CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Klimaatplan III, 2026-2030

Raadsvergadering 10 maart 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Begrotingswijziging t.b.v. uitvoering Klimaatplan21.684 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hiermee hebben bewoners op meerdere plekken toegang tot actuele informatie, advies en ondersteuning. Hierbij zoekt de gemeente nadrukkelijk de samenwerking met bestaande Eindhovense bedrijven en met initiatieven in de stad, zoals 040energie. Voor Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) is extra aandacht: deze groep moet een complex besluitvormingsproces door om het pand te verduurzamen. Ongeveer één vijfde van alle koopwoningen in Eindhoven is onderdeel van een VvE. De gemeente ondersteunt VvE’s bij het verduurzamen van hun complex door middel van informatie, ontzorging en procesbegeleiding. 11 Zie rijksoverheid.nl/onderwerpen/huurwoning-zoeken/vraag-en-antwoord/heeft-de-energieprestatie-van-mijn-woning-invloed-op-de-huurprijs 12 Zie huurcommissie.nl

5.2.3 Energiegemeenschappen Binnen de energietransitie is een bijzondere rol weggelegd voor bewonersinitiatieven. Vaak ontstaan dergelijke initiatieven wanneer bevlogen buurtbewoners of stadsgenoten elkaar vinden rond een gedeeld idee en vervolgens besluiten daar samen met enthousiaste medebewoners de schouders onder te zetten. Dat kunnen kleinschalige ideeën zijn binnen de buurt, maar er zijn ook voorbeelden waarbij een bewonersinitiatief uitgroeit tot een warmteproject waarbij stapsgewijs een dorp aardgasvrij wordt gemaakt13. Het ontstaan van deze initiatieven rust geheel op het enthousiasme en de actiebereidheid van buurtbewoners. De gemeente kan dit niet afdwingen. De gemeente kan wèl zorgen voor de juiste omstandigheden waarbinnen een initiatief kan starten en tot bloei kan komen. De gemeente Eindhoven wil bewonersinitiatieven zoals warmtegemeenschappen en energiecoöperaties daarom beter ondersteunen, met vaste aanspreekpunten vanuit de gemeente, praktische ondersteuning en het aanbieden van het interne en externe netwerk van de gemeente. Voor warmte-initiatieven komt onder andere geld vanuit de gemeente beschikbaar voor het betalen van haalbaarheidsonderzoeken en het inhuren van een (externe) procesbegeleider.

Daarmee ambieert Eindhoven de komende planperiode in ieder geval zes duurzame warmte-initiatieven financieel te ondersteunen en daarnaast nog meerdere bewonersinitiatieven rond energie praktische ondersteuning te bieden. Warmtegemeenschappen krijgen ook binnen de Wcw een eigen juridische positie, apart van publieke en private warmtebedrijven. Warmtegemeenschappen kunnen dan in warmtebedrijven van verschillende samenstellingen deelnemen, maar ook zelfstandig een warmtekavel exploiteren. De oprichting van Eindhoven Energie biedt een unieke kans om de energietransitie niet alleen duurzaam, maar ook sociaal rechtvaardig en lokaal gedragen vorm te geven in samenwerking met lokale initiatieven. Daarbij worden ze praktisch en financieel ondersteunt door de gemeente. Dit kan leiden tot een bredere maatschappelijke betrokkenheid en meer lokaal eigenaarschap in Eindhoven. 13 Zie bijvoorbeeld het Traais Energie Collectief 23 | Klimaatplan 2026-2030

5.3 Mobiliteit Van de totale Eindhovense uitstoot in 2023 is 30% toe te rekenen aan de mobiliteit in de stad. Hierin is het verkeer op de snelwegen en het vliegverkeer niet meegerekend. Het autobezit in de stad is sinds de registratie van de eerste auto in 1901 vrijwel zonder uitzondering jaarlijks toegenomen tot het huidige aantal van 125.000 motorvoertuigen. Daarin is Eindhoven overigens zeker niet uniek: ook op landelijke schaal blijft het aantal motorvoertuigen toenemen, zonder een duidelijk waarneembare afvlakking. Ook het aantal kilometers dat jaarlijks per voertuig wordt afgelegd, is toegenomen, al lijkt dat de laatste jaren wel te stabiliseren. En hoewel motoren in de loop der jaren efficiënter en zuiniger zijn geworden, wordt dat effect deels weer tenietgedaan doordat auto’s steeds groter en zwaarder worden. Daardoor is, in tegenstelling tot de andere sectoren, de uitstoot van de mobiliteit in de stad sinds 1990 niet verminderd maar met de helft toegenomen. Ook daarin volgt Eindhoven de landelijke trend. Qua autobezit ligt Eindhoven, met één personenauto op elke 2,34 inwoners, onder het landelijk gemiddelde en onder het gemiddelde van de tien grootste steden van

Broeikasgasuitstoot in CO₂-equivalenten (kton)

Bereikbaarheid, prognose Figuur 5: Ontwikkeling broeikasgasemissies Verkeer en vervoer Eindhoven 600 500 400

inwoner. Daartegenover staat dan weer dat van de tien grote steden, Eindhoven bovenaan staat qua energieverbruik per voertuig. De Eindhovenaren die een auto hebben, gebruiken deze dus ook veel. Dit zal deels te verklaren zijn doordat Eindhoven, vergeleken met veel andere steden, van oudsher autovriendelijk is ontwikkeld. Hierdoor is het nog altijd aantrekkelijk om te kiezen voor de auto. Dit maakt ook dat het nemen van maatregelen om te komen tot emissiereductie in Eindhoven complexer zijn dan in steden die minder op de auto zijn ingericht. 5.3.1 Masterplan Mobiliteit Met het aannemen van het Masterplan Mobiliteit heeft Eindhoven een ambitieus doel opgelegd ten aanzien van de verduurzaming van de mobiliteit. In 2030 moet de uitstoot van de mobiliteit zijn teruggebracht tot het niveau van 1990. Het Masterplan bouwt voort op het in 2017 vastgestelde Plan van Aanpak Emissievrije Mobiliteit14 en het raadsbesluit ‘Vervolgaanpak nul-emissiezone binnen de ring’ (19bst0118). In 2038 wil Eindhoven een volledige zero-emissiezone in de gehele stad gerealiseerd hebben. Daarmee behoort de stad bij de koplopers in Nederland als het gaat om de verschoning van de stedelijke mobiliteit. Dat dit geen eenvoudige opgave zal zijn, moge duidelijk zijn.

Het Masterplan beschrijft dan ook een breed scala aan maatregelen en interventies die integraal vorm moeten geven aan de ontwikkeling van de mobiliteit in de stad. De effecten van de in het Masterplan voorgestelde maatregelen vormen dan ook de basis voor het Klimaatplan. 5.3.2 Modal shift Een essentieel uitgangspunt binnen het Masterplan is het stimuleren van lopen en fietsen. Enerzijds kan dit door loop- en fietsroutes aantrekkelijker, veiliger en sneller te maken. Anderzijds kan autorijden ontmoedigd worden door aanpassing van verkeersroutes en hogere parkeertarieven.

300 200 100 0 1990

2010

2011

Realisatie

24 | Klimaatplan 2026-2030

2012

2013

2014

2015 2016

Prognose

2017

2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030

55% reductie

14 Hoen, A. et. al. (2017) Beoordeling Plan van Aanpak Emissievrije Mobiliteit Eindhoven. CE Delft.

De verandering in vervoersvormen draagt bij aan de gezondheid van mensen. Allereerst door meer te bewegen, anderzijds door een betere luchtkwaliteit in de stad. Een aanvullend voordeel is dat ruimte die hiermee vrijkomt, omgevormd kan worden tot groen, spelen of ontmoeten, wat een opwaardering is van de kwaliteit van de openbare ruimte. Een nieuw verkeerscirculatieplan kan ook bijdragen aan andere vervoerskeuzes. Daarbij is het van belang dat ook het openbaar vervoersysteem op orde is voor die inwoners die niet de keuze hebben om te lopen of fietsen, dat er comfortabele overstappunten worden gecreëerd via ov-hubs en dat er alternatieven worden ontwikkeld zoals deelmobiliteit. 5.3.3 Laadpalen In de afgelopen vijf jaar is het aantal (semi-) publieke laadpunten in Eindhoven verviervoudigd, van 825 in december 2019 naar 3.557 in december 2024. Het aantal geregistreerde elektrische auto’s (BEV’s) in de stad is gestegen tot circa 6.500. Daarmee zet de stijgende lijn van de afgelopen jaren zich vooralsnog stabiel door. Figuur 6: Ontwikkeling aantal (semi-) publieke laadpunten voor elektrische Elektrische laadpunten - Eindhoven auto's in Eindhoven 4000 3500 3000 2500 2000 1500 1000 500 0

Reguliere laadpunten

25 | Klimaatplan 2026-2030

Snellaadpunten

Totaal aantal laadpunten

5.3.4 Emissievrije zone Het toewerken naar volledig emissievrije mobiliteit gebeurt stapsgewijs. In 2025 is de eerste stap gezet met de invoering van een zero emissiezone voor vracht- en bestelvoertuigen, taxi’s en touringcars volgen later. Hiermee worden in enkele stappen steeds meer bedrijfswagens geweerd uit het gebied binnen de ring15. Eindhoven trekt daarin samen op met veertien andere gemeenten16 die soortgelijke nulemissiezones invoeren. Het Masterplan voorziet in 2030 ook het invoeren van een nulemissiezone voor inwoners en bezoekers. Een eerste tussenstap in die richting is de het invoeren van een milieuzone invoeren waarbij oudere diesel personenauto’s met emissieklasse 4 en lager niet meer zijn toegestaan binnen de Ring. Deze had oorspronkelijk per 1 januari 2025 in moeten gaan, maar is uitgesteld vanwege vertraging in de landelijke wetgeving. Ook voor invoering van een nulemissiezone voor personenvervoer is Eindhoven afhankelijk van de ruimte die de landelijke wetgever biedt. Dat betekent ook dat rekening gehouden 15 Zie De toegangsregels voor de nulemissiezone 16 Naast Eindhoven hebben ook Amersfoort, Amsterdam, Assen, Delft, Den Haag, Gouda, ’s Hertogenbosch, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Tilburg, Utrecht en Zwolle in 2025 een Zero emissiezone ingevoerd.

moet worden met alternatieve maatregelen, wil Eindhoven het doel voor 2030 – het terugbrengen van de uitstoot van de mobiliteit naar het niveau van 1990 – halen. Zo kunnen bijvoorbeeld eisen worden verbonden aan de emissieklasse van de auto bij het verlenen van nieuwe parkeervergunningen. Dergelijke mogelijkheden worden meegenomen in de verdere uitwerking van de maatregelen die volgen uit het Masterplan. 5.3.5 Na 2030 In aanloop naar de totstandkoming van het Masterplan is door CE Delft doorgerekend17 met welke theoretische maatregelen de emissies van de mobiliteit verder zijn terug te brengen. In totaal werd 116 kt aan maatregelen geïdentificeerd, die echter niet zijn onderzocht op juridische en technische haalbaarheid. Veruit het grootste effect kon worden bereikt met het verder uitbreiden van de nulemissiezone voor stadslogistiek over de gehele stad (58 kt), uitbreiding van de nulemissiezonde voor personenvervoer (31 kt) en het invoeren van lokale beprijzingsmaatregelen (17 kt) (CE Delft, 2023, pag. 18). Deze maatregelen zullen op termijn bijdragen aan de verdere reductie van de uitstoot richting 2038. Eén van de uitgangspunten van het Masterplan is namelijk ook dat mobiliteitsmaatregelen zich moeten verhouden tot draagkracht en draagvlak binnen de samenleving. Om die reden zijn deze maat­ regelen in het Masterplan pas voorzien voor de periode na 2030.

Omdat de ontwikkeling van mobiliteit lastig voorspelbaar blijkt, zal halver­ wege de klimaatplanperiode nieuw onderzoek worden gedaan naar de ontwikkeling van de mobiliteit in de stad. Dan wordt ook duidelijk of de ontwikkeling zich ontrolt zoals vooraf geraamd in het masterplan, of dat bijsturing nodig is. Dit onderzoek kan ook als basis fungeren een routekaart voor de periode tot aan 2038, wanneer een geheel uitstootvrije stad is voorzien.

17 Hoen, A., Seters, D. van (2023). Op weg naar emissievrije mobiliteit in Eindhoven, Update effecten Plan van Aanpak emissievrij Eindhoven. CE Delft.

26 | Klimaatplan 2026-2030

5.4 Publieke Dienstverlening Onder de publieke dienstverlening valt het energiegebruik van de gemeente, andere overheidsdiensten, het onderwijs, zorg- en welzijnsinstellingen, organisaties die actief zijn op het gebied van sport en cultuur en levens­ beschouwelijke instellingen. Binnen de publieke dienstverlening ligt anno 2023 de uitstoot van broeikasgassen 45% lager dan de uitstoot in 1990. Dit is het gevolg van verduurzamingsmaatregelen die veel instellingen vanaf de eerste helft van het vorige decennium in gang hebben gezet. Op basis van de huidige inzet en ontwikkelingen is de verwachting dat de uitstoot tot 2030 nog eens met ruim een derde zal afnemen, waarmee de totale uitstoot op een derde van het niveau van 1990 zal komen te liggen. Omdat de publieke sector al relatief veel energiebesparingsmaatregelen heeft doorgevoerd en het laaghangend fruit inmiddels wel is geplukt, is de ruimte voor extra besparing op korte termijn beperkt. Dat wil niet zeggen dat er in de publieke dienstverlening geen emissiereductie meer te realiseren valt. Publieke Dienstverlening, prognose Figuur 7: Ontwikkeling broeikasgasemissies publieke dienstverlening Eindhoven Broeikasgasuitstoot in CO₂-equivalenten (kton)

250

200

150

100

50

0

1990

2010

2011

2012 2013 2014 2015 2016

2017

2018 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030

Openbaar bestuur

Openbaar bestuur

Onderwijs Zorg en Welzijn

Onderwijs Zorg en Welzijn

Cultuur, sport, recreatie Overig

Cultuur, sport, recreatie Overig

27 | Klimaatplan 2026-2030

55% reductie

Het gaat dan echter veelal om maatregelen met een langere adem die zich deels pas na 2030 zal materialiseren. 5.4.1 De gemeentelijke organisatie Hoewel de Klimaatverordening geen specifieke doelstellingen oplegt ten aanzien van de uitstoot van de gemeentelijke organisatie, is in het Klimaatplan 2021-2025 wel het doel opgenomen in 2025 geheel uitstootvrij te zijn. Daarbij werd in het plan al wel meteen een slag om de arm gehouden: „de verwachting is dat we hiermee een belangrijke stap kunnen zetten richting de doelstelling voor 2025, zonder overigens nu al te kunnen garanderen dat we deze helemaal gaan halen.” Op 1 februari 2022 is per Raadsinformatiebrief (21bst1818) aangegeven dat het niet zou lukken om alle gemeentelijke panden uitstootvrij te maken: „het is nog niet mogelijk om de eigen panden te verduurzamen tot nul procent CO₂-uitstoot zonder extra geld, voor zowel (een deel van) de ingrepen zelf, als voor de bijbehorende apparaatskosten.” Desalniettemin wordt met het programma Slim Verduurzamen Gemeentelijke Gebouwen wel gewerkt aan de eigen gebouwen. Eind 2024 is de verduur­ zaming van Mercado afgerond en inmiddels zijn de werkzaamheden voor de verduurzaming van het Van Abbemuseum gestart. Uiterlijk in 2026 moeten deze zijn afgerond.

Het museumgebouw maakt daarmee een sprong van energielabel D naar label A+, wat inhoudt dat er tot twee derde minder energie nodig is voor verwarming en koeling. Daarmee kan het museum op termijn van het aardgas afgekoppeld worden. In 2025 wordt ook gestart met de verduurzaming van het NRE-gebouw. Met de reeds genomen maatregelen heeft de gemeente in de periode 20182023 het gebruik van aardgas in de eigen kantoorpanden gehalveerd. Ook is het opgesteld vermogen aan zonnepanelen op de gemeentelijke kantoren meer dan verdubbeld van ongeveer 100 kWp in 2018 naar zo’n 250 kWp in 2023. Daarmee wordt 9% van de elektriciteitsbehoefte in de kantoren afgedekt. De resterende elektriciteit koopt de gemeente in met garanties van oorsprong (GvO’s) die afkomstig zijn van Nederlandse duurzame energie­

projecten. Daarmee is de elektriciteit die de gemeente gebruikt in feite emissievrij. De rapportage van de emissiecijfers neemt echter altijd de gemiddelde emissiefactor voor elektriciteit als uitgangspunt. Dit omdat niet van elke individuele gebruiker bekend is welk stroometiket18 de door hen afgenomen elektriciteit heeft. Deze consequente lijn wordt in deze Klimaatrapportage daarom ook doorgezet ten aanzien van de gemeentelijke organisatie. Het verduurzamen van het gasverbruik van de gemeente vindt plaats door het aankopen en afboeken van emissiereductiecertificaten (VER) met een Gold Standard. Dit keurmerk voor CO₂-kredieten is opgezet door onder andere het Wereld Natuur Fonds en garandeert naast de vermindering van CO₂-uitstoot ook dat lokale gemeenschappen betrokken zijn bij de opzet van projecten en hier ook van mee profiteren19. Zolang de gemeente nog gas verbruikt, wordt de bijbehorende uitstoot op deze manier gecompenseerd. Net als bij het elektriciteitsverbruik wordt in de rapportage dan ook de daadwerkelijke scope 1-emissie vermeldt en wordt de compensatie, die niet op Eindhovens grondgebied plaats vindt, hier niet mee verrekend. 5.4.2 Overige gemeentelijke panden Naast de eigen panden die direct verband houden met de gemeentelijke taken, zoals de kantoorpanden, loodsen en het Van Abbemuseum, heeft de gemeente ook vastgoed in bezit dat gebruikt wordt door anderen.

Vaak is dat maatschappelijk vastgoed ten behoeve van sport, cultuur of welzijnsactiviteiten, maar het kunnen ook strategische bezittingen zijn die verband houden met mogelijke ontwikkelingen. Deze panden zijn daarmee niet rechtstreeks aan de kerntaken van de gemeente gekoppeld. De positie van de gemeente is dan veelal vergelijkbaar met die van verhuurder. 18 Het stroometiket geeft aan wat de samenstelling is van de onder een bepaald contract geleverde elektriciteit. Het etiket vermeldt welk percentage van de geleverde elektriciteit is opgewekt uit kolen, aardgas, nucleaire energie en de hernieuwbare energiebronnen wind, zonne-energie, waterkracht, biomassa en overige hernieuwbare energiebronnen. Het etiket vermeldt ook de emissiefactor van de geleverde elektriciteit. 19 Zie goldstandard.org

28 | Klimaatplan 2026-2030

In 2019 is de gemeente Eindhoven gestart met de gefaseerde aanpak van het verduurzamen van dit gemeentelijk maatschappelijk vastgoed. Destijds is de totale vastgoedportefeuille van de gemeente geanalyseerd en is een kernportefeuille van 125 panden aangewezen die de gemeente langdurig in eigendom zou houden en waarvoor vanuit andere trajecten nog geen verduurzamingsaanpak was voorzien. Omdat op dat moment naast de reguliere onderhoudsbudgetten geen aanvullende gelden beschikbaar waren, concentreerde deze fase zich op het nemen van de rendabele maatregelen. Daarmee is een uitstootreductie van 3 kt bereikt, een besparing van grofweg 40%. In afwachting van een integraal plan voor de vervolgfase is tussentijds in 2023 gestart met de aanpak van drie aanvullende accommodaties. Begin 2025 is gekozen de SVV-aanpak voor de individuele panden onder te brengen bij vastgoedbeheer om zo onderhoud, renovatie en verduurzaming van de totale vastgoedportefeuille integraal te kunnen benaderen. Binnen deze portefeuille is een onderscheid gemaakt tussen panden die in eigendom zijn van de gemeente en panden die de gemeente in beheer heeft. In de vervolgaanpak richt de gemeente zich in eerste instantie op de panden die langdurig in eigendom van de gemeente zullen blijven. Met de aanpak van de eerste tien panden is begin 2025 al begonnen.

In totaal zal de SVV-aanpak in de komende Klimaatplanperiode nog een geraamde uitstootreductie van 3 kt CO₂ opleveren. 5.4.3 Openbare ruimte Al een aantal jaren hanteert de Gemeente Eindhoven een gunningsmethodiek Schoon en Emissieloos Bouwmaterieel (SEB)20. Deze wordt toegepast op alle bouw- en infraprojecten. In het kader van voorspelbaarheid en een impuls naar steeds hogere minimale eisen is een ingroeipad SEB in een marktcon­ sultatie besproken met de aannemers die veel voor de gemeente werken. Stationair gereedschap moet nu al volledig emissieloos zijn. In 2026 geldt dat ook voor alle lichte voertuigen. Einddoel is dat uiterlijk in 2030 alle werktuigen

20 De routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen is te raadplegen via opwegnaarseb.nl/binaries/opwegnaarseb/documenten/publicaties/2024/11/04/routekaart-seb/Routekaart+SEB.pdf

en transportmiddelen emissieloos zijn. Voor middelzwaar en zwaar transport geldt de nulemissie-eis per 2035 en voor specialistische werktuigen uiterlijk in 2040. Hiermee wordt circa 5kt emissiereductie bereikt. Ook voor het onderhoud wordt toegewerkt naar volledig emissielooos. 5.4.4 Zorg De Green Deal Zorg, waarin met zorgpartijen afspraken zijn gemaakt over verduurzaming van gebouwen en bedrijfsprocessen is een succes. Begin 2025 is hieraan een vervolg geven door met heel Zuidoost Brabant een regionale Greendeal Zorg te sluiten. Er sluiten meer zorgpartijen aan, waaronder ook brancheverenigingen van kleinere zorginstellingen. Alle zorgpartijen die deelnemen hebben minimaal het bronzen certificaat van de Milieu Thermometer Zorg, dat gelijk staat aan de eisen vanuit de milieuwetgeving (EED). Aanvullend wordt in deze deal per thema gezocht naar collectieve verduurzamingsmaatregelen. 5.4.5 Onderwijs Duurzaamheid vormt een belangrijke pijler binnen het onlangs vastgestelde integraal huisvestingsprogramma onderwijs. Een analyse van de portefeuille van onderwijsgebouwen over de hele stad laat zien dat om op het gebied van onderwijshuisvesting te voldoen aan de doelen in de Klimaatverordening en de onlangs door Europa vastgestelde Energy Performance of Buildings Directive (EPBD IV) er in het 16-jarig IHP aanvullende middelen noodzakelijk zijn.

In de begroting 2025 zijn hiervoor de benodigde financiële middelen beschikbaar gesteld. 5.4.6 Sport, cultuur en recreatie Opvallend binnen de publieke dienstverlening is de opvallend snelle daling van de uitstoot bij de sector cultuur en sport. Hoewel niet met zekerheid oorzaken zijn aan te wijzen, lijkt hier de vervanging van traditionele gloeilampen door LED een bovengemiddelde impact gehad te hebben. Al met al heeft de sector met nog geen 1% overigens een te verwaarlozen bijdrage aan de emissie van broeikasgassen.

29 | Klimaatplan 2026-2030

6 Communicatie met de stad De Klimaatverandering vormt een existentiële bedreiging voor de huidige manier van leven. Dat maakt de aanpak ervan urgent, maar de omvang en complexiteit kan er ook toe leiden dat mensen afhaken. Hoe kan een individu bijdragen aan een probleem dat zo systematisch is verweven in de economische systemen en het menselijk gedrag? Er zijn geen gemakkelijke oplossingen, de uitdagingen voor de stad en regio moeten daarom in samenhang met elkaar opgelost worden. Een positieve boodschap die mensen in staat stelt om zelf een onderdeel van de oplossing te zijn, is dan het meest effectief. Eén van de opdrachten van het gemeentelijk programmabureau Klimaat en Energie is om voor zowel de stad als de eigen organisatie een krachtige communicatiestrategie te ontwikkelen, samen met de gemeentelijke afdeling communicatie, Eindhoven365 en andere relevante partners. Dat gebeurt in samenhang met de Europese Klimaatmissie, waarmee de gemeente samen met de stad de klimaatopgave oppakt en versnelt. Doel van de strategie is het beter onder de aandacht brengen van de klimaatopgave, de ambitie, de plannen en de daaruit voorvloeiende acties voor de toekomst. In begrijpelijke taal en beeld, op maat waar mogelijk en inclusief ‘het waarom’.

De communicatiestrategie heeft mede als doel mensen bewust maken van wat de klimaatverandering betekent.We bieden Eindhovenaren een concreethandelings­ perspectief, waarmee inwoners, ondernemers en bezoekers worden ondersteund om bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen. De strategie wordt in de komende klimaatplanperiode verder uitgebouwd.

30 | Klimaatplan 2026-2030

Het is belangrijk om een herkenbaar, eenduidig verhaal te vertellen over de klimaatopgave van de stad. Daarbij heeft de gemeente zowel oog voor positieve als de negatieve gevolgen en legt de gemeente de eigen afwegingen en beslissingen goed uit. Het programmabureau sluit aan bij bijeenkomsten, participatietrajecten en andere communicatiemomenten over concrete ontwikkelingen in de stad , zoals bij herinrichtingen of via de energie­ besparingsaanpak, bijvoorbeeld. Dat gebeurt ook bij participatietrajecten waarbij anderen (zoals ontwikkelaars) de lead hebben. Medewerkers krijgen de middelen om overal hetzelfde verhaal te kunnen vertellen, ondersteund met tekst en beeld. De gemeente Eindhoven is transparant over plannen en ontwikkelingen en de afwegingen die daarbij worden gemaakt. De gemeente zorgt voor en communiceert over het zoeken naar balans tussen het algemeen belang voor de stad en haar toekomstige bewoners, de belangen van de wijk of buurt en de individuele belangen van inwoners. Afhankelijk van reikwijdte en doel communiceert de gemeente stadsbreed, of buurtgericht. De gemeente gaat zelf het gesprek aan met partijen en inwoners over klimaat en stimuleert en faciliteerd dat Eindhovenaren ook met elkaar het gesprek aangaan. Het gesprek aangaan is één van de belangrijkste instrumenten om draagvlak te creëren voor toekomstige maatregelen.

De gemeente Eindhoven luistert naar belanghebbenden bij ontwikkelingen in een wijk/gebied. De gemeente geeft hun de ruimte om in een vroeg stadium

mee te denken over ontwikkelingen in de stad. Op projectniveau is dat geregeld via de gemeentelijke participatieverordening. Daarnaast zet de gemeente de oren open: waar zit de behoefte in de stad? Wat is er nodig om stappen te zetten? Daarbij gebruikt de gemeente eigen, landelijke en Europese onderzoeken en rapportages. Denk hierbij ook aan het monitoren van de website eindhovenduurzaam.nl. Bij het plannen van de gemeentelijke communicatie-activiteiten wordt ook gekeken naar landelijke campagnes/ boodschappen die door bijvoorbeeld ministeries worden uitgerold.

31 | Klimaatplan 2026-2030

7 Circulariteit Wereldwijd neemt de vraag naar grondstoffen steeds verder toe. Voor veel van deze grondstoffen is Nederland afhankelijk van landen buiten Europa. Tegelijk is de voorraad van veel van deze grondstoffen eindig en gaat de winning veelal gepaard met milieuschade en slechte arbeidsomstandigheden. Zo leidt het delven, verwerken en transporteren van al deze grondstoffen ook tot aanzienlijke CO₂-uitstoot, die voor een groot deel plaats vindt in het buitenland 21. Daarmee is de totale klimaatimpact van het grondstoffengebruik van Nederland veel groter dan alleen de uitstoot ten gevolge van ons directe energieverbruik (zie ook § 12.1: Soorten Uitstoot).

Canada

India

Verenigde Staten

Rusland

Kobalt

Beryllium

In toenemende mate vormen internationale geopolitieke spanningen ook een risico voor de beschikbaarheid van kritieke materialen. Dit zijn materialen die een onmisbare rol spelen bij de productie van hoogwaardige techniek en de energietransitie. Voor veel van deze materialen is Europa afhankelijk van landen die niet altijd even stabiel en betrouwbaar zijn (zie Figuur 2). 21 Hanemaaijer, A. et al. (2025). Integrale Circulaire Economie Rapportage 2025. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. Pagina 40-41.

32 | Klimaatplan 2026-2030

Japan Indium

Fluoriet

Brazilië Niobium Tantalum

Om de grondstofafhankelijkheid en de negatieve impact van de winning van steeds nieuwe grondstoffen te verkleinen, heeft de rijksoverheid in 2016 het programma Nederland Circulair in 2050 gelanceerd. Doelstelling is het halveren van het gebruik van primaire abiotische grondstoffen in 2030 en een volledig circulaire economie in 2050. Eindhoven heeft die doelstelling in het Klimaatplan 2021-2025 en het bestuursakkoord onderschreven.

Platinagroepmetalen

Mexico Zuid-Afrika

Platinagroepmetalen

Democratische Republiek Congo Kobalt Tantalum

Rwanda Tantalum

China

Antimonium Beryllium Gallium Germanium Indium Magnesium Zeldzame aarden Wolfraam

Bron: Europese Commissie, 2010

Figuur 8: Productieconcentratie van kritieke materialen. Bron: Nederland circulair in 2050, Rijksbreed programma Circulaire Economie (2016) aan de hand van data van de Europese Commissie, 2010. Dat maakt het strategische belang van het in de keten houden van deze materialen nog groter. Door producten aan het einde van de gebruiksduur niet klakkeloos af te danken, maar (kritieke) materialen terug te winnen en in de keten te houden, wordt Europa minder afhankelijk van onzekere toeleveringsketens.

7.1 Circulaire Industrie De invloed van de gemeente op het verduurzamen van industrie en bedrijfs­ leven is veelal indirect. Gezien de omvang van de sector en de materiaalstroom zet de gemeente in op faciliteren, ondersteunen, aanjagen en verbinden. Binnen de rol van faciliteren valt het scheppen van de juiste voorwaarden in het ruimtelijk beleid, zoeken naar circulaire verdienmodellen en invloed uitoefenen op afvalbeleid. Ook kan de gemeente een rol spelen door simpelweg inzichtelijk te maken wat de milieueffecten van bepaalde materialen zijn.

Op bedrijventerrein De Hurk lopen al meerdere projecten en aanpakken rondom circulariteit. Zo heeft een aantal ondernemers zich verenigd in een circulair afvalcollectief dat de exploitatie van een grondstoffenhub voor zijn rekening gaat nemen. De ervaringen die op De Hurk worden opgedaan, dienen als blauwdruk voor de aanpak op de overige industrieterreinen in de stad. Figuur 9: Verwerkingsmethode per materiaalcategorie’

7.1.1 Milieu-impact van materialen In 2023 heeft Eindhoven daarom een eerste analyse laten maken van de Eindhovense materialenstroom (zie Figuur 10 op de volgende pagina). Deze maakt per materialengroep inzichtelijk in welke economische sectoren deze gebruikt wordt. Daaruit volgt ook waar een beweging richting een meer circulaire economie de meeste impact kan hebben. De industrie is met grofweg de helft van de totale massastroom veruit de grootste afnemer van nieuwe materialen. Om grip te krijgen op de milieu-impact van materiaalgebruik is inzicht nodig in hoe de materiaalstromen zich precies bewegen en hoe materialen gebruikt en verwerkt worden. Een ketenanalyse kan hier inzicht in geven. De komende jaren zal samen met de regio gewerkt worden aan het analyseren van materiaalstromen en het inzichtelijk maken van de economische waarde daarvan, om daarmee een specifiek op de regio gerichte aanpak te ontwikkelen voor het versnellen van de circulaire economie. Zo kan per type materiaal op basis van gemiddelde emissiewaarden voor productie, transport en verwerking de materiaalgebonden broeikasgasuitstoot (scope 3) worden vastgesteld. Een dergelijke levenscyclusanalyse (LCA) maakt het mogelijk om gefundeerde afwegingen te kunnen maken in materiaalgebruik en inzet.

Tevens kan deze informatie gebruikt worden om te rapporteren op de indirecte uitstoot van de gemeente en gekoppeld worden aan monitoringstools als ClimateView (zie § 11 Monitoren en Sturen).

7.1.2 Ruimtevraag Circulaire ondernemers hebben ruimte nodig om de ontwikkeling naar een circulaire economie te kunnen realiseren. Dat concludeerde het Planbureau voor de leefomgeving in een studie naar de ruimtevraag van circulaire bedrijven22. Om de ruimtevraag goed in beeld te krijgen, wordt een onderzoek opgestart naar de toekomstige ruimtevraag die van circulaire bedrijven in de omgeving van Eindhoven te verwachten valt. Met de resultaten kunnen vervolgens gefundeerd lokale en regionale ruimtelijke afwegingen gemaakt die borgen dat de beweging naar een circulaire economie gemaakt kan 22 Rood, T., Evenhuis, E. (2023). Ruimte voor Circulaire Economie, verkenning van de ruimtelijke voorwaarden voor een circulaire economie. Planbureau voor de Leefomgeving publicatie 5025, Den Haag.

33 | Klimaatplan 2026-2030

MATERIALEN (2.390.000 TON) Chemische en farmaceutische producten (380.000) Basismetaal (244.000) Producten van de akkerbouw, tuinbouw, bosbouw en visserij (224.000) Afval en gerecyclede producten (207.000)

PRODUCTEN (2.120.000 TON)

NIJVERHEID, INDUSTRIE EN ENERGIE (3.806.8A00 TON)

Bouwmaterialen (454.000) Vervoermiddelen (420.000)

Industrie (2.500.000)

Chemische en farmaceutische producten (388.000) Machines en apparaten (154.000) Overige voedingsmiddelen (136.000) Metaalproducten (78.500) Energiedragers (68.500) Papier, papierwaren en drukwerk (66.400) Meubelen en overige producten (53.600) Overige delfstoffen (50.700) Hout en houtwaren (37.000) Rubber en kunststof producten (35.300) Zuivelproducten (29.100) Cokes en aardolieproducten (27.300) Aardappel-, groente- en fruitproducten (26.400) Genotmiddelen (26.000) Vis- en vleesproducten (22.800) Graan- en zetmeelproducten (18.300) Textiel, kleding en lederproducten (14.200) Basismetaal (13.800) Producten van de akkerbouw, tuinbouw, bosbouw en visserij (88)

Vervoermiddelen (196.000) Overige voedingsmiddelen (141.000) Genotmiddelen (131.000) Machines en apparaten (131.000) Papier, papierwaren en drukwerk (106.000) Hout en houtwaren (101.000) Metaalproducten (89.600) Veeteeltproducten (81.900) Meubelen en overige producten (77.400) Zuivelproducten (71.100) Rubber en kunststof producten (59.900) Aardappel-, groente- en fruitproducten (49.500) Vis- en vleesproducten (42.500) Graan- en zetmeelproducten (38.100) Textiel, kleding en lederproducten (20.700)

Waterbedrijven en afvalbeheer (476.000) Bouwnijverheid (422.000) Energievoorziening (336.000) Delfstoffenwinning (6.920) A Landbouw, bosbouw en visserij (66.800)

LANDBOUWPRODUCTIE (5.920 TON)

GRONDSTOFFEN (1.440.000 TON) Energiedragers (720.000) Overige delfstoffen (338.000) Cokes en aardolieproducten (216.000) Directe extractie (163.000)

Melkproducten (2.200) Hooi (1.870) Hout en Groen (818) Glastuinbouwproducten (279) Groenvoedergewassen (217) Akkerbouwgroenten (207) Granen (85) Mest (83) Vleesproducten (62) Aardappelen (43) Eieren (36) Fruit (18) Wolproducten (6) Bloemen (1)

DIENSTVERLENING EN OVERHEDEN (815.000 TON) Dienstverlening en overheden (815.000)

BOUWMATERIALEN (382.000 TON) Beton (312.000) Staal & IJzer (18.700) Zand (12.600) Gips (11.100) Baksteen (9.340) Isolatie (5.010) Mortel (4.080) Hout (3.220) Keramiek (1.940) Kalkzandsteen (1.460) Electronica (1.340) Glas (806) Kunststoffen (385) Aluminium (245) Lijm en verf (161) Koper (104) Bitumen (49) Overige metalen (44) Papier (43) Steen (31)

HUISHOUDENS (477.000 TON) Huishoudens (477.000)

INPUTS LANDBOUW (2.710 TON) Veevoer gras (1.280) Veevoer mais (601) Veevoer andere (374) Veevoer lignocellulose (211) Stikstof (102) Veevoer granen (100) Fosfaat (35) Pesticiden (3) Antibiotica (0.84)

Figuur 10: Analyse van de materialenstroom door Eindhoven, Metabolic Consulting, 2023 34 | Klimaatplan 2026-2030

AFVALSTOFFEN (1.220.000 TON)

VERWERKINGSMETHODES (1.220.000 TON)

Niet-chemisch afval (475.000)

Nuttige toepassing (478.000)

Mineralen, steenachtig afval (250.000)

Overslag / opbulken (429.000)

Dierlijk, plantaardig afval (177.000) Gemengd afval (117.000) Chemisch afval (53.500)

Onbekend (111.000) Eindverwerking (98.100) Breken (67.600) Shredderen / knippen (17.900) Sorteren / scheiden (15.000) Overig inzetten als grondstof (701)

Slib (46.800)

Metaalafval (30.100) Houtafval (24.000) Papier-, kartonafval (22.200) Kunststof-, rubberafval (9.490) Glasafval (5.770) Overig niet-chemisch afval (4.650) Textiel-, lederafval (2.440)

SLOOPAFVAL (110.000 TON) Beton (74.800) Baksteen (10.600) Kalkzandsteen (5.580) Staal & IJzer (5.230) Mortel (4.460) Zand (2.980) Hout (2.440) Isolatie (1.290) Gips (1.070) Keramiek (801) Glas (213) Overig (211) Kunststoffen (104)

OVERIG SLOOPAFVAL (0,2 KTON) Lijm en verf (82) Bitumen (37) Koper (27) Overige metalen (21) Papier (13) Aluminium (13) Steen (9) Electronica (9)

LEGENDA Minder dan 15.000 ton

worden. Te denken valt aan voorbeschermingsregels in het omgevingsplan, het aanwijzen van strategische locaties in het omgevingsplan en het toepassen van selectiecriteria bij gronduitgifte. Mogelijk kan ook het toepassen van erfpacht bijdragen aan het structureel kunnen huisvesten van circulaire bedrijven. Dit moet leiden tot een Ruimtelijke Strategie Circulaire Economie (RSCE) op zowel lokaal als regionaal niveau.

7.2 Circulair bouwen Een andere sector die een fors beroep doet op materialen is de bouwsector. ­­ In Eindhoven wordt dat effect nog eens versterkt door de forse groei van de stad. Tot 2030 moet het aantal woningen nog met een kleine 20.000 toenemen. Naar 2040 toe is dat nog eens datzelfde aantal. Jaarlijks wordt zo’n 382 miljoen kilo aan beton, staal en bakstenen de stad in gesleept. En bij de sloop van een gebouw ook weer weggevoerd. Daarnaast is er een forse opgave ten aanzien van het verduurzamen en renoveren van de bestaande gebouwen, wat eveneens een grote materiaalstroom meebrengt. Te denken valt aan isolatiemateriaal, installaties, beter glas en nieuwe dakpannen. Het produceren en verwerken van al die materialen brengt CO₂-uitstoot met zich mee: dit zijn materiaalgebonden emissies (scope 3, zie § 12.1). Met de huidige bouweisen voor nieuwbouw wordt er voor de bouw van een woning net zo veel CO₂e uitgestoten als in de 70 jaar daarna aan energieverbruik. Met conventionele bouwmethoden zou de gezamenlijke nieuwbouw- en verduurzamingsopgave een materiaalgebonden uitstoot van 2.733 kiloton CO₂e opleveren. Terwijl Eindhoven, op basis van haar nieuwbouwopgave en bestaande woningaantal, maximaal 452 kiloton zou mogen bijdragen aan de wereldwijde uitstoot om binnen de 1,5-graden temperatuurstijging te blijven en daarmee Paris-proof te bouwen.

Door te kiezen voor circulaire strategieën kan de impact van de bouw enorm worden teruggebracht. Door de bestaande voorraad beter te benutten of te transformeren, kan materiaalgebruik voor nieuwbouw worden voorkomen. Dit is de inzet van het Innovatieplan Wonen. Ook het slimmer ontwerpen van nieuwbouw op flexibiliteit verlaagt de toekomstige materiaalvraag van een gebouw. Door bij sloop bestaande gebouwdelen zo veel mogelijk in de bestaande vorm te herbestemmen, kan de vraag naar materialen verder worden beperkt. Dit vraagt wel om een nieuwe vorm van ontwerpen, waarbij gebouwen in de toekomst makkelijker ‘losmaakbaar’ zijn. Doordat gebouwonderdelen opnieuw kunnen worden ingezet, heeft een gebouw aan het einde van de gebruikersduur een hogere economische waarde dan wanneer het op de

35 | Klimaatplan 2026-2030

conventionele manier gesloopt zou worden. Dit biedt kansen voor het ontwikkelen van circulaire gebouwen en circulaire producten. Zo werken we met het Regionaal Materialen Netwerk aan gesloten, circulaire productketens. Het toepassen van biobased materialen, zoals houtskeletbouw en biobased isolatiematerialen, kan er zelfs voor zorgen dat gebouwen CO₂ opslaan in de constructie, soms zelfs meer dan het gebouw gedurende het volledige gebruik zou uitstoten. Maar dit is niet het enige voordeel van biobased bouwen. Doordat deze gebouwen vaak met voorgefabriceerde (prefab) onderdelen worden opgebouwd, duurt de bouwfase in de stad veel korter dan bij reguliere bouwtechnieken. Dat voorkomt overlast van bouwactiviteiten. Wegen hoeven niet of veel minder lang afgesloten te worden, waardoor ook het verkeer veel minder hinder ondervindt van de uitbreiding van de stad. Doordat de materialen lichter zijn, komt er minder CO₂ vrij bij het transport. En door slimmer en sneller te bouwen wordt er in de bouwfase ook minder stikstof uitgestoten. Biobased bouwen biedt dus ook mogelijkheden om te kunnen bouwen met een veel lagere depositie van stikstof op kwetsbare natuurgebieden. Tot slot leidt het gebruik van biobased materialen tot een een gezonder binnenklimaat, waardoor minder installaties nodig zijn en bewoners langer in goede gezondheid leven.

wordt gebouwd. In de beoordeling van projecten hanteert Eindhoven ‘Het Nieuwe Normaal’23 als leidraad voor het ontwerpen en bouwen van gebouwen. Dit wordt uitgewerkt in het omgevingsbeleid en de gebieds- en projectkaders. Dat geeft de mogelijkheid om in overeenkomsten met bouwers te bevorderen dat er - kijkend naar de totale levenscyclus en de materiaal­ gebonde uitstoot - zo veel mogelijk duurzame en klimaatneutrale gebouwen worden gerealiseerd. Samen met andere gemeenten zal Eindhoven richting het Rijk blijven lobbyen voor de borging van duurzame, circulaire bouwnormen in landelijke wet- en regelgeving.

In de komende Klimaatplanperiode beoogt de gemeente Eindhoven de toepassing van biobased materialen en het realiseren van biobased gebouwen in de stad verder opschalen door belemmeringen weg te nemen en stimulansen te ontwikkelen. Dit is in lijn met de Nationale Aanpak Biobased Bouwen. Met de woningcorporaties wordt gewerkt aan een ‘Valuecase Biobased Bouwen’, om beter inzicht te krijgen in de maatschappelijke kosten en baten. Die inzichten moeten ertoe bijdragen richting 2030, liefst samen met het Rijk, richtlijnen te ontwikkelen voor de wijze waarop er in de toekomst in de stad 23 Het Nieuwe Normaal is initiatief van Cirkelstad om een eenduidige taal voor circulair bouwen te creëren. Met opdrachtgevers en - opdrachtnemers uit de bouwsector is een nieuwe, gedragen standaard ontwikkeld voor circulair bouwen.

36 | Klimaatplan 2026-2030

7.3 Eigen organisatie De gemeente Eindhoven heeft in 2023 het landelijke manifest Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeverschap en Inkoop (MVOI) ondertekend. Daarmee is maatschappelijk verantwoord inkopen en opdrachtgeven een verantwoordelijkheid voor de gehele organisatie. Door zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces en/of de opdrachtverlening rekening te houden met de MVOI-thema’s, dragen de gemeentelijke uitgaven maximaal bij aan maatschappelijke doelen als duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en inclusie. In 2024 is Eindhoven uitgeroepen tot meest duurzame aanbestedende gemeente voor bouw en infra en hebben in datzelfde jaar hebben twee projecten een VNG-prijs gewonnen, één rondom energiebesparing in maatschappelijk vastgoed door slim energiemanagement en één voor schoon en emissieloos bouwen. In 2024 hebben sectoren binnen de gemeentelijke organisatie workshops gevolgd en zijn ze gestart met het opstellen van actieplannen om MVOI breder te integreren en verankeren. In 2025 worden de actieplannen afgerond en de komende jaren worden acties geïmplementeerd en de resultaten geëvalueerd. Binnen de inrichting en het onderhoud van de openbare ruimte worden al langer eisen gesteld aan de duurzaamheid van opdrachten. Momenteel wordt gewerkt aan een monitoringsinstrument en de implementatie van de methode op productniveau, om meer circulaire en duurzamere producten in te kopen.

Hiervoor wordt van de meest gebruikte materialen op productniveau de milieukostenindicator (MKI) ingezet in de gunningsmethodiek. Komend jaar wordt inzichtelijk voor welke materialen een duurzamer alternatief te verkrijgen is en welk effect dit heeft op de prijs. Voor asfalt wordt het inkoop­ instrument (EMVI/BPKV) al een aantal jaar gebruikt. Bij de planvorming van herinrichtingen past de gemeente Eindhoven de handreiking Circulariteit toe, wat onder andere leidt tot besparingen in het materiaalgebruik. Het materiaal dat wordt toegevoegd, zal komende jaren al bij de ontwerpfase verder onder de loep genomen worden met behulp van de

37 | Klimaatplan 2026-2030

milieukostenindicator. In dit verkenningstraject wordt duidelijk welke alternatieven er mogelijk zijn, wat de milieuwinst is van de alternatieven en of de toepassing leidt tot meerkosten voor beheer en onderhoud. De milieukostenindicator maakt inzichtelijk wat de milieu-impact is over de hele keten. Dit kan per materiaalsoort, product of project in kaart worden gebracht. Met de MKI vindt een stimulans tot verbetering in de gehele keten plaats. De MKI neemt in totaal elf milieueffecten mee en zorgt daarmee voor een compleet beeld van de daadwerkelijke milieu-impact. In totaal wordt er gekeken naar duizenden emissies en de uitputting van grondstoffen, die worden teruggerekend naar elf milieueffecten zoals o.a. CO₂ en NOx. Op het gebied van bestratingsmaterialen werkt Eindhoven samen met de gemeente Amersfoort, Amsterdam en Den Haag om de markt te stimuleren om duurzamer beton te produceren en ontwikkelen. Dit jaar wordt een marktconsultatie voorbereid voor duurzamer bestratingsmateriaal.

7.4 Inwoners Huishoudens consumeren, vergeleken met de industriële, commerciële en publieke sector, relatief weinig grondstoffen. Huishoudens zijn wel eindge­ bruikers van producten. Duurzaam consumptiegedrag draagt zo ook bij vermindering van de grondstofconsumptie en daarmee op negatieve milieueffecten elders. Bijvoorbeeld door het verminderen van het consumptiepatroon door vaker te kiezen voor lenen of huren in plaats van kopen, voor tweedehands producten, voor reparatie en voor producten die zijn gemaakt van hergebruikte of gerecyclede materialen. De gemeente kan dit stimuleren door in te zetten op meer bewustwording door middel van communicatie. Ook kan de gemeente duurzame initiatieven in de stad faciliteren en ondersteunen. Dit gebeurt nu al met de campagne ‘De Normaalste Zaak van Eindhoven’. Vanuit de wettelijke taak huishoudelijk afval in te zamelen, heeft Eindhoven nog een instrument om grondstoffen binnen de kringloop te houden. Via de coöperatie Midwaste, waarvan ook de GR Cure deel uitmaakt, wordt de markt uitgedaagd om tot hoogwaardiger hergebruik van afvalstromen te komen. Met de e-waste en textielraces organiseert de gemeente al jaren bewust­wordingsactiviteiten rond afval(scheiding) bij schoolkinderen.

38 | Klimaatplan 2026-2030

8 Compensatie en negatieve emissies Het voorkomen of verminderen van CO₂-uitstoot vormt de kern van het Klimaatbeleid van Eindhoven. De klimaatverordening biedt daarbij impliciet ruimte voor compensatie tussen domeinen. Indien een domein achterblijft in de emissiereductie, kan dat weggestreept worden tegen een hoger dan vastgestelde emissiereductie binnen een ander domein. Voorwaarde daarbij is dat de emissiereductie betrekking heeft op uitstoot binnen de grenzen van de gemeente Eindhoven gebeurt. De Klimaat­ verordening biedt geen ruimte voor het verrekenen van de eigen uitstoot met reductiemaatregelen buiten de gemeentegrenzen van Eindhoven. Dit zou bovendien leiden tot het dubbel inboeken van emissiereductie. Waar de Klimaatverordening geen expliciete uitspraken over doet, is de ruimte die er is voor negatieve emissies. Dit zijn emissies die op enigerlei wijze aan de lucht onttrokken worden en permanent binnen grenzen van de stad worden vastgelegd. Hoewel het voorkomen en tegengaan van uitstoot de primaire inzet van het stedelijk Klimaatbeleid is, zal de komende vijf jaar ook gewerkt worden aan het in kaart brengen, monitoren en rapporteren over negatieve emissies.

39 | Klimaatplan 2026-2030

8.1 Natuurlijke koolstofverwijdering Hoewel de groep broeikasgassen groter is dan alleen koolstofdioxiden, gaat het bij het vastleggen van broeikasgassen vrijwel uitsluitend om CO₂. Er zijn verschillende manieren om CO₂ vast te leggen. Een zeer effectieve manier is met de aanplant van bomen. Een boom slaat ongeveer anderhalf keer zijn gewicht op aan CO₂ in de vorm van hout. Afhankelijk van de houtsoort en de groeicondities kan een boom al snel zo’n 25 kilo CO₂ per jaar opnemen. Daarbij is het wel van belang dat de boom blijft staan en aan het einde van de levenscyclus niet wordt verbrand. Om de gehele uitstoot van Eindhoven te compenseren, zijn 40 miljoen bomen nodig. Ter illustratie: er staan in Eindhoven naar schatting een slordige 235.000 bomen. Bij goed beheer en optimale groeiomstandigheden zou dat goed zijn voor ongeveer vijf kiloton CO₂-opname per jaar. De komende klimaatplanperiode zal in kaart worden gebracht in hoeverre het Eindhovense groen daadwerkelijk bijdraagt aan emissiemitigatie en in hoeverre dit ingerekend kan en mag worden. Een tweede vorm van natuurlijke CO₂-opslag is het vastleggen van koolstof in de bodem. Gezien de bebouwingsdichtheid en het relatief geringe buitengebied is daar binnen de gemeente slechts een beperkte kans toe. Daarnaast is de daadwerkelijke impact met de huidige kennis nauwelijks goed in beeld te brengen.

Eén van de manieren om meer koolstof vast te houden, is door gebieden te vernatten en veen de kans te geven zich te herstellen. De hervening van het Dommeldal is zo’n project dat in eerste instantie vooral vanuit het oogpunt van natuurherstel en biodiversiteit van meerwaarde is, waarbij een eventueel klimaateffect vooral bijvangst is.

8.2 Technische koolstofverwijdering

8.3 Koolstofopslag in de gebouwde omgeving

Naast biologische afvang en opslag van CO₂ krijgt ook de techniek rondom CO₂-opslag momentum. Niet verwonderlijk dat juist in Eindhoven ook bedrijven te vinden zijn die zich bezighouden met technieken voor het verwijderen van CO₂ uit de atmosfeer. Techniek kan op deze manier bijdragen aan het oplossen van klimaatverandering, mits de CO₂ vervolgens permanent wordt vastgelegd.

In § 7.2 (Circulair bouwen) is al aangegeven dat biobased bouwen en biobased isoleren manieren zijn om koolstof uit de atmosfeer te verwijderen en langdurig op te staan. Van belang is dat hier duidelijk is wie het certificaat voor de CO₂-opslag bezit en kan afboeken. Het is immers mogelijk dat de gecertificeerde koolstofinname van de boom apart is verhandeld voor het compenseren van uitstoot. Het hout dat dan overblijft, is weliswaar CO₂-neutraal, maar geldt niet meer als opslag. Die is immers al verrekend met uitstoot elders. Het is van belang dat er eenduidige spelregels komen voor de manier waarop de gemeente Eindhoven omgaat met koolstofcertificaten.

Er zijn ook scenario’s waarbij de CO₂ wordt gebruikt voor de productie van duurzame brandstoffen. In dat geval is weliswaar sprake van circulaire brandstoffen maar wordt per saldo geen CO₂ uit de lucht gefilterd. Een ander aandachtspunt is het verdringingsrisico ten aanzien van de energie die nodig is voor het proces. Voorkomen moet worden dat de benodigde energie, zelfs wanneer deze duurzaam is, niet wordt onttrokken aan het energiesysteem, waardoor de emissie van broeikasgassen ten behoeve van het totale energiesysteem toeneemt. Ook de Rijksoverheid heeft recent aangekondigd de mogelijkheden van koolstofverwijdering verder te willen onderzoeken24. Dat biedt economische kansen voor innovatieve Eindhovense bedrijven als Carbyon. Dit bedrijf heeft de afgelopen vijf jaar forse stappen gezet in de richting van het effectief verwijderen van CO₂ uit de atmosfeer en stelt zich ten doel over vijf jaar hun techniek op grote schaal te kunnen uitrollen en machines te produceren die voor minder dan € 100,- per ton CO₂ uit de lucht kunnen filteren. Het zijn dit soort innovaties die de gemeente graag een plek geeft als launching customer.

24 Zie rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2025/03/14/kabinet-zet-in-op-koolstofverwijdering.

40 | Klimaatplan 2026-2030

9 Keuzes en afwegingen Op basis van de te verwachten ontwikkelingen en de effecten van reeds ingezet of vastgesteld beleid is de emissie van broeikasgassen in het jaar 2030 geprognosticeerd op 699 kt CO₂e. Daarbij is rekening gehouden met auto­nome ontwikkelingen op basis van techniek en individuele afwegingen van bewoners en bedrijven en met de te verwachten effecten van zowel Europees en landelijk als lokaal beleid. Ten opzichte van 1990 wordt daarmee in 2030 een reductie van 49% gerealiseerd, Daarmee is de stad weliswaar een heel eind op weg richting het doel van 55% reductie. Om het doel uit de Klimaatverordening te gaan halen, moet de jaarlijkse uitstoot in 2030 echter nog verder naar beneden, naar maximaal 620 kt CO₂e. Er moeten dus aanvullende maatregelen genomen worden die binnen de komende klimaatplanperiode gezamenlijk nog een jaarlijkse reductie van minstens 80 kt CO₂e opleveren. In aanloop naar dit Klimaatplan zijn verschillende maat­regelen geïdentificeerd en afgewogen om de resterende emissiereductie te kunnen realiseren.

hier samen met de overheden in mee te investeren. Een mogelijk risico is de realisatiesnelheid. Planologische processen kunnen veel tijd in beslag nemen. Daarom moet dit worden opgepakt door een projectteam dat in staat wordt gesteld snelle doorbraken in de reguliere procesgang te forceren. Afhankelijk van de omvang van het aan te leggen netwerk, is een emissie­ reductie van meer van 25 CO₂e kt haalbaar. Binnen de komende planperiode wordt de te realiseren emissiereductie ingeschat op 16 kt CO₂e. 9.1.2 Elektrificatie bedrijventerreinen Voor een deel van de warmtevragende bedrijfsprocessen is elektrificatie een mogelijkheid tot verduurzaming. In veel gevallen is dit ook al een rendabele investering. Door dit mee te nemen in de bedrijventerreinenaanpak kan bij de verschillende proceswarmtevragende bedrijven voor wie waterstof geen optie is, een besparing van circa 6 kt CO₂e worden gerealiseerd. Een risico daarbij is de netcongestie. Voor een aantal ondernemers kunnen de flexibele leveringscontracten tegen lagere tarieven juist ook een prikkel vormen om over te stappen op elektriciteit. Voor dit klimaatplan wordt gerekend met een emissiereductie van 3 kt CO₂e.

9.1 Additionele maatregelen 9.1.1 Lokaal waterstofnetwerk In § 5.1.3 is beschreven hoe een lokaal netwerk voor groene waterstof kan bijdragen aan het verminderen van het gebruik van aardgas voor productieprocessen van bedrijven en daarmee aan de reductie van broeikasgasemissies. Onder de grote, warmtevragende bedrijven in Eindhoven en de regio is belangstelling voor dergelijke infrastructuur en bestaat ook initiële bereidheid

41 | Klimaatplan 2026-2030

9.1.3 Warmtenet voor bedrijventerreinen In § 5.1.2 is beschreven hoe de vraag naar ruimteverwarming op bedrijven­ terreinen kan worden verduurzaamd. Op een aantal bedrijventerreinen is het zinvol om daarbij een lokaal warmtenet voor bedrijven aan te leggen. Dit is beschreven in § 5.1.2. Door hiermee te starten op De Hurk, kan een versnelling gerealiseerd worden op de geprognosticeerde emissiereductie. Dit kan alleen al op De Hurk tot 25 kt CO₂e emissiereductie leiden. In dit Klimaatplan wordt tot 2030 een jaarlijkse besparing van 6 tot 10 kt CO₂e ingeboekt.

9.1.4 Handhaving erkende maatregelen In § 5.1.4 is stilgestaan bij de ruimte die nog kan worden gevonden door bedrijven te houden aan de geldende regelgeving. Met extra inzet op handhaving kan derhalve ook aanvullende emissiereductie worden gerealiseerd. Daarbij is het van belang om niet meteen het repressieve spoor te bewandelen, maar ondernemers ook te faciliteren en ondersteunen waar dat nodig is25. 9.1.5 Zero Emissie Stadslogistiek In het rapport Op weg naar emissievrije mobiliteit in Eindhoven’ heeft CE Delft26 diverse scenario’s doorgerekend om in de sector mobiliteit een aanvullende emissiereductie te bewerkstelligen. Een deel van deze maat­ regelen is nadien overgenomen in het Masterplan Mobiliteit. Eén van de maatregelen die daarin niet is meegenomen, is de uitbreiding van de nulemissiezone voor Stads­logistiek. Het theoretische effect van deze maatregel hangt af van de omvang van de in te stellen zone en hoe streng de maatregel wordt toegepast. In de scenario’s voor dit klimaatplan is gerekend met een relatief streng beleid, met een effect van 35 kt. In de berekeningen van CE Delft komt de reductie in de meest verregaande variant op zichzelf zelfs twee keer zo hoog uit, waarbij wel moet worden opgemerkt dat in dit getal niet is gecorrigeerd voor dubbeltellingen.

Het op korte termijn vergroten van de nulemissiezone stuit vanuit juridisch oogpunt en vanuit het oogpunt van betrouwbaarheid van de overheid wel op bezwaren. Ook is onzeker of het Rijk een dergelijke uitbreiding wel zou accepteren. Eindhoven werkt sinds 2017 aan een nulemissiezone voor stads­ logistiek binnen de ring. Hierover heeft uitgebreide consultatie plaats­ gevonden met de betrokkenen, wat in 2024 heeft geleid tot het definitieve verkeersbesluit. Dit gaf ondernemers de gelegenheid zich op deze verandering voor te bereiden. Het nu op korte termijn uitbreiden van de zone zal gezien worden als het eenzijdig wijzigen van de afspraken. Voor veel, met name 25 Zie ook het stappenplan voor toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht 26 Hoen, A., Seters, D. van (2023). Op weg naar emissievrije mobiliteit in Eindhoven, Update effecten Plan van Aanpak emissievrij Eindhoven. CE Delft. 42 | Klimaatplan 2026-2030

kleinere ondernemers, zal een uitbreiding van de zone op korte termijn naar verwachting ook een onverwachte financiële strop zijn. Vanuit die optiek wordt ervoor gekozen deze ingrijpende maatregel niet op korte termijn, dat wil zeggen al vóór 2030, in te voeren, maar deze maatregel te laten samenvallen met het traject naar een volledig emissieloze stad in 2038. Wel wordt er in de komende klimaatplanperiode al op voorgesorteerd door de stad en haar ondernemers goed voor te lichten over de ambitie van de stad om in 2038 qua verkeer emissievrij te zijn, zodat ondernemers en inwoners hier bij de aanschaf van een nieuw voertuig rekening mee kunnen houden. 9.1.6 Regionale ov-hubs In het bovengenoemde CE Delft rapport is ook de realisatie van regionale overstaphubs genoemd met een potentiële emissiereductie van 6 kt. Een aantal overstaphubs wordt nu reeds gerealiseerd. De realisatie van aanvullende hubs, is op dit moment niet in de plannen voorzien en het effect ervan is in relatie tot andere maatregelen uit het Masterplan en de recente ontwikkelingen rondom de uitbreiding van de stad ook moeilijk in te schatten. Aangezien het realiseren van aanvullende hubs ook een kostbare aangelegenheid is, wordt hier op korte termijn geen extra inzet op gepleegd, maar wordt het in het nieuwe mobiliteitsonderzoek halverwege de planperiode (zie § 5.3.5) opnieuw in beeld gebracht.

9.1.7 Snelheidsverlaging Het doorvoeren van snelheidsverlagingen kan in potentie enkele kilotonnen aan emissiereductie opleveren. De keuze om snelheidsverlagingen door te voeren maakt evenwel onderdeel uit van de afwegingen die worden gemaakt in aanloop naar het nieuwe Verkeerscirculatieplan (VCP)27. Het VCP is op zijn beurt weer onderdeel aan het pakket van maatregelen om de uitstoot van de mobiliteit in 2030 terug te brengen naar het niveau van 1990. Het door­ voeren van snelheidsverlagingen wordt daarom niet apart in dit Klimaatplan opgevoerd. 27 Zie ook eindhoven.nl/projecten/masterplan-mobiliteit/verkeers-circulatieplan-en-verbeterplan-ring.

43 | Klimaatplan 2026-2030

9.1.8 Zero Emissie Bouwwerktuigen Een bijzondere categorie voertuigen betreffen de mobiele werktuigen. Het betreft dan bijvoorbeeld landbouwtractoren en, voor Eindhoven relevanter, bouwmachines. De klimaatmonitor becijfert de uitstoot van deze groep voertuigen in 2023 op 33 kt. Door eisen te stellen aan bouwers ten aanzien van de werktuigen die ze gebruiken, kan de gemeente, net als bij de projecten waar ze zelf opdrachtgever van is, de uitstoot in deze categorie behoorlijk terugdringen. Dat zal bij lichtere en relatief eenvoudige werktuigcategorieën eenvoudiger zijn dan zwaardere of kapitaalintensieve werktuigen. Gezien de immense bouwopgave, wordt het op dit moment niet raadzaam geacht hier op korte termijn harde eisen of restricties aan te verbinden. Wel kan nu al bij vergunningaanvragen en/of anterieure overeenkomsten expliciet gevraagd worden om zo veel mogelijk te werken met uitstootvrije werktuigen. Dit zal in veel gevallen ook in het directe belang zijn van een ontwikkelaar, aangezien emissievrije werktuigen ook geen extra stikstofdepositie met zich meebrengen. 9.1.9 Verduurzamen utiliteitsgebouwen Binnen de categorie utiliteitsgebouwen is nog een forse emissiereductie te bereiken. Deze categorie is verder op te delen in commerciële utiliteits­ gebouwen, zoals kantoren, winkels en horeca, en publieke gebouwen, zoals overheids- en zorginstellingen, scholen en kerken.

Met de overkoepelende aanpak voor ultiliteitsgebouwen (zie ook § 5.1.5), kan nog een aanvullende emissiereductie van 25 kt CO₂e worden gerealiseerd, waarvan circa 10 kt CO₂e in de publieke sector en 15 tot 20 kt CO₂e in de bedrijfsgebouwen. 9.1.10 Verduurzamen bestaande woningen Binnen de bestaande woningen is nog een aanzienlijk besparingspotentieel te benutten. Tegelijk vraagt dit ook om de meest intensieve inzet, omdat het een groot aantal individuele trajecten betreft. Elke woning is anders en elke bewoner heeft een eigen hulpvraag. Elk jaar moeten bijna vierduizend woningen worden verduurzaamd, om uiteindelijk in 2050 helemaal vrij te zijn van aardgas. In § 5.2 is beschreven welke instrumenten daarvoor de komende jaren ontwikkeld en ingezet gaan worden. Tot 2030 kan hiermee, bovenop de bestaande afspraken en ontwikkelingen, een extra emissiereductie van 15 tot 20 kt CO₂e worden gerealiseerd.

9.2 Uitstootplafonds Zoals in §2.4 is beschreven, worden jaarlijks in de begroting per relevant taakveld maximale emissieplafonds benoemd. Bij elk taakveld worden daarbij de inspanningen vermeld die nodig zijn om binnen het uitstootplafond te blijven. In de jaarlijkse klimaatrapportage wordt dat nader uiteengezet. Tot nu was de reductiedoelstelling van 55% naar rato over alle taakvelden verdeeld. Dat leverde voor sommige taakvelden onrealistische doelen op, aangezien de emissies zich sinds 1990 op de diverse taakvelden heel verschillend hebben ontwikkeld. Op basis van de geactualiseerde prognoses en de aanvullend te nemen maatregelen die nodig zijn om de doelen uit de Klimaatverordening te halen, kunnen de maximale uitstootplafonds per taakveld nu realistischer worden vastgesteld (Tabel 1: CO₂e-plafonds per taakveld). Overschrijding van het Figuur 11: Broeikasgassen verrijkte vooruitblik met maatregelen Broeikasgasuitstoot EHV,Eindhoven, verrijkte vooruitblik met maatregelen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16508412/1