Bijlage 1 - Masterplan bodemenergie
Tekst van het document
Masterplan Bodemenergie
Centrumgebied Eindhoven
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven -
gebruiks- en ordeningsregels voor open bodemenergiesystemen beleidsregels over de toepassing van art. 5.13b lid 9 Bor inzake verlening omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen
Opdrachtgever Gemeente Eindhoven Postbus 90150 5600 RB Eindhoven Combinatie BGK Buro Bron Geofoxx KWR
Status Definitief Datum 14 januari 2022 Projectnummer 20201032 Documentkenmerk 20201032_a5RAP KWR 2021.064
Auteurs Buro Bron ing. J.A. Meijer ir. J.C. Dijxhoorn Geofoxx ing. J.M.J. van Rooij drs. B.L.H. ter Haar D.M. Smulders Msc. KWR dr. ir. M. Bloemendal
Controle / vrijgave BGK ir. J.C. Dijxhoorn
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doel en doelgroepen 1.3 Juridische status Masterplan Bodemenergie 1.4 Gebiedsgericht grondwaterbeheer 1.5 Plangebied 1.5.1 Projectgrens en wijken 1.5.2 Watervoerend pakket voor bodemenergie 1.6 Leeswijzer
1 1 1 3 3 3 3 4 6
2
Stappenplan en uitgangspunten 2.1 Stappenplan 2.2 Uitgangspunten verspreiding verontreiniging
7 7 8
3
Resultaten stappenplan 3.1 Vraag en aanbod bodemenergie 3.1.1 Stap 1: Aanbod bodemenergie; referentie scenario 3.1.2 Stap 2: Vraag naar bodemenergie 3.2 Stap 3: Vaststellen van deelgebieden waar knelpunten zijn 3.2.1 Stap 3a: Vergelijking vraag en aanbod 3.2.2 Stap 3b: Toetsing verspreiding buiten GGB grens 3.3 Stap 4 & 5: Optimalisatie bronlocaties 3.4 Stap 6: Effect op grondwaterstanden
9 9 9 10 11 12 13 13 14
4
Ordeningsregels per deelgebied 4.1 Fellenoord 4.2 De Binnenstad 4.3 Westzijde plangebied 4.4 Vooralsnog geen bodemenergie 4.5 Overige gebieden
15 17 19 21 22 23
5
Verankering en vergunningverlening 5.1 Algemeen 5.2 Verankering van het Masterplan 5.2.1 Interferentiegebied 5.2.2 Relatie met het GGB 5.2.3 Omgevingswet 5.3 Vergunningverlening 5.3.1 Algemeen en samenhang wetgeving & Masterplan 5.3.2 Open bodemenergiesystemen 5.3.3 Gesloten bodemenergiesystemen 5.4 Overige vergunningsaspecten en procedures 5.4.1 Verontreinigingen buiten GGB-scope 5.4.2 Toestemming aanleg in gemeentegrond 5.4.3 Aanleg in verontreinigde bodem 5.4.4 Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) 5.4.5 Activiteitenbesluit milieubeheer 5.4.6 Vooroverleg met coördinator bodemenergie gemeente 5.4.7 Coördinatie en communicatie met instanties 5.4.8 Vergunningaanvraag
25 25 25 25 25 25 26 26 27 27 27 27 27 28 28 28 28 28 29
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
-/-
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
Referenties Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI
Optimalisatie gebruik van de ondergrond met OBES Beschrijving Thermisch Referentiemodel Beschrijving toetsing GGB Hydrologische check grondwaterstanden Resultaten modeltoetsen geoptimaliseerde indeling Plankaart
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
-/-
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Net als iedere andere gemeente in Nederland staat ook Eindhoven aan de vooravond van een belangrijke bijdrage aan de energietransitie. Het aardgasvrij realiseren van nieuwbouw en het van het aardgas afkoppelen van - onder meer - 100.000 woningen in 30 jaar tijd is een immense operatie. Als innovatieve en duurzame gemeente is Eindhoven al behoorlijk vergevorderd in het vormgeven van de randvoorwaarden voor deze operatie. Belangrijke kaders zijn/worden gesteld in verschillende visiedocumenten. Het Masterplan Bodemenergie dient in samenhang te worden beschouwd met de Warmtevisie 2020, de Transitievisie Warmte en de Energievisie centrumgebied Eindhoven. Zeker voor het centrumgebied van Eindhoven wordt duidelijk dat aardgas als warmte- en energiebron niet één op één vervangbaar is. Per deelgebied zal gezocht moeten worden naar een combinatie van alternatieve mogelijkheden en technieken. De gemeente Eindhoven wil zeker bij nieuwbouw een belangrijke plek inruimen voor bodemenergie als alternatieve energiebron. De eigenschappen van de ondergrond in Eindhoven zijn bewezen geschikt voor open bodemenergiesystemen (OBES), ook wel bekend als WarmteKoude-Opslag ofwel WKO. Ook voor ontwikkelaars van nieuwbouw is OBES vaak een aantrekkelijke techniek. In de praktijk blijkt echter dat diverse OBES (bestaand en nieuw) op nabijgelegen kavels elkaar in de weg kunnen zitten.
Dit is problematisch in een dichtbebouwd gebied als Eindhoven centrum. Er is alleen voldoende OBES capaciteit als de ondergrond slim geordend wordt en OBES onderling op elkaar zijn afgestemd. Zonder toepassing van dit Masterplan Bodemenergie kan een situatie ontstaan dat er onvoldoende geregeld is om alle gebouwen in het centrum van duurzame energie te voorzien. Optimale benutting van bodemenergie en OBES is nodig om een alternatief of aanvulling te vormen voor andere vormen van duurzame energie. Bovendien kan daarbij het elektriciteitsnet zoveel mogelijk worden ontzien. Optimale benutting van bodemenergie en OBES, betekent dat er ook ordeningsregels moeten worden opgenomen over het gebruik van gesloten bodemenergiesystemen (GBES). GBES kunnen het functioneren van OBES immers ook beïnvloeden. Daarom bevat dit Masterplan Bodemenergie beleidsregels als bedoeld in artikel 4:81 Awb over de toepassing van artikel 5.13b, negende lid, Bor bij de verlening van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen (GBES). Deze beleidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk 4 en de toelichting op de toepassing daarvan in hoofdstuk 5.
1.2
Doel en doelgroepen
Het doel van dit Masterplan Bodemenergie (hierna “Masterplan”) is het waarborgen van voldoende bodemenergie voor zoveel mogelijk initiatienemers door optimaal gebruik te maken van bodemenergie aan de hand van een plankaart en de daarbij behorende gebruiks- of ordeningsregels voor OBES en GBES. Het Masterplan omschrijft de kaders waarbinnen de gemeente Eindhoven het gebruik van bodemenergie reguleert en maximaal faciliteert. Het document is daarmee een stimulans voor het toepassen van deze vorm van duurzame energie. De gebruiks- en ordeningsregels voor gesloten bodemenergiesystemen gelden als door het college van B&W vastgestelde beleidsregels ex artikel 4:81 Awb over de toepassing van artikel 5.13b, negende lid, Bor bij verlening van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen in aangewezen gebieden.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
1 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
Als initiatiefnemer en aanspreekpunt stelt de gemeente dit Masterplan ter beschikking met als doel handvatten en regels aan te reiken aan de hieronder genoemde doelgroepen om bodemenergie toe te kunnen passen. Dit Masterplan is bedoeld voor: a.
De gemeente Eindhoven De gemeente vervult de rol van initiatiefnemer en coördinator bodemenergie van dit Masterplan, is één van de gebouw- en grondeigenaren binnen het plangebied en is beheerder van de openbare ruimte. De gemeente geeft sturing aan het duurzaam en multifunctioneel gebruik en inrichting van de ondergrond. Doelmatig bovengronds en ondergronds gebruik van de openbare ruimte speelt hierbij een belangrijke rol. Met behulp van dit Masterplan bevordert de gemeente optimaal gebruik van het potentieel aan bodemenergie met de visie dat alle stakeholders binnen een buurt of gebied dezelfde kansen en mogelijkheden hebben om bodemenergie toe te kunnen passen. Het college van B&W is het bevoegd gezag voor het verlenen van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, Wabo jo. 2.2a, zesde lid, Bor voor GBES. Indien een interferentiegebied als bedoeld in artikel 2.2b, eerste lid, Bor is aangewezen, is voor alle GBES, ongeacht het bodemzijdig vermogen, een omgevingsvergunning beperkte milieutoets vereist. Het college van B&W verleent deze vergunning op grond van artikel 2.17 Wabo jo. artikel 5.13b, negende lid, Bor.
De omgevingsvergunning beperkte milieutoets wordt alleen niet verleend als het GBES zodanige interferentie kan veroorzaken met een ander bodemsysteem dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad, dan wel anderszins sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie. Hoofdstuk 4 van dit Masterplan bevat beleidsregels over de toepassing van artikel 5.13b, negende lid, Bor.
b. Initiatiefnemers Onder initiatiefnemers vallen ontwikkelaars, gebouweigenaren, energie-exploitanten en anderen die bodemenergie willen toepassen. Deze groep wil bodemenergiesystemen ontwikkelen als onderdeel van aardgasvrij bouwen en wil daarom weten welke bronlocaties, vergunningen en regels van toepassing zijn ten behoeve van de realisatie en het onderhoud en beheer van open en gesloten bodemenergiesystemen, waar vergunningen kunnen worden verkregen en wat de mogelijkheden zijn om bij andere ontwikkelingen aan te sluiten in het kader van collectiviteit. c.
De provincie Noord-Brabant en de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) Het college van GS van de provincie is bevoegd gezag voor vergunningen op grond van de Waterwet. Het betrekt dit plan op grond van artikel 4, aanhef en onder i, van de Beleidsregel Grondwaterbeheer Noord-Brabant d.d. 9 april 2020 bij het beoordelen van een vergunningaanvraag voor OBES. De ODZOB is namens GS de gemandateerde, uitvoerende instantie. Een vergunningaanvraag Waterwet loopt via het Omgevingsloket (OLO) en wordt door de ODZOB behandeld.
d. Geïnteresseerden en belanghebbenden Diegenen op de hoogte willen zijn van de ondergrondse (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen het plangebied, zoals ondernemers, bewoners en andere belanghebbenden.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
2 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
1.3
Juridische status Masterplan Bodemenergie
Dit Masterplan geeft inzicht in een optimale ordening van bodemenergiebronnen. Eindhoven is voornemens om dit Masterplan vast te laten stellen door het college van B&W. Het college van B&W zal hoofdstuk 4 vaststellen als beleidsregel als bedoeld in artikel 4:81 Awb. Daarnaast zal de gemeenteraad het plangebied van het Masterplan in een plaatselijke verordening aanwijzen als Interferentiegebied zoals bepaald in artikel 2.2b, eerste lid, Bor. Hierdoor is op grond van artikel 2.2a, zesde lid, Bor voor alle GBES een omgevingsvergunning beperkte milieutoets vereist. Hoofdstuk 4 bevat beleidsregels voor het college van B&W voor de verlening van deze vergunning. Het college van GS van de provincie Noord-Brabant is het bevoegd gezag voor vergunningen op grond van de Waterwet. Na de beoogde vaststelling van het Masterplan door de gemeente Eindhoven zal een vergunning voor de onttrekking van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem op grond van artikel 4, aanhef en onder i van de “Beleidsregel Grondwaterbeheer Noord-Brabant d.d. 9 april 2020” worden getoetst aan de gebruiks- en ordeningsregels in het Masterplan. De ODZOB en het college van B&W toetsen vergunningaanvragen voor bodemenergie dan aan de plankaart en de ordeningsregels.
1.4
Gebiedsgericht grondwaterbeheer
Voorliggend document is niet los te zien van het Gebiedsgericht Grondwaterbeheer (GGB) van de gemeente Eindhoven (Gemeente Eindhoven, 2021). De industriële historie van Eindhoven is deels nog terug te vinden in de bodem onder de stad, met name in het centrumgebied in de vorm van grootschalige (grondwater)verontreinigingen. Door het stellen van verantwoorde kaders waarbinnen deze grondwaterverontreinigingen mogen verspreiden en verdunnen én door het gezamenlijk beschouwen en benaderen van deze verontreinigingen, ontstaat er ruimte in de ondergrond voor de toepassing van bodemenergie. Het GGB beoogt zodoende maximale handelingsruimte te verschaffen, zonder het belang van een verstandig en zorgvuldig grondwaterbeheer uit het oog te verliezen. De balans tussen GGB en de toepassing van bodemenergie is in dit Masterplan vormgegeven.
1.5
Plangebied
1.5.1
Projectgrens en wijken
Het Masterplan richt zich op het Centrumgebied van Eindhoven, weergegeven in figuur 1. De (toekomstige) vraag naar energie is in dit gebied erg hoog. Daarnaast zijn er veel bovengrondse ontwikkelingen te verwachten die de inpassing van bodemenergiebronnen bemoeilijken. Tot slot bevinden zich in dit gebied ook verschillende grondwaterverontreinigingen, die in het kader van het GGB1 beheerd worden. Tezamen vormen deze argumenten de reden om het Centrumgebied te prioriteren in het uitwerken en stimuleren van bodemenergie als duurzame techniek voor verwarming en koeling van gebouwen. De GGB-gebiedsgrens is leidend geweest bij het vaststellen van de projectgrens van het Masterplan.
1
Gebiedsplan Gebiedsgericht Grondwaterbeheer Eindhoven-Centrum, gemeente Eindhoven, ref. 20797.4197GBP/2.1, d.d. 5 mei 2021 projectnummer
datum
20201032
januari 2022
3 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
Figuur 1: projectbegrenzing en woonwijken / deelgebieden
1.5.2
Watervoerend pakket voor bodemenergie
De ondergrond van Eindhoven is in het GGB-plan en in de onderliggende geohydrologische modelstudie uitgebreid beschreven (Gemeente Eindhoven, 2021, Geofoxx, 2020). In dit Masterplan is de bodemopbouw uit deze studies overgenomen en weergegeven in tabel 1 op de volgende pagina.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
4 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
Tabel 1: Geohydrologische bodemopbouw Diepte (m-mv)
Geohydrologische eenheid
Pakketten
Hoofdsamenstelling bodem
0–3
Freatisch pakket
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
3–4
Scheidende laag
Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit leem, met weinig fijn en midden zand en een spoor veen en grof zand
Watervoerend pakket
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
4 – 19
Deklaag
19 – 22 Scheidende laag
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind
22 – 30
Watervoerend pakket
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei
Scheidende laag (beperkt lokaal aanwezig)
Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, met weinig fijn en grof zand en een spoor veen en grind
Watervoerend pakket
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei
Scheidende laag
Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, met weinig veen, fijn en grof zand en een spoor bruinkool
30 – 62
62 – 63
1e watervoerend pakket
63 – 90
90 – 95
Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, midden en fijn zand, met weinig klei, veen en grof zand
Hydrologische basis
De kleiige eenheid op 62-63 m-mv ontbreekt in grote delen van het plangebied. Het eerste watervoerende pakket is geschikt voor het toepassen van OBES. Juridisch is het mogelijk filters te plaatsen tot 80 m-mv. De fysieke ondergrens van de bronnen is in dit Masterplan daarom gesteld op 80 m-mv vanwege de strategische bescherming van de drinkwatervoorraad. In de bijlagen II, III en IV zijn de geohydrologische eenheden van tabel 1 vertaald in modelspecifieke invoerparameters om respectievelijk thermische, stroombaan- en hydrologische “worstcaseberekeningen” te kunnen maken.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
5 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
1.6
Leeswijzer
In voorliggend document wordt achtereenvolgens ingegaan op de volgende onderwerpen / onderdelen: Stappenplan en uitgangspunten (hoofdstuk 2); Resultaten stappenplan (hoofdstuk 3); Ordeningsregels per deelgebied en beleidsregels voor GBES (hoofdstuk 4); Verankering en vergunningverlening (hoofdstuk 5). Deze hoofdstukken zijn verbonden met een aantal bijlagen, waarin toelichting en achtergrondinformatie is opgenomen. Ook de plankaart is opgenomen als bijlage. Belangrijke termen en afkortingen die in voorliggend document gebruikt worden hebben de volgende betekenis: Bron: een grondwaterbron waaruit onttrokken en geïnfiltreerd wordt; COP: Coefficient of Performance; maat om de energieprestatie van een warmtepomp aan te geven. COP is het quotiënt van de gebruikte elektriciteit en geleverde warmte van een warmtepomp. Gangbare waarden zijn 4-6; Doublet: een koppel van twee bronnen, bestaande uit een warme en koude bron; GBES: gesloten bodemenergiesystemen; GGB: gebiedsgericht grondwaterbeheer; OBES: open bodemenergiesystemen, ook bekend als WKO; Wbb: Wet bodembescherming; WKO: Warmte-Koude-Opslag.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
6 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
2
Stappenplan en uitgangspunten
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste methodieken en kaders besproken die samen leiden tot de ordeningsregels voor OBES en (als afgeleide daarvan) beleidsregels voor GBES.
2.1
Stappenplan
Voor het maken van de plankaart en de ordeningsregels zijn de volgende stappen doorlopen: 1. Bepalen referentiescenario aanbod OBES. Op basis van de kenmerken en eigenschappen van de ondergrond (zie tabel 1 en § 3.1) is eerst het aanbod / de potentie van OBES binnen het totale plangebied van het Masterplan vastgesteld op basis van standaard plaatsingsregels, i.e. afstand tussen de bronnen is 3 x de thermische straal (zie kader in bijlage I), zonder daarbij rekening te houden met bestaande infrastructuur en overige belemmeringen, waaronder grondwaterverontreinigingen. Met een thermisch model voor OBES (bijlage II) is getoetst in hoeverre de standaard plaatsing van OBES kan voldoen aan de vraag naar bodemenergie. 2. Het bepalen van de toekomstige vraag naar bodemenergie (zie § 3.2). 3. Vaststellen knelpunten. a. Op basis van het verschil tussen vraag en aanbod naar bodemenergie is per wijk vastgesteld waar aanvullende ordening nodig is om meer bodemenergiesystemen te kunnen accommoderen. b. Omdat niet in alle wijken vergelijkbare optimalisaties en verdichtingen nodig zijn, zijn 5 deelgebieden onderscheiden waarvoor vergelijkbare ordeningsregels geformuleerd kunnen worden. c. Vervolgens is met het GGB-model (bijlage III) getoetst of de verspreiding van de verontreiniging door bodemenergiesystemen al dan niet leidt tot overschrijdingen buiten de GGB-gebiedsgrens. 4.
In de deelgebieden waar de vraag naar bodemenergie het aanbod overstijgt en/of waar de bodemenergiebronnen zorgen voor verspreiding van de verontreiniging over de randen van de GGB-gebiedsgrens zijn de bronposities heroverwogen, zodat er meer bronnen konden worden ingepast door maximaal te verdichten/clusteren (zie § 3.2 en bijlage I) respectievelijk verspreiding tot buiten de gebiedsgrens werd opgeheven (zie § 3.3 en bijlage I). 5. De aangepaste bronnenconfiguratie is getoetst aan het GGB-model/thermische model, waarbij stappen 4 en 5 zijn herhaald totdat het optimale plan is vastgesteld (zie § 3.3). De resultaten van de toetsing van het geoptimaliseerde plan zijn opgenomen in bijlage V. 6. Tot slot zijn ook de veranderingen in de grondwaterstand getoetst (bijlage IV). In het thermisch referentiemodel is uitgegaan van standaard plaatsingsregels en het om en om (kruislings) plaatsen van warme en koude bronnen. De hydrologische effecten van één of meerdere kruislings geplaatste OBES op de grondwaterstanden zijn vrijwel verwaarloosbaar omdat de verlagingen van de onttrekkingen worden gecompenseerd door de verhogingen van de infiltraties en andersom.
In een aantal deelgebieden is door het doorvoeren van optimalisaties en verdichtingen uitgegaan van het plaatsen van bronnen in clusters of stroken waardoor de cumulatieve hydrologische effecten in de clusters of stroken worden versterkt. In bijlage IV zijn daarom de cumulatieve hydrologische effecten op de freatische grondwaterstanden en op de stijghoogten in de deklaag bepaald. De ordening van bronnen die tot stand is gekomen na de stappen 1 t/m 6 is in hoofdstuk 4 vertaald in zoekgebieden en ordeningsregels.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
7 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
2.2
Uitgangspunten verspreiding verontreiniging
Voor de aanwezige grondwaterverontreinigingen en het beperken van de verspreiding door bestaande en toekomstige OBES gelden in het plangebied de navolgende uitgangspunten: a.
Historische verontreinigingen (< 1987) I. Vluchtige Organo Chloorverbindingen (VOCl) in het grondwater vallen onder het GGBbeleid en mogen de gebiedsgrens in horizontale en verticale richting niet overschrijden. Verspreiding van verontreiniging binnen de gebiedsgrens is op basis van het GGB binnen zekere kaders toegestaan. Dit dient voorafgaand door de coördinator bodemenergie te worden geaccordeerd; II. Overige verontreinigingen (o.a. minerale olie, aromaten en zware metalen) mogen zich niet verspreiden en vallen buiten het GGB-beleid.
b.
Zorgplichtverontreinigingen (> 1987) I. Alle zorgplichtverontreinigingen dienen conform artikel 13 Wet bodembescherming te worden aangepakt en worden niet additioneel in dit Masterplan beschouwd.
Voor het Masterplan zijn alle aanwezige grondwaterverontreinigingen binnen en nabij de projectgrens geïnventariseerd. Alle grondwaterverontreinigingen met VOCl zijn reeds voor het GGB geïnventariseerd (Geofoxx, 2020) en daarin opgenomen. Voor de grondwaterverontreinigingen in de categorie “overige verontreinigingen” blijkt dat deze enkel in de deklaag (tot 19 m-mv) aanwezig zijn en door onderliggende scheidende en overgangslagen niet in het eerste watervoerende pakket zullen geraken en/of door de huidige en toekomstige OBES (3080 m-mv) beïnvloed zullen worden. Op basis hiervan is de toekomstige verspreiding van de verontreinigingen bepaald aan de hand van het ten behoeve van het GGB ontworpen grondwatermodel (“GGB-model”, zie toelichting in bijlage III). In bijlage I is beschreven welke verspreidingsmechanismen een rol spelen bij de toepassing van bodemenergie in (de buurt van) mobiele bodemverontreinigingen. Deze inzichten zijn gebruikt in de optimalisatie om dreigende verspreiding buiten de GGB gebiedsgrens door de OBES bronnen te beperken.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
8 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
3
Resultaten stappenplan
Het Masterplan faciliteert in ordeningsregels voor de gebieden waar de bovengrondse energievraag groter is dan het aanbod op basis van standaard plaatsingsregels voor bodemenergiebronnen, alsook voor gebieden waar ongecontroleerde verspreiding van diepe grondwaterverontreiniging moet worden tegengegaan. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld waar aanbod van bodemenergie niet aan de vraag kan voldoen en waar bij standaard plaatsing verspreiding van de verontreiniging over de GGB grens optreedt. Tot slot worden de resultaten van de optimalisaties en grondwatertoets toegelicht.
3.1
Vraag en aanbod bodemenergie
3.1.1
Stap 1: Aanbod bodemenergie; referentie scenario
In het eerste watervoerende pakket is het volgens de standaard ontwerpregels mogelijk om binnen het projectgebied 162 doubletten, elk met een maximale capaciteit tot 150 m³/uur of tot 1.050 kW, te realiseren. Om het maximale aanbod van OBES te kunnen bepalen is uitgegaan van de in tabel 2 genoemde globale uitgangpunten.
Tabel 2: Dimensionering doublet/bronnenpaar volgens standaard ontwerpregels Onderdeel
Hoeveelheid
Capaciteit
150
Vollasturen
1.500
Eenheid m3/uur, 1.050 kW uur
Waterverplaatsing
225.000
m3/seizoen
Energiehoeveelheden
1.570
MWh/seizoen
Effectieve filterlengte
30
m
Dikte OBES-reservoirs
50
m
Minimale afstand tussen bronnen
130
m (2,5x thermische straal)
Minimaal oppervlak per doublet
33.800
m2
Bij het vaststellen van het aanbod van bodemenergie is de maximale capaciteit van de ondergrond in eerste instantie vastgesteld door een maximaal aantal standaard doubletten (zie tabel 2) kruislings over het totale projectgebied te projecteren zonder rekening te houden met de beperkende randvoorwaarden vanuit het GGB-beleid of de bovengrondse vraag naar bodemenergie (het “graslandscenario”). Vervolgens zijn de bronposities van dit “graslandscenario” tijdens meerdere iteratiestappen zodanig geoptimaliseerd dat aan het GGB-beleid kan worden voldaan en bovendien een significante verdichting is doorgevoerd in die deelgebieden waar de (toekomstige) vraag naar bodemenergie significant groter is dan het maximale aanbod. Het maximale aanbod van bodemenergie volgens het referentiescenario (zie bijlage II) vormt de voornaamste basis voor het opstellen van de plankaart (zie bijlage VI) en het opstellen van de ordeningsregels voor OBES en beleidsregels voor GBES per deelgebied (hoofdstuk 4).
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
9 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
3.1.2
Stap 2: Vraag naar bodemenergie
Tijdens het opstellen van de “Energievisie Centrumgebied Eindhoven” is in het vierde kwartaal van 2020 een inventarisatie gemaakt van de energie- en vermogensbehoefte van de bestaande gebouwen en de nieuwbouw in de deelgebieden binnen het centrum van Eindhoven. Bij de inventarisatie is rekening gehouden met bekende plannen in Binnenstad, Emmasingelkwadrant, Fellenoord en Bergen en met de toename van het aantal woningen en utilitaire gebouwen zoals aangegeven in het “Ontwikkelingsperspectief 2040 Centrum Eindhoven” van april 2020. Voor dit Masterplan is een inschatting gemaakt van het percentage van de bestaande bouw dat op OBES kan worden aangesloten. Voor enkele buurten is dat percentage gelijk aan 0%. In dat geval is de energiebehoefte en de vermogensbehoefte van die buurt gelijk aan de energie- en vermogensbehoefte van de nieuwbouw. Per buurt is de energie- en vermogensbehoefte gegeven van de nieuwbouw plus het voor aansluiting op OBES geschikte aandeel van de bestaande bouw. In tabel 3 is de vermogens- en energievraag van bodemenergiesystemen voor de bestaande gebouwen en nieuwbouw weergegeven. In de laatste kolom is aangegeven hoeveel doubletten hiervoor nodig zijn. De vermogensvraag uit de bodem is afgeleid uit de energievraag. Daarbij is uitgegaan van een monovalente situatie, waarbij het vermogen uitsluitend door het OBES wordt geleverd.
Het uitgangspunt is dat er monovalente bodemenergiesystemen worden toegepast waarbij het gehele gevraagde vermogen en energie wordt geleverd met het OBES. Voor de COP van de warmtepomp is 4 aangehouden bij warmtelevering. Bij koudelevering is er vanuit gegaan dat alle koude zonder tussenkomst van een warmtepomp wordt geleverd. Bij Fellenoord is het vermogen bij warmtelevering maatgevend voor het vaststellen van het benodigde aantal doubletten. Als een deel van de installatie bivalent wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld voor de piekvoorziening stadsverwarming, en de basislast met een OBES, dan zakt het aantal benodigde doubletten naar 28,8 (de energiehoeveelheid bij warmtelevering wordt dan maatgevend).
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
10 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
Tabel 3: Energie- en vermogensvraag bestaande bouw en nieuwbouw [bron: gemeente Eindhoven, informatiedatum: 2e kwartaal 2021] Benodigde energie nieuwbouw plus bestaande bouw
Benodigd vermogen nieuwbouw plus bestaande bouw
koude (MWh)
Aantal benodigde doubletten 1.570 MWh per doublet
warmte (kW)
koude (kW)
Aantal benodigde doubletten 1.050 kW per doublet
9.948
2.207
6
8.118
2.237
8
Binnenstad
32.380
20.757
21
25.504
16.477
25
Eliasterrein, Vonderkwartier
6.118
851
4
5.086
946
5
Engelsbergen
3.662
925
2
3.052
1.028
3
Fellenoord
62.263
30.208
40
48.633
24.939
47
Gildebuurt
5.720
590
4
4.745
656
5
Hagenkamp
3.028
765
2
2.523
850
3
Hemelrijken
7.480
1.035
5
6.212
1.150
6
Irisbuurt
8.572
1.568
5
4.657
1.742
5
Limbeek-Zuid
3.251
508
2
2.689
564
3
Oude Spoorbaan
7.440
747
5
6.031
830
6
Philipsdorp
6.746
1.181
4
5.550
1.312
6
TU-terrein
13.801
27.202
17
11.501
19.684
19
Villapark
8.564
1.568
5
7.008
1.742
7
10.588
4.819
7
8.823
4.402
9
7.031
686
4
5.655
762
6
Schrijversbuurt
6.633
1.676
4
5.528
1.862
6
Totaal
203.225
97.293
138
161.315
81.183
169
Woonwijk
warmte [MWh]
Bergen
Emmasingelkwadrant Woenselse Watermolen
3.2
Stap 3: Vaststellen van deelgebieden waar knelpunten zijn
Om meer duurzame energie te kunnen leveren is, in deelgebieden waar de vraag naar bodemenergie groter is dan het aanbod, opschaling van het gebruik van bodemenergie nodig. De ondergrondse potentie van bodemenergie wordt onder normale/generieke plaatsingsregels veelal niet volledig benut. Vooral in binnenstedelijke gebieden waar de vraag naar bodemenergie hoog is, is het daarom van belang de locaties van bronnen te verdichten en op elkaar af te stemmen, zodat de beschikbare ruimte in de ondergrond maximaal wordt benut voor de duurzame energievoorziening. Verdichten van bronnen kan echter leiden tot negatieve interacties tussen bronnen van verschillende temperatuur. Zolang deze negatieve interacties niet leiden tot significante toename van het primaire energiegebruik van individuele bodemenergiesystemen kan dat worden toegestaan. Voorts zorgt de toegenomen toepassing van bodemenergie voor (nóg) meer duurzame gebouwen c.q. minder CO2-uitstoot.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
11 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
3.2.1
Stap 3a: Vergelijking vraag en aanbod
In tabel 4 is voor elke wijk opgenomen wat het aantal benodigde doubletten en het aantal beschikbare doubletten is in het referentiescenario. Hieruit blijkt dat in de Binnenstad (inclusief o.a. de ontwikkelingen ten zuiden van de spoorzone) en Fellenoord de vraag naar bodemenergie het beschikbare aanbod uit de bodem overstijgt. Verder zijn er ten tijde van het opstellen van het Masterplan concrete ontwikkelingen die in elkaars nabijheid liggen in het Emmasingelkwadrant en Bergen. In die gebieden moet er lokaal worden verdicht om alle initiatieven te kunnen faciliteren.
Tabel 4: Vergelijking van het benodigde en het beschikbare aantal doubletten per buurt
Woonwijk
Aantal benodigde doubletten voor energie (1570 MWh per doublet)
Aantal benodigde doubletten voor capaciteit (1050 kW per doublet)
Bergen
8
6
Binnenstad
25
21
Eliasterrein, Vonderkwartier
5
4
Engelsbergen
3
2
Optimalisatie en verdichting
Aantal beschikbare doubletten na inpassing en optimalisatie
169
8
Verdichting via clustering, met clusters op de rand met Binnenstad. Verspreiding van verontreiniging tegen gaan
29
3 8
Grootschalige verdichting via clustering, met clusters in omliggende wijken.
Fellenoord
47
40
Gildebuurt
5
4
5
Hagenkamp
3
2
5
Hemelrijken
6
5
4
Irisbuurt (gedeeltelijk)
5
5
2
Limbeek-Zuid
3
2
2
Oude Spoorbaan
6
5
4
Philipsdorp
6
4
TU-terrein
19
17
8
Villapark
7
5
14
9
7
7
6
4
6
Schrijversbuurt
6
4
16
Totaal
169
138
152
Emmasingelkwadrant Woenselse Watermolen
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
Verspreiding van verontreiniging tegen gaan
31
0
12 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
3.2.2
Stap 3b: Toetsing verspreiding buiten GGB grens
De bronlocaties van het referentiescenario zijn toegepast in het GGB model (Bijlage III) om de (additionele) verspreiding van de grondwaterverontreiniging in beeld te brengen. In figuur 2 is een enkel voorbeeld van de GGB toetsing weergegeven. Uit deze simulatie blijkt dat OBES aan de westzijde van het plangebied zorgen voor verspreiding over de grens van het GGB gebied, waarbinnen de 5 µg/l contour moet blijven. Om dat te voorkomen moeten de OBES bronnen in de wijken Philipsdorp, Engelsbergen en Eliasterrein/ Vonderkwartier zodanig worden geordend dat de mate van verspreiding wordt verminderd (zie bijlage I).
Figuur 2: Voorbeeld GGB toetsing bodemlaag 6 (27-38 m-mv) concentratie vinylchloride (VC) na 50 jaar
3.3
Stap 4 & 5: Optimalisatie bronlocaties
Op basis van de handreikingen uit wetenschappelijk en praktijkgericht onderzoek (Bloemendal et al. 2018, Bloemendal et al. 2020) t.a.v. verdichten en het beperken van verspreiding, die zijn beschreven in bijlage I, is in 5 iteraties toegewerkt naar een optimale verdeling van de bronlocaties in het plangebied van dit Masterplan. Doel was in beeld te brengen onder welke plaatsingsregels het aantal bodemenergiebronnen op verantwoorde wijze kan worden verdicht, dus zonder dat dit tot significante afname van de energieprestaties van individuele systemen leidt. In de twee laatste kolommen van tabel 4 is aangegeven welke optimalisaties zijn uitgevoerd om tot het definitief aantal toe te passen doubletten te komen. De ordeningsregels volgend uit de optimalisaties en zijn beschreven in hoofdstuk 4.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
13 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
3.4
Stap 6: Effect op grondwaterstanden
Gemiddeld liggen de grondwaterstanden in Eindhoven tenminste op één meter onder maaiveld. Bij bijvoorbeeld tunnels onder het spoor of bij gebouwen in de omgeving van het Station Eindhoven Centraal is dat echter anders. Volgens de cumulatieve berekeningen van bijlage IV beperken de grondwaterstandveranderingen zich gemiddeld tot maximaal circa 50 cm. In de figuur van bijlage IV is met rode contourlijnen aangegeven waarbinnen de grondwaterstanden cumulatief 40 cm of meer kunnen wijzigen als gevolg van OBES. De grootste cumulatieve veranderingen van de grondwaterstanden treden op het TU-terrein en rondom het Station Eindhoven Centraal op. Daarbuiten blijven de grondwaterstandsveranderingen beperkt(er). Voor zover de cumulatieve grondwaterstandsveranderingen een risico vormen voor bijvoorbeeld wateroverlast of opdrijving van parkeergarages zijn aanvullende ordeningsregels aan het Masterplan toegevoegd voor met name het gebied rondom het Station Eindhoven Centraal. Het gebied rondom het Station Eindhoven Centraal valt aan de zuidzijde onder het deelgebied van de Binnenstad en aan de noordzijde onder het deelgebied van Fellenoord.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
14 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
4
Ordeningsregels per deelgebied
Binnen het plangebied zijn 5 typen deelgebieden onderscheiden met ieder hun eigen ordeningsregels voor bronlocaties. In sommige gevallen zijn dat generieke plaatsingsregels en in andere deelgebieden zijn er zoekgebieden aangewezen voor de positionering van warme dan wel koude bronnen (zie § 4.1 t/m 4.5). De ordenings- en plaatsingsregels gelden met name voor OBES. De regels in § 4.1 t/m 4.5 worden voor zover zij zien op GBES, door het college van B&W vastgesteld als beleidsregels als bedoeld in artikel 4:81 Awb. Deze worden hierna toegelicht. In bijlage VI zijn de 5 deelgebieden op de plankaart weergegeven. Bij de situering van de clusters en zonering is rekening gehouden met de beoogde locaties van de bekende ontwikkelingen die vanaf eind 2021 / begin 2022 gaan lopen. Hiermee is een optimale ruimtelijke invulling gegeven op basis van deze toekomstige ontwikkelingen.
Tabel 5: Aantal beschikbare doubletten per deelgebied Deelgebied
Woonwijken
Aantal beschikbare doubletten
Limbeek-Zuid (beperkt gedeelte) Hemelrijken (beperkt gedeelte) Fellenoord
Gildebuurt (beperkt gedeelte) Woenselse Watermolen (beperkt gedeelte)
31
Fellenoord TU-terrein (gebied ten noorden van de spoorzone)
Binnenstad
Binnenstad (inclusief het gebied ten zuiden van de spoorzone) TU-terrein (gebied ten zuiden van spoorzone)
29
Bergen (gedeeltelijk) Philipsdorp (gedeeltelijk) Emmasingelkwadrant (gedeeltelijk) Westzijde plangebied
Eliasterrein/Vonderkwartier (gedeeltelijk) Engelsbergen
34
Hagenkamp Oude Spoorbaan Philipsdorp (gedeeltelijk) Vooralsnog geen bodemenergie
Eliasterrein/Vonderkwartier (gedeeltelijk) Emmasingelkwadrant (grotendeels)
0
Villapark en TU-terrein (beperkt oostelijk gedeelte) Limbeek-Zuid (grotendeels) Hemelrijken Woenselse Watermolen TU-terrein Overige gebieden
Villapark
58
Bergen Eliasterrein, Vonderkwartier (gedeeltelijk) Oude Spoorbaan (gedeeltelijk) Schrijversbuurt Totaal
Projectgebied
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
152
15 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
Disclaimer: Het in dit Masterplan beschreven deelgebied Fellenoord kent andere gebiedsgrenzen dan het Projectgebied van de gebiedsontwikkeling Fellenoord. Dit is om geohydrologische redenen. Het deelgebied Fellenoord in dit Masterplan is het voedingsgebied waarin warmte- en koudebronnen kunnen komen voor de toekomstige gebouwen in de gebiedsontwikkeling en het beoogde Zeer Lage Temperatuur Warmte- en Koudenet. Beleidsregels voor verlening van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor GBES Op grond van artikel 2.2a, zesde lid, Bor is er een omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, Wabo vereist voor gesloten bodemenergiesystemen met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer. Als er op grond van artikel 2.2b Bor een interferentiegebied is aangewezen, is de omgevingsvergunning beperkte milieutoets ook vereist voor gesloten bodemenergiesystemen met een bodemzijdig vermogen van minder 70 kW in dat interferentiegebied. De gemeenteraad van Eindhoven zal een interferentiegebied aanwijzen op grond van artikel 2.2b, eerste lid, Bor. Vanaf dat moment is er binnen dit gebied voor elk gesloten bodemenergiesysteem een omgevingsvergunning beperkte milieutoets vereist. Het college van B&W is het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets.
Een aanvraag daarvoor wordt beoordeeld aan de hand van artikel 2.17 Wabo in juncto artikel 5.13b, negende lid, Bor. Uit het samenstel van deze bepalingen volgt dat de omgevingsvergunning beperkte milieutoets slechts in twee gevallen geweigerd moet worden. Als deze weigeringsgronden zich niet voordoen, dan kan de omgevingsvergunning beperkte milieutoets niet worden geweigerd (limitatief-imperatief stelsel). Er kunnen op grond van artikel 5.13a Bor geen voorschriften worden verbonden aan de vergunning. De weigeringsgronden zijn als volgt: • •
Het bodemenergiesysteem kan zodanige interferentie veroorzaken met een ander open of gesloten bodemenergiesysteem dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad; of, Er is anderszins sprake van ondoelmatig gebruik van bodemenergie.
Het college van B&W heeft beoordelingsruimte om in beleidsregels nader in te vullen wanneer er sprake is van het doelmatig functioneren van bodemenergiesystemen en wanneer er sprake is van ondoelmatig gebruik van bodemenergie. Het is niet mogelijk om aanvullende weigeringsgronden op te nemen in beleidsregels. Dit Masterplan is opgesteld om de ondergrondse potentie van bodemenergie zo optimaal mogelijk te benutten om te kunnen voldoen aan de vraag. Dit kan worden gedaan door met name OBES toe te passen. In hoofdstuk 3 is daarom aan de hand van een aantal stappen beoordeeld hoe dit gedaan kan worden in het centrumgebied. Bij stap 3 (§ 3.2) is overwogen dat de ondergrondse potentie van bodemenergie onder normale/generieke plaatsingsregels veelal niet volledig wordt benut. Om de beschikbare ruimte in de ondergrond van het centrumgebied maximaal te benutten voor de duurzame energievoorziening is het daarom van belang de locaties van bronnen te verdichten en op elkaar af te stemmen. Verdichten van bronnen kan echter leiden tot negatieve interacties tussen bronnen van verschillende temperatuur (interferentie). In het kader van stap 4 en 5 (§ 3.3) is in beeld gebracht onder welke plaatsingsregels het aantal bodemenergiebronnen op verantwoorde wijze kan worden verdicht, dus zonder dat dit tot significante afname van de energieprestaties van individuele systemen leidt.
In stap 6 (§3.4) is toegelicht dat er door het toepassen van optimalisaties tot een definitief aantal toe te passen OBES kan worden gekomen, dit aantal is hiervoor opgenomen in tabel 5. Op basis van de voornoemde optimalisaties zijn per deelgebied in het centrumgebied plaatsings- en ordeningsregels opgesteld voor bodemenergiesystemen. Met deze plaatsingsen ordeningsregels wordt het ontstaan van interferentie, die het doelmatig functioneren van – met name OBES – kan schaden, voorkomen. Om ervoor te zorgen dat de bodemenergie in het
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
16 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
centrumgebied zo doelmatig mogelijk kan worden ingezet door het gebruik van OBES, is er in een aantal deelgebieden geen ruimte voor gesloten bodemenergiesystemen. Deze zouden het doelmatig functioneren van de aanwezige OBES schaden en zorgen voor ondoelmatig gebruik van bodemenergie in het centrumgebied. De plaatsings- en ordeningsregels die navolgend in § 4.1 t/m 4.5 zijn opgenomen gelden voor het desbetreffende gebied als beleidsregels als bedoeld in artikel 4:81 Awb over de toepassing van artikel 5.13b, negende lid, Bor bij de verlening van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen. De regels die relevant zijn voor gesloten bodemenergiesystemen worden in dit hoofdstuk aangeduid door toevoeging van de volgende afkorting: (GBES).
4.1
Fellenoord
In het gebied Fellenoord (zie figuur 3) is op de lange termijn de geprognotiseerde vraag naar verwarming en koeling voor de gebouwen groter dan het aanbod uit de bodem. Om toch zoveel mogelijk gebouwen van bodemenergie (maximaal 31 doubletten) te kunnen voorzien, zijn de navolgende ordeningsregels van toepassing.
Figuur 3: situering Fellenoord met zoekgebieden
Algemeen 1. Alleen open bodemenergiesystemen in de vorm van clusters van doubletten zijn toegestaan, dus geen monobronnen, recirculatiesystemen of gesloten bodemenergiesystemen - (GBES); 2. Als regel geldt: aanleg op basis van collectiviteit. Collectiviteit betekent dat een vergunningaanvraag gebaseerd moet zijn op een laag temperatuur bron-net geschikt voor individuele of collectieve bodemenergiesystemen, waarbij één doublet - of zoveel doubletten als er nodig zijn - op meerdere gebouwontwikkelingen (vastgoedprojecten) worden aangesloten via een collectief laag temperatuur bron-net. Hiervan kan worden afgeweken indien wordt aangetoond dat de individuele aanvraag geen andere (toekomstige) (collectieve) OBES in de weg staat of indien deze later onderdeel kan worden van een collectief systeem. Initiatiefnemers dienen in een vroeg stadium contact op te nemen met de gemeente Eindhoven om de inpassing van het beoogde OBES af te stemmen. Positionering 3. Alleen bronnen met de maximaal mogelijke effectieve filterlengte, een minimale brondiameter van 800 mm en tot een diepte van maximaal 80 m-mv zijn toegestaan;
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
17 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
4. Bronnen worden geplaatst binnen de grenzen van de voor Fellenoord vastgestelde/ beschikbare zoekgebieden, corresponderend met het type bron (warm/koud). N.B. enkele clusters liggen fysiek niet in het deelgebied Fellenoord, maar behoren wel tot de zoekgebieden van Fellenoord 5. Bronnen worden in principe niet in de openbare ruimte geboord, tenzij aan de coördinator bodemenergie van de gemeente Eindhoven wordt aangetoond dat het niet anders kan. In dat geval dient in een vroeg stadium bij de gemeente Eindhoven als grondeigenaar toestemming te worden verkregen om bronlocaties en leidingtracés aan te mogen leggen. 6. De locaties van de clusters zijn op de plankaart aangegeven. 7. Een warme en een koude bron op de grens van een cluster, moeten een bepaalde minimale afstand tot elkaar respecteren. Deze afstand is minimaal 2 x de thermische straal (≈ 90 m) maar kan groter zijn, afhankelijk van het beoogde aantal bronnen in betreffende clusters, zie tabel 6. De middelpunten van de clusters moeten minimaal de aangegeven afstanden in tabel 6 tot elkaar respecteren
Tabel 6: Afstanden tussen de middelpunten van clusters met meerdere bronnen (ook van toepassing tussen clusters van een ander gebied) aantal bronnen clusteren 2 x thermische straal (Rth) in meter
1
2
3
4
5
6
7
80 - 90
120 130
150 160
175 185
195 205
215 225
230-240
Voorbeeld berekeningen: a. Warme bron (hierna: W-bron) en koude bron (hierna: K-bron) in westelijke cluster met 4 bronnen: Kbron aan zuidrand en W-bron aan noordrand van betreffende cluster: er worden 4 bronnen geclusterd, dus de onderlinge afstand tussen het middelpunt van de clusters moet ca. 175 m zijn. b. en W-bron aan de zuidkant van westelijke cluster met 4 bronnen t.o.v. een K-bron aan de noordkant van K-cluster met 5 bronnen: bij de één zijn er 4 bronnen geclusterd en bij de andere 6. Dus onderlinge afstand tussen het middelpunt van de clusters is ca. (175 + 215)/2 = 195 m
8.
Binnen een cluster dienen warme, en dus ook koude, bronnen onderling 20 à 30 m uit elkaar te liggen. Niet minder in verband met ongewenste hydrologische effecten. Bronnen worden zodanig geplaatst dat deze óf goed op elkaar aansluiten (dus 20 à 30 m uit elkaar) óf dat er voldoende ruimte is om later nog een bron tussen te kunnen plaatsen.
Dimensionering systeem 9. Elk doublet is geschikt om een capaciteit van minimaal 150 m³/uur te injecteren en onttrekken. Eventuele overcapaciteit wordt gemeld aan de coördinator bodemenergie en beschikbaar gesteld aan andere initiatiefnemers. 10. Een doublet moet voorbereid zijn om naderhand aan te kunnen sluiten op een bron-net (clustering); 11. In het ontwerp van nieuwe doubletten dient om droogvallen van de onderwaterpompen te voorkomen, rekening gehouden te worden met een extra stijghoogteverlaging van 2 meter in de bron ten gevolge van de hydrologische invloed van andere doubletten. 12. Het uitleggen van alle doubletten binnen een buurt op dezelfde ontwerptemperaturen is een belangrijke randvoorwaarde om de bronnen in de toekomst relatief eenvoudig op een collectief bron-net aan te sluiten. De gemiddelde infiltratietemperatuur (of ontwerptemperatuur) dient derhalve bij koudelevering 16 °C te bedragen, en bij warmtelevering 7 °C. 13. Om te voorkomen dat de cumulatieve effecten op de grondwaterstanden te groot worden, wordt een maximum debiet van 150 m3/uur voorgeschreven. Dit geldt met name voor het gebied ten zuiden van de spoorzone rondom het Station Eindhoven Centraal.
Mocht uit de effectberekeningen die bij een vergunningaanvraag worden ingediend blijken dat er toch wateroverlast ontstaat dan dienen er extra beheersmaatregelen genomen te worden in de vorm van bijvoorbeeld “spanningsbemalingen”.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
18 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
GGB 14. VOCl-verontreinigingen in het grondwater vallen onder het GGB-beleid en mogen de (doel)gebiedsgrens in horizontale en verticale richting niet overschrijden. Daarom dienen alle aanvragen voor OBES vooraf getoetst te worden door de coördinator bodemenergie. 15. Overige verontreinigingen (o.a. minerale olie, aromaten en zware metalen) mogen zich niet verder verspreiden en vallen buiten het GGB-beleid. Energie 16. Elk OBES dient thermisch in balans te zijn. De provincie Noord-Brabant verwoordt deze balanssituatie in de beschikking van de vergunning Waterwet. Grondwaterstanden 17. Nieuwe aanvragen van vergunningen in het kader van de Waterwet in dit deelgebied worden door de gemeente Eindhoven getoetst op het significant wijzigen van grondwaterstanden. In geval daardoor extra wateroverlast ontstaat, zal de gemeente Eindhoven daarvoor aanvullende beheersmaatregelen formuleren.
4.2
De Binnenstad
In het gebied van de Binnenstad (zie figuur 4) is de geprognotiseerde vraag naar verwarming en koeling voor de gebouwen op de lange termijn groter dan het aanbod uit de bodem. Om toch zoveel mogelijk gebouwen van bodemenergie (maximaal 29 doubletten) te kunnen voorzien, zijn de navolgende ordeningsregels van toepassing.
Figuur 4: situering Binnenstad met zoekgebieden
Algemeen 1. Alleen open bodemenergiesystemen in de vorm doubletten zijn toegestaan, dus geen monobronnen, recirculatiesystemen of gesloten bodemenergiesystemen – (GBES). 2. Alleen bronnen met maximale effectieve filterlengte, een minimale brondiameter van 800 mm en een maximale capaciteit van 150 m3/uur en tot een diepte van maximaal 80 m-mv zijn toegestaan.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
19 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
3. Bronnen worden geplaatst binnen de grenzen van de voor de Binnenstad vastgestelde/ beschikbare zoekgebieden, corresponderend met het type bron (warm/koud). N.B. enkele clusters liggen fysiek niet in het deelgebied Binnenstad, maar behoren wel tot de zoekgebieden van de Binnenstad. Daarnaast valt een stukje aan de westzijde (nabij Emmasingel) in verband met de bodemsanering nabij het Emmasingelkwadrant (Witte Dame) onder de gebieden “Vooralsnog geen bodemenergie” (zie § 4.4). 4. Zoeken naar bronlocaties is maatwerk in verband met beperkte (openbare) ruimte. Bronnen worden in principe niet in de openbare ruimte geboord, tenzij aan de coördinator bodemenergie van de gemeente Eindhoven wordt aangetoond dat het niet anders kan. In dat geval dient in een vroeg stadium bij de gemeente Eindhoven als grondeigenaar toestemming te worden verkregen om bronlocaties en leidingtracés aan te mogen leggen. 5. De locaties van de clusters zijn op de plankaart aangegeven. De ligging is globaal geduid. In voorkomende gevallen kan hiervan in overleg met de coördinator bodemenergie worden afgeweken. Voorwaarden hierbij zijn dat er dezelfde hoeveelheid warmte en koude uit de bodem gehaald kan worden binnen het plangebied en dat de verontreinigingen de GGBgrens niet overschrijden. 6.
Een warme en een koude bron op de grens van een cluster, moeten een bepaalde minimale afstand tot elkaar respecteren. Deze afstand is minimaal 2 x de thermische straal (≈ 90m) maar kan groter zijn, afhankelijk van het beoogde aantal bronnen in betreffende clusters, zie tabel 6. De middelpunten van de clusters moeten minimaal de aangegeven afstanden in tabel 6 tot elkaar respecteren. N.B. De warme en koude bron van de Heuvelgalerie werken op een ander temperatuurniveau dan alle andere bodemenergiesystemen. De bronnen die worden geplaatst in de clusters nabij de bronnen van Heuvelgalerie moeten tenminste 150 meter afstand tot de bronnen van de Heuvelgalerie respecteren. Een kleinere afstand is toegestaan indien met een effectenstudie is aangetoond dat de Heuvelgalerie daar geen nadelige effecten van ondervindt. 7. Binnen een cluster dienen warme, en dus ook koude, bronnen onderling 20 à 30 m uit elkaar te liggen. Niet minder in verband met ongewenste hydrologische effecten. Bronnen worden zodanig geplaatst dat deze óf goed op elkaar aansluiten (dus 20 à 30 m uit elkaar) óf dat er voldoende ruimte is om er later nog een bron tussen te kunnen plaatsen. Dimensionering systeem 8. Elk doublet is geschikt om de maximale capaciteit van 150 m³/uur te verwerken. Eventuele overcapaciteit wordt gemeld aan de coördinator bodemenergie en beschikbaar gesteld aan andere initiatiefnemers. 9.
Een doublet moet voorbereid zijn om naderhand aan te kunnen sluiten op een bron-net; 10. In het ontwerp van nieuwe doubletten dient om droogvallen van de onderwaterpompen te voorkomen, rekening gehouden te worden met een extra stijghoogteverlaging van 2 meter in de bron ten gevolge van de hydrologische invloed van andere doubletten. 11. Het uitleggen van alle doubletten binnen een buurt op dezelfde ontwerptemperaturen is een belangrijke randvoorwaarde om de bronnen in de toekomst relatief eenvoudig op een collectief bron-net aan te sluiten. De gemiddelde infiltratietemperatuur (of ontwerptemperatuur) dient derhalve bij koudelevering 16 °C te bedragen, en bij warmtelevering 7 °C. 12. Om te voorkomen dat de cumulatieve effecten op de grondwaterstanden te groot worden, wordt een maximum debiet van 150 m3/uur voorgeschreven. Dit geldt met name voor het gebied ten zuiden van de spoorzone rondom het Station Eindhoven Centraal. Mocht uit de effectberekeningen die bij een vergunningaanvraag worden ingediend blijken dat er toch wateroverlast ontstaat dan dienen er extra beheersmaatregelen genomen te worden in de vorm van bijvoorbeeld “spanningsbemalingen”.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
20 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
GGB 13. VOCl-verontreinigingen in het grondwater vallen onder het GGB-beleid en mogen de (doel)gebiedsgrens in horizontale en verticale richting niet overschrijden. Daarom dienen alle aanvragen voor OBES vooraf getoetst te worden door de coördinator bodemenergie. 14. Overige verontreinigingen (o.a. minerale olie, aromaten en zware metalen) mogen zich niet verder verspreiden en vallen buiten het GGB-beleid. Energie 15. Elk OBES dient thermisch in balans te zijn. De provincie Noord-Brabant verwoordt deze balanssituatie in de beschikking van de vergunning Waterwet. Grondwaterstanden 16. Nieuwe aanvragen van vergunningen in het kader van de Waterwet in dit deelgebied worden door de gemeente Eindhoven getoetst op het significant wijzigen van grondwaterstanden. In geval daardoor extra wateroverlast ontstaat zal de gemeente Eindhoven daarvoor aanvullende beheersmaatregelen formuleren.
4.3
Westzijde plangebied
In het gebied Westzijde (zie figuur 5) is op de lange termijn de geprognotiseerde vraag naar verwarming en koeling voor de gebouwen lager dan het aanbod uit de bodem. De navolgende ordeningsregels zijn van toepassing. Binnen dit gebied dient vooral te worden voorkomen dat een OBES de grondwaterverontreiniging tot over de (westelijke) projectgrens verspreidt.
Figuur 5: situering westzijde plangebied met stroken
Algemeen 1. Alleen open bodemenergiesystemen in de vorm van doubletten in de stroken zijn toegestaan, dus geen clusters van doubletten en geen monobronnen, recirculatiesystemen of gesloten bodemenergiesystemen – (GBES).
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
21 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
Positionering 2. Bronnen worden geplaatst binnen de grenzen van de vastgestelde beschikbare zoekgebieden/stroken, corresponderend met het type (warm/koud). 3. Bronnen worden in principe niet in de openbare ruimte geboord, tenzij aan de coördinator bodemenergie van de gemeente Eindhoven wordt aangetoond dat het niet anders kan. In dat geval dient in een vroeg stadium bij de gemeente Eindhoven als grondeigenaar toestemming te worden verkregen om bronlocaties en leidingtracés aan te mogen leggen. 4. Een warme en een koude bron dienen minimaal 100 meter uit elkaar te liggen. 5. Binnen één strook dienen bronnen circa 50 m uit elkaar te liggen. GGB 6. VOCl-verontreinigingen in het grondwater vallen onder het GGB-beleid en mogen de (doel)gebiedsgrens in horizontale en verticale richting niet overschrijden. Daarom dienen alle aanvragen voor OBES vooraf getoetst te worden door de coördinator bodemenergie. 7. Overige verontreinigingen (o.a. minerale olie, aromaten en zware metalen) mogen zich niet verder verspreiden en vallen buiten het GGB-beleid. 8. Warme bronnen in de warme stroken (zie figuur 5) mogen alleen gekoppeld worden aan de direct oostelijk gelegen koude bronnen in de koude stroken. Energie 9. Elk OBES dient thermisch in balans te zijn. De provincie Noord-Brabant verwoordt deze balanssituatie in de beschikking van de vergunning Waterwet. 4.4
Vooralsnog geen bodemenergie
Binnen of nabij drie specifieke gebiedsdelen worden tussen 2021 en 2031 nog bodemsaneringen uitgevoerd en afgerond. Het betreft hier de bodemsaneringen Strijpsestraat en Tapuitstraat respectievelijk net buiten en binnen de projectgrens van het Masterplan en de gebiedsgrens van het GGB én de Witte Dame aan de Emmasingel. Omdat nieuwe OBES in de nabijheid de saneringen kunnen verstoren en mogelijk leiden tot ontoelaatbare verspreiding, is plaatsing van nieuwe bronnen in deze gebieden vooralsnog niet toegestaan. Ook monobronnen, recirculatiesystemen of gesloten bodemenergiesystemen zijn niet toegestaan – (GBES).
Figuur 6: situering Vooralsnog geen bodemenergie
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
22 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
4.5
Overige gebieden
Binnen de overige deelgebieden zal de vraag naar bodemenergie kleiner zijn dan het aanbod uit de bodem.
Figuur 7: situering Overige gebieden
Er zijn binnen deze deelgebieden geen voorgeschreven zoekgebieden van toepassing. Wel gelden de navolgende ordeningsregels – (GBES). Open bodemenergiesystemen 1. Open bodemenergiesystemen in de vorm van doubletten, monobronnen en recirculatiesystemen zijn toegestaan; 2. Bronnen worden geplaatst binnen de grenzen van het deelgebied; 3. Bronnen worden in principe niet in de openbare ruimte geboord, tenzij aan de coördinator bodemenergie van de gemeente Eindhoven wordt aangetoond dat het niet anders kan. In dat geval dient in een vroeg stadium bij de gemeente Eindhoven als grondeigenaar toestemming te worden verkregen om bronlocaties en leidingtracés aan te mogen leggen. 4. In geval van een doublet dienen een warme en een koude bron minimaal 3 x de thermische straal uit elkaar te liggen; 5. Bronnen mogen niet dieper worden geboord dan 80 m-mv. Gesloten bodemenergiesystemen De toepassing van gesloten bodemenergiesystemen is vergunningplichtig. Als aan de voorwaarden (6 t/m 10) wordt voldaan, is er sprake van doelmatig gebruik van bodemenergie als voldaan in artikel 5.13b, negende lid, Bor en kan het GBES worden toegestaan – (GBES): 6. Er mogen alleen verticale GBES worden toegepast (geen horizontale, korven of andere vormen) en wel op eigen kavel; 7. Systemen mogen niet dieper dan 80 m-mv worden geplaatst en zijn uitsluitend gevuld met schoon leidingwater; 8.
Per meter GBES wordt minimaal 50 kWh aan warmte onttrokken; 9. Het GBES moet jaarlijks in thermische balans zijn;
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
23 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
10. Voor aanvang van de realisatie moet een effectenstudie worden opgesteld. Middels modelberekeningen moet bij de coördinator bodemenergie aangetoond worden dat de toepassing van toekomstige bodemenergiesystemen niet negatief wordt beïnvloed. GGB 11. VOCl-verontreinigingen in het grondwater vallen onder het GGB-beleid en mogen de (doel)gebiedsgrens in horizontale en verticale richting niet overschrijden. Daarom dienen alle aanvragen voor OBES of GBES vooraf getoetst te worden door de coördinator bodemenergie. 12. Overige verontreinigingen (o.a. minerale olie, aromaten en zware metalen) mogen zich niet verder verspreiden en vallen buiten het GGB-beleid.
projectnummer
datum
20201032
januari 2022
24 / 29
Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven
5
Verankering en vergunningverlening
5.1
Algemeen
Bij het toepassen van bodemenergie in Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen open en gesloten bodemenergiesystemen. Binnen het plangebied van dit Masterplan Bodemenergie Centrumgebied Eindhoven kunnen beide systemen worden toegepast. De wet- en regelgeving aangaande de toepassing van bodemenergiesystemen is divers. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische verankering van het Masterplan enerzijds en een aantal bepalende vergunningsaspecten anderzijds. Het betreft hier de hoofdlijnen, waarbij het accent ligt op het perspectief van de (toekomstige) initiatiefnemer. Aanvullende informatie is te vinden op de site van Rijkswaterstaat Bodem+, de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en het SIKB.
5.2
Verankering van het Masterplan
5.2.1
Interferentiegebied
De gemeenteraad zal het plangebied van het Masterplan in een plaatselijke verordening aanwijzen als Interferentiegebied zoals bepaald in artikel 2.2b, eerste lid, Bor. Hierdoor is voor alle GBES op grond van artikel 2.21, zesde lid, Bor een omgevingsvergunning beperkte milieutoets vereist. Het college van B&W zal hoofdstuk 4 van het Masterplan vaststellen als beleidsregel als bedoeld in artikel 4:81 Awb voor de verlening van deze vergunning. Het college van GS van de provincie Noord-Brabant is het bevoegd gezag voor vergunningen op grond van de Waterwet. Na de beoogde vaststelling van het Masterplan door de gemeente Eindhoven zal een vergunning voor de onttrekking van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem op grond van artikel 4, aanhef en onder i van de “Beleidsregel Grondwaterbeheer Noord-Brabant d.d. 9 april 2020” worden getoetst aan de gebruiks- en ordeningsregels in het Masterplan. De ODZOB en het college van B&W toetsen vergunningaanvragen voor bodemenergie dan aan de plankaart en de ordeningsregels.
5.2.2
Relatie met het GGB
Het Masterplan heeft een sterke (juridische) verbinding met het GGB. Het GGB beschrijft de kaders waarbinnen geïdentificeerde diepe grondwaterverontreinigingen met vluchtige chloorkoolwaterstoffen mogen verspreiden en ‘vergrijzen’ binnen vastgestelde ruimtelijke grenzen. De gemeente Eindhoven is voornemens om het GGB-plan te laten vaststellen door de gemeenteraad. Daarmee komt synchronisatie tot stand in het toetsen van aanvragen voor OBES en GBES waar het gaat om hun eventuele effect op de verspreiding van grondwaterverontreinigingen, i.e. datgene waar het GGB-plan op toeziet.