruilen voor een in objectieve termen goede andere woning. Waarbij ze vervolgens in woningen leven die voor jongeren uiterst aantrekkelijk en schaars/duur zijn. Dit tekort voor jongeren betekent, ook in combinatie met Corona, dat een hoger aantal jongeren zich meldt bij de maatschappelijke opvang. De Wmo is het eerste aanspreekpunt als het gaat om voorzieningen wanneer een ondersteuningsvraag zich voordoet. Dat betekent dat wanneer ouderen langer zelfstandig
| 20 | Toekomstverkenning Wmo
thuis blijven wonen, die ontwikkeling an sich zorgt voor een stijging van de behoefte aan voorzieningen, zoals hulpmiddelen en hulp bij het huishouden. Vaak zijn de woningen niet levensloopbestendig en daardoor ook enigszins onveilig. Denk daarbij aan de aanwezigheid van drempels en vloerkleden, waardoor een risico op vallen ontstaat. Wanneer zich een incident voordoet, wordt direct een beroep gedaan op de Wmo, zoals een traplift of woningaanpassing. Deze ontwikkeling vergroot de vraag naar voorzieningen in de Wmo. Impact Eindhoven Door de stijging van het aantal ouderen in relatie tot de trend van langer zelfstandig thuiswonen, is de verwachting dat de vraag naar voorzieningen zoals hulp bij het huishouden, hulpmiddelen en woningaanpassingen ook toenemen. Daarnaast leidt deze ontwikkeling tot schaarste op de woningmarkt.
4.3.2 Opleidingsniveau Het opleidingsniveau als indicator voor de vraag naar zorg heeft een tweeledig effect. Enerzijds heeft een hoger opleidingsniveau een beschermend effect, omdat inwoners met een hoger opleidingsniveau vaak gezonder leven en een hoger inkomen hebben, waardoor zij op latere leeftijd een beroep moeten doen op ondersteuning vanuit de gemeente. Het opleidingsniveau van ouderen in Nederland blijft stijgen. Tegelijkertijd zijn hoger opgeleide inwoners ook beter in staat om zich ‘mondiger’ op te stellen richting de gemeente. Dit is een factor die maakt dat de vraag naar hulp toeneemt. Mensen weten de weg naar ondersteuning goed te vinden en zijn in staat om tot andere arrangementen te komen (denk bijvoorbeeld aan het inzetten van pgb’s en de de volledige pakket thuis optie in de Wlz). Het lijkt erop dat de mate van mondigheid (niet alleen bepaald door opleiding maar ook door digitale vaardigheid en individualisme) de vraag naar zorg zal doen stijgen. Dit is onderzocht door het SCP3. Impact Eindhoven In tabel 2 en 3 geven wij de verdeling van het opleidingsniveau in 2019 weer en de ontwikkeling van het opleidingsniveau in de periode 2013-2019. Eindhoven heeft een groot aandeel hoogopgeleiden onder de inwoners. In 2019 heeft bijna 40% van de bevolking een afgeronde HBO of WO opleiding. Dit aandeel is 2% hoger dan in Breda.
Daarnaast is het aandeel hoger opgeleide inwoners in de gemeente Eindhoven is in de periode 2013-2019 met 5% gestegen. In vergelijking tot Breda is ook deze stijging sterker. Het hoge aandeel en de groei van het aandeel hoogopgeleiden is voor Eindhoven een factor dat de vraag naar hulp zal toenemen.
3
Sociaal Cultureel Planbureau. Zorgen voor thuiswonende ouderen - Kennissynthese over de zorg voor zelfstandig wonende 75-plussers, knelpunten en toekomstige ontwikkelingen. 2019.
| 21 | Toekomstverkenning Wmo
2019 laag
midden
hoog
Breda
24,6%
38,0%
37,4%
Eindhoven
25,4%
35,4%
39,2%
Tabel 2 Verdeling opleidingsniveau in klassen in 2019
Verschil 2013-2019
laag
midden
hoog
Breda
-2,5%
-1,3%
3,9%
Eindhoven
-3,6%
-1,5%
5,2%
Tabel 3 Ontwikkeling opleidingsniveau in de periode 2013-2019
4.3.3 Eenzaamheid Eenzaamheid is al jaren een thema binnen de Wmo. Het is niet gekoppeld aan leeftijd maar belangrijke life-events, zoals veranderingen in de huwelijkse staat, kunnen het gevoel van eenzaamheid wel versterken. Denk daarbij aan het wegvallen van een partner door overlijden of echtscheiding, een kleiner wordend netwerk en het ontbreken van werk of zinvolle dagbesteding. Deze gebeurtenissen treden relatief vaker op bij ouderen. We verwachten in die zin ook een toename van het aantal eenzame ouderen: mensen die geen beroep kunnen doen op hun sociale omgeving om hen te helpen zelfstandig, zonder ondersteuning vanuit de overheid, te leven. De eenzaamheid als percentage van de totale bevolking in Nederland in 2020 is gegeven in de onderstaande figuur voor zes leeftijdsgroepen. Te zien is dat het aantal matig eenzamen vanaf de leeftijdsgroep 75-84 toeneemt en dat het aantal ernstig eenzamen toeneemt vanaf de leeftijdsgroep 85+.
| 22 | Toekomstverkenning Wmo
Figuur 7 Mate van eenzaamheid per leeftijdsklasse Impact Eindhoven Indien deze verhoudingen toepasbaar zijn op de populatie van Eindhoven en constant blijven in de periode tot 2035 dan zal gezien de demografische ontwikkeling het aandeel eenzame personen in Eindhoven stijgen. Vanaf 2020 tot 2035 neemt in Eindhoven het aandeel inwoners jonger dan 75 jaar namelijk af van 92,1% tot 89,2%. En het aandeel inwoners ouder dan 75 jaar neemt toe van 7,9% tot 10,8% (zie onderstaande tabel). Een stijging in eenzaamheid is ook al te zien in een rapportage van de GGD4 afgelopen jaren.
Figuur 8 Mate van eenzaamheid per leeftijdsgroep 2009 - 2016
4
Infographic eenzaamheid Eindhoven, mei 2021
| 23 | Toekomstverkenning Wmo
4.3.4 Dementie Door de grote stijging van het aantal oudere inwoners, zowel absoluut als relatief, stijgt ook het aantal inwoners met dementie. Er zijn geen aanwijzingen dat dementie, anders dan door leeftijd, vaker voorkomt als ziektebeeld. Hiervoor verwijzen we naar de Toekomst Verkenningen van het RIVM uit 2018 naar de ontwikkeling van aandoeningen. Uit de Toekomst Verkenning blijkt dat tussen 2015 en 2040 het aantal inwoners met dementie toeneemt met 114%5. Inwoners met dementie doen vaak een beroep op mantelzorgers. Daarnaast maken deze inwoners gebruik van dagbesteding, huishoudelijke hulp en hulpmiddelen. Impact Eindhoven Dit betekent dat een stijging van het aantal inwoners met dementie, ook een stijging betekent voor de vraag naar voorzieningen binnen de Wmo. Deze groep inwoners maakt vaak gebruik van welzijnsvoorzieningen, zoals ontmoetingsactiviteiten. Daarnaast verandert het aanbod van voorzieningen, omdat er technologische ontwikkelingen plaatsvinden.
4.3.5 Migratieachtergrond Uit de literatuur blijkt dat inwoners met een migratieachtergrond een andere zorgvraag hebben en daarnaast ook op andere momenten een zorgvraag hebben. Het kan zijn dat door een culturele opvatting deze inwoners liever een beroep doen op ondersteuning vanuit de familie dan vanuit ondersteuning uit de gemeente. Ook weten deze inwoners niet altijd welke ondersteuning de gemeente kan bieden. En inwoners spreken niet altijd voldoende Nederlands om een goede ondersteuningsvraag te kunnen stellen. Zorgvraag en -aanbod sluiten niet altijd goed op elkaar aan. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond hun gezondheid vaak als minder goed ervaren als inwoners zonder migratieachtergrond. Impact Eindhoven In figuur 9 is te zien dat in Eindhoven inwoners met een migratieachtergrond relatief minder beroep doen op de Wmo in vergelijking tot inwoners zonder een migratieachtergrond.
https://www.vtv2018.nl/sites/default/files/2018-08/112810_010513_VTV_kernboodschappen_TG3_1.pdf
5
| 24 | Toekomstverkenning Wmo
Figuur 9 Aantal Wmo-cliënten per 1000 inwoners naar migratieachtergrond
4.4 Technologische factoren In deze paragraaf worden de technologische factoren beschreven die van invloed zijn op de vraag naar voorzieningen binnen de Wmo. Eerst worden de landelijke ontwikkelingen beschreven en vervolgens wordt een vertaling gemaakt naar de gemeente Eindhoven.
4.4.1 Technologische innovatie Iedereen verwacht verdere mogelijkheden vanuit technologie. Allerlei ‘domoticatoepassingen’ zullen uitgebreid worden, hetgeen mensen in staat stelt langer thuis te wonen. Denk daarbij aan het toepassingen zoals slimme sensoren in huis, beeldbellen, slimme alarmering en ondersteuning bij dagstructuur. Dat kan ertoe leiden dat inwoners door middel van domotica hun zorgvraag aan de gemeente uitstellen. Tegelijkertijd kan technologische ontwikkeling een oplossing zijn voor het terugdringen van het tekort aan medewerkers in de zorg. Daarmee is deze ontwikkeling ook van invloed op het aanbod van voorzieningen binnen de Wmo. Impact Eindhoven De gemeente Eindhoven heeft een sterke samenwerking binnen de multi-helix of quadruple helix. Dat heeft inmiddels geleid tot een aantal mooie projecten, zoals Grozzerdammen en Coöperatie Slimmer Leven. Een voorbeeld van de innovatie die deze coöperatie heeft
| 25 | Toekomstverkenning Wmo
ontwikkeld, is de thuisleefgids. Een digitale hulpwijzer waarmee inwoners door middel van een vragenlijst inzicht krijgen in de handige hulpmiddelen.
4.4.2 Digitalisering De toenemende digitalisering van de samenleving maakt dat inwoners die moeite hebben met lezen en schrijven en/of niet digivaardig zijn, minder goed kunnen meekomen. Zo is bijvoorbeeld de drempel om een uitkering aan te vragen hoger, de gemeente is minder toegankelijk voor hen. Datzelfde geldt voor het vinden van de juiste ondersteuning. Voor veel mensen is het lastig om hun vraag op de juiste plek te stellen. Voor inwoners die makkelijk met informatie en digitale middelen om kunnen gaan, betekent digitalisering juist meer gemak en service. Dat geldt ook voor een groeiende groep ouderen die dagelijks hun smartphone of computer gebruiken. Digitalisering maakt het mogelijk de bereikbaarheid van huishoudens verbeteren. Zoals eerder gememoreerd zal het aantal eenpersoonshuishoudens toenemen. Met een betere (digitale) link tussen huishoudens en hulpverleners kan de drempel om noodzakelijk en tijdig contact tussen hen verlaagd worden. Hierbij past ook een kanttekening die vaak geplaatst wordt: een deel van de inwoners is onvoldoende ‘digitaal vaardig’ om zo’n ontwikkeling bij te benen. Impact Eindhoven Het feit dat inkomensondersteuning in de gemeente Eindhoven alleen digitaal is aan te vragen, verhoogt de drempel om er een beroep op de doen. Terwijl deze inwoners vaak moeite hebben met lezen, schrijven en/of digitale vaardigheden.
Deze combinatie maakt dat inwoners deze vraag mogelijk uitstellen, waardoor grotere problemen kunnen ontstaan.
4.4.3 Datagedreven werken Gemeenten zijn steeds meer in staat om hun beleid ‘datagedreven’ in te vullen. Met behulp van data kunnen voornemens onderbouwd (of verworpen) worden. Ook de uitvoering kan versterkt worden met behulp van data-inzichten. Denk bijvoorbeeld aan het stroomlijnen van de toegang tot hulp (een algoritme kan behulpzaam zijn bij de keuze voor een keukentafelgesprek of niet) nieuwe vormen van vroegsignalering (signalen op basis van bepaald (koop)gedrag) of de ondersteuning aan multiproblem gezinnen (welke interventies hebben resultaat). Verwacht mag worden dat gemeenten steeds meer in staat zijn om hun (Wmo-)aanbod te verfijnen en te anticiperen op problemen van huishoudens. Impact Eindhoven Datagedreven werken vraagt om goed datamanagement (kwaliteit en beschikbaarheid van de juiste data). Daarnaast is het zaak om data uit verschillende interne en externe bronnen met elkaar te verbinden. Denk hierbij naast data van de gemeente zelf ook aan data van WIJ Eindhoven (om zo zicht te krijgen op het totale klantproces) en van maatschappelijke partners.
| 26 | Toekomstverkenning Wmo
4.5 Politiek-juridische factoren In deze paragraaf worden de belangrijkste politiek-juridische factoren beschreven. Denk daarbij aan de wettelijke kaders en politieke standpunten. Eerst worden de landelijke ontwikkelingen beschreven en vervolgens wordt een vertaling gemaakt naar de situatie in Eindhoven.
4.5.1 Aandacht voor preventie en sociale basis Een ander belangrijk onderdeel van de filosofie achter de decentralisaties in het sociaal domein was de veronderstelling dat gemeenten beter in staat zijn om een verschuiving van relatief dure individuele voorzieningen naar efficiënte en effectieve collectieve voorzieningen te realiseren. Tot nu toe is de ‘transformatie’ naar een versterking van ‘de sociale basis’ nauwelijks waarneembaar. Tegelijkertijd er blijvende aandacht om die sociale basis –effectieve collectieve voorzieningen- te versterken. Lokale overheden –en zeker Eindhoven- hebben fors ingezet op formatie en uitbreiding van wijkteams om inwoners beter te bereiken. Eén van de belangrijke argumenten hierbij is de gedachte dat een zorgvraag zich vaak niet beperkt tot een voorziening vanuit één wet. Ofwel: de behoefte/zorgvraag van de inwoner moet centraal komen te staan en niet de afbakening vanuit de wet. Vanuit verschillende bronnen wordt de effectiviteit van deze aanpak verschillend geëvalueerd. Enerzijds wordt gewezen op de praktijk dat deze aanpak (de integrale benadering vanuit wijkteams) nog onvoldoende is toegepast. Anderzijds wordt benadrukt dat ‘multigebruik’ –inwoners/huishoudens die te maken hebben met voorzieningen vanuit meerdere wettelijke achtergronden- beperkt is.
Impact Eindhoven We zien dat de uitgaven aan deze kleine groep inwoners met multigebruik hoog zijn. Dat laten figuren 2 en 4 zien. De uitgaven voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang bedragen € 45 miljoen voor 1300 cliënten. Ter vergelijking, de kosten voor hulp bij het huishouden bedragen € 15 miljoen voor ruim 6000 cliënten.
4.5.2 Concurrentie financiën Zorgvoorzieningen voor inwoners worden niet alleen vanuit het wettelijk kader van de Wmo georganiseerd. Ook de zorgverzekeringswet en de Wet Langdurige Zorg spelen een belangrijke rol. Deze wettelijke, maar ook institutionele versnippering –wie doet wat?- leidt enerzijds tot onduidelijkheid bij inwoners; anderzijds tot de nodige ‘grensgevechten’ tussen de betrokken partijen. Het is niet ondenkbaar dat in de komende jaren aanpassingen volgen. Dat heeft tot gevolg dat zorgaanbieders zorg aanbieden die voor hen zelf financieel gunstig is. De begroting van de rijksoverheid staat zoals eerder beschreven onder forse druk. Daarmee kan de verwachting worden uitgesproken dat de beschikbare middelen voor de lokale overheid (zeer) beperkt zullen zijn ondanks de frequente oproep van gemeenten en VNG dat de uitgaven in het sociale domein (veel te) hoog zijn. In de begroting van gemeenten –en
| 27 | Toekomstverkenning Wmo
dus ook Eindhoven- moet het sociale domein (Wmo) concurreren met vele andere ambities en uitgaven. Na jarenlange druk zit er nauwelijks ruimte in welke begrotingspost dan ook. Sterker nog, binnen het sociale domein zijn er verschillende risico’s die de mogelijk beperkte ruimte snel ‘opvullen’ (inburgeringswet, uitgaven dak- en thuislozen, sociale veiligheid). Impact Eindhoven Inwoners komen intern bij een zorgaanbieder binnen met een bepaalde financieringsstroom, denk aan Zvw of Ifzo. Vervolgens wonen deze inwoners op het grondgebied van Eindhoven en vervolgens vragen zij, vanuit woonplaatsbeginsel, voorzieningen aan bij Eindhoven.
4.5.3 Wonen Er zijn een aantal recente ontwikkelingen op de woningmarkt te destilleren die indirect van invloed zijn op vraag en aanbod van voorzieningen binnen de Wmo, bijvoorbeeld sterk stijgende huizenprijzen, huishoudensverdunning, passend toewijzen op inkomen en huur, loslaten van puntensysteem particuliere huur en stagnerende doorstroming. Dat heeft invloed op het aantal beschikbare woningen in de sociale huursector. Terwijl meer behoefte is aan sociale huurwoningen, vanwege de extramuralisering, en het streven naar beschermd thuis in plaats van beschermd wonen. Dat maakt dat doorstroming vanuit een beschermd wonen voorziening of de maatschappelijke opvang naar een sociale huurwoning langer duurt. Impact Eindhoven De gemeente Eindhoven is de afgelopen 10 jaar met bijna 20000 inwoners toegenomen (12.000 huishoudens). In de periode tussen 2012-2020 is de woningvoorraad met 11500 woningen toegenomen, onderverdeeld in 4000 koopwoningen, 1500 corporatie huur, 7500 particuliere huur. Optelling lijkt niet te kloppen, maar er zijn 1500 woningen veranderd van eigenaar onbekend naar een van de verschillende categorieën. De toename van het aantal woningen komt in de buurt van de toename van het aantal huishoudens. Echter dit zegt niets over de kwaliteit van woningaanbod. Zo is er naar verhouding weinig corporatie huur bijgekomen en veel particuliere huur.
Voor de zorgvraag is niet alleen het aanbod betaalbare woningen van belang, maar ook de kwaliteit van de woning en de kwaliteit van de woonomgeving. Bij de kwaliteit van de woning valt te denken aan factoren als rollatorvriendelijk of rolstoelvriendelijk. De kwaliteit van de woonomgeving wordt mede bepaald door het aantal voorzieningen en de toegankelijkheid van de voorzieningen in de buurt. Factoren als een supermarkt, buurtcentrum, apotheek, huisarts en bushalte in de buurt heeft invloed op zelfredzaamheid en daarmee de zorgvraag van mensen die minder mobiel zijn. Eindhoven heeft door het stedelijk milieu veel voorzieningen en daarmee kansen om zelfredzaamheid te bevorderen.
4.6 Overige ontwikkelingen Hieronder beschrijven we een aantal ontwikkelingen die niet te kwantificeren zijn in het kader van deze verkennende rapportage. Daardoor is ook de impact op de vraagontwikkeling in de Wmo niet goed aan te geven. We noemen deze ontwikkelingen wel, omdat ze interessant zijn om in een volgend stadium verder uit te diepen en te voorzien van een passende data-analyse.
| 28 | Toekomstverkenning Wmo
4.6.1 Tweedeling In een gestaag tempo kan een groep mensen –gecombineerd met de groeiende individualisering- zich moeilijk verhouden tot de reguliere instituten van de maatschappij. Er bestaat ‘veel onzekerheid over de bestaanszekerheid’. Waardoor ze uiteindelijk enkel aangewezen zijn op acute hulpverlening (dak/thuislozen, illegaliteit, verslavingszorg etc.). Terwijl die groep meer behoefte heeft aan een ondersteuningsaanbod dat minder gericht is op acute hulpverlening. Wellicht moreel gevoed, maar het mag verwacht worden dat hier stelselmatig meer aandacht aan wordt geschonken. Door de stijging van het aantal inwoners met een onzeker bestaansrecht, stijgt ook de kans dat zij een beroep moeten doen op de maatschappelijke opvang.
4.6.2 Verstedelijking Van alle kanten wordt voor de komende (zeker 10) jaren een aanzuigende werking van ‘de stad’ vanuit ‘het platteland’ verwacht. Dit geldt zeker voor een economische hotspot als Eindhoven. De stad trekt over het algemeen meer daklozen aan, die een beroep doen op de maatschappelijke opvang.
4.6.3 Uitstroom Jeugdhulp naar Wmo In de jeugdzorg is in de afgelopen jaren een trend te zien van een groeiende vraag naar hulp die ervoor zorgt dat de uitgaven/kostenontwikkeling toeneemt. Dat levert de laatste jaren voor de meeste gemeentebesturen grote zorgen op. Deze trend in jeugdhulp kan zich voortzetten bij 18-plussers (en derhalve van invloed zijn op met name de voorzieningen vanuit de Wmo). Als het niet lukt om jeugdhulptrajecten succesvol af te sluiten en/of jongeren over te dragen naar lokale vormen van ondersteuning, kan dit extra druk op voorzieningen MO en BW opleveren. Op basis van openbare data is hier door ons geen analyse van te geven. Gemeente Eindhoven zou dit nader kunnen onderzoeken aan de hand van: ● Uitstroomgegevens jeugdhulp. Wat is reden van beeindiging; in het geval van regionaal aanbod, stroomt jeugdige uit naar eigen woonplaats? ● Instroomgegevens MO en BW. Welke trends zijn hierin te zien? Hoe is de verdeling naar leeftijd? ● Informatie van aanbieders. Welke patronen zien zij?
4.6.4 Ambulantisering van de GGZ De ambulantisering van de GGZ zal blijven leiden tot meer vraag naar begeleid wonen; zowel zware als lichte vormen. Die druk impliceert een grote(re) betrokkenheid van woningcorporaties als partner van gemeenten bij de uitvoering van de Wmo. Ook de vraag naar (andere vormen van) ondersteuning vanuit de Wmo verandert. Het vraagt een nieuwe herijking van de grenzen tussen ambulante Wmo-begeleiding en vormen van beschermd wonen. Dit heeft impact op de toegang tot ondersteuning, de contractering van partijen en de allocatie van budgetten.
| 29 | Toekomstverkenning Wmo
Daarnaast staat de leefbaarheid in de zwakkere wijken als gevolg van de ambulantisering onder druk. Minder mensen kunnen een beroep doen op intramurale voorzieningen waardoor zij langer gebruik maken van de voorzieningen vanuit de gemeente.
4.6.5 Compensatiebeginsel De filosofie achter de decentralisaties in het sociaal domein gaat uit van het zoveel mogelijk inzetten van zelfredzaamheid van de individuele inwoner en zijn/haar sociale omgeving. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat de ‘verzekeringsgedachte’ –ik heb recht op voorziening X, want ik voldoe aan voorwaarde Y- sterk aanwezig is. In die zin wordt tevens geconstateerd dat het compensatiebeginsel nog steeds vanuit de Wmo dominant is. Een belangrijk voorbeeld hierbij is het abonnementstarief voor huishoudelijke hulp. In verschillende bronnen wordt geopperd om dit beginsel te vervangen door een ‘vangnet-filosofie’: zoals gebruikt wordt bij verstrekking van (bijzondere) bijstand. Mogelijkerwijs kan dit ook via verhoging van inkomenstoetsen bij verstrekking van voorzieningen.
| 30 | Toekomstverkenning Wmo
H5 |
Toekomstige vraag en kosten Wmo
In dit hoofdstuk beschrijven we wat de impact van maatschappelijke ontwikkelingen is op de toekomstige vraag naar Wmo-voorzieningen. We schetsen de ontwikkeling van vraag en kosten.
5.1 Vraagontwikkeling door demografische groei In figuur 11 tot en met 15 hebben we een prognose gemaakt van vraag naar Wmo-voorzieningen per leeftijdscategorie. Daarbij hebben we de demografische ontwikkeling per leeftijdsgroep als uitgangspunt genomen. Hierdoor krijgen we goed zicht op de ontwikkeling in de vraag per leeftijdsgroep. We hebben de aanname gedaan dat het aantal cliënten per 1000 inwoners hetzelfde blijft als in 2020. Ter verduidelijking: als het aantal inwoners van 80 jaar of ouder met bijvoorbeeld 10% stijgt, gaan we uit van een groei in de vraag van 10% voor die groep. De toename in cliënten per leeftijdsgroep per type maatwerkvoorziening is gegeven in de tabellen bij de figuren. Andere factoren die de vraag harder of langzamer kunnen laten groeien dan de demografische ontwikkeling zijn beschreven in de volgende paragraaf.
| 31 | Toekomstverkenning Wmo
Figuur 10 Prognose van hulp bij het huishouden per leeftijdsgroep in de periode 2020-2035
Figuur 11 Prognose van ondersteuning thuis per leeftijdsgroep in de periode 2020-2035
| 32 | Toekomstverkenning Wmo
Figuur 12 Prognose van hulpmiddelen en diensten per leeftijdsgroep in de periode 2020-2035
Figuur 13 Prognose van verblijf en opvang per leeftijdsgroep in de periode 2020-2035
| 33 | Toekomstverkenning Wmo
Figuur 14 Prognose van totaal aantal cliënten per leeftijdsgroep in de periode 2020-2035
5.2 Vraagontwikkeling door andere ontwikkelingen In paragraaf 5.1 hebben we laten zien hoe de groei in vraag naar Wmo-voorzieningen er uitziet op basis van demografische ontwikkelingen. In deze paragraaf vullen we die informatie aan met andere factoren die een voorspellende waarde hebben op de vraag naar Wmo-voorzieningen. Deze factoren hebben we beschreven in hoofdstuk 4. We richten ons in dit hoofdstuk met name op factoren die samenhangen met de demografische ontwikkeling. Omdat deze een vergrijzing van de bevolking laat zien, kijken we specifiek naar factoren die een rol spelen bij het ouder worden. In opdracht van de landelijke branchevereniging voor ouderenzorg ActiZ is een scenariostudie6 uitgevoerd voor de hele sector (dus inclusief Zvw en Wlz) waarin zogenaamde megatrends zijn benoemd. Dit zijn factoren die de groei van de sector mede bepalen, los van de demografische ontwikkeling. Meer mondige ouderen en een afname van het aantal mantelzorgers leiden tot een hogere zorgvraag. Daarnaast voorspelt de studie een lichte afname van de zorgkosten door het langer zelfstandig wonen. Deze drie factoren zorgen voor een geschatte toename in Wmo vraag van 1,6% per jaar (naast de toename van vraag op basis van de demografische 6
Scenario’s ouderenzorg in beeld, 2019
| 34 | Toekomstverkenning Wmo
ontwikkeling). De toename van eenzaamheid (ouderen zijn relatief eenzamer dan andere groepen) hebben we niet meegenomen in de vraagontwikkeling. Hoewel we signaleren dat eenzaamheid zal toenemen hebben we nog geen kennisbron gevonden die laat zien dat meer eenzaamheid ook tot een grotere zorgvraag leidt.
5.3 Groei kosten Wmo In de paragraaf 5.1 is een projectie gegeven van de groei van het aantal Wmo-cliënten per type maatwerkvoorziening voor zes leeftijdsgroepen vanaf 2020. Hiernaast zijn in paragraaf 5.2 nog drie factoren (megatrends) beschreven uit de literatuur waarvan bekend is hoe deze de zorgvraag beïnvloeden. De relatieve groei van de kosten als gevolg hiervan is op twee manieren in beeld gebracht in figuur 16: 1. De relatieve groei op basis van demografische ontwikkeling is gebruikt om de kosten per leeftijdsgroep te extrapoleren t/m 2035 ten opzichte van de kosten in 2020. Hier wordt dus alleen het verband gebruikt dat de kosten in een leeftijdsgroep stijgen doordat het aantal cliënten stijgt. De totale kostenstijging per type maatwerkvoorziening is met paars weergegeven. 2. De relatieve groei van de kosten op basis van overige factoren zoals we hebben besproken in 5.2. Deze geschatte groei is in beige weergegeven en geldt voor de megatrends zoals beschreven in de scenariostudie ouderenzorg. Het gaat om een geschatte groei van 1,6 % per jaar doordat er minder mantelzorgers beschikbaar zijn, burgers mondiger worden en langer zelfstandig zijn.
Omdat het niet bekend is hoe deze groei verdeeld is over de verschillende typen maatwerkvoorzieningen en over de verschillende regio’s in Nederland is deze groei in onze prognose gelijkmatig over de verschillende clusters verdeeld. Deze groei is weergegeven in beige in figuur 15. Op basis van de trends beschreven in deze paragraaf zullen de totale Wmo kosten tussen 2020 en 2035 toenemen met 50%. In afbeelding 15 is te zien hoe de kosten van ieder cluster relatief toenemen. De kosten voor hulp bij het huishouden nemen toe met 76%, de kosten voor ondersteuning thuis nemen toe met 43%, de kosten voor hulpmiddelen en diensten nemen toe met 35% en de kosten voor verblijf en opvang nemen toe met 32%.
| 35 | Toekomstverkenning Wmo
Figuur 15 Prognose van de relatieve groei van de kosten per type maatwerkvoorziening in de periode 2020-2035
| 36 | Toekomstverkenning Wmo
H6 | Aanknopingspunten voor vervolg De gemeente Eindhoven heeft aangegeven behoefte te hebben aan inzicht in de ontwikkelingen in de vraag en het aanbod van voorzieningen. In dit laatste hoofdstuk zetten we een aantal belangrijke trends en ontwikkelingen op een rij. De ontwikkelingen an sich zijn niet te beïnvloeden, maar door nu bewustwording te creëren rondom de uitdagingen, maakt dat er wel anders kan worden omgegaan. Dit zijn knoppen waar de gemeente Eindhoven aan kan draaien. In een eventuele vervolgfase van deze toekomstverkenning kunnen we onderstaande thema’s uitdiepen.
6.1 Belangrijkste ontwikkelingen Ten eerste zijn er ontwikkelingen die van invloed zijn op de vraag naar voorzieningen. 1. Vergrijzing; er komen meer ouderen en deze ouderen worden ook ouder. Dat maakt dat een toenemende vraag te verwachten is naar voorzieningen binnen de Wmo. 2. Dementie; een stijging van het aantal inwoners met dementie verhoogt de behoefte aan voorzieningen. 3. Mantelzorgers; minder mantelzorgers per oudere beschikbaar voor informele hulp. Dit verhoogt de vraag naar formele vormen van hulp. Daarnaast zijn er ontwikkelingen van invloed op het aanbod van voorzieningen. 1. Krapte op de arbeidsmarkt beïnvloedt het aanbod van voorzieningen binnen de Wmo. 2. Technologische innovatie; deze ontwikkeling biedt kansen om de zorgbehoefte uit te stellen of anders in te vullen. 3. Datagedreven werken; door beleid en werkprocessen beter te onderbouwen en te valideren met data en informatie is het mogelijk om doeltreffender te werken.
6.2 Handelingsperspectief In deze toekomstverkenning zijn een aantal belangrijke ontwikkelingen geschetst die veel invloed hebben op de vraag naar en het aanbod van voorzieningen. Dat betekent dat, bij gelijkblijvende wetgeving en beleid, ook de kosten de komende jaren zullen stijgen. Niets doen is daarom geen optie. In deze paragraaf geven we eerste aanzetten voor een handelingsperspectief. Deze werken we graag uit in een volgende fase met de gemeente Eindhoven en maatschappelijke partners, zodat een gezamenlijke opgave ontstaat. Hieronder schetsen we een aantal strategieën en daarin maken we onderscheid tussen de twee belangrijkste groepen inwoners die een beroep doen op de Wmo. 1. De eerste groep bestaat voornamelijk uit ouderen die als gevolg van fysieke of mentale achteruitgang gebruik maken van voorzieningen zoals huishoudelijke hulp, een woningaanpassing, dagbesteding, hulpmiddel of vervoersvoorziening. 2. De tweede groep bestaat uit inwoners die als gevolg van psychische of maatschappelijke kwetsbaarheid een beroep doen op voorzieningen zoals begeleiding, dagbesteding, maatschappelijke opvang of beschermd wonen.
| 37 | Toekomstverkenning Wmo
De focus op kwetsbare groepen helpt om keuzes te maken en focus aan te brengen in de oplossing van de opgaven. Iedere euro kan maar één keer worden uitgegeven en dat vraagt ook om focus op de wijze waarop die euro rendeert. Sommige voorzieningen worden veel gebruikt maar hebben een relatief beperkte prijs per cliënt (huishoudelijke ondersteuning). Andere voorzieningen worden voor een kleine groep inwoners gebruikt maar brengen hoge kosten per cliënt met zich mee (beschermd wonen). Het is goed om bij nieuwe invulling van de de dienstverlening dit perspectief mee te nemen. Zorg voor een strategie die objectiveerbaar is. Wat is bijvoorbeeld het rendement van preventieve activiteiten. Is er sprake van substitutie met andere voorzieningen of is preventie een uitbreiding van het ondersteuningsaanbod. En helpt preventie bij het voorkomen van een probleem of is het een manier om de vraag uit te stellen. Het ligt voor de hand om bij het maken van deze keuzes ook de belangrijkste partners te betrekken. Zij hebben vanuit ervaring met de inwoners vaak een beeld vanuit een ander perspectief en zien de uitdaging daarom ook anders.
6.2.1 Strategieën voor de vergrijsde samenleving Mensen worden steeds ouder en er komen meer ouderen. De kosten voor deze voorzieningen zijn relatief lager dan de maatwerkvoorzieningen voor de psychisch kwetsbare inwoners, maar door de omvang van de groep zijn de kosten op lange termijn wel hoog. Er zijn een aantal strategieën om de voorzieningen voor deze groep inwoners op lange termijn betaalbaar te houden. 1. Substituties voor de huidige voorzieningen; inwoners kunnen gebruik maken van alternatieve vormen van ondersteuning. Bijvoorbeeld een huiskamer in de wijk in plaats van dagbesteding, een collectieve wasvoorziening, buurtnetwerken in plaats van individuele begeleiding, samen bewegen. 2. Zorgvraag uitstellen; inwoners kunnen eventueel door gebruik van technologische ontwikkelingen om de zorgvraag een aantal jaar uit te stellen. Bijvoorbeeld een robotstofzuiger, sensoren, alarmsysteem, planningsystemen, online contacten. 3. Zelf organiseren; waarbij inwoners worden gestimuleerd om eigen oplossingen te vinden of met hulp van het eigen netwerk. Bijvoorbeeld tijdig verhuizen naar een passende woning, zelf alternatieve vormen voor vervoerd organiseren, bewust werken aan behoud van sociale contacten, kracht en balansoefeningen. 4. De toegang tot formele hulp verhogen of de beschikbare ondersteuning beperken.
6.2.2 Strategieën voor de psychisch kwetsbare inwoners Deze groep inwoners is relatief gezien kleiner, maar maakt wel een lange tijd gebruik van dure voorzieningen zoals beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Strategieën voor de psychisch kwetsbare inwoners richten zich daarom hoofdzakelijk op het voorkomen van de maatschappelijke problemen, waardoor dure voorzieningen nodig zijn. Die preventie beperkt zich niet tot het sociaal domein, juist niet. 1. Zet in op (nieuwe vormen van) vroegsignalering; hoe eerder de gemeente deze inwoner in zicht heeft, hoe meer problemen worden voorkomen. 2. Wees creatief met de uitdagingen op de woningmarkt; in het kader van housing first kunnen meer problemen worden voorkomen, zoals voor economisch daklozen.
| 38 | Toekomstverkenning Wmo
Bijlage A Lijst met uitgewerkte voorzieningen7 Ondersteuning thuis Deze groep bevat de volgende productcategorieën uit de iWmo-standaarden: 02 Begeleiding 03 Persoonlijke verzorging 04 Kortdurend Verblijf 06 Overige ondersteuning gericht op het individu of huishouden/gezin 07 Dagbesteding 09 Overige groepsgerichte ondersteuning 10 Overige maatwerkarrangementen Hulp bij het huishouden Deze groep bevat de volgende productcategorie uit de iWmo-standaarden: 01 Hulp bij het huishouden Verblijf en opvang Deze groep bevat de volgende productcategorieën uit de iWmo-standaarden: 15 Beschermd wonen 16 Opvang 17 Spoedopvang 18 Overige beschermd wonen en opvang Hulpmiddelen en diensten Deze groep bevat de volgende productcategorieën uit de iWmo-standaarden: 05 Woondiensten 08 Vervoersdiensten 11 Rolstoelen 12 Vervoervoorzieningen 13 Woonvoorzieningen 14 Overige hulpmiddelen