Bijlage 1 - Ontwikkelstrategie Zuidoost Brabant
Tekst van het document
Daarnaast staan de kwaliteit van het grondwater en daarmee ook de strategische voorraden voor de drinkwatervoorziening onder druk. Het ecosysteem van de beek is afhankelijk van schoon stromend water, met voldoende zuurstof en voedselarmoede boven in het beekdal (op de hogere zandgronden aan de zuidzijde van ZuidoostBrabant). Doordat de bodem zijn sponswerking verloren heeft, wordt het water nauwelijks vastgehouden en spoelen nutriënten en bestrijdingsmiddelen uit. Het oorspronggebied van de beek heeft vaak de functie landbouw. Dat maakt het moeilijk om de natuurlijke gradiënten en processen te herstellen. Dat is immers alleen mogelijk bij een zeer goede waterkwaliteit.
10
Klimaat - Opgave water, hittestress, CO2, energie en grondstoffen
11
Opgave: Een aangename en leefbare regio is gebaat bij een inrichting die weerbaarder wordt op langdurige periodes van droogte en plotselinge hoosbuien. Dit legt een ruimteclaim op het landschap in stad, dorp en ommeland, waarin het vasthouden van water, het tegengaan van droogte en het koelen van onze gebouwde omgeving centraal staan. Dit vraagt: • In bebouwde gebieden om meer aandacht voor groen en blauw bij de inrichting van het bebouwd gebied (verkoeling door meer ruimte voor beken en waterlopen, in combinatie met parken, geveltuinen, groene daken, groene schoolpleinen en waterpartijen); • In landschappelijke gebieden om het veel beter vasthouden van water op de hogere gronden in het bekenlandschap. De daarop gelegen steden en dorpen, landbouw en natuurgebieden zullen weer ‘als spons’ fungeren en slechts langzaam het water afgeven aan de beekdalen. Ook vraagt dit om ruimte voor de beken en watergangen om afvoer- en bergingscapaciteit te vergroten en waar mogelijk natuur en recreatie meer ruimte te geven. Voor het beheersen van risico’s voor wateroverlast en overstroming moet nieuwe bebouwing in kwetsbare gebieden worden voorkomen. Transformaties in bestaand gebied kunnen juist helpen om integrale oplossingen te implementeren en financieren.
Bodem en water als basis voor verstedelijking (lessen Omgevingsdag 21 december 2022) Kansen • De klimaatopgave bepaalt in welke gebieden nieuwbouw (on)mogelijk is. Door de verandering van het klimaat wordt het weer steeds extremer. Meer en meer krijgen we te maken met hitte, droogte, wateroverlast door hevige regenbuien en kans op overstromingen. We zullen onze omgeving hierop aanpassen en dit biedt een kans voor of stimuleert inbreiding van wonen en werken. • De kwaliteit van het landschap en waterstructuren kunnen, naast kaderstellend voor ontwikkeling, ook van meerwaarde zijn als het gaat om recreatie en verbinding tussen stad en land. Door de langzame verkeersroutes (fiets en wandelen) te koppelen aan het principe van bodem en water als ruimtelijk structurerend element, kan deze verbinding worden gemaakt. • Bodem en water vormen de verbinding van de dorpen en steden met landschap en natuur. Om de opgaven van leefbaarheid het hoofd te bieden is meer verbinding tussen platteland en stad nodig. Deze verbinding is nodig vanuit functioneel oogpunt (bijvoorbeeld recreëren in het buitengebied), fysiek (bijvoorbeeld fietsroutes die dorp en ommeland verbinden) en ook sociaal, zodat de kloof die dreigt te ontstaan tussen bewoners van platteland en stad verkleind wordt. Zorgen/aandachtspunten • Integraliteit is een aandachtspunt.
Het blijft belangrijk dat bodem en water een volwaardige positie innemen in de integrale afwegingen. Wat betekent dit concreet en wat is er aan fysieke ontwikkelruimte beschikbaar?
12
Ruimtelijke tijdslagen - Groei in cijfers
500000 500000
900000 900000
Bevolking Bevolking 1840-1960 1840-1960
Bevolking Bevolking 1960-2020 1960-2020 Someren Someren
Someren Someren
450000 450000
Asten Asten
400000 400000
Asten Asten
800000 800000
Deurne Deurne
Deurne Deurne
Gemert-Bakel Gemert-Bakel
Gemert-Bakel Gemert-Bakel
Laarbeek Laarbeek
700000 700000
Reusel-De Reusel-De Mierden Mierden
300000 300000
Helmond Helmond
250000 250000
Reusel-De Reusel-De Mierden Mierden
600000 600000
Bladel Bladel
Bladel Bladel
Oirscho Oirscho t t
Oirscho Oirscho t t
Eersel Eersel
500000 500000
Eersel Eersel
Cranendonck Cranendonck
400000 400000
Heeze-Leende Heeze-Leende
Heeze-Leende Heeze-Leende
200000 200000
Waalre Waalre
300000 300000
Waalre Waalre Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo
Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo
Son Son en Breugel en Breugel
Nuenen, Nuenen, Gerwen Gerwen en en Nederwetten Nederwetten Son Son en Breugel en Breugel
Best Best
Best Best
Nuenen, Nuenen, Gerwen Gerwen en Nederwetten en Nederwetten
100000 100000
50000 50000
Veldhoven Veldhoven
200000 200000
100000 100000
0
18401840
18991899
19301930
19601960
30,030,0
Eindhoven Eindhoven
0
Met dank aan: Rene Miesen (op basis van volkstellingscijfers en CBS data. Rekening houdend met gemeentelijke herindeling)
0
20,020,0
10,010,0
Veldhoven Veldhoven
Eindhoven Eindhoven
0
40,040,0
Valkenswaard Valkenswaard
Valkenswaard Valkenswaard
150000 150000
50,050,0
Bergeijk Bergeijk
Bergeijk Bergeijk Cranendonck Cranendonck
60,060,0
Laarbeek Laarbeek
Helmond Helmond
350000 350000
70,070,0
19601960 19701970 19801980 19901990 20002000 20102010 20202020
0,0 0,0
13
Ruimtelijke tijdslagen - Groei in cijfers
Index(1960=100) Index(1960=100)
70,0 70,0
60,0 60,0
Eindhoven Eindhoven
Eindhoven Eindhoven
Veldhoven Veldhoven
Veldhoven Veldhoven
Best Best
Best Best
Son Son en en Breugel Breugel
Son Son en en Breugel Breugel
Nuenen, Nuenen, Gerwen Gerwen en en Nederwetten Nederwetten Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo
50,0 50,0
Index Index(1960=100) (1960=100)
350,0 350,0
Nuenen, Nuenen, Gerwen Gerwen en en Nederwetten Nederwetten
300,0 300,0
Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo
Waalre Waalre
Waalre Waalre
Valkenswaard Valkenswaard
Valkenswaard Valkenswaard
Heeze-Leende Heeze-Leende
Heeze-Leende Heeze-Leende
Cranendonck Cranendonck Bergeijk Bergeijk
40,0 40,0
Cranendonck Cranendonck
250,0 250,0
Bergeijk Bergeijk
Eersel Eersel
Eersel Eersel
Oirschot Oirschot
Oirschot Oirschot
Bladel Bladel
Bladel Bladel
Reusel-De Reusel-De Mierden Mierden
30,0 30,0
Helmond Helmond
Reusel-De Reusel-De Mierden Mierden
200,0 200,0
Helmond Helmond
Laarbeek Laarbeek
Laarbeek Laarbeek
Gemert-Bakel Gemert-Bakel
Gemert-Bakel Gemert-Bakel
Deurne Deurne
20,0 20,0
Deurne Deurne
Asten Asten Someren Someren ZUIDOOST ZUIDOOST BRABANT BRABANT
10,0 10,0
0,00,0
Asten Asten
150,0 150,0
Someren Someren ZUIDOOST ZUIDOOST BRABANT BRABANT
BRABANT BRABANT
1840 1840
1899 1899
1930 1930
BRABANT BRABANT
100,0 100,0
1970 1970
1980 1980
Met dank aan: Rene Miesen (op basis van volkstellingscijfers en CBS data. Rekening houdend met gemeentelijke herindeling)
1990 1990
2000 2000
2010 2010
2020 2020
14
Ruimtelijke tijdslagen - Groei in cijfers
GROEI PER DECENNIUM
110000 110000
100000 100000
PROCENTUEEL PER DECENNIUM
120% 120%
Someren Someren
Eindhoven Eindhoven Veldhoven Veldhoven
Asten Asten
Best Best
Deurne Deurne
90000 90000
Gemert-Bakel Gemert-Bakel
Son Son en en Breugel Breugel
100% 100%
Nuenen, Nuenen, Gerwen Gerwen en en Nederwetten Nederwetten Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo
Laarbeek Laarbeek
80000 80000
Waalre Waalre
Helmond Helmond
70000 70000
80% 80%
Heeze-Leende Heeze-Leende
Bladel Bladel
Cranendonck Cranendonck
Oirschot Oirschot
60000 60000
Valkenswaard Valkenswaard
Reusel-De Reusel-De Mierden Mierden
Bergeijk Bergeijk
60% 60%
Eersel Eersel
Eersel Eersel
Oirschot Oirschot
Bergeijk Bergeijk
50000 50000
Bladel Bladel
Cranendonck Cranendonck
40000 40000
Reusel-De Reusel-De Mierden Mierden
40% 40%
Helmond Helmond
Heeze-Leende Heeze-Leende
Laarbeek Laarbeek
Valkenswaard Valkenswaard
30000 30000
Gemert-Bakel Gemert-Bakel Deurne Deurne
20% 20%
Waalre Waalre
Asten Asten
Geldrop-Mierlo Geldrop-Mierlo
20000 20000
Son Son en en Breugel Breugel
10000 10000
00
(10000) (10000)
Someren Someren
Nuenen, Nuenen, Gerwen Gerwen en en Nederwetten Nederwetten
ZUIDOOST ZUIDOOST BRABANT BRABANT
0% 0%
Best Best
1899 1899
1930 1930
1960 1960
1970 1970
1980 1980
1990 1990
2000 2000
2010 2010
2020 2020
1840 1840
1899 1899
1930 1930
1960 1960
1970 1970
1980 1980
1990 1990
2000 2000
2010 2010
Veldhoven Veldhoven
1899 1899
1930 1930
1960 1960
1970 1970
1980 1980
1990 1990
2000 2000
2010 2010
2020 2020
1840 1840
1899 1899
1930 1930
1960 1960
1970 1970
1980 1980
1990 1990
2000 2000
2010 2010
Eindhoven Eindhoven
-20% -20%
“Tussen 1960 – 1970 nam het aantal inwoners toe met ongeveer 106.000. Dat was de piek in de regionale bevolkingsgroei. Het aantal inwoners nam in de 50 jaar tussen 1970 en 2020 toe met 230.000.” Met dank aan: Rene Miesen (op basis van volkstellingscijfers en CBS data. Rekening houdend met gemeentelijke herindeling)
BRABANT BRABANT
15
2.2.
Opgave 2: Woningvoorraad moet aansluiten bij de toekomstige vraag
Zuidoost-Brabant groeit in aantal woningen hard. We zullen het in de toekomst vooral moeten doen met de gebouwen, infrastructuur en netwerken die we al hebben. Ruim 75% van de bebouwde omgeving van 2040 bestaat al en die gebouwen en straten moeten aansluiten op de woonbehoefte van de toekomst en aangepast worden op de energietransitie en klimaatveranderingen. Als gevolg van huishoudensverdunning (leefstijlvoorkeur) wonen we vaker en langer alleen of met z’n tweeën) en door vergrijzing (demografie) stijgt het aandeel kleine huishoudens van één of twee personen. Grofweg driekwart van de huidige woningvoorraad bestaat uit eengezinswoningen. Er is dus sprake van een mismatch tussen vraag en aanbod tussen eengezinswoningen en een- en tweepersoonshuishoudens, en dat verschil zal in de komende jaren sterk toenemen. We zien dat na de steden ook in de dorpen deze ‘verdunning’ in toenemende mate aan de orde is. Getalsmatig kan gesteld worden dat we voldoende woonruimte hebben voor gezinnen, maar te weinig voor kleine huishoudens. Nu is het niet mogelijk en/of wenselijk om te stellen dat kleine huishoudens alleen in kleine woningen mogen wonen, maar de keuze ontbreekt in het huidige aanbod. Dit blokkeert de mobiliteit op de woningmarkt. Bovendien leidt de demografie ook tot andere vragen op de woningmarkt.
Zorgwoningen, aanleunwoningen, nultredenwoningen en allerlei andere traditionele en vernieuwende woonzorgconcepten zijn er nu te weinig en blokkeren de doorstroming van ouderen uit vaak ruime woningen. De groeiende vraag naar geschikt wonen heeft ook voor een deel betrekking op de koopsector: de aankomende generatie ouderen heeft veel vaker een koopwoning en blijft daar ook langer in wonen. Door de doorstroming te bevorderen kan het aandeel nieuwe gezinswoningen worden beperkt. Belangrijk daarbij is dat voor ouderen geschikte woningen veelal in bestaande wijken, nabij voorzieningen worden gerealiseerd. Het kunnen doorstromen naar een woning in de eigen wijk heeft veelal de voorkeur.
Ter illustratie uit “Een visie op Wonen, Welzijn en Zorg - gemeente Helmond (2023-2030)” uit 2022: In Helmond is berekend dat wanneer in de sociale huursector alle senioren huishoudens in ruime eengezinswoningen in hun vraag naar meer passende woonruimte worden voorzien dat jaarlijks 595 woningen beschikbaar komen. Een tweede effect is dat de huishoudensverdunning, zonder impulsen in de bestaande centra, leidt tot verlies aan draagvlak voor voorzieningen in de stad en, steeds manifester, in de dorpen. De afgelopen vijftig jaar hebben we onze steden en dorpen uitgebreid, maar de bevolkingsdichtheid is fors verminderd. Daarmee is een negatieve spiraal ontstaan: minder dichtheid en grotere afstanden leiden tot minder gebruik van de lokale dorpssupermarkt, bakker en slager en bushalte. Daarom is het aanbod afgeschaald of verdwenen, waardoor het draagvlak verder verdween. Wat dat betreft staat Zuidoost-Brabant voor een unieke keuze: met deze verstedelijkingsopgave kan de regio inzetten op een maximaal herstel van de leefbaarheid in de bestaande kernen. Kiezen voor groei en concentratie van de groei in de bestaande kernen zal leiden tot vernieuwing en verrijking van de dorpen en steden, waarvan alle inwoners kunnen profiteren.
Als die keuze niet wordt gemaakt, is de consequentie dat het draagvlak verder zal afbrokkelen en het verschil tussen de voorzieningen in de (sub)centra van de regio en het aanbod in de overige dorpen en kernen verder zal worden vergroot. Opgave: De opgave is om de woningbouwopgave te zien als een investering in leefbaarheid en brede welvaart in de bestaande steden en dorpen. De hefboom van nieuwe woningen kan worden ingezet om mismatch op de woningmarkt te herstellen, de bestaande wijken en buurten toekomstgericht te verduurzamen en het voorzieningendraagvlak te vergroten. Kiezen voor groei moet leiden tot vernieuwing en verrijking van de dorpen en steden, waarvan alle inwoners kunnen profiteren.
16
Woningmarkt die aansluit op de toekomstige vraag (lessen Omgevingsdag 21 december 2022) Kansen • Transformatie van het kwalitatieve woningaanbod moet bijdragen aan de identiteit en het voorzieningenaanbod in de dorpen en steden. • Door uitbreiding ontstaat de kans om betaalbaar te bouwen. Inzet van een fonds voor bekostiging van de onrendabele top is nodig bij inbreiding. • Vergrijzing van de bevolking betekent in de praktijk dat een grote groep inwoners – doordat zij langer ‘thuis’ wonen – blijven wonen in relatief grote woningen. Een aantrekkelijk alternatief zou hen kunnen aanmoedigen te verhuizen, wat bijvoorbeeld meer bouwen in de bestaande dorpskernen betekent, juist voor de groep ouderen. Zorgen/aandachtspunten • De huidige woningvoorraad sluit onvoldoende aan op de wensen en eisen van de toekomst, bestaande uit woningen voor kleine huishoudens en voor (zelfstandig wonende) ouderen in het bijzonder. • Behoud van (met name de dorpse) identiteit bij transformatie is een aandachtspunt. • Het te ontwikkelen programma kan soms rekenen op bezwaren van de huidige inwoners en omwonenden.
• Hoe kunnen we goed, helder, tijdig communiceren en organiseren met de doelgroep, woningzoekenden en de inwoners in aanpalende/nabijgelegen woongebieden? Daarnaast zou je toekomstige bewoners graag willen betrekken bij de planvorming, zodat vraag en aanbod goed op elkaar aansluiten, maar hoe doe je dat als de bewoner van de toekomst nog niet in •
beeld is? Op inbreidingslocaties hebben we in het algemeen met ‘dure’ grond te maken, omdat het centrumgebieden of de zone nabij het centrum betreft. Ook zal er dikwijls sprake zijn van opgaven als bodemverontreiniging,
andere milieu-opgaven, drukte in de ondergrond et cetera. Dit roept de vraag op hoe we hier op dergelijke inbreidingslocaties betaalbaar kunnen bouwen en wat de rol van de gemeente hierbij is/zou kunnen zijn. Versterken van regionaal voorzieningenstructuur Kansen • Extra inwoners betekent meer draagvlak voor voorzieningen. Dit geldt voor de dorpen, maar ook voor de steden. Hierbij is de complementariteit van belang wat betreft het aanbod van voorzieningen in de regio. • Voor de inwoners is nabijheid van een aantal voorzieningen heel belangrijk en voor de voorzieningen met een regionale functie is de bereikbaarheid vanuit de regio van belang. Dit kan ervoor pleiten om bepaalde regionale voorzieningen te concentreren op – voor werknemers en bezoekers – zeer goed bereikbare plekken zoals OV-knopen. Bovendien wordt door dit laatste de mobiliteitstransitie gestimuleerd. Zorgen/aandachtspunten • Spreiding van verstedelijking, waarbij vele dorpen gaan uitbreiden, leidt tot versnippering van de vraag naar (en dientengevolge van het aanbod van) voorzieningen. • Door concentratie van regionale voorzieningen op de OV-knopen zijn de voorzieningen voor een grote groep inwoners bereikbaar. Dit betekent echter dat ook de dorpen goed aangetakt zijn op het OV-netwerk en OV kost geld! • De sociale netwerken zijn van groot belang voor de bereikbaarheid van de voorzieningen.
Het behoud van deze sociale cohesie en de sociale structuren is een aandachtspunt.
17
Demografie - Meer inwoners maar vaker alleen en ‘grijzer’
18
Wonen - Hoe gaan we om met de grote voorraad aan eengezinswoningen?
19
2.3.
Opgave 3: Versterken van het economisch Brainportecosysteem op de schaal van de MRE
Subregio SGE: in de MIRT-studie Brainport 2040 (2020) werd niet alleen geconcludeerd dat het vestigings- en leefklimaat in toenemende mate doorslaggevend zijn voor het economisch succes van de regio. Ook werd in die studie geanalyseerd dat het SGE geen homogene regio is. De verschillen zijn groot. Het westelijk deel van de regio (met name Eindhoven, Veldhoven, Best en ook Son en Breugel) beschikt over relatief veel arbeidsplaatsen. Het oostelijk deel van SGE wordt gekenmerkt door relatief veel woningen. Deze verschillen tussen gemeenten in de regio komen terug in de ontwikkeling van arbeidsplaatsen. Duidelijk is dat recente successen in korte tijd een vlucht hebben genomen. In ‘no-time’ hebben plekken als High Tech Campus en ASML een internationale aantrekkingskracht verworven. Daarnaast dragen de ligging van Eindhoven Airport, waardoor een oriëntatie ontstaat tussen het centraal station van Eindhoven en Noordwest-Eindhoven, en de ligging aan de A2/N2 bij aan een sterke bereikbaarheid van het westelijk deel van de regio. Opgemerkt dient te worden dat het OV hier nauwelijks een rol in speelt. De westzijde van het SGE werkt daarmee als een magneet op een groot gebied. Deze kent een dagelijkse pendel die vanuit alle windrichtingen ver reikt.
Het oostelijk deel laat een veel meer regulier patroon zien, wat we herkennen in meer generieke regio’s in Nederland: gemengde bedrijventerreinen met een minder sterke vertegenwoordiging van bedrijven uit de HTSM-sector. Aan de westzijde van het SGE zijn werklocaties waar mensen vanuit alle richtingen bereid zijn om ver te reizen voor werk. Aan de oostzijde is er meer lokaal en subregionaal georiënteerde bedrijvigheid. Hierdoor profiteert de oostzijde minder van de groei in het westelijke deel. De Automotive Campus – tussen Eindhoven en Helmond – verandert dit niet en bovendien is deze campus meer georiënteerd op samenwerkingen met bedrijven en kennisinstellingen in en rondom Eindhoven dan in en rondom Helmond.
In de Ontwikkelstrategie Zuidoost-Brabant, een evenwichtige schaalsprong d.d. 31 mei 2022, waarmee op de Omgevingsdag van juni 2022 is ingestemd, hebben we met elkaar ‘uitgezoomd’ naar het niveau van heel ZuidoostBrabant. We hebben toen met elkaar geconstateerd dat er sprake is van één ecosysteem, maar dat de vier subregio’s ook van elkaar verschillen. Inmiddels hebben vele van de kernen in de subregio’s forse uitbreidingen van bedrijventerreinen die het ecosysteem Brainport ondersteunen (denk aan toeleveranciers als bijvoorbeeld MCB, Wilvo en thematische bedrijventerreinen als het Kempisch bedrijvenpark in Hapert). Het mkb is in deze meer landelijke subregio’s sterk ontwikkeld, met daarbij de opgaven op het gebied van de toenemende complexiteit van bedrijfsprocessen, waardoor meer kennis van onder meer digitale processen en systemen nodig is in de maakindustrie. Hieronder volgt een korte impressie van de subregio’s met de specifieke opgaven: Subregio De Kempen, slimme maakindustrie: subregio met toeleverende industrie voor het HTSM-cluster. De autochtone beroepsbevolking groeit niet meer, waardoor de regio afhankelijk is van de instroom van arbeidskrachten. Bedrijven in De Kempen zijn veelal onderdeel van de supplychain van de Brainport. Die supplychain kenmerkt zich door veel interactie en hoogwaardige maakindustrie.
Het aantrekken van gekwalificeerd talent is een grote uitdaging. Voor deze bedrijven is het up-to-date blijven essentieel. Het netwerk met de regionale kennisinstellingen is essentieel. Hierbij is het aantrekken van talent belangrijk. Aantrekkelijke werklocaties, goede verbindingen (ook voor stagiaires), voorzieningen en een passende woningmarkt zijn essentieel om de positie van De Kempen in de Brainport te bestendigen. Subregio De Peel (excl. Helmond), makersdistrict en voedselproductie: economie gebaseerd op grote diversiteit aan mkb’s. Profiel wordt gekenmerkt door deels toeleveranciers voor HTSM en deels Agro-food. Een echt scherp profiel ontbreekt, er zijn omvangrijke bedrijventerreinen met ruimte extensieve
20
Werken - Grote verschillen in snelheden van banengroei
21
bedrijven en deze regio is minder kennisintensief dan De Kempen. Een opvallend verschil met de westzijde van de Brainport is dat er hier minder banen dan werknemers zijn. Bij een toename van de bevolking zal dus – om het vergroten van vervoersbewegingen te vermijden – ook sterk ingezet moeten worden op een subregionale arbeidsmarkt. Het lijkt voor de hand te liggen dat Helmond, met het stationskwartier als interactieplek, een katalyserende rol voor het subregionale ecosysteem De Peel moet innemen. Dat vraagt om gerichte programmering, zowel van de stedelijke werkmilieus met onder meer kennisinstellingen, de bestaande bedrijventerreinen als de toe te voegen extra werklocaties, waaronder een regionaal bedrijventerrein De Peel (een aandachtspunt is hier de bijdrage aan het subregionale economisch profiel). Een sterk eigen profiel kan meerwaarde bieden aan het bestaande Brainportecosysteem (denk aan cross-over HTSM-Agro-food). Subregio A2-gemeenten, natuurbeleving en leisure: het merendeel van de kernen binnen de A2-gemeenten ligt ingeklemd tussen hoogwaardige natuurgebieden (Strabrechtse Heide, Leenderbossen, Malpie, etc. zijn allemaal Natura 2000-gebieden). Dit wordt gezien als een kwaliteit. Gemeenten Valkenswaard en Heeze-Leende zetten vooral in op de kwaliteit van het bestaande aanbod en het versterken van het aanbod op het gebied van toerisme, recreatie en leisure.
Offline Valkenswaard is een duidelijke tegenhanger van de dynamiek van de internationaal georiënteerde Brainport. Gemeente Cranendonck heeft andere opties. Met de grote bedrijventerreinen rondom Budel (met zware milieucategorie) en de oude Philipsterreinen rondom station Maarheeze zijn niet alleen de ruimtelijke mogelijkheden groter, ook de ambitie van de gemeente Cranendonck reikt verder. Bovendien biedt de ligging aanknopingspunten voor een sterke eigen profilering: dicht bij de stad Weert in het grensgebied met het Vlaamse Hamont-Achel - Neerpelt. Voor
Cranendonck is de opgave om deze zware milieucategorie bedrijventerreinen in te zetten in de vraag vanuit de regio(‘s) en mogelijk te combineren met een cluster rondom innovatieve energie-opwek en (prefab-)bouw. Deze opgave kan een extra dimensie krijgen wanneer het sprinterstation van Maarheeze (dat haar positie als regionale HUB-functie ziet groeien) gekoppeld kan worden aan dit profiel. Een ‘stedelijke ontwikkeling’ (deels transformatie van het bestaande industrieterrein) rondom het station zou de plaats- en knoopwaarde kunnen versterken en de (nieuwe) economie van Cranendonck kunnen stimuleren. Opgave: De subregio’s hebben als opgave in te zetten op een voldoende kwalitatief aanbod aan bedrijventerreinen en op het versterken van het vestigingsklimaat (aantrekkelijke werkomgeving, bereikbaarheid met de fiets en het OV, en interactie met andere bedrijven en kennisinstellingen) in de strijd om kennis en talent. Bestaande én nieuwe bedrijventerreinen en werklocaties worden benut om de economische meerwaarde te genereren van het Brainport-ecosysteem, inclusief het daarbij behorende brede mkb (zij vormen een hefboom voor verdere kwalitatieve ontwikkeling van de bedrijventerreinen en werklocaties).
22
Brainport-ecosysteem (lessen Omgevingsdag 21 december 2022) Kansen • Zuidoost-Brabant vormt één Brainport-ecosysteem, wat impliceert dat de gebieden er binnen tezamen, met hun eigen kwaliteiten, bijdragen aan de kracht van het ecosysteem. Hier ligt een kans voor gebieden (en gemeenten) om zich te profileren met lokale kwaliteiten. Door de krachten te bundelen versterkt het totale ecosysteem. • Er ontstaan kansen voor versterking van De Kempen Campus, door een combinatie van onderwijs, sport en cultuur. • De bouwopgave van de hele regio is fors én er is een versnelling nodig. Dit biedt kansen om op een innovatieve manier aan de slag te gaan. In de A2subregio is de bouwsector sterk vertegenwoordigd. Dit leidt tot een kans voor die subregio om de bouwsector stevig te positioneren. Dit vraagt een keuze in profilering en fysieke ruimte om te ontwikkelen. • Er is steeds meer sprake van een systeem waarin denken en maken verspreid zijn over de regio. Dit vult elkaar aan. We willen ambitieus verder bouwen aan een ecosysteem dat nieuwe samenwerkingen, bedrijvigheid en producten voortbrengt. We ontwikkelen slimme dingen en maken ze ook en innoveren elke dag. Dit biedt een gevarieerde arbeidsmarkt. Zorgen/aandachtspunten • Aandacht behoeft het sterke accent op techniek; het economisch profiel moet niet te eenzijdig zijn, want dat maakt kwetsbaar.
• We hebben in de regio een mkb dat ook grotendeels in verband kan worden gebracht met de Brainport-economie. Dit mkb ligt verspreid over de regio, breidt ook stevig uit en moet ook goed bereikbaar blijven (wat kostbaar is!).
•
• •
Groei en verandering leiden ertoe dat bedrijven vertrekken en zich elders vestigen en dat proces nodigt andere bedrijven uit om zich te vestigen op een betere locatie. Dit ‘schuifpuzzel’-effect zorgt voor dynamiek in de regio en vraagt ook continu aandacht (ontstaan gewenste bewegingen, dus waar gaan bedrijven naartoe?). We willen meer weten over het werkmilieu van de toekomst, wat past bij de (nieuwe) inwoner van 2040? In Zuidoost-Brabant zien we een hechte relatie tussen lokale ondernemers en de samenleving/het verenigingsleven (sponsoring). De ondernemers zijn immers goed geworteld in hun omgeving. Dit is een waarde die we willen behouden.
23
Daily Urban System - Grote concentratie van banen in Stedelijk Gebied Eindhoven
24
Daily Urban System - 50 tot 70% van de werknemers reist binnen de eigen subregio
25
2.4.
Opgave 4: Regionale bereikbaarheid garanderen
Met de schaalsprong in het SGE is gekozen voor een meer hoogstedelijk milieu in het hart van Zuidoost-Brabant. Om de internationale concurrentiepositie te versterken is stedelijke massa en stedelijke kwaliteit (nabijheid van voorzieningen) een basisvoorwaarde. De relaties tussen steden worden intensiever, de regio is onderdeel van het Nationaal Stedelijk Netwerk en heeft via spoor en luchthaven belangrijke internationale verbindingen. Het Verstedelijkingsakkoord van het SGE zet in op het bereiken van hoogstedelijke milieus waarin stedelijke massa en intensieve functiemenging in wonen, werken en voorzieningen draagvlak creëren voor meer stedelijke voorzieningen. Dat is met name belangrijk om de stedelijke economie verder te ontwikkelen en om in de ‘battle for talent’ een stevig stedelijk woonmilieu en voorzieningenaanbod neer te kunnen zetten. Centra van deze ontwikkeling vormen de intercityknopen van Eindhoven en Helmond voor een verdere uitbouw van de verbindingen via het treinnetwerk, zowel regionaal (als bestemmingen van het OV), op de schaal van de Brabantse steden, in het Nationaal Stedelijk Netwerk als internationaal. Daarmee ontstaat een versterkend systeem van agglomeratievorming dat toegang geeft tot een aantrekkelijk stedelijk milieu, economie en topvoorzieningen.
Deze ontwikkeling leidt tot een mobiliteitstransitie in de stedelijke gebieden en dat heeft gevolgen voor de mobiliteit in Zuidoost-Brabant.
daarvoor zeer aantrekkelijk. Ook stedelijk mobiliteitsbeleid en de groei van een jonge, hoogopgeleide, stedelijk georiënteerde en duurzaam-minded populatie draagt bij aan meer lopen, fietsen en OV-gebruik en minder autogebruik. Buiten het stedelijk gebied is de situatie omgekeerd. In de suburbane en dorpse milieus is de auto juist dominant bij verplaatsingen buiten de eigen kern. Doordat de verplaatsingsafstanden naar werk en voorzieningen toenemen, neemt buiten het stedelijk gebied het autogebruik toe, ook op plekken waar geen bevolkingsgroei meer is. Er is dus een toenemend verschil in mobiliteitsgedrag tussen stedelijk gebied en daarbuiten. De opgave is om de mobiliteitstransitie in stedelijke gebieden goed te ondersteunen. Deze is immers randvoorwaardelijk om de stad intensiever te kunnen gebruiken en tegelijkertijd kwaliteit toe te voegen. Buiten de steden is het net zo belangrijk om de intensieve relaties tussen het stedelijk gebied en werkgebieden, suburbane kernen en kleinere kernen te faciliteren. Die opgave werkt twee kanten op. Vanuit de suburbane gebieden is het nodig beter aangehaakt te zijn op het OV-netwerk, bijvoorbeeld voor de economische noodzaak om bereikbaar te zijn voor jonge hogeropgeleiden die wonen in stedelijke milieus.
Omgekeerd zullen de centra van Eindhoven en Helmond en de stedelijke werkgebieden (campussen) toegankelijk blijven voor de dorpen en grotere kernen die onderdeel zijn van het Daily Urban System Zuidoost-Brabant. Dit vraagt denken in reisketens en multimodaliteit om gescheiden systemen te voorkomen.
In het stedelijk gebied van Zuidoost-Brabant groeit het aandeel OV- en fietsgebruik en neemt het autogebruik relatief af (modal split verandert). Binnenstedelijk neemt het autoverkeer zelfs af. Deze ontwikkeling wordt veroorzaakt doordat de stedelijke centra van met name Eindhoven en Helmond
Met de keuzes uit het Verstedelijkingsakkoord SGE en het mobiliteitsbeleid loopt het huidige mobiliteitssysteem vast bij een hoge economische groei. De IMA (Integrale Mobiliteitsanalyse (*1)) laat zien dat ondanks de voorziene weguitbreidingen grote delen van het Brabantse hoofdwegennet overbelast zijn in 2040. Een verdere uitbreiding van het wegennetwerk op de
verdichten, leefbaarheid steeds nadrukkelijker als hefboom wordt gebruikt voor heroverweging van bestaande verkeersstructuren en de relaties tussen de steden (ook buiten Zuidoost-Brabant) groeien. Verplaatsen in de stad en tussen steden wordt daardoor steeds belangrijker en de fiets-treinmobiliteit is
schaal van de opgave die de IMA laat zien is ruimtelijk, financieel en vanuit duurzaamheidsperspectief moeilijk voor te stellen. Bovendien biedt zo’n aanpak vaak maar tijdelijk een oplossing. Zuidoost-Brabant bestaat voor een groot deel uit suburbane kernen. De afstand tussen die kernen en de centra van
26
Daily Urban System - Dorpskernen zijn integraal onderdeel geworden van het stedelijk systeem (Tordoir)
27
Eindhoven en Helmond is 10-20 km. Deze ruimtelijke ordening leidt tot een hoog autogebruik. De dorpen van Zuidoost-Brabant kennen lage dichtheden met doorgaans niet-gereguleerd parkeren voor de deur en in de basis een goede auto-ontsluiting. De woon-werkafstanden en de afstand tot de stedelijke centra zijn voor velen nog te groot voor fietsen. De dichtheden zijn te laag en de afstanden te kort voor concurrerend OV, versterkt door het feit dat maar weinig kernen een station hebben (buiten het SGE alleen Deurne, Maarheeze, Heeze). Een andere factor in dit systeem zijn de grote werklocaties die, met uitzondering van het stationsgebied/centrum van Eindhoven, gericht zijn op de (snel)wegontsluiting. Goede autoverbindingen maken mogelijk dat mensen in rurale en dorpse gebieden kunnen wonen en tegelijkertijd kunnen profiteren van voorzieningen elders. Om de regio bereikbaar en leefbaar te houden moeten we fors inzetten op een mobiliteitstransitie. De opgave is om de groei van automobiliteit in heel Zuidoost-Brabant af te buigen zonder de bereikbaarheid en uitwisseling op te geven. Opgave: De stedelijke ontwikkeling van Zuidoost-Brabant moet inzetten op een brede mobiliteitstransitie, in combinatie met de robuuste randen, bundelroutes (o.a. N279, N612, A67 incl. de Zuidelijke Ontsluiting) en inprikkers.
Zo kunnen we plekken die van de auto afhankelijk zijn ook in de toekomst bereikbaar houden. Dat betekent dat we een programma (wonen en werken) zullen inzetten om deze ontwikkeling daar waar mogelijk te stimuleren en kansen die zich in het huidige netwerk voordoen te verzilveren. Huidige stationsomgevingen/HOVknopen hebben vaak nog te weinig plaatswaarde: naast een goede verbinding is er op de plek zelf nog ‘weinig te doen’. Het verdichten rondom knopen helpt om plaatswaarde te vergroten en daarmee OV-gebruik te stimuleren. (*1) Integrale Mobiliteitsanalyse (IMA) d.d. juni 2021, brengt potentiële mobiliteits- en bereikbaarheidsopgaven op de lange termijn in beeld. Het gaat hierbij om het vervoer van personen en goederen over wegen, vaarwegen, spoorwegen en het bus-, tram- en metronetwerk op nationale schaal.
Regionale bereikbaarheid (lessen Omgevingsdag 21 december 2022) Kansen • Verstedelijking kan mobiliteitstransitie bevorderen, want omdat het draagvlak rond haltes/stations toeneemt, kan het OV-gebruik groeien. • Minder auto’s in de straat betekent ook dat er minder ruimte nodig is voor parkeren. Hierdoor is er meer ruimte beschikbaar als gezamenlijke ontmoetings-, groene en/of speelruimte. • De mobiliteitstransitie kan ook helpen bij andere opgaven, denk aan gezondheidsvraagstuk, klimaatopgaven. • Bereikbaarheid vraagt niet alleen om fysieke oplossingen. Het werken op afstand (thuis werken) en virtuele mobiliteit bieden de kans om verbinding te hebben zonder verplaatsingen. Zorgen/aandachtspunten • Binnen Zuidoost-Brabant gaat het om: ‘en-en’, dus een goede bereikbaarheid per auto én per OV, fiets en smart oplossingen. Grote delen van de regio zijn vanwege hun ruimtelijke kenmerken en verbindingen veelal aangewezen op het gebruik van de auto. • OV buiten de stad kan niet concurreren met het gebruik van de auto, qua comfort, bereikbaarheid en snelheid. Alternatieven (bijv. snelfietsroutes, busverbindingen en smart oplossingen) voor die verplaatsingen vergen maatwerk en vaak ook forse investeringen. • De werklocaties moeten goed bereikbaar zijn en ook dit vraagt om maatwerkoplossingen.
Kenniswerkers stellen in het algemeen andere eisen aan bereikbaarheid dan werknemers in de maakindustrie. De verkeersstromen en bereikbaarheidsoplossingen zullen afgestemd moeten zijn op de economische profielen.
28
Bereikbaarheid - OV+fiets-bereikbaarheidsverschillen zijn groot in de regio Deurne: Binnen een uur in ‘s-Hertogenbosch en Tilburg
SGE
PEEL
Eindhoven: Binnen een uur in Breda en Utrecht
Eersel: Binnen een uur in Eindhoven
KEMPEN
A2
Maarheeze: Binnen een uur in ‘s-Hertogenbosch en Tilburg
29
Bereikbaarheid - Het regionale autosysteem loopt vast
30
2.5.
Opgave 5: Relatie stad en dorp met landschap als drager voor de ruimtelijke identiteit van Zuidoost-Brabant
In de definitie van de ruimtelijke identiteit is de onmiddellijke nabijheid van het landschap en de dorpen een belangrijk onderdeel. Kernkwaliteiten zijn afwisseling, schaal (van kleine tot stevige waardevolle natuur- en cultuurlandschappen) en de toegankelijkheid. De beekdalen, de akkers en de weilanden nemen in de beleving van de Brabantse dorpen een belangrijke positie in. De groene, blauwe en recreatieve aders tussen stad, dorp en land zijn de stepping stones tussen de steden, dorpen en de grotere natuurgebieden. Door de gebieden lopen fiets- en wandelroutes die je in korte tijd van hartje stad naar midden in de natuur voeren. Die afwisseling is onderdeel van de dagelijkse beleving van de bewoners van Zuidoost-Brabant; onderweg naar werk of sport, een blokje om met de hond of een fietstocht in het weekend. Die alledaagse beleving is waardevol en een kernkwaliteit van de regio, maar wordt op een aantal fronten bedreigd: • Open ruimte is kwetsbaar. De uitleg voor wonen, werken en mobiliteit van de afgelopen decennia heeft de ‘gemakkelijke’ plekken grotendeels benut en het bebouwd gebied nadert waardevolle landschappen, natuur en ruimtelijke buffers. Bij iedere uitleg van wonen en (grootschalig) werken wordt de afstand van het bestaande bebouwde gebied tot het groen ook groter. Zeker als in die uitleg geen kwalitatief hoogwaardig en toegankelijk groen is opgenomen.
In delen van stedelijk Brabant dreigen natuur en landschap daarmee iets van ver weg te worden, waardoor een belangrijke kwaliteit wegvalt. • In het buitengebied dat niet behoort tot de erkende natuur- en cultuurlandschappen staat de kwaliteit onder druk: schaalvergroting in de landbouw, slechte luchtkwaliteit door intensieve veeteelt en ruimteclaims vanuit tal van functies (van recreatie en opslag tot luxe woningen), die niet altijd bijdragen aan de gebiedskwaliteit. Juist de gemengde buitengebieden direct nabij de grote en middelgrote steden, met dorpen en gehuchten, zijn een belangrijke kwaliteit van Stedelijk Brabant. De landelijke delen van
•
de regio zijn complementair aan het SGE, zeker na de schaalsprong van 62.000 woningen. Juist ook voor de kleinere kernen in Zuidoost-Brabant zijn bestaande landschapsstructuren en beekdalen kansen om de verbindingen tussen dorp en ommeland te versterken. Het beekdal is in de huidige situatie vaak smal gedimensioneerd en er liggen functies in die ‘niks met de kwaliteit van de beek doen’. Kansen zijn er voor waterberging, natuur, natuur-inclusieve (stads)landbouw, recreatie, cultuurhistorie, CO2-opslag en koelte in strijd tegen de opwarming van de stad.
De opgave: De bestaande stad/dorp-landverbindingen koesteren we en bouwen we uit. De beken nemen daarin een speciale positie in. Kernwoorden hierin zijn kiezen voor een royale maat, beleefbaarheid, toegankelijkheid en het aanscherpen van het contrast en de wisselwerking met stedelijke kwaliteit. De opgaven zijn: de ‘uitlegzones’ van de afgelopen decennia kritisch langslopen op toegankelijkheid van het landschap en kwaliteit van het overgangsgebied; transformaties inzetten om kwaliteit te maken en verbindingen te leggen; zichtbaarheid van beken in stedelijke gebieden versterken; voorkomen dat door nieuwe uitleg het landschap verder weg komt te liggen en er een dikke onaantrekkelijke rand ontstaat tussen stad en landschap. Dat ondermijnt de ruimtelijke identiteit van de dorpen en steden in Zuidoost-Brabant.
31
Dorpen en stad (lessen Omgevingsdag 21 december 2022) Kansen • Elk dorp en elke stad heeft zijn eigen historische, sociale en/of culturele identiteit. Brabanders zijn daar trots op. Deze identiteit biedt de kans om ook bij een forse verdere verstedelijking deze kwaliteit te benutten en de onderlinge verschillen in deze identiteit te behouden. • Voor de ruimtelijke kwaliteit is het van belang de eigen ruimtelijke identiteit te benutten en te versterken. Het is een kans om op de langere termijn ook in de nieuwbouw en uitbreiding de onderlinge verschillen tussen de dorpen en steden te versterken. • Voor de profilering van de gebieden (en gemeenten) is de eigenheid, authenticiteit en identiteit van belang. Hiermee wordt de basis gelegd voor ruimtelijke kwaliteit. Zorgen/aandachtspunten • Bij inbreiding en verdichten gaat het om de balans tussen het toevoegen van (het goede) programma en het ‘dichtzetten’ van de ruimte waardoor groen in het bebouwde gebied verdwijnt. • Eenmalige uitbreiding is voor altijd uitgebreid, en dit doortrekkend naar de toekomst blijft er steeds minder landelijk gebied over. Aandachtspunten zijn dan ook: op welke locaties is uitbreiding gewenst en versterkt het de dorpen en steden, en dus ook waar (willen) we niet bouwen? Wat betekent dit voor de periode 2030 - 2040 en voor de periode erna?
32
Ruimtelijke tijdslagen - Waar komen we vandaan?
33
Ruimtelijke tijdslagen - Dorps versus stedelijk woonproduct
34
Ruimtelijke tijdslagen - Schaalvergroting
35
Natuur/landschap - Nieuw kwalitiatief landschapsproduct in ‘contramal’ van de stad Van Gogh Nationaal Park. Een landschap vol slingerende beken, uitgestrekte natuurgebieden, vitaal boerenland, landgoederen en prachtige stads- en dorpsgezichten.
Grensoverschrijdend park De Groote Heide – met toegangspoorten in Eindhoven (Genneper Parken), Valkenswaard (De Malpie), Heeze (De Plaetse), Soerendonk (Baronie)
Hoofdstuk 3
Ontwerpend Onderzoek
37
3.1.
Duiding van de opgaven, grip op de getallen
Een evenwichtige schaalsprong, waar hebben we het over? De kern van de opgaven – deze is ook in het MIRT-onderzoek 2020 geduid – is het behouden en versterken van de economische toppositie van de Brainportregio. De regio heeft hiervoor een groeiambitie uitgesproken naar 100.000 woningen en honderden hectare extra bedrijventerrein én de bereikbaarheid van de hele regio in de periode tot 2040. In het ontwerpend onderzoek – dat moet leiden tot richtinggevende keuzes en ontwerpprincipes – zitten we in de fase waarin we getallen (opgaven) en ruimtebeslag bij elkaar brengen. Er is de afgelopen jaren al veel gebouwd in Zuidoost-Brabant (ca. 13.000 woningen), maar we hebben ook gemerkt dat plannen niet de eindstreep halen. Er is (9 maart 2023) een Woondeal gesloten over het realiseren van minimaal 45.130 woningen tot 2030 én er zijn aardig wat plannen/ambities in de regio aanwezig.
•
• • •
•
Om grip te krijgen op de omvang van de opgaven waarvoor we gezamenlijk richtinggevende keuzes richting 2040 moeten maken, gaan we uit van de onderstaande redenering, vertrekpunten en getallen voor wonen en werken. Wonen • We gaan uit van een ambitie/opgaven van 100.000 woningen in de periode 2020-2040. • Om 100.000 woningen te kunnen maken zoeken we planruimte voor 130%. Dit komt neer op 130.000 woningen. Dit doen we omdat we weten dat niet alle plannen de eindstreep halen. We hebben niet het doel om 130.000 woningen te realiseren, maar nemen in dit ontwerpend onderzoek dat aantal als zoekrichting mee. •
We zijn uitgegaan van de aantallen die voortkomen uit de inventarisatieronde in het kader van de Woningbouwmonitoring (Bron: Woningbouwmonitor Noord-Brabant, september 2022) die door de provincie in de zomer van 2022 is gemaakt.
•
•
•
Van de opgave trekken we de al gerealiseerde woningen van 2020 en 2021 af (op basis van het CBS). Dit zijn er circa 10.000 voor Zuidoost-Brabant. Deze woningen zijn immers al gerealiseerd. De Woondeal gaat uit van minimaal 45.130 woningen voor heel ZuidoostBrabant tot 2030. De regio beschikt over circa 25.500 woningen in harde plannen. De regio beschikt over circa 12.500 woningen in ontwerpplannen en planologische voorbereidingsplannen. We gaan ervan uit dat de aantallen in deze twee categorieën de komende periode ‘hard’ worden, en dus gerealiseerd in navolging van de afspraken uit de Woondeal. Opgeteld is dit bijna het minimale aantal van 45.130 woningen. Hier hoeven we dus geen planruimte meer voor te vinden. Dit aantal halen we dan ook af van de 130.000. De regio heeft ook circa 29.000 woningen in zachte plannen. Dit zijn plannen waarover nog geen regionale afstemming en geen afstemming met de provincie heeft plaatsgevonden. De vraag is ook of de plannen matchen met de principes bodem en water sturend én of deze plannen logischerwijs aansluiten bij de richtinggevende keuzes die we nu met elkaar oplijnen. Voor het ontwerpend onderzoek (deze fase) doen we of die 29.000 woningen er niet zijn. We respecteren en gaan uit van hetgeen is afgesproken in het Verstedelijkingsakoord van het SGE. Daarin is de ambitie opgenomen om in de periode 2020-2040 62.000 woningen te realiseren.
Hier zit al een extra ambitie in ten opzichte van de autonome groei. De A2, De Kempen en De Peel hebben een autonome groei van 12.500 woningen tot 2040. Dit betekent dat er een extra sprong van circa 25.500 woningen te maken is om bij de ambitie van 100.000 woningen te komen (immers: 62.000 + 12.500 = 74.500 > 100.000 - 74.500 = 25.500). Deze extra sprong van 25.500 woningen verdelen we – voor het doen van het ontwerpend onderzoek – naar rato van de demografie over de A2, De Kempen en De Peel.
38
Tabel: Grip op de woningbouwcijfers (Bron Woningbouwmonitor PNB zomer ‘22)
Tabel: Behoefte aan planruimte richting 2040 en inzicht in ‘zachte plannen’
•
•
Tabel: Woondeal 2030
Voor Zuidoost-Brabant zoeken we – inclusief 30% overprogrammering – nu nog planruimte voor circa 43.000 woningen tot 2040. Let op: hierin zit dus feitelijk 30% te veel! We houden in het ontwerpend onderzoek – voor het laden van de perspectieven – rekening met een opgave van 43.000 woningen.
39
Werken • Voor werken is in het MIRT-onderzoek 2020 de ambitie opgenomen om te groeien met 72.000 arbeidsplaatsen voor het SGE. Dit zegt echter niets over het ruimtebeslag dat daarvoor nodig is én geeft geen beeld van de groei voor de A2, De Kempen en De Peel. • Wij baseren ons voor het ontwerpend onderzoek op de prognose van de provincie op basis van het STEC-rapport Behoefteraming bedrijventerreinen Noord-Brabant, d.d. 1 september 2022. • De scope is wederom 2040, én in navolging van de groeiambitie voor wonen gaan we ook hier uit van het hoge scenario. Dit betekent dat we uitgaan van EIB Hoog, dat toeziet op een behoefte aan bedrijventerreinen en werklocaties van 696 hectare tot 2040. • Een belangrijke kanttekening hierbij is dat provincie en regio bij deze prognose aantekenen dat er behoefte is aan een visie op het economisch profiel, om daarmee tot een afgewogen selectieve groei te komen. Daartoe stellen zij een visie werklocaties en daaropvolgend een Regionaal Programma Werklocaties op. • Voor bedrijventerreinen hanteren we geen overprogrammering, omdat de hectares in het EIB Hoog al fors zijn. • De STEC-rapportage geeft een beeld van de behoefte tot 2030 per subregio. De doorkijk naar 2040 is voor Zuidoost-Brabant gemaakt. Wij hebben de stap naar 2040 – lees +296 hectare voor Zuidoost-Brabant – gelijkwaardig verdeeld over de vier subregio’s.
• De regio heeft voor bedrijventerreinen circa 133 hectare harde plannen (d.d. 1 januari 2022). Deze worden gerealiseerd. • De regio heeft voor bedrijventerreinen circa 433 hectare zachte plannen (Bron: STEC-rapportage, d.d. 1 september 2022). Deze zijn verschillend. We kunnen er dan ook niet van uitgaan dat alles hiervan ooit gerealiseerd wordt.
Tabel: Inzicht in bestaande plannen
Tabel: Nadere afweging van plannen en hectares
40
•
•
Tabel: Nadere afweging van plannen en hectares
Tabel: Behoefte planruimte 2040
Er zijn ook veel zachte plannen met een beperkte omvang (alles onder 10 hectare) waarvan we aannemen dat deze óf gerealiseerd worden, óf een beperktere impact hebben op het totale systeem op de schaal van Zuidoost-Brabant. NB De komende periode wordt voor het regionale bedrijventerrein De Peel en regionale bedrijventerrein De Kempen een en ander duidelijker. Hier zoeken we de afstemming mee.
41
3.2.
Vertrekpunt, bodem en water sturend en bestaande plannen
De opgaven waar de regio Zuidoost-Brabant voor staat richting 2040 zijn fors. Het maken van toekomstvaste richtinggevende keuzes doen we niet vanaf een blanco ondergrond. Een van de belangrijkste richtinggevende kaders vinden we in het principe dat bodem en water sturend zijn voor de ruimtelijke inrichting van ons land. Voor een robuuste en klimaatadaptieve inrichting is het belangrijk om de water- en bodemstructuur goed mee te nemen in de afweging van nieuwe ontwikkelingen. Hiervoor sluiten we aan bij de Signaleringskaart watersysteem van de Waterschappen. De drie categorieën in de signaleringskaart (groen, oranje en rood) hebben wij vertaald naar onze basiskaart. We onderscheiden daarin: • Blauw > Niet geschikt voor verstedelijking vanuit het watersysteem • Grijs > Beperkt geschikt voor verstedelijking vanuit het watersysteem • Groen > De Brabantse natuurgebieden • Geel > Geen restricties vanuit natuur, bodem en water Ondanks de forse opgaven tot 2040 is een ruime meerderheid van de woningen, de werklocaties en het mobiliteitssysteem nu al bestaand. Op dit moment werken we aan woningbouwplannen, plannen voor werklocaties en interventies gericht op mobiliteit. Hierom beginnen we niet bij nul, maar bouwen we voort op de bestaande situatie en respecteren we de bestaande plannen.
Op het abstractieniveau van de hele regio maken we gebruik van de basiskaart met de bestaande plannen (wonen, werken en mobiliteit). Voor mobiliteit zijn hierop de MIRT-afspraken 2022 opgenomen.
• •
•
Plaatje links: signaleringskaart Plaatjes rechts: voor de SGE nemen we het Afsprakenkader als uitgangspunt. Plaatje onder: Brainportdeal 2030 (MIRT-afspraken 2022)
42
Basiskaart - Huidige situatie
Let op: in nevenstaande kaart is geen volledigheid betracht en het is geen beleid. De kaart dient alleen als orde van grootte visualisatie voor het ontwerpend onderzoek.
Re vookreonn- en tekenm onderzotwerpend odel ek
43
Basiskaart - Bestaande woningbouwplannen AFSPRAKENKADER SGE • Best 4.100 • Eindhoven 38.300 • Geldrop-Mierlo 2.700 • Helmond 15.800 • Nuenen 2.900 • Oirschot 1.600 • Son en Breugel 900 • Veldhoven 6.100 • Waalre 1.900 • Totaal = 74.300
Re vookreonn- en tekenm onderzotwerpend odel ek Let op: in nevenstaande kaart is geen volledigheid betracht en het is geen beleid. De kaart dient alleen als orde van grootte visualisatie voor het ontwerpend onderzoek.
44
3.3.
Vier perspectieven als hoeken van het speelveld
Om te onderzoeken wat de sturende keuzes zijn bij het realiseren van grote aantallen woningen, bedrijventerrein en werklocaties en het verbeteren van de bereikbaarheid van nieuwe en bestaande woon- en werklocaties in Zuidoost-Brabant hebben we vier perspectieven opgesteld. Bij de keuzes in de perspectieven houden we rekening met de lessen uit de analyse. Zo is het principe ‘bodem en water sturend’ een belangrijke basislaag in de kaarten.
onderwerpend onderzoek. Zo testen we wat een keuze op de kaart betekent. De perspectieven en de casussen zijn geen voorspellingen; zij leveren inzicht in de consequenties van ruimtelijke keuzes. Het is niet de bedoeling om een van de perspectieven te kiezen. We zoeken de uitersten op en kijken de komende periode naar effecten op brede welvaart en effecten die aansluiten bij de gedefinieerde opgaven.
In drie van de vier perspectieven is het aantal woningen voor het SGE gelijk, namelijk 62.000 woningen conform het Verstedelijkingsakkoord. Voor het perspectief ‘Centrale stad XXL’ is het aantal woningen in het SGE groter, namelijk +25.000. In de perspectieven nemen we het MIRT-maatregelenpakket (najaar 2022) voor mobiliteit als uitgangspunt en introduceren we geen nieuwe grote infraprojecten.
Hierna volgen de vier perspectieven met een verbeelding en daarbij een beknopte toelichting.
Naast de perspectieven hebben we voor iedere subregio in een ambtelijke werksessie twee casussen uitgewerkt conform het principe van het
45
Vier perspectieven - De hoeken van het speelveld Perspectief 1: Ieder dorp (en stad) een stap
Netwerk
Landelijk
Perspectief 3: Pionieren
Perspectief 2: Knopen in het netwerk
Stedelijk
Autonoom
Perspectief 4: Eindhoven Central Park / Centrale stad XXL
46
3.3.1.
Perspectief 1: Ieder dorp (en stad) een stap
In dit perspectief groeien de dorpen en kernen van de subregio’s evenredig mee met de totale opgave. Ieder dorp neemt een aandeel naar rato. Dat betekent grofweg dat alle dorpen planruimte moeten vinden voor woningbouw die gelijkstaat aan ongeveer een derde van de huidige omvang (aantal woningen). De bestaande hiërarchie en positionering van dorpen en kernen blijft gelijk aan de huidige situatie. De nieuwe woningen worden verspreid over de hele regio. Het perspectief extrapoleert de ontwikkeling van de afgelopen decennia. 80% van de nieuwbouw wordt gerealiseerd in uitleglocaties, 20% in inbreiding. Ook voor de bedrijventerreinen geldt in dit perspectief spreiding, in alle dorpen en kernen groeit de omvang van de bedrijventerreinen. Er komt in dit perspectief geen grootschalige impuls voor een regionaal bedrijventerrein. De mobiliteit van dit perspectief is gebaseerd op het huidige mobiliteitssysteem. De maatregelen voor de mobiliteitstransitie gelden met name in het stedelijk gebied van het SGE. Buiten de HUB-structuur – met de overstappunten van auto naar OV – is het systeem op de auto gericht. Met Perspectief 1 testen we het laadvermogen en de effecten van een toekomst, waarbij we geen uitgesproken keuzes maken en maatregelen treffen.
47
Perspectief 1 - Ieder dorp (en stad) een stap AFSPRAKENKADER SGE • Best 4.100 • Eindhoven 38.300 • Geldrop-Mierlo 2.700 • Helmond 15.800 • Nuenen 2.900 • Oirschot 1.600 • Son en Breugel 900 • Veldhoven 6.100 • Waalre 1.900 • Totaal = 74.300
Re vookreonn- en tekenm onderzotwerpend odel ek Let op: in nevenstaande kaart is geen volledigheid betracht en het is geen beleid. De kaart dient alleen als orde van grootte visualisatie voor het ontwerpend onderzoek.
48
3.3.2.
Perspectief 2: Knopen in het netwerk
In het perspectief Knopen in het netwerk worden de kansen en kwaliteiten onderzocht van enkele nieuwe/te versterken knooppunten. De verstedelijking in het SGE zal ook plaatsvinden op bestaande regionale centra nabij hoogwaardige OV-knopen, zoals Best, Veldhoven, Geldrop, Helmond BSD en Woensel. De te ontwikkelen knooppunten worden gevormd door twee bestaande stationslocaties (Maarheeze (sprinter) en Deurne (intercity)) en een nieuwe knoop in het verlengde van HOV4 (Eindhoven Centraal - Veldhoven/ ASML - Eersel). De knopen zijn niet alleen multimodaal bereikbaar, maar worden ook programmatisch geladen, zodat er naast knoopwaarde ook plaatswaarde (bijvoorbeeld door toevoeging van voorzieningen op de knoop) ontstaat. Het perspectief test zodoende of het stedelijk netwerk van het SGE kan worden opgerekt en verbonden met de meer landelijke gebieden eromheen. In dit perspectief ontstaat er een nieuwe hiërarchie en positionering van de kernen. Eersel, Deurne en Maarheeze groeien harder (in woningaantallen en ook programmatisch) dan de andere kernen. De knopen worden maximaal geladen (te testen in de casussen), waarbij ook een andere typologie woningen (meer stedelijk) wordt gerealiseerd. Het perspectief gaat uit van 80% inbreiden en 20% uitbreiden. Buiten de knopen wordt in dit perspectief dus ook in de andere kernen ingezet op kwaliteitsverbetering van de bestaande voorraad.
Uitbreiding van werkmilieus vindt in dit perspectief in eerste instantie plaats door een functiemix in de knopen en intensivering van bestaande bedrijventerreinen. Voor een categorie activiteiten die niet plaats kan vinden in bovenstaande locaties wordt – pas in tweede instantie – ruimte gezocht op uitbreidingslocaties van bedrijventerreinen. De ambitie van dit perspectief is om de mobiliteit in Zuidoost-Brabant beter te organiseren. Subregionale oriëntatie op de OV-knopen moet ruimte maken op de wegen en bijdragen aan verbetering van de leefbaarheid en verkeersveiligheid.
Naast de kwaliteit van de subregionale knopen testen we in dit perspectief ook wat de resterende woningbouwopgave blijft voor de overige dorpen en kernen.
49
Perspectief 2 - Knopen in het netwerk AFSPRAKENKADER SGE • Best 4.100 • Eindhoven 38.300 • Geldrop-Mierlo 2.700 • Helmond 15.800 • Nuenen 2.900 • Oirschot 1.600 • Son en Breugel 900 • Veldhoven 6.100 • Waalre 1.900 • Totaal = 74.300
Re vookreonn- en tekenm onderzotwerpend odel ek Let op: in nevenstaande kaart is geen volledigheid betracht en het is geen beleid. De kaart dient alleen als orde van grootte visualisatie voor het ontwerpend onderzoek.
50
3.3.3.
Perspectief 3: Pionieren
De drijfveer achter het perspectief Pionieren is het inzicht dat de opgave wonen en werken zo omvangrijk is dat er een grootschalige ruimtelijke interventie noodzakelijk is. Het perspectief borduurt voort op grootschalige ingrepen zoals een regionaal bedrijventerrein met een eigen logica en identiteit. Het perspectief introduceert omvangrijke nieuwe dorpen en werklocaties op strategische plekken (waar het kan vanuit de bodem) en onderzoekt wat dat oplevert voor bestaande ruimtelijke structuren en mobiliteit. Bestaande dorpen en kernen wordt een aandeel in de woningbouwopgave toebedeeld, waarmee zij de huidige ruimtelijke identiteit en karakter kunnen behouden. De nieuwe kernen krijgen juist een meer internationaal milieu, waardoor de diversiteit en keuzemogelijkheden in de hele regio groeien. In dit perspectief zijn de regionale bedrijventerreinen de voornaamste groeimogelijkheden voor bedrijvigheid. Met betrekking tot de mobiliteit is het uitgangspunt van het perspectief dat de huidige structuur voor de huidige dorpen en kernen blijft bestaan. De nieuwe dorpen moeten zodanig worden gepositioneerd dat nabijheid van werken ontstaat, OV-hubs op fietsafstand liggen en er in de community van de nieuwe dorpen nieuwe vormen van collectief vervoer worden georganiseerd (ASMLbusjes, deelauto, etc.).
De regionale bedrijventerreinen zijn hoofdzakelijk snelweggeoriënteerd, of eventueel georiënteerd op water. In dit perspectief testen we de kansen van nieuwe ‘nederzettingen’ vanuit de urgentie dat de opgave niet is te realiseren in, en aansluitend aan de bestaande dorpen en kernen, en het SGE niet meer kan opnemen dan is afgesproken in het Verstedelijkingsakkoord.
51
Perspectief 3 - Pionieren AFSPRAKENKADER SGE • Best 4.100 • Eindhoven 38.300 • Geldrop-Mierlo 2.700 • Helmond 15.800 • Nuenen 2.900 • Oirschot 1.600 • Son en Breugel 900 • Veldhoven 6.100 • Waalre 1.900 • Totaal = 74.300
Re vookreonn- en tekenm onderzotwerpend odel ek Let op: in nevenstaande kaart is geen volledigheid betracht en het is geen beleid. De kaart dient alleen als orde van grootte visualisatie voor het ontwerpend onderzoek.
52
3.3.4.
Perspectief 4: Eindhoven Central Park / Centrale stad XXL
Het perspectief Eindhoven Central Park/Centrale stad XXL heeft de volgende redenering: • De dorpen en kernen blijven tot 2040 vitaal met de bestaande harde plannen en de plannen waarvan kan worden gesteld dat ze op korte termijn hard te maken zijn. • Een grotere programmering kunnen de subregio’s De Kempen, De Peel en de A2-gemeenten met behoud van identiteit en de huidige infrastructuur niet opnemen. • Voor een groot deel van de totale opgave tot 2040 zal het SGE daarom meer moeten realiseren dan binnen het huidige Verstedelijkingsakkoord. Dat betekent een extra opgave bovenop de schaalsprong van 62.000 woningen. • Die extra opgave geeft het SGE de kans om de stedelijke mobiliteit en het OV een extra impuls te geven. Het voorzieningenniveau van Eindhoven wordt door die extra verdichting binnen de stadsgrenzen nog groter.
De aantrekkelijkheid van dit perspectief is geworteld in de overtuiging dat de hele regio profiteert van een sterke centrale stad. De omliggende kernen doen wat nodig is om leefbaar en vitaal te blijven, maar positioneren zich vooral als dorpen in een groen landschap waar het goed toeven is.
Eindhoven realiseert in dit perspectief een grootschalige transformatie van GDC Acht. Dat levert een substantiële groei van het aantal woningen op (tot 20.000). Een belangrijke drijfveer voor deze keuze is dat daarmee een forse stap in OV kan worden gezet: de uitbreiding gaat gepaard met een tweede intercitystation voor Eindhoven, waardoor de Brainportlijn (de verbinding tussen de IC-stations via een lus over de campussen) een sterke structuur wordt. Het stadsbos Noordwest functioneert in die stedelijke context als een centraal park, met daarbinnen ‘De Wielewaal’. Met dit perspectief willen we de kansen duiden voor een stevige mobiliteitstransitie voor het SGE, waarbij de radiale structuur van de HOV-lijnen wordt verrijkt met een tangent om zodoende het netwerk tussen wonen en werken sterker te maken.
Voor de behoefte aan werkgebieden wordt vooral gekeken naar het intensiveren en uitbreiden van de campusstructuur die gekoppeld is aan OV (Brainportlijn, spoorlocaties Helmond), een stedelijke mix in de steden en sturen op het juiste programma op de juiste plek op de andere bedrijventerreinen in de regio, eventueel gecombineerd met regionale bedrijventerreinen, om ruimte te maken in de stedelijke bedrijventerreinen. In dit perspectief wordt – vanuit een kwalitatieve overweging – het contrast tussen stad en land groter.
53
Perspectief 4 - Eindhoven Central Park / Centrale stad XXL AFSPRAKENKADER SGE • Best 4.100 • Eindhoven 38.300 • Geldrop-Mierlo 2.700 • Helmond 15.800 • Nuenen 2.900 • Oirschot 1.600 • Son en Breugel 900 • Veldhoven 6.100 • Waalre 1.900 • Totaal = 74.300
Re vookreonn- en tekenm onderzotwerpend odel ek Let op: in nevenstaande kaart is geen volledigheid betracht en het is geen beleid. De kaart dient alleen als orde van grootte visualisatie voor het ontwerpend onderzoek.
54
3.4.
Acht lessen op basis van subregionale casuïstiek
De afgelopen periode is er in vier subregio’s een aantal casussen beproefd; casuïstiek die aansluit bij de zoekrichtingen in de vier perspectieven. Het betreft voor een deel ook casuïstiek die ontwikkeld is op basis van zorgen die tijdens de Omgevingsdag van 21 december 2022 door bestuurders is ingebracht. Onderstaand staat een overzicht van de belangrijkste lessen die we met elkaar hebben geleerd op basis van de acht casussen.
55
Stedelijk gebied Eindhoven - Casus Kan het SGE meer dan 74.000 woningen plannen Lessen: • Meer woningen na de huidige schaalsprong past altijd. De vraag is welke meerwaarde je er mee wilt realiseren. •