Beantwoording technische vragen - Raadsvoorstel Woonprogramma 2025 2030 (50PLUS)
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen van de fractie 50PLUS: herzien woonprogramma
datum: 11 november 2025
1. Pag. 7 tweede helft 1e alinea: “het realiseren van projecten met (veel) koopwoningen complexer en onzekerder is dan projecten met huurwoningen” Vraag: Wat betekent complexer in deze context, m.a.w. welke factoren maakt het moeilijker? Grote projecten met veel appartementen hebben vaak een lange voorbereidingstijd en een lange bouwtijd. Tijdens de voorbereidingstijd is er bij projecten met koopwoningen geen garantie van afname omdat er nog geen woning kan worden verkocht (hypotheek-offertes hebben vaak een maximale geldigheid van 12 maanden), terwijl er bij projecten met huurwoningen wel al overeenkomsten kunnen worden gesloten met beleggers of andere investeerders. Door de lange bouwtijd zijn appartementen vaak ook minder aantrekkelijk voor kopers omdat er dan lang sprake is van dubbele lasten. 2. Pag. 7 tweede helft 3e alinea: “In de praktijkzien we echter dat in dit betaalbare segment veel projecten worden ontworpen met appartementen van 40m2 of kleiner” Vraag: 1.Hoeveel kleiner? 2. M.a.w. wat is de minimum oppervlakte? 3. Voor welke doelgroepen worden deze kleine appartementen gebouwd? Betaalbare huurwoningen zijn gereguleerd via de Wet Betaalbare Huur. Op basis van een toets via het Woning-waarderingsstelsel (WWS) krijgt een woning ‘WWS-punten’ en wordt de maximale huurprijs bepaald.
De oppervlakte van woningen is een belangrijke factor bij het bepalen van die WWS-punten. Toch zien we dat duurzame en goed uitgeruste nieuwbouwappartementen vaak ondanks een beperkte oppervlakte veel WWS-punten halen en daardoor hoog in de klasse ‘middeldure huur’ uitkomen. We zien bijvoorbeeld ontwerpen voorbijkomen met appartementen of studio’s van 25 of 30 m². Er is geen formele minimale oppervlakte, maar de oppervlakte staat dus wel in verhouding met de huurprijs. De kleinere betaalbare huurwoningen zijn vaak met name gericht op éénpersoonshuishoudens uit de doelgroepen jongeren, studenten en starters op de woningmarkt. 3. Pag. 11 hoofdstuk 3.3 doorstroming. Er staat in de laatste zin: het wegnemen van belemmeringen die doorstroming tegenhouden. Vraag: 1. Wat zijn die belemmeringen? Een grote belemmering voor inwoners om door te stromen is het ontbreken van passend aanbod. Veel inwoners zouden in principe wel willen doorstromen, maar alleen als de
nieuwe woning ook echt een vooruitgang is ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast is er soms ook sprake van onvoldoende bewustwording en informatie, zijn er praktische zorgen over het verhuizen zelf en zijn er financiële obstakels. 2. Welke instrumenten zijn er al ingezet om doorstroming te stimuleren? Er worden al diverse instrumenten ingezet om doorstroming te bevorderen. Zo is het seniorenpunt opgericht in samenwerking met de woningcorporaties en stimuleren corporaties doorstroming via de ‘van groot naar beter’ -regeling. Ook sturen we als gemeente bijvoorbeeld actief op de realisatie van passende woningen met zorgaanbod bij nieuwe projecten nabij voorzieningencentra in de stad. 3. Welke instrumenten komen nog? Zie paragraaf 6.6. van het Woonprogramma: Instrumenten voor vergroten doorstroming. Voor de extra inzet op doorstroming zijn ook aanvullende middelen toegekend via de Begroting 2026. 4. Pag. 14 hoofdstuk 4.4: beter benutten bestaande voorraad (c). Er wordt gesproken over woningdelen, woningsplitsen inwoning hospitaverhuur e.d. Vraag: 1. Betekent dit dat het beleid op onderdelen gaat veranderen? 2. Wat betekent dit voor de zgn. op “slot gebieden”? De beleidsregels voor kamerbewoning en woningsplitsing worden aangepast. Het dossier ligt nu bij het college van B&W voor vaststelling.
Als de regels zijn vastgesteld wordt de raad hierover geïnformeerd met een Raadsbrief. Verder blijven we inzetten op het beter benutten van de bestaande woningvoorraad binnen deze regels.