Beantwoording technische vragen 2 - over het Uitdaagrecht (PRO)
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen over het Uitdaagrecht. De technische vragen rondom het Uitdaagrecht zijn via de griffie bij ons binnengekomen. Onderstaand vind je de antwoorden daarop. We hopen dat dit meer duidelijkheid geeft voor het debat van vanmiddag. 1. Is er ergens in de procedure ruimte voor de dieners voor mondelinge toelichting vanuit de gemeente? Ja, een indiener kan voor de formele indiening contact opnemen om in gesprek te gaan. Hierbij worden informatie en randvoorwaarden gedeeld en kan op verzoek worden meegedacht. Als initiatiefnemer genoeg informatie heeft gekregen of rechtstreeks een uitdaging bij het college wil indienen, is in de Verordening een helder proces opgenomen voor de formele indiening. 2. Zijn er situaties waarin de wet de mogelijkheid om tot toepassing van het uitdaagrecht te verzoeken verplicht? (nav artikel 2, lid 2) Er zijn geen situaties waarin de wet dit verplicht. Gemeenten kunnen onderwerpen uitsluiten. Wel zijn Gemeenten wettelijk verplicht om het Uitdaagrecht op te nemen in hun verordening inwonersparticipatie vóór 1 januari 2027. Dat betekent: de gemeente moet inwoners en maatschappelijke organisaties de mogelijkheid bieden om een uitdaging in te dienen en een zorgvuldig proces in te richten voor beoordeling en besluitvorming. De gemeente is niet verplicht om ieder initiatief toe te kennen.
Het college van B&W neemt uiteindelijk het besluit. 3. Is er ook een wettelijke termijn waarbinnen het college het verzoek moet doorsturen naar het bestuursorgaan? (nav artikel 6, lid 1) Het college moet ‘onverwijld’ doorsturen. Dat volgt uit art. 2:3 lid 1 Awb. Dat betekent in de praktijk dat het college niet langer over het doorsturen mag doen dan noodzakelijk is. 4. Wanneer moet de gemeenteraad reageren op het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht? (nav Artikel 6, lid 2) Afhankelijk van de omvang en of er beleidswijzigingen nodig zijn bij de overdracht van de uitvoeringstaken ligt de bevoegdheid om hierover te besluiten bij de gemeenteraad dan wel bij het college van burgemeester en wethouders. Als de gemeenteraad bevoegd is om op het verzoek te reageren, dan heeft de raad 8 weken om te reageren op het verzoek. De raad kan deze termijn met acht weken verdagen. Het college bereid de beslissing van de raad voor. 5. Wat wordt precies bedoeld met Artikel 6, lid 3a (het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van het uitdaagrecht verzet)? Kunnen jullie hiervan een voorbeeld geven? Sommige taken mag alleen de overheid uitvoeren en vallen niet onder dit recht. Bijvoorbeeld omdat ze te maken hebben met gezag, rechtszekerheid of
bescherming van persoonsgegevens. Bijvoorbeeld het verstrekken van paspoorten, rijbewijzen en handhaving. 6. Hoe wordt omgegaan met ontbrekende informatie die vanuit artikel 5 lid 3 wordt gevraagd. Wordt hiervoor nog een verzoek tot aanvullen van ontbrekende informatie gedaan? (ivm artikel 6, lid 3c) Na het indienen van het formele verzoek wordt beoordeeld of deze voldoet aan de kaders van de verordening. Als er aanvullende informatie nodig is voor de beoordeling wordt contact gelegd met de indiener om deze op te vragen. 7. Hoe wordt bepaald of een verzoek daadwerkelijk ‘slimmer, beter, goedkoper of anders’ is dan de huidige uitvoering? Zijn daar beoordelingscriteria of een afwegingskader voor? Er is bewust voor gekozen dit zo open te laten om geen initiatieven uit te sluiten, uiteindelijk is het aan het bevoegde bestuursorgaan om te beslissen of het verzoek beter, slimmer of anders is. In de implementatie fase doen we verdere ervaring op om te leren wanneer iets slimmer, beter of anders is om dat als mogelijke afwijzingsgrond toe te voegen bij de evaluatie in 2027. ‘Beter’ uitgevoerd is een interpretabele afwijzingsgrond.
Er is voor gekozen deze op te nemen zodat het Uitdaagrecht niet alleen van toepassing is als iets goedkoper wordt uitgevoerd, maar dat het ook kansen biedt om zaken beter uit te voeren, denk aan een ‘win-win’ oplossing waar bijvoorbeeld eenzaamheid wordt aangepakt tegelijk met groenbeheer. Er is voor gekozen hierbij ruimte te laten voor een beoordeling die past bij de aard en de omvang van het initiatief. Draagvlak is bijvoorbeeld belangrijk, zo bleek uit het participatieproces. Voorbeeld: omwonenden moeten zich ook kunnen vinden in de andere invulling van een stuk openbare ruimte. Hoe dit draagvlak wordt aangetoond, is niet vastgelegd. De ene keer kan een verslag van een bijeenkomst passend zijn en de andere keer een handtekeningenlijst. Zoveel mogelijk ruimte wordt geboden om het aan te laten sluiten bij het type initiatief en tegelijkertijd recht te doen aan andere belanghebbenden. Denk daarbij bijvoorbeeld ook aan een initiatief dat dagopvang wil verzorgen voor kwetsbare ouderen. Het is dan ook belangrijk dat er bij de doelgroep (de ouderen) draagvlak is voor het initiatief. Een binnengekomen uitdaagverzoek wordt ten behoeve van de besluitvorming beoordeeld op de volgende onderdelen: - Leent de aard van de taak zich om over te worden gedragen aan inwoners en/of maatschappelijke partijen.
- Voldoet het uitdaagverzoek aan vastgesteld gemeentelijk beleid en andere wettelijke spelregels. - Hebben we voldoende informatie om te beoordelen of kan worden voldaan aan de gemeentelijke eisen (kwaliteit, kwantiteit, kosten e.d.) ten aanzien van de uitvoering. - Is er voldoende draagvlak bij andere belanghebbenden.
8. Komt er ook een standaard aanvraagformulier of handreiking voor inwoners/organisaties? Is er een loket voor ondersteuning? Zie ook vraag 1. In de sector Gebieden en Wijken komt een eerste aanspreekpunt, en ook via de website kom je als initiatiefnemer uit bij dit loket. Er is gekozen om niet met een standaard aanvraagformulier te werken omdat dit niet voor iedereen toegankelijk is. In de fase van implementatie doen we verdere ervaring op met wat er nodig is om uitdagingen goed te begeleiden en kunnen we eventuele aanvullende hulpinstrumenten ontwikkelen (uiteraard ook afhankelijk van de hiervoor beschikbare middelen). 9. Wat wordt verstaan onder een lopend contract bij een externe partij (ivm artikel6, lid 4c). Zitten er termijnen aan hoe lang een contract nog moet lopen of hoe makkelijk hij opgezegd kan worden? De Gemeente heeft met veel partijen in de stad contracten voor de uitvoering van werkzaamheden en taken. Bijvoorbeeld het contract met Dynamo over Jeugdwerk of met Cure over afvalinzameling. Als het verzoek van het uitdaagrecht betrekking heeft op het werkveld van een partij waarmee de gemeente een lopend contract heeft, moet dit met de huidige uitvoerders van de taak worden afgestemd omdat er anders sprake is van contractbreuk.
Lopende contracten kunnen een beperking vormen, maar er zijn voorbeelden binnen de gemeente waar we binnen contracten rekening houden met bewonersinitiatieven. Mocht het in de praktijk vaak voorkomen dat lopende contracten een belemmering vormen, kunnen we net als andere gemeenten (Den Bosch) ervoor kiezen om in nieuwe contracten ruimte te bieden aan het uitdaagrecht. 10. Naar wie reageert het bestuursorgaan op het verzoek? Naar college of rechtstreeks naar indiener? Aangezien inwoners bij college verzoek hebben ingediend? Gaat dit nog via college? (ivm artikel 6 lid 5) Als het verzoek volledig is en het college een besluit kan nemen, volgt daarover een college besluit en wordt dit door de behandelend ambtenaar van dit verzoek met de initiatiefnemers gedeeld. Als het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht wordt toegewezen, maakt het bestuursorgaan afspraken met de indiener over de uitvoering van de taak en ook welke stappen er volgen als de afspraken niet worden nagekomen. Als het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht wordt afgewezen, krijgen initiatiefnemers een navolgbare en gemotiveerde uitleg; wordt gekeken of het idee via een ander participatiespoor kan worden opgepakt; worden de lessen uit het initiatief meegenomen in de monitoring. 11.
In de toelichting staat: “Onder maatschappelijke organisaties vallen organisaties die als doel hebben om een actieve bijdrage aan de samenleving in de gemeente te leveren, ongeacht de rechtsvorm waarin deze zijn georganiseerd. Ondernemingen zonder winstoogmerk kunnen daar ook onder
vallen als zij lokale binding hebben. Ondernemers in algemene zin echter niet. Er moet een maatschappelijke component zijn.” Op basis van welke criteria beoordeelt het college/het bestuursorgaan of een organisatie kwalificeert als maatschappelijke organisatie en niet als onderneming met winstoogmerk? In onze Verordening is bewust gekozen om hierbij maatwerk te hanteren. Dit is om aan te sluiten bij de Eindhovense context: zo kunnen we zorgen dat ook buurtinitiatieven, ongeacht hun rechtsvorm, de mogelijkheid te krijgen om een taak over te nemen zonder dat zij hiervoor een stichting moeten oprichten.