CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Klimaatplan III, 2026-2030

Raadsvergadering 10 juni 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Klimaatplan III, 2026-203021.684 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

uitstootplafond op één van de taakvelden, kan daarbij gecompenseerd worden door éen onderuitnutting van het CO₂-plafond in een ander taakveld, zolang het totale uitstootplafond niet wordt overschreden. CO₂e-plafond per taakveld in 2026 Kt

Taakveld 0.3 0.4 2.1

2027

2028

2029

2030

Uitstootreductie 2030 t.o.v. 1990

Omschrijving Overige gebouwen en gronden Overhead (kern­ portefeuille) Verkeer en vervoer

12,0

11,0

10,0

9,0

8,0

67%

0,4

0,3

0,2

0,1

-

100%

248,8

236,0

223,2

210,3

194,9

322,7

291,6

260,8

229,6

200,5

geen reductie 70%

32,1

29,0

26,0

23,0

20,3

60%

3,8

3,4

3,1

2,8

2,6

66%

3,8 246,8

3,4 226,6

3,1 205,9

2,8 185,6

2,6 164,8

66% 54%

45,5

40,6

35,9

31,2

26,9

67%

916,2

842,3

768,4

694,5 620,6

55%

1.600

3.2

Broeikasgasuitstoot in CO₂-equivalenten (kton)

1.400 1.200

4.2

1.000

5.2 800

5.3 8.3

600 400

8.3

200 0

1990

2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017

Mobiliteit Wonen

44 | Klimaatplan 2026-2030

2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024* 2025* 2026 2027 2028 2029 2030

Industrie en bedrijfsleven Publieke dienstverlening

Doel Klimaatverordening Reductiepad Klimaatplan I, II & III

Totaal

Fysieke bedrijfs­ infrastructuur Onderwijshuis­ vesting Sport­ accommodaties Cultuur Wonen en bouwen (woningen) Overige publieke dienstverlening

Tabel 1: CO₂e-plafonds per taakveld

10 Financiële paragraaf Voor de dekking van de activiteiten en de aanvullende maatregelen is de huidige financiering niet toereikend. De gemeente Eindhoven heeft geen structureel budget beschikbaar voor de uitvoering van duurzaamheidsmaatregelen. Een groot deel van de medewerkers worden op dit moment gefinancierd vanuit de regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid (CDOKE). De afgelopen jaren is het Klimaat­ beleid gefinancierd vanuit incidenteel beschikbaar gestelde middelen in de Reserve Energietransitie en eenmalige middelen vanuit het bestuursakkoord Samen Morgen Mooier Maken.

10.1.1 Warmtenetten Voor het startportfolio van Eindhoven Energie zijn al middelen opzijgezet ten tijde van de besluitvorming over de oprichting28. Het betreft de projecten Meerhoven, Mercado, Fellenoord, Stadhuisplein en ’t Ven-Lievendaal. Op basis van de investeringsopgave van het aanvullende ontwikkelportfolio (die nog doorloopt na 2029) is dekking noodzakelijk voor kapitaallasten die oplopen van € 0,7 mln. in 2026 naar € 4,6 mln. in 2029 en verder. Daarbij is geen rekening gehouden met eventuele aanloopverliezen in de businesscases van het warmtebedrijf, investeringen van derden of mogelijke subsidies. Ook toekomstige rendementen zijn niet meegenomen.

10.1 Investeringen in infrastructuur

(x € 1.000.000)

De energietransitie vraagt om grote infrastructurele investeringen in het energiesysteem. De transitie naar duurzame energie betekent immers dat we overstappen op andere energiebronnen en andere energiedragers en dat leidt ook tot een verschuiving in de belasting van bestaande infrastructuur. Aardgasdistributie wordt overbodig, maar in plaats daarvan moeten distributienetten voor warmte en koude worden aangelegd, of een waterstofnet. En om de toenemende vraag ten gevolge van elektrificatie van mobiliteit en warmte op te vangen, moet het elektriciteitsnet worden verzwaard. Voor de investeringen in het elektriciteitsnet staan netbeheerders Tennet en Enexis aan de lat. De aanleg van warmtenetten vraagt, vanuit de gemeentelijke regierol op de warmtetransitie, investeringen van Eindhoven Energie en/of van de gemeente zelf. En hoewel de distributie van waterstof niet op voorhand een taak van de lokale overheid is, zal een dergelijk net op korte termijn alleen van de grond komen als de lokale overheid bereid is mee te investeren. In relatie tot de taak van Eindhoven Energie is het ook strategisch wenselijk hierin te participeren.

Strijp-S, Fase IV 1.500 14,0 Groots Gestel 3.000 15,0 10,0 Eindhoven NO 1.900 Generalenbuurt Hudsonlaan 364 9,0 Stads Hart Woensel 3.300 4,0 6,0 Schellenskwartier/ 700 7,0 Blake De Kade/HTL 1.000 8,0 Overname'thuis 430 8,0 Totaal investeringen 12.194 17,0 34,0 30,0 Tabel 2: Investeringen startportfolio Eindhoven Energie

45 | Klimaatplan 2026-2030

Aansluitingen

2026

2027

2028

2029

Totaal

10,0 20,0

14,0 35,0 20,0 9,0 10,0 7,0

8,0 38,0

16,0 8,0 119,0

28 Zie het raadsbesluit tot Oprichting publiek energie- en warmtebedrijf dd 26 november 2024 (24bst01138).

10.1.2 Totaal kapitaallasten ten behoeve van investeringen Voor de investeringen in de warmteprojecten van Eindhoven Energie en het waterstofnetwerk is structureel € 3,2 mln. per jaar beschikbaar. Tabel 3 laat zien dat er onvoldoende structurele middelen beschikbaar zijn om de totale opgave te dekken. Dat betekent dat er gezocht moet worden naar bijdragen van derden, dan wel dat geprioriteerd moet gaan worden in de opgaven, dan wel dat er extra structurele middelen vrijgemaakt moeten worden voor deze opgave. De kapitaallasten voor Eindhoven Energie worden vooralsnog indicatief als reservering opgenomen. Definitieve besluitvorming over het beschikbaar stellen van investeringsmiddelen vind per project de komende jaren separaat plaat. Pas op dat moment is ook definitief helder hoe de businesscase exact is opgebouwd, wat het gevraagde investeringsvolume voor het betreffende project zal zijn en wat daarvan de structurele kapitaallasten zullen bedragen. Kapitaallasten (x € 1.000)

2026

2027

2028

2029

Structureel 3.200 3.200 3.200 3.200 beschikbaar Inzet EBE 0 -700 -2.000 -3.200 Inzet lokaal water0 0 -390 -390 stofnetwerk Inzet aftakking DRC 0 -124 -124 -124 Saldo 3.200 2.376 700 -514 Tabel 3: Kapitaallasten investeringen energie-infrastructuur

Geraamd investeringsvolume

81.000 10.000 3.000

In de Kadernota 2026 is voorgesteld om de geprognosticeerde restantmiddelen voor 2026 en 2027 in te zetten voor de incidentele proces- en ontwikkelkosten ter voorbereiding van investeringen in het energiesysteem. Specifiek voor de aanpak netcongestie en de warmteprojecten die Eindhoven Energie in 46 | Klimaatplan 2026-2030

het portfolio opneemt, het waterstofnetwerk, andere systemen voor het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen. Voordat Eindhoven Energie een project in portfolio kan nemen en de uitvoering kan starten, dient de gemeente eerst de uitwerking van een warmtekavels op te pakken. Deze voorbereidingsen ontwikkelkosten kunnen gedekt worden met incidentele middelen. De middelen voor het tegengaan van netcongestie worden ingezet voor netbewust ontwikkelen en het handhaving op de energieprestatie gebouwen (EPG) en de energiebesparingsplicht (EBL). Voorgesteld wordt om deze te dekken uit de reserve strategische investeringen (zie Tabel 4). Incidentele middelen strategische investeringen (x € 1.000)

2026

2027

2028

2029

Totaal

Voorbereidings- en ontwikkelkosten 3.200 aardgasvrije wijken en bedrijventerreinen door vrijval strategische investeringen Voorbereidings- en ontwikkelkosten 1.000 aardgasvrije wijken en bedrijventerreinen door inzet reserve strategische investeringen Te verwachten middelen CDOKE 800 planfinanciering aardgasvrij Subtotaal voorbereiding aardgasvrij 5.000 Subtotaal voorbereiding 5.000 aardgasvrij

2.370

700

-

6.270

1.000

1.000

1.300

4.300

800

800

800

3.200

4.170 2.500 4.170 2.500

Aanvullend: inzet SI-middelen 712 712 712 Netcongestie Totaal voorbereidingen 5.712 4.882 3.212 investeringen energiesysteem Tabel 4: Incidentele middelen Strategische Investeringen

2.100 13.770 2.100 13.770

712

2.848

2.812 16.618

10.2 Meerjarige incidentele financiering Naast investeringsmiddelen is voor de aanvullende maatregelen uit dit Klimaatplan ook aanvullend werkbudget nodig. Het gaat dan om incidentele middelen, die echter wel meerjarig nodig zijn voor de uitvoering van werkzaamheden voor onder andere de verduurzamingsaanpak voor de woningvoorraad en utiliteitsgebouwen zoals bedrijven en het maatschappelijk vastgoed in de stad. Ook de voorbereidende werkzaamheden voor de investeringen op het energiesysteem vallen buiten de strategische investeringen. Dit zijn incidentele kosten. De eerstkomende twee jaar kan dit grotendeels worden gedekt vanuit de nog resterende middelen SMMM, de reserve Energietransitie en resterende middelen vanuit de CDOKE-regeling. Wanneer deze middelen zijn uitgeput, moet ofwel de reserve energietransitie worden aangevuld, dan wel het structurele beschikbare budget worden opgehoogd. Tabel 5 geeft een overzicht van alle middelen die hiervoor ingezet kunnen worden, inclusief de restantmiddelen van de structurele kapitaallasten 2026-2027 en de claim uit de reserve strategische investeringen. Aangezien deze middelen niet toereikend zijn, worden de te verwachten CDOKE middelen (basisfinanciering) ook ingezet ter dekking van de werkbudgetten.

Desondanks laat het meerjarenoverzicht nu nog een tekort zien op de werkbudgetten van de afdelingen die werken aan de uitvoering van het klimaatplan. De financieringsbehoefte voor de plannen is echter nog indicatief en kan op basis van de nadere planuitwerking nog wijzigen. Voor een aantal trajecten is mogelijk ook aanvullende externe financiering mogelijk door middel van subsidies of specifieke uitkeringen. Afhankelijk daarvan kan ook de financieringsbehoefte nog wijzigen.

47 | Klimaatplan 2026-2030

Meerjarige financiering (x € 1.000)

2026

2027

2028

2029

2030

Totaal

2.000 2.000 Restant reserve SMMM Klimaat en Weer 1.600 400 2.000 Reserve energietransitie Te verwachten basisfinan- 1.500 1.500 1.500 1.500 1.500 7.500 ciering CDOKE 3.500 3.100 1.900 1.500 1.500 11.500 Totaal beschikbaar Inzet: -1.500 -1.500 -1.500 -1.500 -1.500 -7.500 Energiebesparing -900 -900 -900 -900 -900 -4.500 Energiesysteem -400 -400 -400 -400 -400 -2.000 Circulariteit -1.000 -1.000 -1.000 -1.000 -1.000 -5.000 Industrie & bedrijven -300 -700 -1.900 -2.300 -3.650 -7.550 Resterend saldo Tabel 5: Incidentele financiering Klimaatplan III Tot slot zijn in het bestuursakkoord structurele middelen beschikbaar gesteld voor klimaatbeleid, die bij de begroting 2023 zijn gealloceerd ten behoeve van Slim Verduurzamen Vastgoed en circulariteit. Dit is nog buiten eerder beschikbaar gestelde investeringsmiddelen, zoals bijvoorbeeld de in 2025 aanvullend beschikbaar gestelde investeringsmiddelen voor Slim Verduurzamen Vastgoed (totaal € 14,4 miljoen) en de incidentele middelen voor het verledden van de openbare verplichting (€ 1,7 miljoen).

Structurele middelen SMMM (x € 1.000)

2026

2027

2028

2029

2030

Totaal 20262030

Slim Verduurzamen 650 650 650 Vastgoed Circulariteit 57 57 57 Totaal ingezet 707 707 707 Tabel 6: Structurele middelen Klimaat SMMM

650

650

3.250

57 707

57 707

285 3.535

Behalve de specifiek voor Klimaat aangemerkte middelen, investeert de gemeente ook op andere beleidsvelden aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. Zo wordt binnen het Masterplan Mobiliteit gewerkt aan de verduurzaming van het verkeer in de stad. Met het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs bouwt Eindhoven aan duurzame, energiezuinige onderwijs­ gebouwen en met de investering in een nieuw, ondergronds busstation bouwt Eindhoven aan een aantrekkelijk en schoon vervoersysteem voor de toekomst. En binnen de gemeente worden bij de inkoop van producten en diensten steeds strengere duurzaamheidseisen gesteld.

48 | Klimaatplan 2026-2030

11 Monitoren en Sturen Doelen stellen is één, maar uiteindelijk telt het resultaat. Wanneer het effect van maatregelen tegenvalt, is het van belang dit tijdig te constateren en bij te sturen. Daarin is de snelle beschikbaarheid van gegevens en de mogelijkheid om de impact van maatregelen te kunnen afwegen cruciaal. Dat vormt nu vaak nog een probleem. Met de huidige data­systemen komen de voorlopige emissiegegevens van Eindhoven pas ruim een jaar na dato beschikbaar. Ook is het berekenen van impact van verschillende maatregelen handwerk dat veel tijd kost. Om beter en sneller inzicht te hebben in de ontwikkeling van de emissies, is daarom een nieuw plannings- en monitoringssysteem in gebruik genomen: ClimateView. Dit softwaresysteem maakt het mogelijk om datagedreven te sturen op het behalen van de klimaatdoelstellingen.

49 | Klimaatplan 2026-2030

Dat doet ClimateView door enerzijds de CO₂-impact van concrete plannen te modelleren en anderzijds de daadwerkelijke uitstoot te monitoren en hierop te toetsen. In ClimateView is op basis van de bestaande plannen en maatregelen en met parameters die op basis van de meest actuele cijfers en inzichten zijn ingeschat een op Eindhoven toegesneden klimaatmodel gebouwd. Daarmee berekent ClimateView de impact van transities. Als voorbeeld: een lagere CO₂-uitstoot per woningoppervlak als gevolg van het omschakelen van een gasgestookte ketel naar een warmtepomp. Of minder uitstoot doordat reiskilometers per brandstofauto worden vervangen door kilometers op de fiets of het openbaar vervoer.

Iteratief model Omdat ClimateView de uitstoot modelmatig berekent met behulp van ‘activiteiten’, moeten de aannames altijd getoetst worden aan de daad­ werkelijke uitstoot. Daarvoor wordt de Regionale Klimaatmonitor29 gebruikt. De gegevens in de regionale Klimaatmonitor komen ruim een jaar na het aflopen van het betreffende rapportagejaar beschikbaar. Als deze cijfers afwijken van de prognoses in ClimateView, kan dat twee oorzaken hebben. Ofwel zijn de voorgenomen plannen niet of slechts ten dele gerealiseerd en moet een realistischere inschatting gemaakt worden van de realisatie. Dan wel zijn de onderliggende aannames van het effect van ‘activiteiten’ niet goed ingeschat en moeten de parameters worden bijgesteld. In beide gevallen wordt het model met elke iteratieslag robuuster en verstevigt de grip op het behalen van de klimaatdoelstellingen

Klimaatrapportage De gemeente kent vaste momenten voor verantwoording en rapportage in de planning- en controlcyclus. Zo is er een jaarlijkse klimaatbegroting, die vanaf 2023 geïntegreerd is in de reguliere begroting en een klimaat­ rapportage die meer duiding en diepte geeft op de huidige stand van zaken in Eindhoven betreffende klimaat en energie. ClimateView vult hierop aan. In de begroting en in de klimaatrapportage zal vanaf nu ook verwezen worden naar Climateview.

29 De Regionale Klimaatmonitor is een monitoringstool van het Rijk waarin informatie uit tientallen bronnen wordt samengevoegd van onder meer het Centraal Bureau voor de Statistiek, de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland, de Rijksdienst voor het Wegverkeer en Emissieregistratie van de Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

50 | Klimaatplan 2026-2030

12 Bijlagen 12.1 Soorten Uitstoot Het Green House Gas Protocol30, een initiatief van het World Resource Institute (WRI) en de World Business Council for Sustainable Development (WBCSD) dat standaarden ontwikkelt voor het rapporteren op broeikasgasuitstoot, hanteert een onderverdeling in drie bereiken: scope 1, 2 en 3. Op stedelijke schaal omvat scope 1 de uitstoot van bronnen die zich binnen de grenzen van de stad begeven. Scope 2 omvat de uitstoot die is gerelateerd aan het gebruik van door netwerken geleverde energie in de vorm van elektriciteit, warmte, stoom of koeling. Scope 3, ten slotte, omvat de broeikasgassen die vrijkomen buiten de grenzen van de stad maar wel het resultaat zijn van activiteiten die plaatsvinden binnen de stad. Bijvoorbeeld het importeren van producten van buiten de stad of het verwerken van afval uit de stad. De emissies in scope 3 zijn nog verder onder te verdelen in de uitstoot van bovenstroomse en benedenstroomse activiteiten. De emissies van bovenstroomse activiteiten zijn emissies die vrijkomen bij het produceren en transporteren van goederen voor de stad of het leveren van diensten aan de stad. Denk aan bouwmaterialen waarmee nieuwe woningen of bedrijfsgebouwen worden gerealiseerd, de laptops en telefoons die worden geïmporteerd of clouddiensten buiten de stad die in Eindhoven worden gebruikt.

De emissies uit de benedenstroomse activiteiten worden gevormd door uitstoot die samenhangt het effect dat activiteiten in Eindhoven hebben op de uitstoot buiten de stad. Voorbeelden zijn de uitstoot die gepaard gaat met het transporteren van exportgoederen, de verwerking van het Eindhovense afval,

30 Zie ghgprotocol.org

51 | Klimaatplan 2026-2030

maar bijvoorbeeld ook de uitstoot ten gevolge van de energieconsumptie van hier geproduceerde goederen. Het is bekend dat de indirecte uitstoot veel hoger ligt dan de directe uitstoot van de stad. Hier is dus impact te maken. Tegelijk is het bepalen en afbakenen van de scope 3-emissies, zeker op de schaalgrootte van een stad, erg complex. Veel kengetallen ontbreken of zijn nog niet voldoende onderbouwd.

En lang niet van alle materialen is goed precies vast te leggen wat de CO₂-afdruk is. Al is het totaal aan scope 3-emissies moeilijk volledig te kwantificeren, duidelijk is dat het overgrote deel ervan samenhangt met het de productie, het transport en het afdanken van materialen. Door minder nieuwe materiaal te gebruiken en bestaande materialen beter te herbruiken, is de omvang van de emissies in scope 3 terug te brengen, net als door het verkorten van aanvoerketens. In veel gevallen kan ook het gebruik van materialen van organische oorsprong in plaats van abiotische materialen de emissie in scope 3 omlaag brengen.

12.2 Privacy-paragraaf Het gebruik van data wordt binnen de gemeente een steeds belangrijker middel om te effectief beleid te kunnen voeren. De aanpak van klimaatverandering vormt daarop geen uitzondering. In tegendeel, het gebruik van verschillende typen data is onmisbaar om zo efficiënt mogelijk in te zetten op energiebesparing en verduurzaming. Het gebruik van data helpt de gemeente om in beeld te krijgen waar veel energie van fossiele oorsprong wordt gebruikt en dus ook nog veel CO₂ wordt uitgestoten. Met data kan de gemeente bijvoorbeeld energieverbruik per wijk analyseren om te zien waar verduurzaming van woningen het meest nodig is. Ook kan informatie over hitte-eilanden, wateroverlast of luchtkwaliteit worden gebruikt om gerichte acties te ondernemen, zoals het aanleggen van extra groen of het verbeteren van de waterafvoer. Zo kan de gemeente eenvoudiger bepalen op welke plekken de meeste winst te behalen valt en welke maatregelen daarbij het meeste effect hebben. Een door cijfers onderbouwde keuze is beter te verantwoorden en maakt de besluitvorming transparanter.

Soms maakt de gemeente hierbij ook gebruik van persoonsgegevens, bijvoorbeeld bij het ondersteunen van inwoners met subsidies of advies voor energiebesparing. Het is daarbij belangrijk dat deze gegevens verantwoord worden gebruikt. Dat betekent dat dit soort gegevens niet langer worden bewaard dan strikt noodzakelijk is en daarna worden gewist. De gemeente moet ervoor zorgen dat persoonsgegevens op een zorgvuldige en rechtmatige manier worden verwerkt, volgens de regels van de AVG. Bovendien moet het voor inwoners duidelijk zijn wanneer hun gegevens worden verzameld, gebruikt of ingezien en moet de gemeente uitleggen hoe en waarom dit gebeurt. In het privacybeleid31 en de specifieke privacy­ verklaringen32 van de gemeente staat vastgelegd welke persoonsgegevens worden verwerkt, wie verantwoordelijk is voor de verwerking van deze gegevens en wat het doel daarvan is. Voor de verduurzaming van woningen is ook een specifieke privacyverklaring33 vastgesteld.

12.3 Emissiefactoren Voor het bepalen van de toekomstige uitstoot is het niet alleen belangrijk om te weten wat de ontwikkeling van het energiegebruik is. Daarnaast is het ook van belang een goede inschatting te maken van de emissiefactor van verschillende energiedragers, dat wil zeggen de hoeveelheid CO₂ die vrij komt bij elke eenheid aan geproduceerde energie. Zo maakt het voor elektriciteit uit of een kWh geproduceerd is in een kolencentrale, of in een minder vervuilende gascentrale. Wanneer elektriciteit geproduceerd wordt met hernieuwbare bronnen zoals zon en wind, is de energie zelfs helemaal vrij van emissies.

31 Gemeente Eindhoven (2023) Strategisch privacybeleid Gemeente Eindhoven, uitvoering AVG en Wpg. 23bst00259. 32 Zie eindhoven.nl/bestuur-en-beleid/privacy/specifieke-privacyverklaringen 33 Zie e indhoven.nl/privacy/specifieke-privacyverklaring-verduurzaming-woningen

52 | Klimaatplan 2026-2030

Een aanzienlijk deel van de CO₂-reductie die de laatste jaren is gerealiseerd, is te herleiden naar het toenemende aanbod van duurzame, hernieuwbare energie. Doordat steeds meer van de elektriciteit uit het stopcontact uit hernieuwbare bronnen komt, neemt de emissiefactor van elektriciteit ook steeds verder af. In 2024 komt grofweg de helft van alle elektriciteit al uit hernieuwbare bronnen. In 2030, zo is de verwachting, is de hoeveelheid duurzame elektriciteit nog eens verdubbeld. Ook de emissiefactor van gas fluctueert, afhankelijk van het soort gas. Door de bijmenging van groen gas op het gasnet, zal de emissiefactor dalen. Het gaat daarbij echter om zeer beperkte hoeveelheden, simpelweg omdat er niet veel groen gas beschikbaar is. De toekomstige emissiefactoren voor elektriciteit zijn berekend aan de hand van de Klimaat- en Energieverkenning 202434. Door de verwachte emissie van de sector elektriciteit in 2030 en 2025 te delen door de netto hoeveelheid geproduceerde (bruikbare) energie, wordt de emissiefactor per kWh berekend. Voor de emissiefactor van aardgas is de aanname gehanteerd dat sprake is van 5% bijmenging van groene gassen, waarmee de emissiefactor uitkomt op 95% van de historische emissie.

2010 2011 2012 2013 2014 2015

Aardgas

Elektriciteit

kg CO₂e/m³ 1,791 1,788 1,788 1,788 1,785 1,788

kg CO₂e /GJ kg CO₂e /kWh 56,588 0,460 56,493 0,440 56,493 0,470 56,493 0,480 56,398 0,500 56,493 0,530

34 PBL, TNO, CBS en RIVM (2024), Klimaat- en Energieverkenning 2024. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

53 | Klimaatplan 2026-2030

kg CO₂e/GJ 127,778 122,222 130,556 133,333 138,889 147,222

Aardgas

Elektriciteit

1,788 56,493 0,490 136,111 2016 1,791 56,588 0,450 125,000 2017 1,791 56,588 0,430 119,444 2018 2019 1,791 56,588 0,370 102,778 2020 1,785 56,398 0,290 80,556 2021 1,785 56,398 0,300 83,333 2022 1,788 56,493 0,270 75,000 2023 1,782 56,303 0,220 61,111 2024* 1,779 56,209 0,214 59,444 2025* 1,767 55,835 0,208 57,778 2026* 1,755 55,462 0,185 51,444 2027* 1,744 55,088 0,162 45,111 2028* 1,732 54,715 0,140 38,778 2029* 1,720 54,342 0,117 32,444 2030* 1,708 53,968 0,094 26,111 2031* 1,708 53,968 0,085 23,717 2032* 1,708 53,968 0,077 21,323 2033* 1,708 53,968 0,068 18,928 2034* 1,708 53,968 0,060 16,534 2035* 1,708 53,968 0,051 14,140 2036* 1,708 53,968 0,041 11,312 2037* 1,708 53,968 0,031 8,484 2038* 1,708 53,968 0,020 5,656 2039* 1,708 53,968 0,010 2,828 2040* 1,708 53,968 0,000 0,000 Tabel 7: Emissiefactoren Elektriciteit en Aardgas 2010-2040. (*prognose)

54 | Klimaatplan 2026-2030

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15444088/1