Beantwoording technische vragen - RV warmteprogramma (D66)
Tekst van het document
Beantwoording van technische vragen - RV Warmteprogramma (D66) Openstaande vraag nav technische toelichting d.d. 7 oktober Gedurende het uitvoeringsplan kan er nog van alles gebeuren. Wat stelt de raad dan nu precies vast? Kan het onderweg naar volgende warmteprogramma al omslaan van collectief naar individueel (en via een omgevingsplan naar de raad)? Of van individueel naar collectief (en via investeringsbeslissing naar de raad)? Krijgen we de omslag nog langs als raad? En zo ja, hoe? Inleiding In het warmteprogramma wordt de voorkeurswarmteoplossing voor het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving in gebieden gepresenteerd: collectieve warmteoplossing (warmtenet) of individuele warmteoplossing (all electric warmtepomp). In de gebieden waar de voorkeurswarmteoplossing nog niet duidelijk is, gaan haalbaarheidsonderzoeken plaatsvinden. Voor deze gebieden wordt eind 2027 duidelijkheid gegeven over de voorkeurswarmteoplossing. Rol van de raad De vaststelling van het warmteprogramma (met ingang van Wet collectieve warmte een verplicht programma onder de Omgevingswet) is een bevoegdheid van het college. De raad is gevraagd naar haar wensen en bedenkingen t.a.v. het ontwerp warmteprogramma.
Het warmteprogramma geeft voor een aantal gebieden concreet aan dat de gemeente voornemens is de aanwijsbevoegdheid in te zetten, zowel voor een aantal gebieden met een collectieve warmteoplossing (om deze aanpak van de grond te krijgen en zo afgesproken met de woningcorporaties) als voor één gebied met individuele warmteoplossingen. Deze bevoegdheid ligt bij de raad en de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet via een wijziging van het omgevingsplan. Op het moment dat dit besluit genomen wordt, hebben gebouweigenaren in het gebied nog 8 jaar (dat is de richtlijn) de tijd om zich verder voor te bereiden en over te stappen op een aardgasvrije warmteoplossing. Voor gebieden met collectieve warmteoplossingen die Eindhoven Energie beoogt te realiseren (wanneer Eindhoven Energie het aangewezen warmtebedrijf wordt in dat gebied), zullen investeringsbeslissingen aan de raad worden voorgelegd.
In de tussentijd: uitvoeringsplannen De ambtelijke organisatie werkt per gebied met partners, inwoners en andere gebouweigenaren aan een uitvoeringsplan voor het voorbereiden op en realiseren van de voorkeurswarmteoplossing. Deze gebiedsgerichte aanpak maakt gebruik van de stadsbrede energiebesparingsaanpak en een energiedienstenorganisatie. Het uitvoeringsplan zorgt voor onderbouwing van besluitvorming door college en raad. We verwijzen hierbij naar paragraaf 2.3.3. Uitvoeringsplannen in het Ontwerp Warmteprogramma en naar bijlage 8 Gebiedsgerichte aanpak. In principe wordt per gebied in een uitvoeringsplan de voorkeurswarmteoplossing van het warmteprogramma verder uitgewerkt. Uiteindelijk leidt dit tot een wijziging van het omgevingsplan, waarin het gekozen alternatief voor aardgas juridisch wordt vastgelegd. Dit betekent dat de raad niet plotseling een besluit voorgelegd krijgt over het inzetten van de aanwijsbevoegdheid voor individuele warmteoplossingen in een gebied, als dit gebied in het warmteprogramma een collectieve warmteoplossing als voorkeurswarmteoplossing heeft. Mocht een dergelijke ontwikkeling zich voordoen, dan wordt de raad daar tijdig over geïnformeerd door het college.
Ook over de uitkomsten van de in het warmteprogramma benoemde haalbaarheidsonderzoeken voor gebieden waarvoor op dit moment nog geen duidelijke voorkeurswarmteoplossing bestaat, wordt de raad uiterlijk eind 2027/ begin 2028 door het college geïnformeerd. Samenvattend: In geval de bevoegdheden in de warmtetransitie bij het college liggen, wordt uw raad tijdig geïnformeerd.
Aanvullende technische vragen (D66) Nav de technische toelichting op het warmteprogramma heb ik nog een aantal technische vragen. Als jullie deze voor mij kunnen doorzetten heel fijn. Bij het Energiebedrijf speelde ook al het wel/niet vaststellen van de WGIW en de WCW. Inmiddels zijn we een jaar verder, en is nog steeds geen zekerheid wanneer deze definitief wordt vastgesteld. Wel is het rijk gekomen met een eerste aanzet voor de betaalbaarheidskaders die zouden moeten landen in de BGIW. -
Zitten er risico’s/onzekerheden in het warmteprogramma tov de vast te stellen wetgeving? Zo ja, kun je een overzicht geven van deze risico’s/onzekerheden bij het uitstellen of wijzigen van de WCW en WGIW?
Ja, er zijn op dit moment verschillende risico’s en onzekerheden binnen het warmteprogramma die samenhangen met het nog niet vaststellen van de Wet collectieve warmte (Wcw) en het Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). - Veranderende wetgeving (Wcw/Wgiw): De definitieve inhoud en timing van deze wet- en regelgeving zijn nog onduidelijk. Hierdoor kan het zijn dat keuzes die nu in het warmteprogramma worden gemaakt, op een later moment aangepast moeten worden. -
Inrichting van rollen en verantwoordelijkheden: De Wcw bepaalt onder andere de rol van de gemeente, het energiebedrijf en private partijen. Indien hierin wijzigingen komen, kan dit invloed hebben op het eigenaarschap, tempo en verantwoordelijkheidsverdeling binnen het programma.
- Financiële en juridische kaders: Zolang de Wcw en Wgiw niet zijn vastgesteld, is er onzekerheid over het juridisch kader waarin investeringsbesluiten kunnen worden genomen. Dit kan leiden tot vertraging in projecten of uitstel van aanbestedingen. - Marktwerking en toetreding derden: Onzekerheid over het toegestane marktmodel en de ruimte voor private partijen kan invloed hebben op de haalbaarheid en kosten van warmtekavels. -
Hoe verhoudt het afwegingskader voor betaalbaarheid zich tot de aangekondigde betaalbaarheidskader in de BGIW? Wat gebeurt er als hier een discrepantie tussen zit? En hoe verhouden de potentiële alternatieven voor een warmtekavel zich tot deze aangekondigde betaalbaarheidskaders?
Het gemeentelijke afwegingskader voor betaalbaarheid wordt momenteel ontwikkeld op basis van huidige inzichten, bestaand beleid en lokale uitgangspunten. De betaalbaarheidskaders in de Bgiw zijn landelijk georiënteerd en worden nog uitgewerkt. Deze kunnen afwijken van onze lokale uitgangspunten, bijvoorbeeld op het gebied van normenkaders (zoals wat “betaalbaar” precies betekent voor verschillende inkomensgroepen). Indien er discrepanties ontstaan tussen beide kaders, zullen deze in kaart worden gebracht en worden afgewogen bij de verdere uitwerking van het uitvoeringsplan. De raad wordt hierover geïnformeerd. De betaalbaarheidskaders zullen ook leidend zijn bij de toetsing van alternatieve warmteoplossingen, bijvoorbeeld bij warmtekavels waar een andere bron of infrastructuur wordt overwogen. Daarnaast werd duidelijk dat het warmteprogramma een richting geeft voor de warmteoplossing, onder andere met het doel om haalbaarheidsstudies verder uit te kunnen diepen. Dit brengt met zich mee dat de aangegeven warmteoplossing mogelijk kan wijzigen in het uitvoeringsplan. -
Mocht de warmteoplossing afwijken van de aangegeven warmteoplossing in het warmteprogramma, bijvoorbeeld vanwege betaalbaar of haalbaarheid, landt dit dan eerst in het herijkte warmteprogramma zodat de raad opnieuw wensen en bedenkingen mee kunnen geven? Of is het mogelijk dat dit direct terugkomt bij de raad via het omgevingsplan, op het moment dat deze keuze valt binnen de looptijd van het warmteprogramma (dus de vijf jaar)?
Als tijdens de uitwerking blijkt dat een andere warmteoplossing noodzakelijk is – bijvoorbeeld vanwege betaalbaarheid, technische haalbaarheid of netcongestie – dan zijn er twee routes mogelijk, afhankelijk van de mate waarin de nieuwe oplossing afwijkt van het richtinggevende besluit in het warmteprogramma: 1. Kleine afwijking binnen kaders warmteprogramma: Dan kan de aanpassing direct worden verwerkt in het omgevingsplan of uitvoeringsplan. Participatie en raadpleging blijven hierbij wel verplicht. 2. Substantiële afwijking (andere bron, infrastructuur of doelgroep): Dan zal het warmteprogramma worden geactualiseerd (herijkt), waarbij de raad opnieuw de mogelijkheid krijgt om wensen en bedenkingen in te brengen.
De gemeente hanteert hiermee het uitgangspunt van transparantie en het zorgvuldig betrekken van de raad bij strategische keuzen. Verder nog een tweetal vragen over de het tempo mbt het plan MER en het advies van de commissie mer. Aangegeven is dat het tempo leidend is geweest om het stuk nu naar de raad te brengen voor wensen en bedenkingen, voordat de commissie MER met haar advies gekomen is. -
Wat is de belangrijkste reden dat deze tempoversnelling nodig is geacht dat de keuze gemaakt is om het naar de raad te brengen voordat de commissie mer haar advies gegeven heeft?
De keuze om het warmteprogramma nu voor te leggen aan de raad is ingegeven door de noodzaak om tempo te houden in de uitvoering van het programma en bijbehorende projecten (zoals haalbaarheidsstudies en de voortgang in de proeftuinen). Het tijdig vaststellen van het warmteprogramma is ook een randvoorwaarde voor de doorontwikkeling van warmtekavels en de inzet van Rijksmiddelen. Uitstel zou belangrijke mijlpalen in de transitie kunnen vertragen. Het MER-advies is niet bindend maar informatief en wordt nog verwerkt voordat het college het warmteprogramma definitief vaststelt. In een toelichting op het definitieve warmteprogramma geeft het college vervolgens aan hoe het MER-advies is verwerkt. -
Hoe wordt de raad meegenomen in het uiteindelijke advies van de commissie MER? En wordt teruggekoppeld aan de raad hoe het college voornemens is om het advies van de commissie mer te verwerken in de verdere uitvoeringsplannen?
Zodra het advies van de commissie m.e.r. beschikbaar is, wordt dit met de raad gedeeld. Het college zal daarbij aangeven: -
In hoeverre het advies wordt overgenomen. Welke onderdelen aanleiding geven tot wijziging of aanscherping van het warmteprogramma of uitvoeringsplannen. Welke eventuele vervolgstappen daaruit voortvloeien. Tot slot speelt netcongestie mogelijk een belangrijke rol in de haalbaarheid van veel plannen, ook op het gebied van alternatieve warmteoplossingen. - In hoeverre vormt netcongestie een risico voor de uitvoer- en haalbaarheid van het warmteprogramma en de grotere ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn? Netcongestie is een reëel en toenemend risico voor de uitvoering van het warmteprogramma, met name bij oplossingen die afhankelijk zijn van elektriciteit (zoals (collectieve) warmtepompen of elektrische backupsystemen). Dit kan leiden tot:
- Vertraging van projecten - Hogere kosten door aanvullende infrastructuur - Hogere kosten voor eindgebruikers doordat alternatief voor aardgas uitblijft - Beperkte flexibiliteit in bron- en systeemkeuzes Ook voor de bredere ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn, vormt netcongestie een belemmering voor de gewenste opschaling van duurzame oplossingen. -
Als dit een risico vormt, zijn er alternatieve afwegingen die de raad kan maken (mogelijk breder dan het warmteprogramma) om de ambitie van 2050 met de huidige situatie van netcongestie haalbaar te houden? Zo ja, kan een overzicht gegeven worden van deze afwegingen die te nemen zijn?
Netcongestie is in essentie een landelijk probleem, veroorzaakt door een overbelast elektriciteitsnet en een tekort aan transportcapaciteit. De ruimte voor de gemeenteraad om hier direct op te sturen is daardoor beperkt. Het oplossen van netcongestie ligt grotendeels bij de landelijke overheid en de netbeheerders, zowel qua regie als qua investering. De gemeente kan wel in samenwerking met netbeheerders en de regio signaleren, prioriteren en afstemmen over toekomstige ontwikkelingen, bijvoorbeeld via regionale energie- en klimaatstrategieën (REKS) of uitvoeringsagenda’s. Op die manier kunnen projecten binnen het warmteprogramma beter worden gefaseerd en wordt zoveel mogelijk ruimte gecreëerd binnen de bestaande netcapaciteit. Op lokaal niveau zijn er verschillende mitigerende maatregelen mogelijk die kunnen bijdragen aan het (tijdelijk) ontlasten van het elektriciteitsnet. Het college heeft hier actief aandacht voor en werkt samen met relevante partijen aan de uitvoering ervan. De gemeenteraad heeft hierin formeel geen directe bevoegdheid maar wordt uiteraard betrokken en geïnformeerd over de voortgang en keuzes die hierin worden gemaakt. Voorbeelden van deze maatregelen zijn: -
-
Versnellen van aanleg van collectieve warmtevoorzieningen wat bijdraagt aan het verminderen van de elektriciteitsvraag voor verwarming en een efficiënter gebruik van energiebronnen bevordert. Ruimtelijk sturen op netcapaciteit door ontwikkelingen te prioriteren in gebieden met voldoende netcapaciteit waarmee overbelasting kan worden voorkomen en de beschikbare capaciteit optimaal benut wordt.
-
-
Stimuleren van decentrale oplossingen, zoals buurtbatterijen, WKO en aquathermie. Deze verhogen de lokale zelfvoorziening en verlagen de druk op het net. Bevorderen van slimme netten en vraagsturing met dynamische tarieven, slimme laadpalen en piekvermijding waardoor het verbruik beter kan worden afgestemd op de beschikbare capaciteit. Dit vraagt om samenwerking met marktpartijen en een verandering in gedrag bij gebruikers. Structurele samenwerking met de netbeheerders. Door gezamenlijk inzicht te verkrijgen in knelpunten en samen te werken aan een investeringsagenda, kunnen prioriteiten beter worden afgestemd en knelpunten tijdig worden aangepakt.
Hoewel deze lokale maatregelen waardevol zijn en het college hier actief op inzet bieden ze geen structurele oplossing voor de lange termijn. Om de klimaatdoelstellingen richting 2050 te kunnen behalen is een grootschalige opschaling van het energienet noodzakelijk. Dit vraagt om landelijke regie, zodat investeringen, planning en uitvoering op nationaal niveau gecoördineerd kunnen plaatsvinden.