Behandeladvies Raadsvoorstel Vaststellen Klimaatplan III
Tekst van het document
Behandeladvies Raadsvoorstel Vaststellen Klimaatplan III, 2026-2030 Behandeladvies Betreft Behandelvoorstel college Argumentvorm Deadline besluit Motivatie deadline Behandeladvies griffie
Raadsvoorstel vaststellen Klimaatplan III, 2026-2030 Bespreekstuk Kerntaak gekoppeld aan werkprogramma college
Agenderen als bespreekstuk (120 minuten)
Achtergrond Het Klimaatplan III is opgesteld in het kader van de Klimaatverordening van de gemeente Eindhoven en de nationale Klimaatwet. Deze verordening en wet stellen als doel om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met ten minste 55% te verminderen ten opzichte van 1990, en uiteindelijk te streven naar een netto uitstoot van nul in 2050. De Klimaatverordening schrijft voor dat elke vijf jaar een Klimaatplan wordt opgesteld dat aangeeft hoe de gestelde reductiedoelen worden behaald. In 2020 is het tweede klimaatplan voor de periode 2021-2025 vastgesteld. Dit derde klimaatplan loopt van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030. Het einde van de derde Klimaatplanperiode markeert daarbij het jaar waarin het eerste tussendoel – 55% reductie van de jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990 – moet zijn behaald. Prioriteit in dit klimaatplan is daarom inzet om dat doel te behalen. Het klimaatplan raakt vrijwel alle beleidsvelden van de gemeente Eindhoven. De Klimaatverordening stelt geen specifieke reductiedoelen voor elke sector, maar alleen een algemeen doel voor de hele gemeente. Dit betekent dat de doelen niet precies hetzelfde hoeven te zijn voor elk taakveld. Er kan maatwerk worden toegepast, zolang het algemene doel van 55% reductie van de totale uitstoot van broeikasgassen maar wordt gehaald.
In dit Klimaatplan worden de uitstootplafonds voor 2030 daarom opnieuw vastgesteld voor de verschillende taakvelden.
Voorstel 1. De maximale emissie van broeikasgassen in Eindhoven in het jaar 2030 vast te stellen op 620,6 kt CO₂e en deze onder de jaarschijven taakvelden te verdelen als volgt: a. taakveld 0.3, Overige gebouwen en gronden: 12,0 kt (2026); 11,0 kt (2027); 10,0 kt (2028); 9,0 kt (2029); 8,0 kt (2030); b. taakveld 0.4, Overhead (kernportefeuille): 0,4 kt (2026); 0,3 kt (2027); 0,2 kt (2028); 0,1 kt (2029); 0,0 kt (2030); c. taakveld 2.1, Verkeer en vervoer: 248,8 kt (2026); 236,0 kt (2027); 223,2 kt (2028); 210,3 kt (2029); 194,9 kt (2030); d. taakveld 3.2, Fysieke bedrijfsinfrastructuur: 322,7 kt (2026); 291,6 kt (2027); 260,8 kt (2028); 229,6 kt (2029); 200,5 kt (2030); e. taakveld 4.2, Onderwijshuisvesting: 32,1 kt (2026); 29,0 kt (2027); 26,0 kt (2028); 23,0 kt (2029); 20,3 kt (2030); f. taakveld 5.2, Sportaccommodaties: 3,8 kt (2026); 3,4 kt (2027); 3,1 kt (2028); 2,8 kt (2029); 2,6 kt (2030);
2. 3. 4.
5.
g. taakveld 5.3, Cultuur: 3,8 kt (2026); 3,4 kt (2027); 3,1 kt (2028); 2,8 kt (2029); 2,6 kt (2030); h. taakveld 8.3, Wonen en bouwen (woningen): 246,8 kt (2026); 226,6 kt (2027); 205,9 kt (2028); 185,6 kt (2029); 164,8 kt (2030); i. taakveld 8.3, Overige publieke dienstverlening: 45,5 kt (2026); 40,6 kt (2027); 35,9 kt (2028); 31,2 kt (2029); 26,9 kt (2030); j. Totale uitstoot: 916,2 kt (2026); 842,3 kt (2027); 768,4 kt (2028); 694,5 kt (2029); 620,6 kt (2030). De onder 1 genoemde uitstootplafonds te verwerken in de Begroting 2026. Het Klimaatplan III, 2026-2030 vast te stellen als richtinggevend document voor het Klimaatbeleid voor de komende vijf jaar. Additionele maatregelen voor emissiereductie vast te stellen om in 2030 onder het bij beslispunt 1 genoemde emissieplafond, te weten: a. aanleg van een lokaal waterstofnetwerk; b. versnelling elektrificatie van proceswarmte op bedrijventerreinen; c. versnellingsimpuls van de aanleg van warmtenetten op bedrijventerreinen; d. handhaving erkende maatregelen e. stimuleren emissieloze bouwvoer en bouwwerktuigen; f. versnellingsimpuls verduurzaming utiliteitsgebouwen; g. versnellingsimpuls verduurzaming woningen. Technologische innovaties op het gebied van emissiebeperking of het verwijderen van koolstof uit de atmosfeer te ondersteunen.
Aandachtspunten en beleidskeuzes Doelstellingen en ambities • Zijn de gestelde doelen haalbaar en realistisch binnen de gestelde tijdslijnen? • Zijn er voldoende tussentijdse doelen en mijlpalen om de voortgang te monitoren en bij te sturen indien nodig? Financiële implicaties • Zijn de benodigde financiële middelen beschikbaar en toereikend? Het plan vraagt om aanzienlijke investeringen in infrastructuur en aanvullende maatregelen. • Wat zijn de verwachte kosten en baten van de voorgestelde maatregelen? Zijn er voldoende economische voordelen, zoals energiebesparing en werkgelegenheid, die de kosten rechtvaardigen? Technologische innovaties • Zijn de voorgestelde innovaties haalbaar? • Zijn er risico's verbonden aan de voorgestelde technologische oplossingen en hoe worden deze gemitigeerd? Samenwerking en participatie • Hoe worden bewoners, bedrijven, en andere belanghebbenden betrokken bij de uitvoering van het plan? Hoe weegt de raad de mate van participatie in dit plan? • Hoe werkt de gemeente samen met andere steden, de provincie, en Europese partners? Zijn er voldoende samenwerkingsverbanden om de doelen te bereiken? Milieu- en sociale impact • Hoe weegt de raad de impact op de biodiversiteit en luchtkwaliteit??
•
Hoe waardeert de raad de aanpak om energiearmoede te verminderen en de aanpak tegen sociale ongelijkheid?
Monitoring en evaluatie • Hoe wordt de voortgang van de maatregelen gemonitord en geëvalueerd? Zijn er voldoende mechanismen om de voortgang te volgen en bij te sturen? • Zijn de rapportage- en verantwoordingsmechanismen transparant en duidelijk? Is het helder voor de raad wanneer zij informatie krijgen over de voortgang en de resultaten?