Bijlage 1 - Ontwerp Warmteprogramma 2026-2035
Tekst van het document
Op basis van de Gebiedsontwikkeling Sectie C zijn ook de gebieden Muschberg en Geestenberg opgenomen als een gebiedsgericht haalbaarheidsonderzoek.
47
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
In het bredere programma Slim Verduurzamen Vastgoed (SVV) wordt een gebiedsgericht haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd voor het maatschappelijk vastgoed in Genneper Parken (zie 4.4)
4.3 Energiesysteem en ruimte De warmtetransitie maakt deel uit van een bredere transitie naar het energiesysteem van de toekomst. Dit energiesysteem is niet langer voornamelijk centraal georganiseerd, maar bestaat daarnaast uit onderling verbonden, grotendeels zelfstandige onderdelen. Elke wijk, buurt of regio kan als een eigen energiegemeenschap functioneren: lokaal georganiseerd, maar verbonden met het grotere geheel. Deze decentrale opzet maakt het energiesysteem robuuster, flexibeler en beter afgestemd op lokale behoeften en mogelijkheden. Binnen deze context krijgt warmte een nieuwe rol. Warmteoplossingen worden zoveel mogelijk lokaal ontwikkeld, met oog voor de ruimtelijke en sociale context. Lokale bronnen zoals aquathermie, geothermie of restwarmte worden belangrijker. We ontwerpen collectieve warmtevoorzieningen met flexibiliteit en koppelkansen in gedachten, zodat ze kunnen meegroeien met de ontwikkeling van het energiesysteem. De ruimtelijke impact van dit nieuwe energiesysteem is aanzienlijk. Denk aan ruimte voor zonnepanelen, windmolens, collectieve warmtevoorzieningen, opslagfaciliteiten zoals buurtbatterijen, ondergrondse warmteopslag en bijbehorende infrastructuur.
Energieplanologie – het ruimtelijk plannen van energievoorzieningen en mogelijk maken van ruimtelijke ontwikkeling – wordt daarom een essentieel onderdeel van de onder en bovengrondse ruimtelijke ordening. Dit vraagt om afwegingen tussen energie, warmte en andere ruimtevragers in de stad, zoals woningbouw, mobiliteit en natuur. In het kader van een integrale benadering ontwikkelen we een vernieuwde werkpraktijk waarin ruimte multifunctioneel wordt ingezet en waar nodig keuzes worden gemaakt tussen ruimtevragers. Door vanaf het begin alle disciplines te betrekken, stemmen we technische en ruimtelijke eisen optimaal op elkaar af. Voor gemeenten, netbeheerders en andere partners betekent dit dat samenwerking en afstemming moet worden doorontwikkeld. Door vroegtijdig integraal te plannen, kunnen we knelpunten in het net voorkomen en de beschikbare ruimte efficiënt benutten. Netbewust ontwikkelen houdt in dat we bij ruimtelijke keuzes rekening houden met de capaciteit en belastbaarheid van het energienet, en dat projecten bijdragen aan een toekomstbestendig, robuust en flexibel energiesysteem. Wat gaan we doen? In de planperiode van dit Warmteprogramma voeren we de volgende activiteiten uit: • Optimaliseren van processen en datastromen in samenwerking met de netbeheerder om doorlooptijden te verkorten.
• Ontwikkelen van kaders voor netbewust ontwerpen en ontwikkelen in gebiedsontwikkelingen (in o.a. gebiedskaders) en voor ontwikkelprojecten. • Ontwikkelen van een netcongestie aanpak voor korte, middellange en lange termijn voor de netbewuste stad. • Opstellen van een ontwerp van het energiesysteem van de toekomst. • Afstemmen en programmeren van energieontwikkelingen met andere ruimtelijke ontwikkelingen, in bijv. gebiedskaders. • Ontwikkelen van een nieuwe werkpraktijk van integraal programmeren en multifunctioneel ruimtegebruik.
48
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
4.4 Maatschappelijk vastgoed Binnen het programma Slim Verduurzamen Gemeentelijke Gebouwen (SVGG) en het bredere programma Slim Verduurzamen Vastgoed (SVV) is gewerkt aan innovatieve, collectieve en toekomstbestendige oplossingen. Vanaf juni 2025 onderscheiden we hierin 3 trajecten: 1. SVGG: de verduurzaming van ons eigen gemeentelijk vastgoed: de gebouwen waar onze organisatie zelf gehuisvest is 2. SVV gebiedsgericht: de ontwikkeling van lokale gebiedsbrede collectieve energiesystemen 3. De verduurzaming ons eigen maatschappelijk vastgoed. Sinds juni 2025 is deze taak ondergebracht bij de afdeling Vastgoed en losgekoppeld van het programma SVV, zoals vastgesteld met de Routekaart Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed 2026-203023 Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste projecten en initiatieven in Eindhoven uit deze programma’s. Naast deze programma’s werken we aan het verduurzamen van de gehele vastgoedportefeuille. Er moet nog een verduurzamingstrategie voor de vastgoedportefeuille van de gemeente worden opgesteld in navolging van dit warmteprogramma. SVGG – Tabel 4 Naam Mercado Van Abbemuseum NRE-gebouw
Omschrijving We hebben in januari 2025 de WKO-bronnen bij Mercado overgenomen van Ennatuurlijk. We onderzoeken hoe deze bronnen kunnen worden uitgebreid of gekoppeld aan collectieve netten zoals het STG. De raad heeft ingestemd met de aanleg van een nieuwe entreetuin. Tegelijkertijd wordt het museum verduurzaamd met behulp van DUMAVA-subsidie, onder andere via innovatieve regeltechniek. We overwegen inzet van restwarmte van het museum als regeneratiebron voor het STG. In een volgende fase kan het museum volledig aardgasloos worden. Eind 2025 start de verduurzaming van het NRE-gebouw met maatregelen zoals ledverlichting, isolatie en duurzaam onderhoud. Het gebouw heeft al zonnepanelen en mogelijk komt er een kleine windmolen (Omniwind). Aansluiting op restwarmte van De Kade maakt het gebouw in de toekomst aardgasloos.
SVV Gebiedsgericht – Tabel 5 Naam Omschrijving Stadhuisplein Het STG Stadhuisplein is een collectieve warmtevoorziening die noodzakelijk is vanwege de beperkte bodemcapaciteit in het gebied. Alle toekomstige ontwikkelingen rond het plein, waaronder meer dan 1200 woningen, worden hierop aangesloten. In 2023 stemde de gemeenteraad in met het warmteplan en de investering voor fase 1, inclusief een energiedak met PVT-panelen op het Stadhuis. Verdere fasering volgt op basis van de ontwikkelsnelheid van de betrokken partijen. Het STG kan in de toekomst worden uitgebreid met clusters elders in het centrum. Ook de potentie van de Dommel als warmtebron wordt onderzocht. De Kade Er is onderzocht hoe restwarmte van industrieterrein De Kade en aquathermie uit het Eindhovens kanaal kan worden ingezet voor de energietransitie, onder andere als regeneratiewarmte voor de Kanaalzone Zuid en het NRE-gebouw. Momenteel werken we aan een concreet implementatieplan met fasering en businesscase. Genneper Parken Dit gebied bevat grote energieverbruikers zoals de IJsbaan en het Pieter van den Hoogenband Zwemstadion. Binnen SVV is een breed onderzoek gestart naar verduurzaming van warmte, koude en elektra. De eerste concrete plannen en businesscase zijn in ontwikkeling. Ook de haalbaarheid van de Tongelreep als potentiële bron wordt onderzocht.
23 7957902 03 Raadsinformatiebrief met bijlage Routekaart Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed 2026-2030
49
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
Sportpark Eindhoven Noord
Het Ir. Ottenbad is hier de grootste verbruiker. Onderzocht wordt hoe dit gebied zonder biomassa kan worden verduurzaamd. De warmtevraag is hoog, terwijl de koudebehoefte laag is, wat leidt tot een onbalans. Ook netcongestie speelt een rol. Technische en financiële oplossingen zijn in kaart gebracht; verdere stappen hangen af van de toekomstvisie op het zwembad.
Routekaart Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed 2026-2030 – Tabel 6 Naam Omschrijving Masterplan 2050 Met de ontwikkeling van de routekaart 2026-2030 heeft de afdeling Vastgoed de eerste vervolgstap gezet naar een totaalstrategie voor de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoed tot en met 2050. De routekaart biedt houvast voor de verduurzaming tot en met 1 juli 2030 en de 55% CO2-reductie die dan behaald moet zijn. In dezelfde periode werkt Vastgoed aan het uitwerken van een overkoepelende strategie voor de periode 2030 – 2050. De eerste versie van dit plan wordt verwacht eind 2025 / begin 2026. Tussenstappen naar Het doel van de routekaart en het strategische plan is om de afgesproken doelen te behalen en om slim klimaatneutraal te worden. Daarbij aardgasvrij wordt direct aangesloten op de ontwikkelingen van het warmteprogramma. Het vastgoed wordt nu voorbereid op de toekomstige mogelijkheden zoals collectieve warmtevoorzieningen en de gebiedsgerichte collectieve systemen van SVV. Dat betekent dat het vastgoed nu niet altijd aardgasvrij worden gemaakt, maar pas later wanneer de collectieve warmtevoorzieningen beschikbaar zijn. De warmtekaart is het kader voor deze afweging per gebouw.
Uitvoeringsagenda vastgoed T/m 2029 wordt in combinatie met onderhoud, inzet energiebesparing, subsidie (DuMaVa) en beschikbare middelen uit het bestuursakkoord geïnvesteerd in de verduurzaming van circa 50 van onze gebouwen uit de maatschappelijk vastgoedportefeuille. Daarbij wordt gestuurd op het behalen van minimaal de Renovatiestandaard en voorbereid op het voor 2050 aardgasvrij maken van het vastgoed. We willen niet alleen het gemeentelijk vastgoed verduurzamen, maar ook anderen inspireren. Daarom worden kennis en innovaties actief gedeeld via schermen op het Inwonersplein en een speciale website over SVGG. Bij gebiedsaanpakken kijken we breder dan alleen gemeentelijk vastgoed. Voorbeelden van toegepaste innovaties zijn: Regeltechniek in het Van Abbemuseum en Mercado, Energiemonitoring voor het gemeentelijke vastgoed, Onderzoek naar PowerNEST op de Stadhuistoren, Omniwind op het NRE-gebouw en PVT-dak op het Stadhuis. De maatschappelijk vastgoedportefeuille is heel divers en leent zich daarom goed om oplossingen te onderzoeken die toepasbaar of schaalbaar zijn naar vergelijkbare gebouwen en particulieren. Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar slimme energiemanagementsystemen voor klein- tot middenverbruikers en toepassingen van bio-based en circulariteit in renovaties van monumenten.
Wat gaan we doen? In de planperiode van dit Warmteprogramma voeren we de volgende activiteiten uit: • Aanleggen van Smart Thermisch Grid (STG) Stadhuisplein en energiedak met PVT-panelen. • Ontwikkeling van een warmteplan en fasering STG. • Opstellen implementatieplan collectieve warmtevoorziening De Kade ten behoeve van verduurzamen NRE-gebouw. • Ontwikkelen businesscase gebiedsverduurzaming Genneper Parken. • Onderzoeken verduurzaming Ir. Ottenbad en omgeving. • Doorontwikkelen WKO-bron Mercado. • Verduurzamen Van Abbemuseum met innovatieve regeltechniek.
50
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
• • •
51
Onderzoek en toepassing innovatieve technieken (PowerNEST, Omniwind, energiemonitoring). Opstellen Verduurzamingsstrategie Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed: 2030 - 2050. Uitvoeringsagenda maatschappelijk vastgoed (zie Routekaart Verduurzaming Maatschappelijk Vastgoed 2026-2030): verduurzaming van ca. 50 gebouwen.
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
5. Resultaten en Monitoring 5.1 Verwachte resultaten van het Warmteprogramma Uit hoofdstuk 3 is duidelijk geworden waar we wanneer starten met een gebiedsgerichte aanpak. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen dat voldoet aan de eisen zoals gesteld in het Bgiw. Deze vooruitblik laat zien op welke locaties en voor welke gebouwen de gemeente van plan is de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Ook wordt weergegeven welke voorbereidingen daarvoor nodig zijn, zoals isolatie en de aanleg van nieuwe energie-infrastructuur, en wat de verwachte maatschappelijke kosten en warmtebehoefte zijn. De tabel bevat: • Een overzicht van de locaties en het aantal gebouwen waarvoor de gemeente voornemens is de aanwijsbevoegdheid in te zetten; • Het aantal gebouwen dat voorafgaand aan deze inzet zal worden geïsoleerd; • De beoogde warmte-infrastructuur die wordt ingezet ter vervanging van aardgas; • Een inschatting van de totale nationale kosten die gepaard gaan met de realisatie van deze infrastructuur; • De verwachte warmtebehoefte van de betrokken gebouwen op dit moment en na isoleren. In dit overzicht gaan we ervan uit dat het totale aantal gebouwen binnen een gebied wordt aangesloten op dezelfde energie-infrastructuur. In de praktijk zal dit echter niet altijd het geval zijn.
Verschillen in gebouwtypologie, eigendomssituatie, technische haalbaarheid en bewonersvoorkeuren kunnen ertoe leiden dat binnen één gebied meerdere oplossingen naast elkaar bestaan. Tabel 7: Vooruitblik van het warmteprogramma (*Eén WEQ staat gelijk aan de gemiddelde warmtevraag van één standaard woning.) Gebiedsgerichte aanpak
Infrastructuur ter vervanging aardgas Collectief
Aantal gebouwen (WEQ)*
Aantal gebouwen dat wordt geïsoleerd
Warmtevraag nu [Gj/jaar]
1.550
600
13.700
13.400
9
Collectief
10.900
4.400
100.000
98.500
63
’t Ven (pilotgedeelte)
Collectief
230
378
14.200
10.250
6
Lievendaal
Collectief
4.600
1.700
64.700
46.700
27
Blixembosch-West
Individueel
800
40
5.600
5.600
Nvt24
Groots Gestel
Collectief
23.000
10.000
300.000
230.000
115
Eindhoven Noord Oost – fase Hudsonlaan Generalenbuurt Eindhoven Noord Oost
24 Niet van toepassing bij een individuele oplossing, voor de volledige nationale kosten zie bijlage 4
52
Warmtevraag na isoleren [Gj/jaar]
Totale kosten infra (mln.€)
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
Fellenoord – Oud-Woensel
Collectief
7.500
3.000
49.000
41.000
40
Woenselse centrumring
Collectief
6.000
2.700
54.000
43.000
35
Stadsbreed laat onze aanpak een duidelijke ontwikkeling zien richting een aardgasvrije gebouwde omgeving. In Figuur 4 is weergegeven hoe het aantal gebouwen dat is aangesloten op duurzame warmte zich naar verwachting ontwikkelt. We maken hierbij een prognose: de cijfers zijn gebaseerd op de huidige inzichten en aannames, en worden gedurende het programma gemonitord en waar nodig bijgesteld. We houden rekening met een autonome groei van het aantal individuele warmtepompen, mede door technologische ontwikkelingen en de aantrekkelijkheid van all-electric oplossingen voor particulieren. Er is op dit moment geen landelijke wetgeving die het gebruik van warmtepompen verplicht stelt. De eerder aangekondigde verplichting per 2026 is teruggedraaid door het Rijk. Wel blijft de overheid warmtepompen stimuleren via subsidies en beleidsdoelen. De inschatting van het aantal aan te sluiten woningen in de komende vijf jaar is gebaseerd op lopende projecten. In deze periode voorzien we een jaarlijkse aansluiting van circa 400 woningen op een collectief energiesysteem. Hoewel dit een solide start vormt, is versnelling noodzakelijk om op lange termijn de klimaatdoelen te behalen. Voor de periode 2031–2035 hebben we de ambitie om het aantal jaarlijkse aansluitingen te verhogen naar 1.300 woningen.
Het realiseren van collectieve warmtevoorzieningen voor de bestaande bouw kent aanzienlijke uitdagingen. De verwachte inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte in 2026 moet hierin verbetering brengen, onder andere door publieke regie en betere tarieftoezichten. We verwachten concrete resultaten uit zowel de gebiedsgerichte aanpakken als de stadsbrede energiebesparingsaanpak. De gebiedsgerichte aanpakken leveren een belangrijke bijdrage aan de aansluitingen op duurzame warmte, zoals weergegeven in Figuur 4. Tegelijkertijd versterken de stadsbrede maatregelen – zoals isolatieprogramma’s en bewustwordingscampagnes – deze ontwikkeling. Voor nieuwbouw geldt sinds 1 juli 2018 dat deze in principe niet meer op het aardgasnet mag worden aangesloten, zoals vastgelegd in de Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET). Aardgasvrije nieuwbouw is daarmee de norm geworden. Samen dragen onze aanpakken bij aan het realiseren van de doelen zoals geformuleerd in het Klimaatplan 2026–2030.
53
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
Figuur 4: Ontwikkeling aantal woningen dat is aangesloten op duurzame warmte
5.2 Monitoring Warmteprogramma 5.2.1 Wettelijke verplichting Op grond van het concept-Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) zijn we verplicht om bij iedere actualisatie van het Warmteprogramma – minimaal eens per vijf jaar – te rapporteren over de uitvoering van het voorgaande programma. Deze rapportage bevat een samenvatting van de voortgang, onderbouwd met indicatoren die inzicht geven in de mate waarin doelen zijn gerealiseerd (5.1). Daarnaast geldt een aanvullende verplichting wanneer de gemeente gebruikmaakt van de aanwijsbevoegdheid. Als uit de monitoring blijkt dat er onvoldoende zekerheid is dat gebouweigenaren vóór de afgesproken datum zijn overgestapt op een duurzaam alternatief voor aardgas, dan moet de gemeente die einddatum aanpassen (zie ook 2.2). De monitoring van het Eindhovense Warmteprogramma heeft meerdere doelen: • Inzicht geven in de voortgang van de warmtetransitie voor inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners. • Rapporteren aan de gemeenteraad en andere bestuursorganen over de uitvoering van het beleid. • Tijdig signaleren van knelpunten en bijsturen van beleid en uitvoering. • Onderbouwen van beleidskeuzes en actualisatie van het Warmteprogramma.
54
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
•
Vergemakkelijken van gegevensuitwisseling, bijvoorbeeld binnen de RES-regio Metropoolregio Eindhoven.
We bouwen de monitoring rond een set van kernindicatoren die zowel op gemeentelijk als gebiedsniveau inzicht geven in de voortgang. Deze indicatoren sluiten aan bij landelijke richtlijnen en zijn afgestemd op de specifieke situatie in Eindhoven. De monitoring kent twee niveaus: • Stadsbrede niveau: hier rapporteren we over de voortgang van het gehele Warmteprogramma, inclusief de realisatie van gemeentelijke doelen en de ontwikkeling van de benodigde infrastructuur. • Gebiedsgericht niveau: hier zoomen we in op de voortgang van gebiedsgerichte aanpakken en/of inzet van de aanwijsbevoegdheid. 5.2.2. Indicatoren en frequentie Warmteprogramma We hanteren de volgende indicatoren in de monitoring van het Eindhovense Warmteprogramma: • Gebieden met voornemen tot aanwijzing: een overzicht van gebieden waar we voornemens zijn de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Deze gebieden bakenen we geografisch af en nemen we op in de zonekaart. • Aantal gebouwen: het totaal aantal gebouwen per gebied, uitgesplitst naar woningen en utiliteitsgebouwen, op basis van de Basis Administratie Gemeente. • Aantal te isoleren gebouwen: het aantal gebouwen dat nog niet voldoet aan de eisen voor aansluiting op een lagetemperatuursysteem (minimaal energielabel B). • Beoogde infrastructuur: de gekozen energie-infrastructuur per gebied, zoals warmtenetten, elektrische oplossingen of hybride systemen.
• Nationale kosten: de geschatte investeringskosten voor de aanleg van de energie-infrastructuur, exclusief BTW en subsidies. • Eindgebruikerskosten: inzicht in de verwachte kosten voor gebouweigenaren en bewoners, op basis van het datapakket van TNO (mogelijke rapportageverplichting vanuit Bgiw kan nog veranderen). • Gemiddelde warmtebehoefte: de functionele vraag naar warmte per gebied, uitgesplitst naar ruimteverwarming, warm tapwater en koken. • Voortgang gebiedsgerichte aanpak: De status van de uitvoering per wijk, inclusief de mate van aansluiting op het gekozen alternatief voor aardgas. Voor het gemeentebrede Warmteprogramma geldt een minimale rapportagefrequentie van eens per vijf jaar, gekoppeld aan de actualisatie van het Warmteprogramma. Voor gebieden waar de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet, is hoogstwaarschijnlijk een hogere frequentie noodzakelijk. 5.2.3. Monitoren stadsbrede CO₂-reductie Om de voortgang op de klimaatdoelstellingen te monitoren maken we gebruik van een datagedreven plannings- en monitoringssysteem dat de voortgang van de CO₂-reductie in de hele stad inzichtelijk maakt. Hiermee kan de impact van de warmtetransitie nauwkeurig worden doorgerekend. Denk bijvoorbeeld aan de reductie van CO₂-uitstoot per vierkante meter woningoppervlak bij de overstap van een gasgestookte ketel naar een warmtepomp.
De warmtetransitie vormt hierin een belangrijk onderdeel, maar is slechts één van de relevante sectoren in de bredere transitie naar een klimaatneutrale stad. Het planning- en monitoringssysteem combineert enkele functies, namelijk: modelleren van de CO₂-impact van concrete maatregelen, monitoren van de daadwerkelijke uitstoot en toetsen van de voortgang. We verwachten dat de broeikasgasemissie van de gebouwde omgeving verder daalt richting 2030. Het monitoringssysteem helpt om deze trend te volgen, te analyseren en waar nodig bij te sturen met aanvullende maatregelen. Bijsturing verloopt via de vijfjaarlijkse cyclus van het Klimaatplan. Dit is een verplichting die voortkomt uit de klimaatverordening 2016. De monitoring van de stadsbrede CO₂-uitstoot wordt jaarlijks gerapporteerd in een klimaatrapportage als bijlage van de begroting.
55
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
5.3 Evaluatie en herijking De resultaten van de monitoring vormen de basis voor de evaluatie van het Warmteprogramma. Deze evaluatie vindt minimaal eens per vijf jaar plaats, maar kan ook tussentijds worden uitgevoerd als daar aanleiding toe is. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat doelen niet haalbaar zijn, wanneer de gekozen infrastructuur wijzigt of wanneer nieuwe inzichten leiden tot een andere fasering van de gebiedsgerichte aanpak. Indien de evaluatie leidt tot substantiële wijzigingen in het Warmteprogramma – zoals een aanpassing van de gebiedskaart of het voornemen tot aanwijzing – is een nieuw besluit door het college van burgemeester en wethouders vereist.
56
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
6. Middelen 6.1 Algemeen De warmtetransitie kost veel geld. Zo wordt er geïnvesteerd in het aanleggen en verbeteren van de warmte- en elektriciteitsnetten. Ook is er geld nodig voor het isoleren van gebouwen en voor het bouwen van installaties die duurzame energie opwekken en opslaan. De kosten worden samen gedragen door de overheid, ondernemers en inwoners. Warmte- en netwerkbedrijven investeren in de infrastructuur. Het aansluiten van duurzame warmtebronnen doen we samen met publieke en private partijen. Inwoners, ondernemers en andere gebouweigenaren hebben een belangrijke rol. Zij investeren in hun eigen woning of gebouw om deze geschikt te maken voor duurzame warmte. Voor het uitvoeren van de gemeentelijke plannen is geld nodig van het Rijk. Deze middelen zijn belangrijk om betaalbare oplossingen mogelijk te maken en om onze uitvoeringskosten te dekken. In 2025 hebben we ca. 7 miljoen euro ontvangen via de tijdelijke regeling Capaciteit Decentrale Overheden Klimaat en Energie (CDOKE). Een gedeelte van deze middelen zijn beschikbaar voor de warmtetransitie. We verwachten dat het Rijk in ieder geval blijft bijdragen tot 2030. De afgelopen jaren is ook geld gebruikt uit de Reserve Energietransitie en uit het bestuursakkoord Samen Morgen Mooier Maken (2022-2026).
Voor een succesvolle uitvoering van het Warmteprogramma is het belangrijk dat er structureel geld beschikbaar komt en blijft. In dit Warmteprogramma geven we uitsluitend een raming van de uitvoeringskosten. Dit zijn de jaarlijks terugkerende kosten die nodig zijn om het programma operationeel te houden. Denk hierbij aan stadsbrede en gebiedsgerichte aanpakken, het energiesysteem en ruimte, en monitoring en evaluatie. Deze kosten zijn nodig om de regie te voeren, samenwerking te organiseren en voortgang te bewaken. De ramingen voor alle plannen zijn nog indicatief en kunnen op basis van de nadere planuitwerking nog wijzigen. Investeringskosten maken géén onderdeel uit van de ramingen in dit programma. Het gaat dan om kosten voor fysieke maatregelen zoals de aanleg van warmtenetten, het isoleren van gebouwen of het realiseren van duurzame warmtebronnen. De ramingen voor het integraal verduurzamen van het maatschappelijk vastgoed worden uitgewerkt in de programmaplannen Slim Verduurzamen Gemeentelijke gebouwen en Slim Verduurzamen Vastgoed of de Verduurzamingsstrategie & Agenda Vastgoedportefeuille 2026-2030. Voor het programma Slim Verduurzamen Vastgoed worden via de programmabegroting structurele middelen toegekend. In dit Warmteprogramma laten we deze uitgaven buiten beschouwing.
Op dit moment is er geen volledige financiële dekking om alle noodzakelijke maatregelen uit het Warmteprogramma te realiseren. Vooral voor de stadsbrede aanpak ontbreekt op dit moment structurele financiering.
6.2 Raming benodigde middelen 6.2.1 Raming Stadsbrede aanpak Met de stadsbrede aanpak zetten wij ons actief in om verschillende doelgroepen te ondersteunen bij het verduurzamen van hun woning of gebouw. Deze aanpak bestaat uit een energiebesparingsaanpak, het opzetten van een energiedienstenorganisatie en het ondersteunen van energie- en warmtegemeenschappen. De energiebesparingsaanpak (bijlage 7) maakt per doelgroep onderscheid in maatregelen die we kunnen doen met de beschikbare budgetten (basisaanpak), en welke middelen nodig zijn om de doelstellingen uit het Klimaatplan te halen (benodigde aanpak). Ook voor de energiedienstenorganisatie is een onderscheid gemaakt in een basisvariant en een plus/max
57
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
variant, die afhankelijk is van een keuze in ambitieniveau. We ramen voor de planperiode van dit warmteprogramma voor de stadsbrede aanpak in totaal de volgende middelen voor de benodigde aanpak. Tabel 8 raming stadsbrede aanpak (x 1.000) (€) Energiebesparingsaanpak Particuliere verhuurders en huurders Eigenaar-bewoners Utiliteit in de wijk VvE’s Soortenbescherming Energiedienstenorganisatie Basis Plus/Max (afhankelijk van keuze ambitieniveau) Energie- en warmtegemeenschappen Ondersteuning Totaal
2026
2027
2028
2029
2030
Totaal
1.250 400 7.800 270 131
1.050 2.050 7.800 270 131
1.050 4.350 5.900 270 131
1.050 4.350 4.000 270 131
1.050 4.350 4.000 270 131
5.450 15.500 29.500 1.350 657
789
789
789 526
789 526
789 526
3.945 1.578
110 10.750
110 12.200
110 13.126
110 11.226
110 11.226
550 58.528
6.2.2 Raming Gebiedsgerichte aanpakken Het aardgasvrij maken van wijken met een gebiedsgerichte aanpak is een grote en ingewikkelde taak. Als gemeente Eindhoven spelen wij hierin een centrale rol. Een belangrijk onderdeel is het betrekken van inwoners, ondernemers, gebouweigenaren en andere partijen. We maken plannen voor participatie en communicatie en gaan in gesprek met hen. Ook onderzoeken we of de gekozen warmteoplossing betaalbaar is en welke subsidies er mogelijk zijn. Daarnaast nemen we besluiten over de uitvoering in de wijk. We bepalen warmtekavels, maken een technisch ontwerp en kiezen een warmteleverancier. Vanaf 1 juli 2024 mogen we, dankzij de nieuwe wet (Wgiw), een datum vaststellen waarop de levering van aardgas stopt. Om dat goed te doen, brengen we in kaart wat inwoners kunnen doen, maken we een uitvoeringsplan en passen we het omgevingsplan aan. Voor deze aanpak werken veel collega’s samen. Denk aan projectleiders, juristen, planners, communicatieadviseurs, energiecoaches en inkoopadviseurs. We kijken ook naar kansen om werkzaamheden te combineren. Of we bieden extra hulp aan inwoners met een lager inkomen. Bij de raming van de uitvoeringskosten voor gebiedsgerichte aanpakken is gebruikgemaakt van het onderzoeksrapport Uitvoeringskosten Klimaatakkoord van AEF, in opdracht van de Raad voor het Openbaar Bestuur.
Dit rapport biedt een onderbouwde inschatting van de benodigde capaciteit en middelen voor lokale uitvoering van de warmtetransitie. We ramen voor de planperiode van dit warmteprogramma voor de gebiedsgerichte aanpakken de volgende kosten.
58
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
Tabel 9 raming gebiedsgerichte aanpakken (x 1.000) (€) Collectieve warmtevoorzieningen Eindhoven Noordoost ’t Ven-Lievendaal Groot Gestel Fellenoord – Oud-Woensel Woenselse centrumring Binnenstad Blixembosch Haalbaarheidsonderzoeken Aquathermie Geothermie Bedrijventerreinen Energievoorziening Uitvoeringsplannen Totaal
2026
2027
2028
2029
2030
Totaal
2.709 325 500 462 439 206 226
2.709 325 500 462 439 206 226
2.709 1.083 3.033 462 439 206 226
2.709 1.083 3.033 462 439 206 226
2.709 1.083 3.033 462 439 206 226
13.545 3.899 10.099 1.848 2.195 1.030 1.130
250 -
250 -
250
-
-
500 250
144 276 5.537
144 276 5.537
144 276 8.828
144 276 8.578
144 276 8.578
722 1.380 35.680
6.2.3 Raming Energiesysteem & Ruimte De warmtetransitie is onderdeel van een bredere verschuiving naar een decentraal, flexibel en lokaal afgestemd energiesysteem. We moeten slim ruimtelijk plannen en samenwerken, waarbij we warmteoplossingen lokaal ontwikkelen en afstemmen op de netcapaciteit en toekomstige groei. We ramen voor de planperiode van dit Warmteprogramma voor deze aanpak de volgende kosten. Tabel 10 raming energiesysteem & ruimte (x 1.000) (€) Energiesysteem en Ruimte Netbewust ontwerpen en ontwikkelen Aanpak netcongestie en energiesysteem Procesoptimalisatie en samenwerking Totaal
2026
2027
2028
2029
2030
Totaal
400 300 200 900
400 300 200 900
400 300 200 900
400 300 200 900
400 300 200 900
2.000 1.500 1.000 4.500
6.2.4 Raming Monitoring & Evaluatie In deze paragraaf is een raming opgenomen voor de benodigde middelen voor monitoring en het periodiek opstellen en actualiseren van het Warmteprogramma.
59
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
Tabel 11 raming monitoring & evaluatie (x 1.000) (€) Monitoring & Evaluatie Monitoring Warmteprogramma Totaal
2026
2027
2028
2029
2030
Totaal
181
181
181
181
181
181
181
181
181 317 498
903 317 1.220
6.3 Beschikbare middelen 6.3.1 Voorbereiding- en ontwikkelkosten strategische investeringen De aanleg van collectieve warmtevoorzieningen vraagt om investeringen. Vanuit de regierol die de gemeente Eindhoven in de warmtetransitie heeft investeren wij soms zelf, en soms via Eindhoven Energie. Voor investeringen in warmteprojecten en het waterstofnetwerk is jaarlijks € 3,2 miljoen beschikbaar, hiermee worden de kapitaallasten, zoals rente en afschrijving gedekt. Dit bedrag is voorlopig gereserveerd op basis van een globale inschatting. De daadwerkelijke besluitvorming over investeringen gebeurt per project, zodra er meer duidelijkheid is over de businesscase, de hoogte van de investering en de structurele kosten. Tegelijkertijd weten we dat € 3,2 miljoen per jaar niet genoeg is om al onze plannen te realiseren. Daarom zullen we aanvullend middelen moeten zoeken bij andere partijen. Ook kan het nodig zijn om keuzes te maken in welke projecten we als eerste uitvoeren. Een andere mogelijkheid is dat er extra structurele middelen beschikbaar komen om de volledige opgave te realiseren. Voordat Eindhoven Energie een project kan opnemen in haar portfolio en daadwerkelijk kan starten met de uitvoering, moet de gemeente eerst een belangrijke stap zetten: het afbakenen en vaststellen van een warmtekavel.
Dit betekent dat we als gemeente bepalen exact welk gebied onder een collectieve warmteoplossing valt en vervolgens welke partij daarvoor verantwoordelijk wordt. Ook gaan we in deze gebieden de gebouweigenaren maximaal ontzorgen door middel van de energiedienstenorganisatie. Deze kosten hebben betrekking op zowel bestaande als nieuwe gebieden binnen het portfolio van Eindhoven Energie. Het gaat onder andere om gebieden zoals ’t VenLievendaal, Noordoost, Groots Gestel, Woenselse centrumring, Fellenoord – Oud-Woensel en projecten in de Binnenstad. Tabel 12 voorbereiding- en ontwikkelkosten strategische investeringen (x 1.000) (€) Incidentele middelen strategische investeringen Voorbereidings- en ontwikkelkosten aardgasvrij wijken door vrijval strategische investeringen Voorbereidings- en ontwikkelkosten aardgasvrije wijken en bedrijventerreinen door inzet reserve strategische investeringen Te verwachten middelen CDOKE planfinanciering aardgasvrij Inzet middelen tegengaan Netcongestie
60
2026
2027
2028
2029
2030
Totaal
3.200
2.370
700
-
-
6.270
1.000
1.000
1.000
1.300
-
4.300
1.700
1.700
1.700
1.700
1.700
8.500
712
712
712
712
-
2.848
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
Totaal
6.612
5.782
4.112
3.712
1.700
21.918
6.3.2 Incidentele financiering Naast de investeringsmiddelen zijn er ook aanvullende werkbudgetten nodig om maatregelen goed uit te kunnen voeren. Het gaat hierbij om incidentele middelen, die wel over meerdere jaren nodig zijn. Deze budgetten zijn bedoeld voor de uitvoering van de stadsbrede aanpak, zoals: • de stadsbrede energiebesparingsaanpak voor verschillende doelgroepen; • de voorbereidende werkzaamheden voor investeringen in het energiesysteem. Deze kosten vallen buiten de strategische investeringen en zijn dus aanvullend nodig. Voor de eerste twee jaar kunnen deze uitgaven grotendeels worden betaald uit bestaande middelen, zoals: • de resterende middelen uit het SMMM-programma; • de reserve Energietransitie; • overgebleven budget uit de CDOKE-regeling. Tabel 13 incidentele financiering (x 1.000) (€) Incidentele meerjarige financiering Restant Reserve SMMM Klimaat en Weer Reserve Energietransitie Te verwachten basisfinanciering CDOKE Totaal
2026
2027
2028
1.600 pm 1.600
400 pm 400
2029
2030
Totaal
pm 0
2.000 2.000 pm 4.000
2.000 pm 2.000
pm 0
6.3.3 Resterend saldo Om een overzicht van de beschikbare middelen te krijgen is uitgegaan van de financiële paragraaf van het Klimaatplan en de beschikbare middelen binnen de begroting klimaat en energie. De daadwerkelijke beschikbare middelen zijn afhankelijk van de programmabegroting 2026 en de daaropvolgende jaren. Deze onzekerheid betekent dat de financiering in de toekomst nog kan wijzigen. De benodigde middelen wordt jaarlijks in de kadernota in beeld gebracht, zodat deze integraal kan worden afgewogen ten opzichte van andere uitgaven binnen de programmabegroting. Na 2030 zal het aantal uitvoeringsplannen per gebied naar verwachting toenemen in aanloop naar de doelstellingen voor 2050. Dit betekent dat ook de bijbehorende kosten zullen stijgen. In de planperiode van dit Warmteprogramma wordt de benodigde inzet en financiering voor de periode na 2030 nader uitgewerkt, zodat tijdig kan worden geanticipeerd op de toenemende uitvoeringsopgave. Tabel 14 resterend saldo (x 1.000) (€) Beschikbare middelen Incidentele middelen strategische investeringen Incidentele meerjarige financiering Structurele formatie Energietransitie
61
2026
2027
2028
2029
2030
Totaal
6.612 2.000 2.380
5.782 1.600 2.380
4.112 400 2.380
3.712 0 2.380
1.700 0 2.380
21.918 4.000 7.500
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
Incidentele meerjarige financiering Totaal raming Stadsbrede aanpak Totaal raming Gebiedsgerichte aanpak Totaal raming Energiesysteem en ruimte Totaal raming Monitoring en Evaluatie Resterend saldo
-10.750 -5.537 -900 -181 -6.376
-12.200 -5.537 -900 -181 -9.056
-13.126 -8.828 -900 -181 -16.143
-11.226 -8.578 -900 -181 -14.793
-11.226 -8.578 -900 -498 -17.122
-58.528 -35.680 -4.500 -1.220 -66.510
Op dit moment is er geen volledige financiële dekking om alle maatregelen uit het programma te realiseren. Vooral voor de stadsbrede aanpak ontbreekt op dit moment structurele financiering. Juist deze aanpak is essentieel om de doelstellingen uit het Klimaatplan te behalen. Zonder volledige uitvoering van de stadsbrede aanpak is het risico groot dat we de benodigde schaal en snelheid niet halen. Voor een stabiele en voortvarende uitvoering is het bovendien noodzakelijk dat er structurele middelen beschikbaar komen. Dit vraagt om een inzet op het verkrijgen van aanvullende middelen. Voor een aantal trajecten is mogelijk ook aanvullende externe financiering mogelijk door middel van subsidies of specifieke regelingen. In de planperiode van dit Warmteprogramma zullen we actief op zoek gaan naar aanvullende middelen. Tegelijkertijd starten we met de uitvoering van maatregelen waarvoor al middelen beschikbaar zijn. 6.3.4 Subsidies en regelingen Hoewel er momenteel diverse regelingen beschikbaar zijn, zijn wij voor aanvullende financiële ondersteuning en nieuwe instrumenten mede afhankelijk van toekomstige beleidsontwikkelingen en besluitvorming door het Rijk. Hier volgen de belangrijkste regelingen die op dit moment tot en met 2030 beschikbaar zijn. Allereerst is er het Nationaal Isolatieprogramma (NIP).
Dit programma heeft landelijk als doel om 2,5 miljoen woningen te isoleren, waarvan 1,5 miljoen slecht geïsoleerde woningen. Via de regeling Specifieke Uitkering Lokale Aanpak Isolatie (SPUK LAI) heeft de gemeente Eindhoven €8,5 miljoen ontvangen, en naar verwachting zullen we nog €4,5 miljoen ontvangen. De SPUK LAI is te besteden tot eind 2028. We zetten deze middelen in ter ondersteuning van de woningeigenaren van de 5.000 slechtst geïsoleerde woningen bij het treffen van ten minste één isolatiemaatregel. Voor inwoners en organisaties is een actueel overzicht van beschikbare subsidies en regelingen beschikbaar via de subsidiewijzer op EindhovenDuurzaam.nl. Daarnaast kunnen we gebruikmaken van de Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS). Deze regeling is bedoeld voor de aanleg of uitbreiding van duurzame warmtenetten. Hoewel de subsidie formeel wordt aangevraagd door warmtebedrijven of samenwerkingsverbanden, kunnen wij als gemeente hier een belangrijke rol in spelen. Voor 2025 is er €200 miljoen beschikbaar, met een aanvraagperiode van augustus 2025 tot januari 2026. Tot slot zijn er subsidies vanuit het Rijk beschikbaar zoals de ISDE subsidie voor inwoners en de SVVE subsidie voor VvE's.
62
Ontwerp Warmteprogramma 2026-2030 - Ruimtelijk beleid en ontwikkeling – Energietransitie – Augustus 2025
Bijlage lijst 1. Plan-MER onderzoeksrapport 2. Verwerking van zienswijzen, adviezen en wensen & bedenkingen 3. Participatieverslag ontwerp warmteprogramma 4. Onderbouwing gemaakte keuzes 5. Duurzame bronnen en technieken 6. Afwegingsmodel 7. Stadsbrede energiebesparingsaanpak 8. Gebiedsgerichte aanpak 9. Verkenningsdocument energiedienstenorganisatie 10. Aanpak warmtegemeenschappen, energiegemeenschappen, energiecoöperaties en bewonersenergie-initiatieven (WEBA) 11. Kansenkaarten bedrijventerreinen 12. Waterenergieplan
63