CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Klimaatplan III, 2026-2030

Raadsvergadering 10 juni 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Klimaatplan III, 2026-203021.684 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

KLIMAATPLAN III 2026-2030 Gemeente Eindhoven Juni 2025

1 | Klimaatplan 2026-2030

Voorwoord Er gaat geen week voorbij of er is ergens wel nieuws dat verband houdt met klimaatverandering. En helaas is dat vaak geen goed nieuws. Jaar op jaar worden uitstootrecords verbroken en de effecten daarvan op het dagelijks leven worden steeds meer zichtbaar. Niet alleen in gebieden ver weg. Ook in onze directe omgeving merken we de gevolgen. In de herfst komen heftige regenbuien en zware stormen steeds vaker voor, terwijl de lente- en zomerperiodes heter en droger worden. Die effecten worden steeds sterker naarmate de concentratie van broeikasgassen in de lucht toeneemt. In de stad kunnen de temperaturen op hete zomerdagen ongezond hoog oplopen, terwijl vanaf het najaar de kans op wateroverlast toeneemt. Op het platteland zien boeren dat hun oogst onzekerder wordt, waardoor prijzen voor voedsel stijgen. En de natuur heeft nauwelijks tijd om te herstellen van langdurige perioden van droogte in de zomer. Niet voor niets erkennen we in Eindhoven dat er sprake is van een klimaatcrisis en een biodiversiteitscrisis. De wetenschap bewijst keer op keer: de oorzaak van de huidige klimaatverandering ligt onmiskenbaar in menselijk handelen. Dat betekent ook dat menselijk handelen die verandering kan tegengaan. En daar is haast bij. Doordat de effecten van klimaatverandering elkaar gaan versterken, wordt het steeds moeilijker om klimaatverandering te beperken.

Dit klimaatbeleid gaat over ons. Over de flora en fauna, het ecosysteem waar we onderdeel van zijn. Over het waarborgen van onze eigen toekomst en over het beschermen van onze omgeving. We werken samen om te voorkomen dat de stad een onleefbare, stenen woestijn wordt. Door te vergroenen en onze uitstoot te verminderen. Zo blijft de stad een aantrekkelijke woonplaats voor huidige en toekomstige Eindhovenaren.

2 | Klimaatplan 2026-2030

En tegelijkertijd nemen we de regie over onze eigen energievoorziening. De internationale geopolitieke dynamiek heeft ons eens te meer duidelijk maakt dat het risicovol is om voor onze energiebehoefte afhankelijk te zijn van buitenlandse regimes die niet altijd even betrouwbaar zijn. Daarom investeren we in betrouwbare en schone energie, zodat Eindhovenaren hun huizen kunnen verwarmen en koelen met betrouwbare, lokale energie. Zodat onze bedrijven kunnen blijven innoveren en vooroplopen in oplossingen voor een duurzame wereld. Waarmee we de kracht van onze regio inzetten voor het werken aan oplossingen voor de klimaatverandering, hier en elders in de wereld. Stevig en consistent beleid van de Rijksoverheid en Europa is daarbij onmisbaar om onze doelen te halen. Dit klimaatbeleid beschrijft wat wij in Eindhoven doen om bij te dragen aan de transitie naar een duurzame wereld. Dat doen we niet als gemeente alleen, maar samen met alle Eindhovenaren. Dat zal niet altijd makkelijk zijn en er is nog een lange weg te gaan, maar we zijn onderweg.

Rik Thijs Wethouder van klimaat, energie, grond en vergroening

Ontwikkeling van Klimaatbeleid 1992: Klimaatverdrag van Rio

2017: Rekenkameronderzoek Duurzaamheid

154 landen stellen op de Conferentie van de Verenigde Naties over Milieu en Ontwikkeling het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering vast. Hiermee werd de basis gelegd voor internationale klimaatafspraken.

Het rekenkamerrapport ‘Duurzaamheid, The Next Step’ geeft een impuls aan een meer integrale aanpak voor het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid

1997: Kyoto-protocol Het Verdrag van Kyoto legt voor het eerst reductiedoelen vast met betrekking tot broeikasgasreductie. Het is de basis voor de handel in emissierechten. Het protocol trad in 2005 in werking tot in 2020 het akkoord van Parijs in werking trad.

2020: Klimaatplan 2021-2026 In het tweede Klimaatplan wil Eindhoven de jaarlijkse uitstoot met 250 kiloton verminderen.

2023: Uitstootplafonds in begroting De klimaatdoelen worden in de begroting opgenomen in de vorm van uitstootplafonds per taakveld.

2002: Klimaatbeleidsplan

2024: Klimaat als hoofdopgave

Eindhoven stelt een specifiek Klimaatbeleidsplan vast.

Klimaatopgave wordt een hoofdopgave in de gemeentelijke organisatie. Er komt een Programmabureau Klimaat en Energie en in de lijnorganisatie wordt een aparte afdeling Energietransitie opgericht.

2014: Eerste wethouder Duurzaamheid Eindhoven installeert haar eerste wethouder Duurzaamheid.

2015: Het Akkoord van Parijs

2025: Eindhoven Energie

Op de klimaatconferentie van Parijs wordt afgesproken de klimaatverandering te beperken tot 2 °C, met het streven deze te beperken tot 1,5 °C.

De oprichting van een Eindhovens publiek energiebedrijf is een feit. Het bedrijf moet de verduurzaming van de energievoorziening in de stad verder aanjagen.

2016: Klimaatverordening Eindhoven

2026: Start derde Klimaatplanperiode

Met de Klimaatverordening gemeente Eindhoven stelt de gemeenteraad, in navolging van het akkoord van Parijs, bindende klimaatdoelen vast voor de stad. Later dat jaar volgt het eerste Klimaatplan 2016-2020.

3 | Klimaatplan 2026-2030

Inhoud 1 Voorwoord  Ontwikkeling van Klimaatbeleid 

2 3

2 Inleiding  2.1 Leeswijzer  2.2 Doel en reikwijdte  2.3 Het Klimaatplan  2.4 Vertaling naar taakvelden, de klimaatbegroting

5 5 7 7

3 Referentielijn en emissie-ontwikkeling 3.1 Referentie 1990  3.2 Ontwikkeling 1990 - 2023  3.3 Reductiedoelstelling vorige klimaatplan 4 Het energiesysteem van de toekomst  4.1 Uitbreiding bestaande infrastructuur 4.2 Uitbreiding van de stad  4.3 Warmtebronnenstrategie  4.5 Warmteprogramma 

8 9 9 10 11 12 13 13 14 15

5 De ontwikkeling binnen de sectoren16 5.1 Industrie en Bedrijfsleven  16 5.1.1 Energiehubs  17 5.1.2 Warmte voor bedrijven  17 5.1.3 Lokaal Waterstofnetwerk  17 5.1.4  Handhaving Energiebesparings plicht en EED Energie-audit  18 5.1.5 Verduurzaming utiliteit in de wijken  19 5.1.6 Eigen organisatie  19 5.1.7 Innovatie  19 4 | Klimaatplan 2026-2030

5.2 Woningen  5.2.2 Energiedienstenbedrijf  5.2.3 Energiegemeenschappen  5.3 Mobiliteit  5.3.1 Masterplan Mobiliteit  5.3.2 Modal shift  5.3.3 Laadpalen  5.3.4 Emissievrije zone  5.3.5 Na 2030  5.4 Publieke Dienstverlening  5.4.1 De gemeentelijke organisatie 5.4.2 Overige gemeentelijke panden 5.4.3 Openbare ruimte  5.4.4 Zorg  5.4.5 Onderwijs  5.4.6 Sport, cultuur en recreatie 

21 22 23 24 24 24 25 25 26 27 27 28 28 29 29 29

6 Communicatie met de stad 

30

7 Circulariteit 32 7.1 Circulaire Industrie  7.1.1 Milieu-impact van materialen 7.1.2 Ruimtevraag  7.2 Circulair bouwen  7.3 Eigen organisatie  8 Compensatie en negatieve emissies  8.1 Natuurlijke koolstofverwijdering  8.2 Technische koolstofverwijdering  8.3 Koolstofopslag in de gebouwde omgeving 

33 33 33 35 37 39 39 40 40

9 Keuzes en afwegingen  9.1 Additionele maatregelen  9.1.1 Lokaal waterstofnetwerk  9.1.2 Elektrificatie bedrijventerreinen 9.1.3 Warmtenet voor bedrijven terreinen  9.1.4 Handhaving erkende maatregelen  9.1.5 Zero Emissie Stadslogistiek 9.1.6 Regionale ov-hubs  9.1.7 Snelheidsverlaging  9.1.8 Zero Emissie Bouwverkeer  9.1.9 Verduurzamen utiliteits gebouwen  9.1.10 Verduurzamen bestaande woningen  9.2 Uitstootplafonds 

41 41 41 41 41 42 42 43 43 43 43 43 44

10 Financiële paragraaf  45 10.1 Investeringen in infrastructuur 45 10.1.1 Warmtenetten  45 10.1.2 Totaal kapitaallasten ten behoeve van investeringen  46 10.2 Meerjarige incidentele financiering 47 11 Monitoren en Sturen 49 Iteratief model50 Klimaatrapportage  50 12 Bijlagen  12.1 Soorten Uitstoot  12.2 Privacy-paragraaf  12.3 Emissiefactoren 

51 51 52 52

2 Inleiding Dit Klimaatplan beschrijft de acties en activiteiten die de gemeente Eindhoven de komende jaren gaat ondernemen om te voldoen aan de klimaatdoelen uit de Klimaatverordening. En hoewel dat kan suggereren dat het daarmee een beleidsplan is dat richting geeft aan één afgebakend beleidsdomein binnen de gemeente, is het tegendeel waar. De klimaat­ verandering raakt immers iedereen in de stad en dat maakt de klimaataanpak ook een gedeelde verantwoordelijkheid van de hele stad. Van bewoners en bezoekers, van ondernemingen en instellingen. Daarmee raakt het Klimaatplan ook vrijwel alle facetten van de gemeentelijke organisatie. Niet voor niets is in het bestuursakkoord uitgesproken dat alle organisatieonderdelen een eigen verantwoordelijkheid hebben in het tegengaan van klimaatverandering. Herkenbaarheid, medeverantwoordelijkheid en eigenaarschap zijn cruciaal om de koers die wordt uitgezet met het Klimaatplan 2026-2030 ook daadwerkelijk te realiseren. Bij de samenstelling van het klimaatplan is dan ook een groot aantal afdelingen van verschillende sectoren betrokken. Dat geldt ook voor de bestuurlijke betrokkenheid bij de totstandkoming van het Klimaatplan 2026-2030. Het klimaatbeleid kent weliswaar een coördinerend wethouder, de verantwoordelijkheid wordt binnen het huidige college breed gedragen.

En net zoals de samenwerking binnen de gemeentelijke organisatie een voorwaarde is voor succes, zo is ook de samenwerking daarbuiten van grote waarde. De gemeente Eindhoven werkt samen met de provincie en de regiogemeenten in de MRE samen aan de Regionale Energiestrategie en aan de aanpak van netcongestie. En samen met Groningen, Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Amsterdam is duo-stad Eindhoven-Helmond één van de kop­ 5 | Klimaatplan 2026-2030

lopersteden die zich hebben verbonden aan de Europese Klimaatmissie. Dit opent nieuwe mogelijkheden voor samenwerking met andere Europese steden en vergroot de kansen op het aantrekken van Europese geldstromen die nodig zijn om de klimaatdoelen dichterbij te brengen. Maar het meest belangrijk is de betrokkenheid van de hele stad bij het klimaatbeleid. De uitwerking van het klimaatbeleid raakt immers alle Eindhovenaren. Een schonere lucht en een groenere omgeving maken de stad een fijnere en gezondere plek om te wonen. Maar klimaatbeleid kan ook voor overlast zorgen. Als de weg openligt voor de aanleg van een collectieve warmtevoorziening bijvoorbeeld, of voor de versterking van het elektriciteitsnet. De stad is vorig jaar in het kader van de klimaatmissie intensief betrokken in gesprekken over het klimaatbeleid in de stad en ook bij de totstandkoming van het Masterplan Mobiliteit is uitgebreid met de stad gesproken. Bij het opstellen van het Klimaatplan is dankbaar gebruik gemaakt van de resultaten die deze trajecten hebben opgeleverd.

2.1 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt uiteengezet welke doelen er in de Klimaatverordening Gemeente Eindhoven 2016 worden gesteld, welke verplichtingen uit de verordening voortvloeien en hoe deze worden ingevuld. In het hoofdstuk wordt ook toegelicht hoe de doelen verder worden uitgesplitst in doelen per taakveld. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling van de broeikasgasemissie sinds 1990 beschouwd en wordt de restopgave tot aan 2030 becijferd. Voor de overgang naar duurzame energie is het cruciaal dat het energie­ systeem is berekend op de toekomstige vraag naar en het aanbod van

duurzame energie. Dit aspect wordt toegelicht in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden vervolgens de verschillende sectoren behandeld. Opeenvolgend komen de Eindhovense industrie en bedrijven, de woningen, de mobiliteit en de publieke diensten aan bod. Per sector wordt uiteengezet welke ontwikkelingen zich hebben voortgedaan, waarna uiteen wordt gezet met welke bestaande en nieuwe trajecten de uitstoot in de desbetreffende sector verder zal worden teruggebracht. Hoofdstuk 6 zet de communicatiestrategie richting de stad uiteen. Waar de voorgaande hoofdstukken met name gaan over de broeikasgas­ emissies die gerelateerd zijn aan energieverbruik, behandelt hoofdstuk 7 de klimaateffecten van materiaalgebruik. Hoewel de impact van materiaalgebruik veel verder reikt dan alleen de uitstoot van broeikasgassen, wordt binnen de context van dit klimaatplan het onderwerp circulariteit benaderd vanuit de invloed die het heeft op de klimaatverandering. Het voorkomen of verminderen van CO₂-uitstoot vormt de kern van het Klimaatbeleid van Eindhoven. Deze inzet kan aangevuld en verreikt worden met de mogelijkheid ook koolstof uit de atmosfeer te verwijderen. Het gaat dan om negatieve emissies. Dit kan zowel op natuurlijke wijze als met de inzet van technische innovaties. Binnen Eindhoven zijn meerdere bedrijven op dit front actief. Hoofdstuk 8 gaat daar nader op in.

In hoofdstuk 9 worden de aanvullende interventies toegelicht die moeten leiden tot het behalen van de doelstelling uit de klimaatverordening de emissies ten opzichte van 1990 met 55% te verminderen. In hoofdstuk 10 wordt de financiering van deze activiteiten en interventies nader toegelicht. Hoofdstuk 11, ten slotte, gaat dieper in op de wijze waarop toezicht wordt gehouden op de voortgang op de ingezette interventies.

6 | Klimaatplan 2026-2030

2.2 Doel en reikwijdte In 2016 heeft de gemeenteraad van Eindhoven, in navolging van de twee maanden eerder gesloten Overeenkomst van Parijs1, een eigen, lokale Klimaatverordening vastgesteld2. Eindhoven liep daarmee voorop: voor zover bekend is er geen andere gemeente met een soortgelijke klimaatverordening. Het zou ook nog bijna vier jaar duren voordat in 2020 een landelijke Klimaatwet in werking trad. De overkoepelende taakstelling die in de Klimaatverordening is vastgelegd, is de onomkeerbare stapsgewijze terugdringing van de uitstoot van broeikasgassen in de gemeente Eindhoven. Ten opzichte van het ijkjaar 1990 moet de uitstoot van broeikasgassen in 2030 zijn teruggebracht met minimaal 55%. In 2050 moet de uitstoot zijn gereduceerd met minimaal 95%. Dat laatste doel is inmiddels ingehaald door huidige Klimaatwet die, sinds de herziening van 2023 en in lijn met de Europese Klimaatwet, voorschrijft dat de uitstoot in 2050 moet zijn teruggebracht naar nul om daarna tot negatieve emissies te komen. Hier heeft de hogere wetgeving voorrang op de verordening, waarmee de nuldoelstelling de facto ook geldt voor Eindhoven. Een bijkomende uitdaging daarbij is de snelle groei van de stad. Elke nieuwe inwoner van de stad, elk nieuw bedrijf en elke nieuwe arbeidsplaats brengt een aanvullende energievraag met zich mee. Deze wordt nu nog voor een deel met fossiele energie ingevuld.

Wanneer de stad groeit, moet dus niet alleen de uitstoot van de bestaande energievraag worden teruggebracht, ook de extra energievraag als gevolg van de groei moet volledig duurzaam worden ingevuld. Voor Eindhoven is die uitdaging de afgelopen jaren alleen maar groter geworden. De bevolkingsprognose voor 2030 ligt inmiddels zo’n 20.000 inwoners hoger dan dat ten tijde van bij het vaststellen van de Klimaatverordening was voorzien. Daarmee is de opgave aanmerkelijk zwaarder dan ten tijde van de vaststelling van de Klimaatverordening was 1 Zie: overeenkomst van Parijs 2 Zie: Klimaatverordening gemeente Eindhoven 2016

7 | Klimaatplan 2026-2030

voorzien. Desalniettemin houdt de stad vast aan de doelen. De groei van de stad biedt bovendien ook de kans om maximaal in te zetten op duurzame uitbreiding en daarbij ook de verduurzaming van de bestaande stad mee te nemen. Een lastig punt in de Klimaatverordening is de taakstelling die oproept tot 100% duurzaam opgewekte energie per 1 juli 2045. Indien hier wordt bedoeld dat alle energie die in Eindhoven wordt gebruikt, lokaal duurzaam opgewekt moet worden, is dat een onmogelijke opdracht. Ook indien er – in tegenstelling tot de huidige inzichten – voldoende lokale warmtebronnen beschikbaar zijn om een groot deel van de warmtevraag met lokale warmtebronnen zoals geothermie in te kunnen vullen, blijft de resterende elektriciteitsvraag van dien aard, dat hiervoor honderden windturbines of duizenden hectaren zonne­weide nodig zijn. Dergelijke aantallen zijn in een stedelijke omgeving als Eindhoven onmogelijk in te passen. Vanuit dat perspectief kan de opmerking niet anders gelezen worden dan dat energie zoveel mogelijk lokaal wordt opgewekt, in de verwachting dat de landelijke energiemix tegen die tijd zal bestaan uit duurzame bronnen en daarmee een emissiefactor van nul heeft.

2.3 Het Klimaatplan De Klimaatverordening schrijft voor dat er elke vijf jaar een Klimaatplan wordt opgesteld dat aangeeft hoe de gestelde reductiedoelen worden behaald. In 2020 is het tweede klimaatplan voor de periode 2021-2025 vast­gesteld. Het voorliggende, derde Klimaatplan heeft een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030. Doel van het Klimaatplan is om voor de langere termijn richting te geven aan de activiteiten die moeten bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelen. Het einde van de derde Klimaatplanperiode markeert daarbij het jaar waarin het eerste tussendoel – 55% reductie van de jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990 – moet zijn behaald. Het voorliggende plan zal daarom primair gericht zijn op inzet die gepleegd moet worden om dat doel te behalen.

Daarnaast heeft Eindhoven zich in het tweede Klimaatplan en in het vigerende bestuursakkoord ‘Samen Morgen Mooier Maken’ aangesloten bij de Rijksdoelstelling in 2030 het gebruik van primaire abiotische grondstoffen3 te hebben gehalveerd, op weg naar een volledig circulaire economie in 2050. De wijze waarop Eindhoven invulling geeft aan dit doel, maakt onderdeel uit van dit Klimaatplan.

2.4 Vertaling naar taakvelden, de klimaatbegroting De Klimaatverordening schrijft tevens voor dat jaarlijks een Klimaatbegroting wordt opgesteld die samen met de programmabegroting ter vaststelling naar de raad wordt gestuurd. Tot 2024 was deze Klimaatbegroting een bijlage bij de programmabegroting, waarin de inspanningen ten aanzien van specifieke sectoren waren opgenomen. In de programmabegroting van 2024 zijn de klimaatdoelen, in lijn met de uitspraak in het bestuursakkoord, voor het eerst vertaald naar emissieplafonds per taakveld. Hierbij moest elk taakveld de uitstoot in 2030 met 55% hebben teruggebracht ten opzichte van 1990. Deze vertaling naar specifieke emissieplafonds maakte duidelijk dat het niet realistisch is de 55%-doelstelling rechtlijnig door te leggen naar elk taakveld. De uitstoot heeft zich in de verschillende sectoren sinds 1990 immers verschillend ontwikkeld. Waar de industrie de eigen emissies door het verduurzamen van productieprocessen al in de jaren ’90 aanzienlijk heeft weten terug te dringen, werd bij woningen, publieke en commerciële diensten de daling van de uitstoot pas veel later ingezet en is de uitstoot in de sector mobiliteit op dit ogenblik zelfs nog veel hoger dan dat deze in 1990 was. De Klimaatverordening stelt geen sectorale reductiedoelen, maar enkel een overkoepelend doel voor de hele gemeente. Dat betekent dat de doelen niet

3 Met primaire, abiotische grondstoffen wordt gedoeld op mineralen (bijvoorbeeld grind, zout en fosfaat), metalen (zoals ijzererts en bauxiet) en fossiele grondstoffen (zoals aardgas en olie) die niet uit hergebruik afkomstig zijn en dus nieuw uit de natuur moeten worden gemijnd.

8 | Klimaatplan 2026-2030

rechtlijnig hoeven worden doorgelegd naar elk taakveld, maar dat maatwerk mogelijk is, zolang het overkoepelende doel van 55% reductie op de totale broeikasgasemissies maar gehaald wordt. In dit Klimaatplan worden de uitstootplafonds voor 2030 op de verschillende taakvelden daarom opnieuw vastgesteld.

3 Referentielijn en emissie-ontwikkeling De emissie van broeikasgassen wordt onderverdeeld in drie ‘scopes’. Scope 1 betreft directe uitstoot van broeikasgassen door verbranding van fossiele brandstoffen. Het omvat de broeikasgassen die ter plaatse worden uitgestoten. Het is bijvoorbeeld de CO₂ die vrijkomt bij gasverbruik voor verwarming of de verbranding van benzine in een auto. Scope 2 betreft de broeikasgassen die weliswaar elders worden uitgestoten, maar direct verband houden met het energieverbruik hier. Het gaat dan in de praktijk vaak om de uitstoot die het gevolg is van het elektriciteitsverbruik. Scope 3, ten slotte, omvat alle broeikasgassen die elders worden uitgestoten ten behoeve van producten voor of diensten aan de stad. Het betreft de uitstoot die is vrijgekomen bij het fabriceren van ingekochte producten of die vrijkomt bij het verwerken ervan aan het einde van de gebruiksduur (Zie ook § 12.1: Soorten Uitstoot). De in de Klimaatverordening beschreven taakstelling rondom uitstootreductie wordt in artikel 1.2 gerelateerd aan energiebesparing en de toename van het aandeel duurzame energie. Daaruit volgt dat de emissiereductiedoelstelling in de klimaatverordening van toepassing is op scope 1 en 2. Daarmee is niet gezegd dat scope 3-emissies onbelangrijk zijn. Sterker nog, deze verborgen uitstoot kan zelfs twee keer zo groot zijn als de directe uitstoot.

Wel zijn deze emissies op dit moment nog moeilijk meetbaar en inzichtelijk te maken. In de komende periode zal Eindhoven hier ervaring mee moeten opdoen. Daarvoor zal ook de samenwerking worden gezocht met andere steden die hier net als Eindhoven beter op willen gaan sturen. Wel is helder dat scope 3-emissies nauw samenhangen met het gebruik van materialen. Daarom wordt de reductie van dit deel van de indirecte uitstoot van Eindhoven in 9 | Klimaatplan 2026-2030

samenhang beschouwd met het gebruik van grondstoffen en materialen en maakt het onderdeel uit van de beweging naar een circulaire economie. Dit is nader beschreven in § 7 (Circulariteit).

3.1 Referentie 1990 De in de Klimaatverordening gestelde taakstelling voor emissiereductie is relatief. Dat wil zeggen, de taakstelling is geformuleerd als een percentage van de uitstoot in 1990. Om precies te weten hoeveel kiloton in 2030 nog maximaal kan worden uitgestoten binnen de grenzen van de verordening, moet eerst de referentie, de absolute uitstoot aan broeikasgassen in Eindhoven in 1990, worden bepaald. In het Klimaatplan 2016-20204 werd daarvoor, net als nu, al gebruik gemaakt van de CBS-emissieregistratie. „In de CBS-emissieregistratie werden destijds in 1990 nog niet alle bronnen meegenomen, zoals de emissie ten gevolge van het elektriciteitsgebruik”, zo valt in het Klimaatplan 2016-2020 te lezen. Om te vervolgen: „Hiervoor is daarom een zo goed mogelijke inschatting gedaan. Op basis van deze inschattingen is berekend dat de CO₂-emissie in Eindhoven in 1990 ongeveer 1.200.000 ton CO₂ per jaar bedroeg.” Bij de opstelling van het voorliggende Klimaatplan is deze referentie, met inbegrip van alle nu beschikbare gegevens, opnieuw onder de loep genomen. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van data uit het Nationale Energie Verkenning-Rekensysteeem (NEV-RS), de emissieregistratie van de RIVM en 4 Gemeente Eindhoven (2016), Klimaatplan 2016-2020, Verminderen van CO₂ uitstoot en aanpassen aan klimaatverandering. 16bst01786.

de Regionale Klimaatmonitor. Het toegenomen begrip van de emissiecijfers maakt het mogelijk de historische uitstoot met steeds meer nauwkeurigheid te bepalen en uit te splitsen in de verschillende in het Klimaatakkoord benoemde sectoren5. Omdat tot 2010 geen gespecificeerde lokale cijfers over het elektriciteitsverbruik bekend zijn, is hiervoor het jaar 2020 als referentie genomen. In dat jaar was het aandeel van de uitstoot van de Nederlandse elektriciteitssector gelijk aan het aandeel in 1990. Voor de berekening van de uitstoot in 1990 is aangenomen dat deze gelijke verhouding ook gold op het schaalniveau van de stad. Op basis van de gemiddelde verhouding van de uitstoot van het elektraverbruik tussen woningen, publieke diensten, industrie en bedrijfsleven vanaf 2010 is de uitstoot ten gevolge van het elektriciteits­ gebruik vervolgens ook verdeeld onder de sectoren.

3.2 Ontwikkeling 1990 - 2023 Op basis van de beschikbare gegevens is de uitstoot van broeikasgassen in Eindhoven voor 1990 opnieuw vastgesteld op 1.379 kt CO₂e. Dit is exclusief emissies afkomstig van verkeer op auto(snel)wegen en de luchtvaart. Deze uitstoot bestaat voor 1.223 kt uit CO₂. Het overige deel, 156 kt CO₂e, bestaat uit andere broeikasgassen. In 2023, het meest recente jaar waarvan gedetailleerde gegevens beschikbaar zijn, lag de broeikasuitstoot in Eindhoven op 922 kt CO₂e. Ten opzichte van in 1990 is daarmee tot nu toe een emissie­reductie van 33% gerealiseerd (zie Figuur 1). Om tot 55% reductie te komen, moet de uitstoot nog verder verlaagd worden tot maximaal 620,6 kt CO₂e in 2030. Figuur 1: ontwikkeling broeikasgasemissies 2023 t.o.v. 1990

5  In het Klimaatakkoord zijn de afspraken omtrent uitstootreductie van broeikasgassen onderverdeeld in zes verschillende sectoren, dit zijn de sectoren elektriciteit, landbouw en landgebruik, gebouwde omgeving, industrie en mobiliteit. 6 Myhre, G., D. Shindell, F.-M. Bréon, W. Collins, J. Fuglestvedt, J. Huang, D. Koch, J.-F. Lamarque, D. Lee, B. Mendoza, T. Nakajima, A. Robock, G. Stephens, T. Takemura and H. Zhang. (2013): Anthropogenic and Natural Radiative Forcing. Cambridge University Press. 10 | Klimaatplan 2026-2030

1400

Jaarlijksbroeikasgasuitstoot in Eindhoven in CO₂-equivalenten (kton)

Naast de uitstoot van CO₂ is in dit klimaatplan ook de uitstoot van andere broeikasgassen meegenomen. Koolstofdioxiden (CO₂) vormen veruit het grootste deel van de broeikasgasuitstoot. De uitstoot van broeikasgassen als lachgas (N₂O) en methaan (CH₄) zijn relatief gering, maar significant omdat deze een veel zwaarder effect hebben op de opwarming van de aarde. Van methaan is het effect 28 keer groter dan dat van CO₂ en van lachgas maar liefst 265 keer groter. Daarnaast is er een groep gefluoreerde broeikasgassen, waaronder fluorkoolwaterstof (HFK’s) en chloorfluorkoolstof (CFK’s), die honderden tot zelfs meer dan tienduizend keer sterker zijn dan CO₂ 6. Deze F-gassen komen met name vrij in de industrie en worden daarnaast gebruikt in oudere koelsystemen. Het gebruik ervan is met name in de jaren negentig van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw al fors teruggebracht. Omwille van de vergelijkbaarheid in de cijfers wordt het effect van elk van deze broeikasgassen teruggerekend naar het effect van CO₂. De totale uitstoot van broeikasgassen wordt daarom weergegeven in CO₂-equivalenten (CO₂e).

1990

2023

1200 1000 800 600 400 200 0 Publieke Dienstverlening - overig Industrie & Bedrijfsleven - overig Wonen - overig Mobiliteit - overig

Publieke Dienstverlening CO2 Industrie & Bedrijfsleven CO2 Wonen CO2 Mobiliteit CO2

Doel 2030

De klimaatverordening schrijft voor dat jaarlijkse taakstellingen worden opgelegd ten aanzien van de klimaatdoelen. In het eerste Klimaatplan 2016-2020 werd voor 2020 een reductiedoel van 115,35 kt vastgesteld ten opzichte van het jaar 2014. Dit doel is in het tweede Klimaatplan 2021-2025 met terugwerkende kracht opgehoogd naar 150 kt, gemeten vanaf 2015. Voor de nieuwe klimaatplanperiode werd een reductiedoel van 250 kt vastgesteld. Bij elkaar opgeteld komt dit neer op een emissiereductie van 400 kt in de periode 2015-2025. De daadwerkelijk behaalde reductie in de eerste klimaatplanperiode is aanmerkelijk hoger en bedraagt 329 kt CO₂e. Dit resultaat is wel vertekend vanwege een extreme dip in de emissiecijfers van 2020 als gevolg van de lockdown die werd ingesteld ten gevolge van de uitgebroken coronapandemie. De uitstoot in de tweede klimaatplanperiode is tot en met 2023 gedaald met 142 kt CO₂e. Op basis van de ontwikkelingen is te verwachten dat de reductie in 2025 zal uitkomen op 189 kt CO₂e. Dit resultaat ligt, vanwege de eenmalige dip in de uitstoot in het jaar 2020, dan weer onder het gestelde besparingsdoel. Indien voor de eenmalige uitstootdip wordt gecorrigeerd, valt evenwel te concluderen dat beide doelen ruimschoots zijn gehaald.

Waar bij elkaar opgeteld in de periode 2015-2025 een emissiereductie van 400 kt was beoogd, is in 2023 reeds een reductie van 471 kt CO₂e bereikt, die naar verwachting nog zal oplopen tot 518 kt CO₂e in 2025. Daarmee loopt Eindhoven ver voor op de doelen die in de eerste twee klimaatplannen zijn gesteld. Daarbij moet worden aangetekend dat de reductiedoelen in de eerste twee klimaatplannen niet voldoende scherp gesteld waren om in 2030 het doel van de Klimaatverordening te halen. Hiervoor is een scherpere daling van de jaarlijkse emissie noodzakelijk. De eerdere klimaatplannen gingen er daarmee

11 | Klimaatplan 2026-2030

vanuit dat de jaarlijkse reductiedoelen tot 2030 steeds verder aangescherpt zouden worden. Het voorliggende klimaatplan beschrijft maatregelen om die benodigde versnelling in te zetten en zo in 2030 een emissiereductie van 55% te bewerkstelligen. Figuur 2: OntwikkelingEHV uitstoot broeikasgassen Eindhoven (*prognose) Broeikasgasuitstoot *) prognose 1.600 1.400 Broeikasgasuitstoot in CO₂-equivalenten (kton)

3.3 Reductiedoelstelling vorige klimaatplan

1.200 1.000 800 600 400 200 0

1990

2010

Mobiliteit Wonen

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Industrie en bedrijfsleven Publieke dienstverlening

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024 *

Doel Klimaatverordening Reductiepad Klimaatplan I, II & III

2025 *

4 Het energiesysteem van de toekomst Voordat het Klimaatplan ingaat op de specifieke uitstoot binnen de verschillende sectoren, is het van belang stil te staan bij het energie­ systeem. De transitie naar duurzame energie betekent immers dat Eindhoven overstapt op andere energiebronnen en andere energiedragers, die ook weer op andere locaties worden opgewekt. De meest in het oog springende verandering is de omschakeling naar elektriciteit. Steeds meer huizen worden geheel of gedeeltelijk verwarmd met een elektrische warmtepomp en het aantal elektrische (snor)fietsen en auto’s neemt jaarlijks toe. Tegelijk wordt de elektriciteit niet meer op centrale plekken opgewekt, maar vindt dit steeds meer decentraal plaats. Niet in een gasof kolengestookte elektriciteitscentrale, maar op daken, weides en via windprojecten op land en zee. Daar is het elektriciteitssysteem niet op berekend. Dat is ooit aangelegd om een radio en een aantal gloeilampen van 75 Watt te bedienen. Ondanks de investeringen die de afgelopen jaren al hebben plaatsgevonden om het elektriciteitsnet te verzwaren, is het huidige systeem nog niet klaar voor de toekomstige energievraag. Het is inmiddels bijna niet meer voor te stellen, maar vijf jaar geleden had nog vrijwel niemand gehoord van netcongestie, file op het stroomnet.

De vroegste vermelding in Eindhovense beleidsstukken is terug te vinden in de Jaarrekening van 2019, waarin voor het eerst viel te lezen dat Enexis tegen de grenzen van de transportcapaciteit aanliep. En vanaf dat moment ging het snel. Veruit het grootste gedeelte van Nederland heeft inmiddels te maken met netcongestie. Die congestie doet zich niet de hele dag voor, maar met name op specifieke momenten: in de middag tussen 16.00 en 21.00 uur en in iets

12 | Klimaatplan 2026-2030

mindere mate in de ochtend. Daarnaast kan het stroomnet op zonnige zomerdagen de door pv-panelen geproduceerde stroom niet altijd kwijt. De meest eenvoudige oplossing lijkt het uitbreiden van het elektriciteitsnet. In de praktijk is dit echter een langlopend proces en daarnaast ook een maatschappelijk kostbare oplossing. Er zijn meer knoppen waaraan gedraaid kan worden om de congestieproblematiek te verzachten. En ook daar gaat de vergelijking met files op de snelweg op. In plaats van het aanleggen van extra rijbanen, kan gestuurd worden op de vraag door het gebruik van elektriciteit te stimuleren op momenten waarop er veel stroom beschikbaar is en te ontmoedigen op piekmomenten. Wanneer stroomverbruik niet tijdsgevoelig is, kunnen slimme elektrische apparaten op een smart grid zelf het goede moment uitkiezen om aan te springen of juist even uitgeschakeld te blijven. En met opslagsystemen kunnen korte pieken in vraag of aanbod lokaal worden opgevangen. En waar mogelijk kan gekozen worden voor andere warmtesystemen. Door in dichtbebouwde gebieden te kiezen voor een duurzaam collectief systeem voor de levering van warmte en koude, in plaats van individuele warmtepompen, kan het elektriciteitsnet in deze gebieden worden ontzien. Een decentrale duurzame energievoorziening omvat meer dan alleen lokale opwekvoorzieningen en de bijbehorende infrastructuur.

Tot voorkort was het energiesysteem grotendeels unidirectoneel. Op centrale plekken werden energiedragers ingevoed en getransporteerd naar de gebruiker. Dat systeem zal in toenemende mate bidirectioneel worden, waarbij lokale opwek ook

zoveel mogelijk lokaal wordt gebruikt en overschotten en tekorten zo veel mogelijk worden geëgaliseerd met lokale conversie of opslag. Pas daarna volgt de uitwisseling van energie tussen grotere gebieden. Zo ontstaat een robuust en toekomstbestendig gedecentraliseerd energiesysteem, waarbij elk onderdeel in grote mate zelfstandig is en tevens is verbonden met andere onderdelen.

4.1 Uitbreiding bestaande infrastructuur De uitbreiding van de middenspannings- (MS) en laagspanningsinfrastructuur (LS) is noodzakelijk om de groeiende vraag naar elektriciteit te ondersteunen. Dit is essentieel voor het integreren van hernieuwbare energiebronnen in het energiesysteem en het waarborgen van een betrouwbare energievoorziening. Door de infrastructuur te versterken kunnen piekbelastingen beter worden opgevangen en wordt de stabiliteit van het elektriciteitsnet verbeterd. Dat draagt bij aan een veerkrachtiger en toekomstbestendig energiesysteem. Samen met de netbeheerder werkt de gemeente Eindhoven aan het eenvoudig uitwisselen van gegevens, het standaardiseren van processen en het optimaliseren van data, zodat de noodzakelijke uitbreiding van de infrastructuur zo efficiënt mogelijk kan worden uitgerold over de stad en doorlooptijden zo veel mogelijk worden verkort. Hoewel de gemeente zeker niet de enige speler is, doet Eindhoven op deze manier binnen haart invloedsfeer het maximale om processen te versnellen.

4.2 Uitbreiding van de stad Naast de toenemende elektricitetsvraag in de bestaande stad, legt ook de uitbreiding van de stad een extra druk op het elektriciteitsnet. Voor die uitbreiding is eigenlijk onvoldoende capaciteit op het net. Om de uitbreidingen toch mogelijk te maken, is het cruciaal om vanaf het eerste ontwerp rekening te houden met het minimaliseren van de netimpact van een stedelijke uitbreiding. Dit heet Netbewust ontwikkelen en ontwerpen. Dat houdt in dat bij de planning en bouw van nieuwe projecten vanaf de start gezocht wordt naar mogelijkheden om de energievraag zo laag mogelijk te houden, de belasting

13 | Klimaatplan 2026-2030

op het net gelijkmatig over de dag te verspreiden en de netbelasting te sturen. Dit voorkomt verdere belasting van het laagspanningsnet en zorgt voor een efficiëntere integratie van duurzame energiebronnen. Door vroegtijdig in het ontwerpproces samen te werken met netbeheerders, kunnen knelpunten worden geïdentificeerd en opgelost, wat leidt tot een duurzamer en meer kosteneffectief energiesysteem. In samenhang met de ontwikkeling van de stad wordt gewerkt aan een lange termijnvisie voor de noodzakelijke energievoorzieningen in de stad.

4.3 Warmtebronnenstrategie Eén van de manieren om het nu al overbelaste elektriciteitsnet enigszins te ontzien, is door waar dat kan te kiezen voor collectieve systemen voor de levering van warmte en koude in plaats van individuele elektrische voor­ zieningen. Of dat mogelijk is, hangt enerzijds af van de bebouwings­dichtheid. Als woningen te ver uit elkaar liggen, is een warmtenet economisch en technisch nauwelijks haalbaar. Anderzijds moeten er duurzame bronnen beschikbaar zijn waarmee een warmtenet gevoed kan worden, zoals bijvoorbeeld geothermie, aquathermie of restwarmte. Om de juiste keuzes te kunnen maken over de inzet van bronnen, wordt eerst onderzocht welke bronnen er beschikbaar zijn. Deze worden vervolgens opgenomen in een warmtebronnenstrategie als onderdeel van het warmteprogramma7. Deze beschrijft de theoretische potentie van de verschillende bronnen en op welke wijze deze kunnen worden ingezet om aan de stedelijke warmtevraag te voldoen. De strategie analyseert de daadwerkelijke haalbaarheid van de bronnen en doet uitspraken over de maatschappelijk meest wenselijke toedeling ervan. (Zie § 5.2.2: Warmtetransitie).

7 Met ingang van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wijzigt de Omgevingswet en verandert de naam transitievisie warmte in warmteprogramma. Op dit moment is de Wgiw nog niet van kracht. De beoogde inwerkingtreding is 1 januari 2026. In een warmteprogramma beschrijft een gemeente de aanpak van het isoleren en aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Hierin staat welke wijken, buurten en dorpskernen in de komende 10 jaar van het aardgas gaan en hoe dat gebeurt.

14 | Klimaatplan 2026-2030

Er zijn in Eindhoven voor zover nu bekend onvoldoende duurzame energiebronnen beschikbaar om in de eigen behoefte te kunnen voorzien. De schaarse bronnen die er wel zijn, moeten daarom optimaal worden benut. Eén van de beschikbare bronnen is het oppervlaktewater in de stad. Samen met Waterschap de Dommel gaat de gemeente een waterenergieplan opstellen. Dat plan beschrijft hoe de waterlopen kunnen bijdragen aan de energietransitie en hoeveel warmte er uit de watergangen onttrokken kan worden zonder nadelige effecten voor waterbeheer en ecologie. Deze inzichten worden verwerkt in het Warmteprogramma.

4.4 Warmtebedrijf Eind 2024 heeft de gemeenteraad van Eindhoven ingestemd met de oprichting van een publiek energiebedrijf. Het energiebedrijf heeft als primaire taak het leveren van duurzame energie en het aanleggen en beheren van de daarvoor benodigde infrastructuur. Een publiek energiebedrijf is een middel om meer grip te krijgen op en sturing te geven aan de maatschappelijke kansen en uitdagingen van de energietransitie. Het biedt een mogelijkheid om publieke waarden te realiseren en belangen te borgen. Die betreffen naast de realisatie van een duurzaam, robuust en toekomstbestendig warmtesysteem ook de rechtvaardige verdeling van baten en lasten die voortkomen uit nieuwe energievoorzieningen. Een publiek energiebedrijf heeft bij uitstek tot doel om publieke belangen (versneld) op te pakken of ze te realiseren daar waar dat zonder overheidsinterventie onvoldoende gebeurt. Met een zelfstandig en publiek energiebedrijf wil de gemeente Eindhoven vaart maken met de verduurzaming van de energievraag in de gebouwde omgeving. De voorgestelde Wet collectieve warmte (Wcw), die naar verwachting begin 2026 in werking zal treden, legt vast dat collectieve warmtevoor­ ziening en de daaruit voortvloeiende warmtelevering een publieke taak is. De Wcw geeft de gemeenteraad ook de bevoegdheid warmtekavels aan te wijzen.

Binnen een warmtekavel wordt een warmtebedrijf aangewezen voor de realisatie van een collectief warmtesysteem. Elke woning moet daarop

kunnen worden aangesloten. Bewoners behouden evenwel het recht om zelf te kiezen voor een ander, zelfgekozen duurzaam warmtealternatief. De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) geeft gemeenten de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen die binnen een redelijke termijn moeten zijn overgestapt op een duurzaam warmtealternatief, waarna het gasnet wordt afgekoppeld.

4.5 Warmteprogramma De Wgiw verplicht gemeenten ook tot het eens per vijf jaar actualiseren van het warmteprogramma, de opvolger van de transitievisie warmte. Eind 2025 stelt het college het eerste warmteprogramma vast, dat voor de periode tot 2035 beschrijft in welke buurten de gemeente aan de slag gaat met het aardgasvrij maken van de energievoorziening en waar ze voornemens is de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Wanneer het gebied van het aardgas afgaat en wat het duurzaam alternatief zal zijn, wordt definitief vastgelegd in het omgevingsplan. Ondertussen worden de bestaande aanpakken in de startbuurten onverminderd voortgezet: ’t Ven-Lievendaal en Eindhoven Noordoost. In een aparte samenwerkingsovereenkomst maakt de gemeente afspraken met de vier Eindhovense woningcorporaties over de aansluiting van corporatiewoningen op collectieve warmte- en koudesystemen. De aansluiting van corporatiewoningen is essentieel voor het succes van collectieve oplossingen. In gebieden waar individuele warmtepompen de beste oplossing is, ontwikkelt Eindhoven een gebiedsgerichte aanpak.

15 | Klimaatplan 2026-2030

5 De ontwikkeling binnen de sectoren Binnen de industrie en het overige bedrijfsleven is de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2023 met 53% gedaald. De daling in Eindhoven is voor een groot gedeelte toe te schrijven aan maatregelen die in de jaren ’90 en ’00 zijn genomen in de industrie. In het Montreal-protocol8 waren inter­nationaal afspraken vastgelegd rond het terugdringen van gassen die schadelijk zijn voor de ozonlaag, maar daarnaast ook een klimaatopwarmend effect hadden. Vanaf 2013 begint ook het energieverbruik binnen de industrie zichtbaar af te nemen als gevolg van steeds efficiënter wordende productieprocessen. Daardoor is in de industrie de vermindering van de uitstoot eerder op gang gekomen dan in andere sectoren en heeft de industrie de eigen uitstoot ten opzichte van 1990 nu al ruim gehalveerd. Binnen de commerciële dienstverlening wordt de kentering in het energie­ verbruik pas aan het einde van het vorige decennium zichtbaar. Het positieve effect van een lager energieverbruik wordt de laatste jaren versterkt doordat de emissiefactor van met name elektriciteit daalt als gevolg van een steeds groter percentage duurzaam opgewekte elektriciteit. Daarmee hebben de industrie en het overige bedrijfsleven sinds 1990 een indrukwekkende bijdrage

8 Het Montreal-protocol trad in 1989 in werking en beoogde de productie van gehalogeneerde koolwaterstoffen zoals CFK’s en HCFK’s met een schadelijke werking op de ozonlaag terug te dringen. Deze gassen zijn tevens een broeikasgas. Hoewel niet schadelijk voor de ozonlaag is in 2016 ook besloten het gebruik van fluorkoolwaterstoffen (HFK’s) terug te dringen. Deze werden vaak als koudemiddel in klimaatbeheersingssystemen gebruikt als alternatief voor HCKK’s. Hoewel niet schadelijk voor de ozonlaag, zijn HFK’s wel een zwaar broeikasgas. 16 | Klimaatplan 2026-2030

geleverd aan de vermindering van broeikasgasemissies. In absolute termen blijft dit nog wel de sector met de hoogste emissie. Figuur 3: Ontwikkeling broeikasgasemissies Industrie en Bedrijfsleven Eindhoven Industrie & Bedrijfsleven, prognose 700 Broeikasgasuitstoot in CO₂-equivalenten (kton)

5.1 Industrie en Bedrijfsleven

600 500 400 300 200 100 0 1990

2010

2011 2012 2013

Realisatie

2014 2015 2016

Prognose

2017

2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030

55% reductie

In de uitstootcijfers zijn ook twee ingrijpende ontwikkelingen van meer recente datum goed zichtbaar. Dat is in 2020 de terugvallende productie ten gevolge van de lockdowns in het eerste coronajaar. In 2023 is een daling in het energiegebruik waarneembaar als effect van de blijvend hoge energieprijzen.

De verwachting is dat het energiegebruik een klein beetje terug zal veren om vervolgens verder te dalen. Binnen de commerciële dienstverlening zal de energievraag voor verwarming de komende jaren nog verder geëlektrificeerd worden. Ook neemt de emissiefactor voor elektriciteit de komende jaren nog verder af. Zonder aanvullend beleid is de verwachting dat de uitstoot van Industrie en Bedrijfsleven zal dalen tot 253 kt CO₂e, een reductie van 62% ten opzichte van het niveau van 1990. 5.1.1 Energiehubs Met Europese subsidie is in 2023 een haalbaarheidsstudie gestart voor een energiehub op bedrijventerrein De Hurk met als doel de beschikbare netwerkcapaciteit zo efficiënt mogelijk in te zetten. Eind 2024 is bedrijventerrein De Hurk door Enexis geselecteerd voor een proefproject naar de toepassing van een groepstransportovereenkomst. Een groepstransportovereenkomst is de overeenkomst tussen de netbeheerder en het collectief dat de bedrijven moeten oprichten om een operationele energiehub mogelijk te maken. De ambitieuze planning is dat de energiehub eind 2025 operationeel is. Op de andere grote bedrijventerreinen worden ook verdere verkenningen verricht om de bedrijven een oplossing te bieden voor de netcongestieproblematiek. Met de kennis en ervaring op De Hurk worden dit jaar nog enkele haalbaarheidsstudies verricht naar de kansrijkheid van een energiehub.

In navolging van De Hurk wordt de integrale aanpak verder uitgerold op andere bedrijventerreinen in de stad. Dit betreft Goederendistributiecentrum Acht, Park Forum, BIC, Eindhoven Airport District, waaronder Flight Forum en mogelijk ook De Kade. 5.1.2 Warmte voor bedrijven Het bedrijfsleven kent twee soorten warmtevraag. De eerste betreft de warmte die nodig is voor het verwarmen van ruimtes en voor warm tapwater. Daarnaast zijn er bedrijven die warmte nodig hebben voor hun proces. Bijvoorbeeld omdat er iets gesmolten of gedroogd moet worden. Deze proces­ warmte heeft vaak een hogere temperatuur dan de temperatuur die nodig is voor ruimteverwarming en zal per bedrijf verschillen. Het verduurzamen van

17 | Klimaatplan 2026-2030

deze warmtevraag is daarom maatwerk. De vraag naar ruimteverwarming is daarentegen eenvoudiger collectief te bedienen. Het warmte-uitvoeringsplan is een beleidsinstrument dat energetisch inzicht moet geven, onder andere op bedrijventerreinen. Het is het beginpunt voor een uitvoeringsgericht programma dat in fasen toewerkt naar een aardgasvrij bedrijventerrein en biedt kaders en handelingsperspectief aan ondernemers, gebouweigenaren, en andere belanghebbenden. Daarnaast geeft het uitvoeringsplan een financieel overzicht met rollen en verantwoordelijkheden van publieke en private partners om uitvoering te geven aan de aardgasvrije projecten. Het eerste bedrijventerrein waar aan een uitvoeringsplan wordt gewerkt is De Hurk. De andere terreinen volgen in lijn met de overkoepelende gebiedsgerichte aanpak voor de verduurzaming van de bedrijventerreinen. De verwachting is dat de effecten hiervan vooral na 2030 zullen materialiseren. 5.1.3 Lokaal Waterstofnetwerk Bedrijven met een uitzonderlijk hoge warmtevraag zijn nu nog aangewezen op aardgas. Elektrificatie van deze warmtevraag is niet altijd mogelijk. Bijvoorbeeld omdat zeer hoge temperaturen worden gevraagd die niet eenvoudig met elektriciteit zijn te bereiken, of omdat het elektriciteitsnet onvoldoende transportcapaciteit heeft om aan de benodigde energievraag te voldoen.

Groene waterstof is een duurzame energiedrager die voor deze bedrijven een alternatief kan zijn voor aardgas. De overstap naar groene waterstof is één van de transitiepaden voor verduurzaming omdat bij de verbranding ervan geen CO₂ vrijkomt. Nadeel is wel dat waterstof niet in geïsoleerde vorm voorkomt in de natuur. Het moet dus gemaakt worden. Traditioneel wordt waterstof gemaakt van aardgas, een proces waar grote hoeveelheden CO₂ bij vrijkomen. Groene waterstof wordt geproduceerd zonder emissie van CO₂ door middel van elektrolyse van water met inzet van duurzame elektriciteit uit zon en wind. Nadeel is dat de benodigde elektrolysers kostbaar zijn en dat er bij het omzettingsproces ook energie

verloren gaat. Dat maakt dat groene waterstof relatief kostbaar en op dit moment niet overvloedig beschikbaar is. Groene waterstof is daarom vooral zinvol voor toepassingen waarvoor geen ander duurzaam alternatief voor handen is. Industriële processen waarbij warmte van hoge temperatuur gevraagd wordt, bijvoorbeeld. Op dit moment ontbreekt het in Eindhoven aan infrastructuur om waterstof te kunnen leveren. In 2024 heeft de gemeente Eindhoven samen met Brainport Development een haalbaarheidsonderzoek laten verrichten naar de potentie van een water­ stofafzetmarkt in Eindhoven en omgeving. De interesse voor waterstof bij de grote gasverbruikers is groot en de markt is veelbelovend. Op basis daarvan is in 2025 een volgende stap gezet met het starten van een tracé-studie. Dit leidde tot een verdubbeling van het aantal bedrijven dat aangeeft belangstelling te hebben. Vanwege het bredere belang van een mogelijk netwerk zijn inmiddels ook aangrenzende gemeenten bij het traject betrokken. De planning en ambitie is om vóór 2030 op te starten met een lokaal waterstofnetwerk voor een beperkt aantal grote bedrijven. Bedrijven zijn bereid mee te financieren, maar kunnen het risico niet alleen dragen. Door samen in dit project te stappen, laten ondernemers en gemeente zien dat de wens om over te schakelen op waterstof serieus is.

Dat biedt perspectief om het lokale netwerk verder uit te breiden en aan te sluiten op het landelijke waterstoftransportnetwerk via een aftakking van de Delta Rhine Corridor. Met een lokaal waterstofnet kan op korte termijn, tot 2030, al tussen de 12 miljoen en 15 miljoen kuub aardgas vervangen worden door groene of blauwe waterstof, wat een CO₂-reductie van 25 kt zou opleveren. Een verdere uitrol na 2030 zal ook tot aanvullende besparing leiden. 5.1.4  Handhaving Energiebesparingsplicht en EED Energie-audit Bedrijven met een elektriciteitsverbruik van meer dan 50 MWh of gasverbruik van meer dan 25.000 kuub vallen onder de energiebesparingsplicht van de Wet milieubeheer. Hierin staat dat bedrijven verplicht zijn besparingsmaat­

18 | Klimaatplan 2026-2030

regelen te treffen wanneer deze zich binnen vijf jaar terugverdienen. In de praktijk wordt dit getoetst aan de Erkende Maatregelen Lijst (EML). Bedrijven moeten deze maatregelen uitvoeren op een natuurlijk moment, zoals bij renovaties of vervanging van apparatuur. Landelijk blijkt dat veel bedrijven onvoldoende op de hoogte zijn van de energiebesparingsplicht of zich er niet aan houden. Met meer begeleiding en intensievere controle door Toezicht en Handhaving, de Omgevingsdienst en het Rijk zullen bedrijven beter voldoen aan de regels. Er zijn in Eindhoven naar schatting ruim 1.500 bedrijven die aan deze verplichting moeten voldoen. Daarvan is ongeveer de helft al eens gecontroleerd. Naar verwachting zijn dit ook de bedrijven met het grootste reductiepoten­ tieel. De inschatting is dat op het resterende deel van de bedrijven nog 6 kt aan emissiereductie is te behalen.

5.1.5 Verduurzaming utiliteit in de wijken Een groot deel van de bedrijfspanden in Eindhoven bevindt zich niet op een bedrijventerrein, maar in de buurten en wijken van de stad. Veel van deze gebouwen hebben een relatief slechte energieprestatie. En ook deze panden moeten vóór 2050 de overstap maken naar fossielvrije warmte. Daarbovenop dwingt de aankomende implementatie van de Europese EPBD IV-richtlijn tot versnelling. Deze houdt in dat, ten opzichte van 2020, in 2030 de 16% minst energiezuinige utiliteitsgebouwen moeten zijn verbeterd. Concreet betekent dit dat de energielabels E, F en G moeten worden worden uitgefaseerd. Dat vraagt een forse inspanning. Daarbij zijn zowel de eigenaren als de gebruikers van deze utiliteitsgebouwen onmisbaar. De gemeente biedt hen extra ondersteuning bij verduurzaming van hun gebouwen. Dat gebeurt in samenhang met bestaande initiatieven en het nieuwe nog op te richten energiedienstenbedrijf (Zie § 5.2.2).

Naast de Energiebesparingsplicht bestaat er ook een verplichte EED Energieaudit. Dit is een verplichte audit over het actuele energieverbruik en de besparingsmogelijkheden die bedrijven elke vier jaar uitvoeren en geldt voor bedrijven met minimaal 250 fte of een jaaromzet van € 50 miljoen en een balanstotaal van € 43 miljoen. Een verslaglegging van de audit is wettelijk verplicht. Het doel van deze audit is om bedrijven en instellingen bewust te maken van hun energieverbruik en van energiebesparingsmogelijkheden. In Eindhoven zijn circa 250 bedrijven die aan deze verplichting moeten voldoen. Hiervan is veruit het grootste nog deel niet gecontroleerd. Daarnaast verplicht de EPBD III tot het afnemen van energiekeuringen voor installaties met een vermogen van meer dan 70 kW 9. Aanvullende inzet op het controleren van deze bedrijven kan naar verwachting een aanvullende reductie van 5 kt opleveren.

5.1.6 Eigen organisatie De organisatiegraad is een belangrijke voorwaarde om succesvol te werken aan de verduurzaming van het bedrijfsleven. Via Green Deals werken we op gebiedsniveau of op sectorniveau aan het stimuleren daarvan. Met een aantal gebieden en sectoren zijn Green Deals gesloten, zoals op De Hurk en met de zorg sector. Nieuwe Green Deals zijn in voorbereiding voor onder andere het Goederendistributiecentrum Acht, Eindhoven Airport District, de utiliteitsbouw, grote energiegebruikers en het MKB. Voor veel ondernemers uit het MKB is duurzaamheid een vraagstuk dat nu of in de nabije toekomst de kern van hun bedrijf raakt. Tegelijk is het niet voor elke ondernemer even eenvoudig om met dit vraagstuk aan de slag te gaan. De gemeente ontwikkelt in samenwerking met de doelgroep diverse instrumenten om ondernemers hierin te faciliteren10.

9 Zie r vo.nl/onderwerpen/wetten-en-regels-gebouwen/epbd-iii/technische-keuringen-verwarmings-en-aircosystemen.

10

19 | Klimaatplan 2026-2030

Zie ondernemendeindhoven.nl/themas-mkb/duurzaamheid-circulariteit.

5.1.7 Innovatie Een tot nu toe onbekende variabele in de verduurzaming is de kracht van innovatie. De creativiteit en het innovatievermogen van deze regio heeft al vaak bewezen creatieve oplossingen te kunnen bieden voor technische of maatschappelijke vraagstukken. En hoewel het weinigen is gegeven nu al de innovatieve ideeën van morgen te voorspellen, zullen er ongetwijfeld ideeën ontstaan die nu nog niemand heeft bedacht, maar die wel een enorme bijdrage kunnen leveren aan het klimaatbeleid, lokaal en mondiaal. Het is lastig een reductiepotentieel te verbinden aan innovatie. Tegelijk wil Eindhoven er nadrukkelijk voor openstaan wanneer zich mogelijkheden aandienen. Daar waar de gemeente Eindhoven nieuwe concepten kan ondersteunen of verder kan helpen, wil de gemeente die rol pakken. De gemeente kan innovatieve oplossingen verder helpen door ruimte te bieden aan pilotprojecten en mee te werken aan experimenten of door als launching customer de eigen inkoopkracht in te zetten voor de ontwikkeling en toepassing van innovatieve technieken. Daarnaast kan Eindhoven zich nationaal en Europees sterk maken voor fondsen voor het opschalen van veelbelovende technieken. De gemeente Eindhoven kan partijen helpen met het aan elkaar knopen van Europese creatieve ecosystemen en heeft zicht op nationale en Europese fondsen die nieuwe technieken verder kunnen brengen.

Indien financiële middelen kunnen bijdragen aan het verder ontwikkelen van innovatieve technieken of toepassingen, wil de gemeente Eindhoven de ruimte benutten die het toekomstfonds voor de ondersteuning van derge­lijke initiatieven gaat bieden. Dit draagt op zijn beurt weer bij aan het verdienpotentieel van de Brainportregio.

20 | Klimaatplan 2026-2030

5.2 Woningen

De besparing is aanvankelijk dus vooral toe te schrijven aan een vermindering van het aardgasgebruik als gevolg van een steeds zuiniger woningenbestand. Vanaf de ‘jaren 80 worden naoorlogse corporatiewoningen op grote schaal gerenoveerd. Voor de nieuwbouw uit de jaren ’90 geldt dat deze woningen vergelijkbaar zijn met energielabel B. En de woningen van na de millenniumwisseling zijn vergelijkbaar met energielabel A. Inmiddels worden nieuwe woningen gasloos opgeleverd. Desondanks is nog altijd meer dan vier op de vijf woningen in Eindhoven voor de warmtevoorziening afhankelijk van aardgas. Vanaf 2010 is ook een afname in het elektriciteitsverbruik zichtbaar. Een logische verklaring daarvoor is de geleidelijke vervanging van gloei- en fluorescentielampen door ledlampen en het zuiniger worden van huishoudelijke apparatuur. Het effect hiervan op de uitstootreductie van broeikasgassen wordt nog eens versterkt doordat de elektriciteit uit het stopcontact vanaf halverwege het vorige decennium steeds groener werd. Deels doordat steeds meer huizen voorzien werden van zonnepanelen. En deels door het toenemend aantal projecten voor duurzame energieopwek op land en zee.

In 2022 en 2023 is een versnelde reductie van de uitstoot te zien. Deze is grotendeels te verklaren door de afgenomen energievraag als gevolg van de structureel hogere aardgasprijzen. De verwachting is dat het effect van de bewustere omgang met energie de komende jaren blijft doorwerken. Daarnaast is op basis van de geplande projecten voor duurzame energie ook nog een verdere vergroening van de elektriciteitsproductie te verwachten. Ook zullen honderden oude woningen worden vervangen door nieuwbouw en zullen er tot 2030 nog zo’n 20.000 nieuwe woningen worden bijgebouwd. Op basis van deze ontwikkelingen is te verwachten dat de broeikasgasemissie van het woningbestand nog zal dalen tot ongeveer 196 kt CO₂e. Dit is een daling van 46% ten opzichte van 1990. Bovenop deze ontwikkeling wordt in dit Klimaatplan een aantal maatregelen voorgesteld om de uitstoot van woningen verder te verminderen. Figuur 4: Ontwikkeling broeikasgasemissies Woningen Eindhoven Woningen, prognose Broeikasgasuitstoot in CO₂-equivalenten (kton)

Een gemiddeld Eindhovens huishouden stoot elk jaar minder broeikasgassen uit. Dat gaat terug tot minstens 2004 het vroegste jaar waarvan specifieke verbruiksgegevens van aardgas en elektriciteit beschikbaar zijn. Dat is enerzijds logisch. Nieuwe woningen zijn steeds beter geïsoleerd en hebben veel minder energie nodig dan oudere huizen, dus elk nieuw woningbouw­ project haalt het gemiddelde energieverbruik omlaag. Maar ook de bestaande huizen worden zuiniger. Vanaf het einde van de jaren ’10 daalt de totale energievraag van alle Eindhovense woningen samen, hoewel het aantal woningen toeneemt.

600 500 400 300 200 100 0 1990

2010

2011 2012 2013

Realisatie

21 | Klimaatplan 2026-2030

2014 2015 2016

Prognose

2017

2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030

55% reductie

5.2.1 Verduurzaming woningbestand De snelle daling van het aardgasgebruik in de jaren 2022 en 2023 is het directe gevolg van de hoge energieprijzen. In de loop van 2021 steeg de gasprijs al naar voor Nederland ongekende hoogten. In 2022 kwam daar de Russische inval in Oekraïne nog eens bovenop. Voor mensen met een variabel contract waren de effecten meteen merkbaar. Huishoudens met een vast contract merkten de effecten bij het afsluiten van een nieuw energiecontract. De hoge energieprijzen leidden tot een bewuster energieverbruik. In veel gevallen echter, is de achterliggende oorzaak er ook één van armoede: veel huishoudens met een slecht geïsoleerde woning en een laag besteedbaar inkomen durfden de kachel simpelweg niet aan te zetten. Met als gevolg een ongezond binnenklimaat, meer ziekte en slechtere schoolprestaties. In dergelijke gevallen wordt gesproken over energiearmoede. Hoewel de ergste pieken in de gasprijs inmiddels voorbij lijken en er buiten Rusland inmiddels alternatieve leveranciers zijn, blijft de levering van voldoende gas kwetsbaar. De verwachting is dat de gasprijzen niet zullen terugkeren naar het oude niveau. Tegelijk blijft ook de geopolitieke situatie instabiel. Dat betekent ook dat de energierekening voor huishoudens met een smalle beurs een blijvend probleem kan gaan vormen.

Dat maakt dat de urgentie van het verduurzamen van oudere woningen met een slecht energielabel in de afgelopen jaren alleen maar is toegenomen. Dat zal overigens niet altijd leiden tot een forse afname van energieverbruik. Een betere isolatieschil om de woning en energiezuinige ventilatie geeft de bewoners in eerste instantie de gelegenheid om de woning eindelijk tot een comfortabel niveau te kunnen verwarmen, zonder geconfronteerd te worden met een onbetaalbare energierekening en daarmee ook tot een gezonder leef­klimaat. Woningisolatie dient dus net zo zeer een sociaal belang als dat het een duurzaamheidsbelang dient. Het Rijk stelt tot eind 2028 gelden beschikbaar voor het aanpakken van slecht geïsoleerde woningen. De gemeente Eindhoven gebruikt deze middelen ter ondersteuning van bewoners/eigenaars van de 5.000 slechtst geïsoleerde woningen bij het treffen van ten minste één isolatiemaatregel. 22 | Klimaatplan 2026-2030

In het Duurzaamheidspact zijn afspraken gemaakt met de woningcorporaties over de termijn waarop het corporatiebezit wordt verbeterd tot energielabel B of hoger. In de Nationale Prestatieafspraken is daarnaast afgesproken dat minimaal een vijfde van de bestaande corporatiewoningen uiterlijk in 2034 aardgasvrij moet zijn. Voor de particuliere woningmarkt zijn zulke afspraken er niet. De huurpuntenaftrek11 voor woningen met een slecht of zelfs zonder energielabel moet verhuurders aanzetten tot het verbeteren van de woning. Voor bewoners/eigenaars, in het bijzonder de groep die te kampen heeft met energiearmoede12, is een aparte aanpak nodig. 5.2.2 Energiedienstenbedrijf Om de inwoners met een eigen woning te ondersteunen bij de verduurzaming van hun woning, wordt een Eindhovens energiedienstenbedrijf opgericht. Dit heeft als doel bewoners en eigenaars van woningen maximaal te ontzorgen in de verduurzaming van de woning. Het energiedienstenbedrijf geeft niet alleen informatie. Het geeft ook concreet technisch en financieel verduurzamingsadvies en kan ook een aanbieding voorleggen en maatregelen laten uitvoeren. Ook het aanvragen van subsidies en/of hulp bij financiering kan onderdeel uitmaken van de dienstverlening. Het energiedienstenbedrijf is de paraplu waar onder andere de website eindhovenduurzaam.nl, de Eindhovense energiecoaches en het energieloket onder komen te vallen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15444088/1