CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

26-073 Bijlage 2.-Financieel-bericht-maart-2026

Incidenteel 24 maart 2026, gemeente EindhovenBij agendapunt: Reacties voorlopig verkozen partijen op de verkiezingsuitslag5.686 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

FINANCIEEL BERICHT MAART 2026 Dit Financieel bericht geeft het ambtelijk beeld van de stand van zaken ten aanzien van de financiële positie van de gemeente Eindhoven. Het maakt onderdeel uit van een informatiepakket dat beschikbaar wordt gesteld aan de nieuwe gemeenteraad. We geven inzicht in belangrijke financiële opgaven die per saldo geld kosten en kansen die per saldo geld (kunnen) gaan opleveren. Per onderwerp schetsen we een korte toelichting, inclusief wat we eventueel zelf kunnen doen om de impact te beperken en een inschatting van de marge in euro’s. In de gesprekken rondom de begroting hebben we al verschillende ontwikkelingen geconstateerd die waar mogelijk structureel en waar nodig -in afwachting van nadere uitwerking- (serieel) incidenteel zijn gedekt. Deze -en nieuwe- inzichten komen onderstaand terug en vragen verdieping en mogelijk maatregelen. Het is van belang om onderstaande onderwerpen specifiek te bespreken ten behoeve van een nieuw coalitieakkoord en daarbij een meerjarige financiële strategie te bepalen. Startsituatie (overzicht meerjarenbeeld) De Begroting 2026 is door de raad vastgesteld. De provincie heeft de begroting getoetst en is van oordeel dat de begroting voor 2026 structureel en reëel in evenwicht is. De circulaires gemeentefonds hebben een licht negatief effect gehad op de algemene financiële ruimte.

Daarnaast zijn er met het dossier Decembercirculaire enkele technische correcties verwerkt. Het startsaldo voor 2027 blijft daarmee op nul; in het meerjarenbeeld ontstaat een beperkte structurele ruimte van 0,8 mln. x 1 mln Saldo Begroting 2026

2027

2029

2030

0,0

0,0

0,0

Circulaires gemeentefonds

-0,7

-1,1

-1,1

Technische correctie decembercirculaire 2025

1,9

1,9

1,9

1,2

0,8

0,8

Saldo meerjarenbegroting

0,0

2028

0,0

Weerstandsvermogen De norm voor het weerstandsvermogen is vastgesteld op 10% van het begrotingstotaal met een maximum van 110 mln. Die norm relateren we steeds aan het bestaande risicoprofiel. Voor de komende jaren voorzien we een algemene tendens dat een stijging van het investeringsvolume leidt tot een stijging van de risico’s (denk aan Fellenoord, multimodale knoop, energiebedrijf). We blijven daarom volgen of de norm in het licht van de risico-ontwikkeling bijstelling behoeft. Als de norm stijgt moet het weerstandsvermogen worden aangevuld. Het staatje laat zien dat we het komend rekeningresultaat moeten inzetten om in 2029 aan de norm te voldoen. x 1 mln

2026

2027

2028

2029

Weerstandsvermogen 1 januari

154,0

117,9

113,4

111,4

Inzet cf. kadernota, begroting, dossiers (Wmo, WIJeindhoven)

-36,1

-4,5

-2,0

-6,0

Stand reserve eigen kapitaal 31-12

117,9

113,4

111,4

105,4

Norm

110,0

110,0

110,0

110,0

Verschil

7,9

3,4

1,4

-4,6

FINANCIELE OPGAVEN Sparen voor strategische investeringen blijft noodzakelijk – verwachting 5-10 mln structureel en 12 mln incidenteel Onze vastgestelde ambities en de groei van de stad naar circa 300.000 inwoners, vragen om stevige investeringen in de stad. In de afgelopen periodes zijn er middelen vrijgemaakt om een deel van de investeringen te kunnen bekostigen. Er zijn middelen beschikbaar voor onder andere de klimaatopgaven, bereikbaarheid, woningbouw en voorzieningen. De opgaven zijn echter nog steeds groter dan de beschikbare middelen. Willen we de ambities waar kunnen maken en de groei van de stad kunnen faciliteren zodat we een

leefbare, bereikbare en duurzame stad kunnen blijven, dan is het noodzakelijk dat we extra middelen vrijmaken. Niet alleen in deze periode, maar ook nog in de jaren daarna. Klimaat en weer: De klimaat- en energieopgave is groot. De dekking is de afgelopen jaren gekomen uit incidentele middelen (reserves) en een stelpost strategische kapitaallasten. De huidige financiering is niet toereikend voor uitvoering van alle activiteiten en projecten die de raad heeft vastgesteld in het Klimaatplan 2026-2030. Dit betreft langdurige activiteiten, zoals de energiebesparingsaanpak, het toekomstbestendig inrichten van het energiesysteem, voorbereidende werkzaamheden en omgevingsmanagement bij projecten t.b.v. aardgasvrije wijken (voorafgaand aan investeringsbesluiten), stimulering en faciliteren van verduurzamen industrie en bedrijven en de aanpak circulaire stad. Voor deze activiteiten zijn geen structurele exploitatiemiddelen vrijgemaakt en aan het eind van de huidige bestuursperiode zijn de toegekende middelen volledig besteed. Daarnaast is er geen dekking voor de onrendabele toppen van warmteprojecten in de bestaande bouw. Ondernemende en sociale stad: Door de sterke groei van het aantal inwoners maakt de stad niet alleen ruimtelijk, maar ook een sociaal-maatschappelijke schaalsprong.

Dit vraagt om een nieuwe manier van bouwen en het sociaal inrichten van wijken — zowel nieuw als bestaand. Om dit goed te kunnen uitvoeren, is extra uitvoeringskracht nodig binnen de organisatie én een investeringsagenda met budget om toekomstige kosten te kunnen dekken. Woningbouw: De woningbouwopgave blijft onverminderd hoog en met de Brainport- en Beethovendeal heeft de gemeente zich gecommitteerd aan de bouw van het vastgelegde contingent. Hiervoor zijn in diverse plannen voorbereidingen in gang gezet die de komende tijd gaan leiden tot de productie van woningen. Om stagnerende plannen vlot te trekken zijn in de afgelopen tijd middelen vrijgemaakt middels het programma Eindhoven bouwt door. Bereikbaarheid: Om de groeiende stad bereikbaar te houden is doorontwikkeling van ons mobiliteitssysteem nodig. We stimuleren duurzame vormen van mobiliteit, zoals lopen, fietsen, deelmobiliteit en openbaar vervoer. Het verkeerscirculatieplan (VCP) is een belangrijke strategische richting vastgesteld voor de ontwikkeling van de mobiliteitsstromen naar de toekomst. De investeringsopgave voor het VCP is 625 mln, inmiddels is daarvan 210 mln gedekt. De belangrijkste ongedekte onderdelen zijn de ongelijkvloerse kruisingen van de Ring en het Strijps Bultje.

Daarmee dragen we bij aan verkeersveiligheid, ruimtelijke kwaliteit en vergroening, behalen CO2 doelstellingen en de doorstroming en betrouwbare bereikbaarheid van onze stad. Voor een deel van investeringen is dekking aanwezig. Zo zijn voor de gemeentelijke cofinanciering van de Brainport en Beethovendeal structurele middelen beschikbaar. Echter voor de incidentele voorbereidingskosten voor de Brainport en Beethovendeal is nog een eenmalige bijdrage 12 mln benodigd. Eind 2025 zijn er aanvullende Rijksmiddelen toegekend vanuit Infra & gebiedsbudgetten aan projecten in het Novex gebied. Onder andere voor cluster 4/5 Stationsgebied, Kop van Gestel, infra Stationsgebied Zuid en Interwijkverbindingen Spoor. Het rijk draagt 39 mln bij onder de voorwaarde van een gelijk bedrag aan cofinanciering. Inmiddels is 7,5 mln aan cofinanciering ingeregeld en resteert nog een benodigd bedrag van 31,5 mln (gemiddelde kapitaallasten van 1,5 mln). Fijne en veilige wijken: Om de leefbaarheid in de wijken te borgen en verder te ontwikkelen zullen eveneens investeringen noodzakelijk zijn. De uitwerking daarvan zal in de komende tijd moeten gaan plaatsvinden. Daarnaast is verdere versterking van de organisatie op gebieden en wijken noodzakelijk. Bij de kadernota 2026 is een beperkt bedrag (0,25 mln) beschikbaar gesteld voor investeringen in maatschappelijke functies.

De vraag hiernaar is in de afgelopen periode gegroeid en daarmee is het budget niet toereikend. Vanuit de 3 sociale thema’s Gezondheid & Zorg, Samenleven en Veiligheid worden sociale ontwerpprincipes uitgewerkt, die vervolgens getoetst gaan worden binnen de verschillende gebiedskaders/ontwerpplannen. Deze uitwerkingen zullen invloed hebben op de hoogte van de (strategische) investeringen. Levendige stad: We bouwen aan een vitale stad met ruimte voor iedereen met meerdere levendige centra en een mix van wonen, werken, horeca, voorzieningen en duurzame mobiliteit. De opgaven voor sport, cultuur en onderwijs zijn of worden gevat in Integrale Huisvestingsplannen (IHP), rekening houdend met optimalisatie van

2

de huidige structuur en de groei van de stad. Voor een deel zijn de toekomstige investeringen in beeld en gedekt. Uitwerking van de IHP’s zal inzicht geven in de benodigde investeringen en de bijbehorende dekking. Inmiddels is ook duidelijk geworden dat er een dependance van het Rijksmuseum naar Eindhoven komt wat aanvullende exploitatiekosten met zich mee zal brengen. Daarnaast werken we samen met partners in de stad aan de optimalisatie van de toegankelijkheid van voorzieningen op het gebied van onder andere zorg en welzijn, aanvullend aanbod sport en spel, horeca, detailhandel en leisure in het kader van de 15-minuten stad. Ondanks dat de gemeente daar geen directe financiële rol heeft, is het van grote maatschappelijke waarde om deze functies in het juiste volume, op de juiste plek te huisvesten. In dit kader kunnen aanvullende investeringen nodig zijn. De uitwerking daarvan vindt in de komende tijd plaats. Beheer en onderhoud: Extra middelen zijn niet alleen nodig voor de noodzakelijke investeringen als gevolg van de groei van de stad maar ook voor het beheer en onderhoud van de bestaande en nieuwe stad. Daarnaast stijgen door het intensiever gebruik van de openbare ruimte de beheers- en onderhoudslasten en daarvoor moet een meegroeisystematiek ontwikkeld worden. Voorkeursrecht: De gemeente heeft op diverse strategische plekken in de stad voorkeursrecht gevestigd.

Op deze manier probeert zij regie te houden op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling en speculatieve aankopen te voorkomen waardoor prijzen sterk stijgen. Indien een groot aantal van deze objecten daadwerkelijk op de markt komen en de gemeente over gaat tot aankoop heeft dat direct een financieringseffect wat er toe kan leiden dat de gemeente versneld leningen aan zal moeten trekken. Hogere uitgaven voor Jeugdzorg, Wmo en Beschermd wonen – verwachting 20-40 mln structureel De financiële situatie van diverse thema’s binnen het sociaal domein is zorgelijk. De verwachting is dat met het voortzetten van het huidige beleid meerjarig een fors tekort ontstaat op de totale sociaal domein begroting (ca. 40 mln vanaf 2030). Ten opzichte van de vastgestelde begroting 2026 en het bijbehorende meerjarenperspectief zien we opnieuw een verdere verslechtering optreden.

Deze wordt op hoofdlijn veroorzaakt door: • Beschermd wonen: doordecentralisatie, meer duurdere voorzieningen en aanzuigende werking huidig beleid • Maatschappelijke opvang: groei door huidig beleid, hogere uitnutting en incidentele middelen als dekking zijn niet meer beschikbaar • Jeugdzorg: groei in volume en geen (verwacht) financieel effect mono/multi inkoopstrategie • Wmo: kostprijsonderzoek leidt tot hogere tarieven en ook volume groeit • Werk & Inkomen: de gekozen strategische koers van Ergon leidt tot een substantieel hogere bijdrage van gemeente • Wijkteams: de subsidieaanvraag van WIJeindhoven is structureel hoger dan we begroot hebben. Hierop loopt inmiddels een heroriëntatie onderzoek. • Asiel en migratie: landelijk onrustig beleidsthema met grote opgave, tijdelijke maar geen structurele voorzieningen en bijbehorende financiering en incidentele middelen zijn niet meer beschikbaar. Daarnaast zien we een grillig landelijk sociaal beleid en bijbehorende financiering, meestal incidenteel van karakter. De beleidsruimte die het Rijk toestaat om maatregelen te treffen (o.a. eigen bijdrage, verkorten trajectduur) wordt vaak al ingeboekt door te korten op het Gemeentefonds. Hierdoor wordt de bewegings- en keuzeruimte van gemeenten verder ingeperkt.

Al in de Begroting 2026 hebben we geconcludeerd dat het huidige sociaal domein stelsel niet meer houdbaar is en dat ingrijpen noodzakelijk is. Alleen extra financiële middelen toevoegen is niet voldoende. Met de vaststelling van de Koers Sociaal Domein (2)040 en het Transformatieprogramma zijn de eerste stappen gezet om te komen tot interventies die bijdragen aan een financieel houdbaar sociaal domein. De raad heeft inmiddels 9,4 mln ter beschikking gesteld ten behoeve van het door ontwikkelen van het programma via 5 transformatielijnen (1,3 mln), uitvoeren van de tweede tranche projecten (6,8 mln) en het uitvoeren van het programma (1,3 mln). Stand van de transformatiereserve is na aftrek hiervan 2,7 mln. Dit is echter niet voldoende. Naast de financiële tekorten zien we ook het tekort aan personeel in het sociaal domein (zowel bij de instellingen als de gemeente) al jaren toenemen. Als we onze wettelijke zorgtaken beheersbaar en voorspelbaar willen houden zijn naast een fundamentele transformatie ook extra ingrepen nodig die moeilijke, maar noodzakelijke keuzes vragen zoals:

3

• Vaststellen regionale uitvoeringsagenda maatschappelijke opvang/beschermd wonen (MO/BW) met beperkte doordecentralisatie naast lokale maatregelen om te komen tot een dempende aanpak en om de instroom te beperken; • Aanpassen reikwijdte van de verordening sociaal domein voor de onderdelen Jeugd en Wmo; • Lichte begeleiding jeugdzorg niet meer contracteren, normaliseren en waar het nog wel nodig is met andere inhoud beleggen bij maatschappelijke partners; • Rol van het onderwijs m.b.t. jeugdzorg versterken; • Collectiveren van aanbod in plaats van individuele ondersteuning; • WMO begeleiding aanpassen en aangepast contracteren met intensivering bij maatschappelijke partners; • Herpositionering van WIJeindhoven in het stelsel van het sociaal domein binnen de huidige financiële kaders met gerichte opdrachten voor begeleiding op jeugd en WMO. Voorliggende voorzieningen, Jeugd en WMO We beschikken over een stevig fundament in de sociale basis, zowel informeel als formeel. In de 1e lijn beschikken we over een stevige organisatie met Wijkteams die de eerste zorgvraag van onze inwoners opvangen samen met de huisartsen. We zien echter de vraag naar (lichte) zorg toenemen en hiermee de druk op deze voorliggende voorzieningen groeien. Met name de vraag naar jeugdzorg en Wmo ondersteuning blijft onevenredig groeien. Zeker m.b.t.

jeugdzorg lijkt zwaardere problematiek nog extra complex te worden. De beschikbare budgetten worden fors overschreden en het Rijk compenseert onvoldoende om dit in de huidige vorm te blijven financieren. Incidenteel worden extra middelen vrijgemaakt, maar structurele oplossingen ontbreken zoals we dit bij Van Ark hebben gezien ten aanzien van de jeugdzorg. We kunnen concluderen dat het huidige stelsel op (a) inhoud, (b) arbeidsmarktkrapte (resulterend in wachtlijsten) en (c) financiën, niet houdbaar meer is; daarom moeten we, in lijn met bijvoorbeeld de nationale hervormingsagenda jeugd, zelf maatregelen treffen en werken aan grip op kosten en vraag. Dit vraagt om een bredere benadering in oplossingen dan alleen zorg en ondersteuning en hiermee een fundamenteel andere inrichting van het zorgen ondersteuningslandschap. De koers van het kabinet geeft ook aan dat gemeenten zelf strengere criteria moeten ontwikkelen. In lijn met onze Koers zien we kansen om de voorliggende voorzieningen te versterken en te herpositioneren, meer grip te krijgen op de toegang tot zorg, reikwijdte van de huidige verordeningen te beperken en onze inkoop efficiënter te maken. Dit vraagt om aanpassingen van ons beleid (stevige keuzes), ongelijk investeren voor gelijke kansen en het aanpassen van werkwijze en cultuur binnen het sociaal domein.

Zo worden onze kwetsbare inwoners juist beter ondersteund dan nu het geval is. Huisvesting kwetsbare groepen Door de groei van de stad neemt het aantal kwetsbare inwoners toe, waaronder dak- en thuislozen en asielzoekers. We hebben een grotere vraag naar opvangvoorzieningen voor MO/BW dan door het Rijk wordt gedekt. De huidige inrichting van het zorglandschap MO/BW is onhoudbaar door alsmaar stijgende aantallen en de reflex tot opplussen van woon- en verblijfsvoorzieningen. Aanbod van meer plekken schept echter ook meer vraag. Ook hiervoor is een transformatie nodig waarbij we de regiogemeenten nodig hebben. We moeten daar kijken naar de wijze van indiceren en verwijzen. In de komende periode zullen een aantal onderdelen opnieuw gecontracteerd moeten worden. Daarnaast is opvang van asielzoekers een wettelijke taak (Spreidingswet) en geldt een taakstelling voor Oekraïense ontheemden en statushouders. Door schaarste aan (woon)ruimte zijn scherpe keuzes en duidelijke prioriteiten in beleid en uitvoering noodzakelijk. Stelposten commissie van Ark/Jeugdzorg Het Rijk neemt in 2028 en 2029 een financieel voorschot op nog te nemen maatregelen om het jeugdzorgstelsel te beheersen door een uitname uit het gemeentefonds voor sturen op trajectduur jeugdzorg. invoering eigen bijdrage jeugdzorg en indexatie van de besparingsopgave van de Hervormingsagenda Jeugd.

In onze begroting zijn in 2028 en 2029 stelposten opgenomen van respectievelijk 13,1 en 13,5 mln, waarmee we voorgaande 3 posten budgettair neutraal in de begroting hebben verwerkt (mede gebaseerd op het begrotingsadvies van de VNG). Deze stelposten vormen een risico in de financiële realisatie omdat deze niet corresponderen met de middelen in de rijksbegroting die maar lopen tot en met 2027. Wij hebben deze posten opgenomen omdat we verwachten dat deze stelposten op een later moment alsnog door het Rijk structureel gemaakt worden, maar dat is geen zekerheid. De provincie heeft dit onderdeel voor 8 mln afgekeurd.

4

Overige ontwikkelingen Gemeentefonds waarvan financiële effecten nog niet bekend zijn • In 2027 komt het volgende advies van de deskundigencommissie voor Jeugdzorg (van Ark). In dit tweede advies zal de commissie onder andere haar oordeel vellen over de verhouding tussen kosten en budget voor jeugd over de jaren 2025/2026 en een inschatting maken voor het lopende jaar 2027 en verder. • Er bestaat de intentie tot invoering van aparte geldstromen voor Jeugd en Wmo met een eigen systematiek voor volumegroei en indexering in de nieuwe vorm van een Bijzondere Fondsuitkering (BFU). Hogere uitgaven in gemeenschappelijke regelingen – verwachting 6-8 mln structureel Veiligheidsregio: VRZBO heeft het Beleidsplan 2027-2030 ter inzage gelegd voor zienswijze en houdt rekening met de eerdere uitwerking van de gefaseerde bestuursopdracht om te voldoen aan wet- en regelgeving (deelopdracht 1), het op orde brengen van de basis van de organisatie (deelopdracht 2) en het komen tot een toekomstverkenning richting 2040 (deelopdracht 3). Dit wordt verwerkt in de ontwerpbegroting 2027 waarbij ook nog een aantal inhoudelijke beleidsontwikkelingen worden voorgelegd. In totaliteit inclusief reguliere index vergt dit een aanvullende structurele bijdrage van 4 mln per jaar vanaf 2027.

De kosten van de onderdelen uit het Beleidsplan die nu nog op PM staan komen terug in de volgende kadernota’s en begrotingen van VRBZO. Ergon: Door Ergon is een zienswijze ingediend waarbij we kunnen vinden in variant 3 van de nieuwe Strategische koers Ergon (2027-2032). Hierbij worden de aantallen en budgetten jaarlijks vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van onze jaarlijkse begroting. Dit leidt tot een aanvullende bijdrage van 4 mln in 2027 oplopend tot 6,8 mln in 2030 (exclusief indexering). Bij de behandeling van de begroting Ergon 2027 (maart 2026) wordt aangeven op welke manier we de dekking willen organiseren. Naar verwachting kan een deel gedekt worden uit de stijgende rijksbudgetten voor deze doelgroep. Daarnaast kan een deel van de bespaarde uitkeringen als dekking worden ingezet.

De eisen op het gebied van digitalisering, AI, cybersecurity en verantwoord gebruik van data nemen toe – verwachting 8 mln structureel + 3 mln incidenteel Informatiebeveiliging 2,2 mln (vanaf 2028); Privacy 1,0 mln; Digitale toegankelijkheid 0,4 mln; Omnichannel 1,9 mln (+ 1 mln incidenteel); dataregie-organisatie 2,6 mln, AI 2 mln incidenteel In de afgelopen jaren zijn op het gebied van ontwikkeling GIVE (generieke voorzieningen, zaaksystemen), AVG en security tijdelijke middelen beschikbaar gesteld als vorm van voorinvestering zodat hier eerste stappen gezet konden worden en verdere uitwerking noodzakelijk was om benodigde vervolginvesteringen goed in beeld te brengen. Inmiddels leert voortschrijdend inzicht dat de ontwikkelingen op deze terreinen snel gaan en aanvullende, structurele inzet vragen. Het groeiend belang van digitalisering en AI bij de realisatie van stedelijke opgaven en in de gemeentelijke dienstverlening vraagt om structurele versterking van capaciteit, expertise en gerichte investeringen. Toenemende digitale dreigingen en nieuwe wet- en regelgeving (zoals BIO/NIS2, AVG/Wpg, Woo en de Archiefwet) leiden tot extra eisen aan informatiebeveiliging en privacy. Dat raakt modernisering van systemen, beveiliging van onze informatiebronnen, beheersing/toezicht op onze leveranciers, monitoring, verbeteren awareness en training.

Met de huidige, deels tijdelijke budgetten kan de organisatie hier onvoldoende op inspelen, wat de uitvoeringskracht beperkt en risico’s met zich meebrengt voor de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening. Om te voldoen aan wettelijke eisen voor digitale toegankelijkheid en onze inwoners en bedrijven te voorzien van betrouwbare en begrijpelijke digitale dienstverlening, zijn gerichte investeringen noodzakelijk. Daarnaast vraagt dienstverlening die voor iedereen toegankelijk is (digitaal of persoonlijk) -in een groeiende en internationaliserende stad- om passende communicatiekanalen (omnichannel), samenhangende sturing en betrouwbare data. In de doorontwikkeling van communicatiekanalen zijn weliswaar keuzes te maken, maar brede toegankelijkheid en modernisering geven daarvoor eigenlijk weinig ruimte. We versterken onze digitale slagkracht met generieke voorzieningen die leiden tot een eenvoudiger, toekomstbestendiger en soevereiner ICT-landschap. Niet per se goedkoper, maar wel kwalitatief beter, beheersbaarder en sneller in levering — met voordelen in o.a. contract- en leveranciersmanagement. We zetten ten aanzien van toepassing van AI in op investeren en inverdienen, waarbij de kosten voor de baten uitgaan en willen dat concreet invullen middels een revolverend fonds.

Voor de komende bestuursperiode zijn extra middelen nodig om een sterke dataregie-organisatie op te bouwen, zodat we data betrouwbaar en zorgvuldig kunnen inzetten en daarmee de inwoners en ondernemers beter bedienen met effectieve, transparante en goed onderbouwde maatschappelijke keuzes.

5

De organisatie moet in ontwikkeling blijven om mee te groeien met de opgaven van de stad – verwachting 6-11 mln structureel Groeisystematiek 1-2 mln; Huisvesting 2-5 mln, Serieel incidenteel 2 mln, Achterstanden 1-2 mln De verdere modernisering en professionalisering van onze organisatie is noodzakelijk om onze uitvoeringskracht, wendbaarheid en kwaliteit te vergroten. Dit vraagt om het duurzaam versterken van onze organisatiecapaciteit en -kwaliteit, de uitvoering centraal stellen, efficiënte en effectieve processen inrichten, de inzet van AI en werkwijzen die de wendbaarheid vergroten. • De groei van de organisatie leidt nu reeds tot druk op de beschikbare huisvesting. Met het oog op de verdere groei die de komende jaren wordt verwacht, is aanvullende en toekomstbestendige huisvesting noodzakelijk om ons werk veilig, efficiënt en professioneel te kunnen blijven uitvoeren. • Om de dienstverlening aan de groeiende stad te kunnen blijven borgen is een groeisystematiek ontwikkeld voor de uitvoerende functies. Deze is eerder voor 2026 en 2027 vastgesteld, maar vanaf 2028 ontbreekt de structurele borging voor dit principe ‘groei stad = groei organisatie’. Door deze financiering structureel te maken, kunnen groeiende opgaven worden opgevangen en kan de continuïteit geborgd worden. Dekking hiervoor loopt momenteel via de volumestijging van het accres gemeentefonds.

• Een deel van de huidige formatie voor de uitvoering van de gemeentelijke werkzaamheden is niet structureel geborgd; de financiering is vooralsnog serieel-incidenteel opgenomen. In de afgelopen jaren is deze problematiek voor een deel opgelost door de omzetting naar structurele financiering, maar voor een deel moet dat nog gebeuren. • Binnen de organisatie is de formatie binnen sommige onderdelen (te) krap hetgeen leidt tot achterstanden. Als voorbeeld: op basis van de producten en de bijbehorende normtijden voor werkprocessen blijkt dat Burgerzaken structureel onvoldoende formatie heeft. Zonder aanvullende capaciteit ontstaat druk op de uitvoering, lopen wachttijden op en komt de continuïteit van de dienstverlening in het geding. Overige ontwikkelingen – verwachting 2-7 mln structureel, 3 mln incidenteel Weerbare stad en organisatie: Als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen en de bijbehorende hybride dreigingen, maar ook door o.a. klimaatverandering is er sprake van een toenemend risico op (langdurige) uitval van vitale infrastructuur en publieke voorzieningen. Het vergt een gezamenlijke inzet van overheid, inwoners, maatschappelijke organisaties, bedrijven en onderwijsinstellingen om de weerbaarheid en veerkracht te vergroten om ons hierop goed voor te bereiden en er snel van te kunnen herstellen.

De weerbaarheid van de stad en onze eigen organisatie is een organisatie-brede opgave waar binnen alle sectoren en ook bestuurlijk breed aandacht voor moet zijn binnen verschillende programma’s en ontwikkelingen. Naast financiering vanuit het Rijk zullen in de begroting ook middelen vrijgemaakt moeten worden voor deze opgave. Extreem weer: De gevolgen van een veranderend klimaat zijn steeds vaker zichtbaar. Schade door extreem weer vindt plaats aan bomen, beplanting én aan bestrating, gebouwen en riolering. Naast water gerelateerde problemen, moeten we ook we ook vaker strooien bij vorst als gevolg van water op de weg. Door schade ontstaan extra vervangingskosten en extra kosten voor het opruimen en herstellen. Uitstel is vaak niet mogelijk. Extra investeringen zijn nodig om de openbare ruimte klimaatadaptief in te richten en de gevolgen van klimaatverandering te beperken of voorkomen (denk ook aan uitbreiding bij bijvoorbeeld Fellenoord). Dat geldt eveneens voor groen voor openbare ruimte binnen een meer verdichtende stad en de verbindingen tussen verschillende woongebieden. Voor 2027 kan een post ‘Extreem weer’ in de begroting worden opgenomen of gehandhaafd worden als onderdeel van de risicoparagraaf.

Voor de periode na 2027 kan overwogen worden om voor water-gerelateerde risico’s door extreem weer een reservering op te nemen onder het Omgevingsprogramma Klimaatadaptatie, gedekt uit de rioolheffing. Vanuit gestegen kosten, toename en integraliteit van de opgaven en een inflatiecorrectie voorzien we voor 2027 een forse stijging van de rioolheffing. Via het aankomende Omgevingsprogramma Klimaatadaptatie wordt eind 2026 een voorstel voorgelegd over de hoogte van de rioolheffing. Tijdelijk gefinancierde activiteiten: In de afgelopen jaren zijn zowel vanuit het rijk als vanuit eigen keuzes incidentele middelen vrijgemaakt voor verschillende activiteiten. Als het rijk de middelen afbouwt of stopt, bv Specifieke uitkeringen (SPUKS) dan staan we voor de vraag of we de activiteiten stoppen of uit eigen middelen

6

voortzetten. In het kader van de eigen keuzes noemen o.a. uitbreiding boa’s, straatstewards, horecastewards, jongerenwerk, straattriage & wijk-GGD en jaarwisseling. Continuïteit maatschappelijke partners: Voor de uitvoering van ons beleid zijn we vaak afhankelijk van onze partners in de stad. Deze partners staan door kostenstijgingen en personeelstekorten ook steeds meer onder druk. Recent voorbeeld hiervan is het raadsvoorstel voor additionele subsidiering van WIJeindhoven. Ook voor De Effenaar geldt dat de kosten van personeel, beveiliging, schoonmaak, energie sterker zijn gestegen dan de omzet. Ook andere partners kunnen nog in zwaar weer komen. Indexatie: In de Kadernota 2026 is gekozen voor het model ‘we geven door wat we krijgen’. Het rijk hanteert voor het gemeentefonds, onze grootste inkomstenbron, het Bruto Binnenlands Product (BBP). In de begroting is een stelpost opgenomen voor de indexering van onze uitgaven. Voor het jaar 2027 bedraagt deze stelpost 27 mln en dit kan ontoereikend zijn. Factoren als arbeidsmarktkrapte, verduurzamingsverplichtingen, energietransitie, stijgende bouwkosten en algemene inflatie zorgen de komende jaren voor aanzienlijke prijsstijgingen. Dit zet niet alleen de uitvoeringscapaciteit onder druk, maar betekent ook dat de gemeente met gelijkblijvende budgetten uiteindelijk minder fysieke projecten kan realiseren. Dit vertaalt zich o.a.

in een vermindering van de kwaliteit en het ambitieniveau in de openbare ruimte. Strategisch beleid gericht op risicovermindering, administratieve verlichting en investeringen in laadinfra kunnen deze druk matigen. Voor grotere investeringen ontvangt de gemeente bijdragen vanuit Rijk, Provincie, MRE gemeenten en derden. Met deze partijen worden specifieke afspraken gemaakt over indexering van de bijdragen. Niet in alle gevallen wordt indexering over de gehele periode toegezegd en ook niet in alle gevallen sluiten de gehanteerde indexpercentages aan bij de kostenstijgingen. Daarmee ligt het indexeringsrisico bij de gemeente.

KANSEN Meer structurele middelen Rijk (o.a. herijking Gemeentefonds) – verwachting 4-16 mln structureel + PM Er is nog geen ‘startnota’ van het nieuwe kabinet die mutaties op het gemeentefonds laat zien. Wel worden naar verwachting in 2027 in het traject van de herijking van het gemeentefonds volgende stappen genomen. Regeerakkoord minderheidskabinet D66, CDA en VVD: Het kabinet wil meerjarige afspraken maken over taken en financiering. In dit kader wordt onder meer gesproken over een uitvoeringstoets van het kabinetsbeleid door medeoverheden. In het akkoord ontbreken echter concrete uitspraken over (ontoereikende) indexatie o.b.v. BBP, stappen in de herijking gemeentefonds en jeugdzorgmiddelen (PM). Herijking gemeentefonds/ingroeipad nieuw verdeelmodel: Vanaf 1 januari 2023 is het verdeelmodel van het gemeentefonds herzien, met als doel een stabiel verdeelmodel dat zoveel mogelijk aansluit bij de kosten van de gemeenten. Een ‘ingroeipad’ zorgt ervoor dat de gevolgen van de herziening beperkt blijven. Daarvoor krijgen nadeelgemeenten een suppletie-uitkering. Die beperkt de hoogte van de herverdeeleffecten (en voordeelgemeenten ontvangen als tegenhanger een negatieve suppletie-uitkering, ofwel een aftrekpost). Tot op heden zijn drie stappen gezet: 2023 7,50 en 2024/2025 15 euro per inwoner (= 4 mln).

De bedragen voor 2026 en verder zijn afhankelijk van verdere besluitvorming n.a.v. de uitkomsten van nadere verdeelonderzoeken uit de onderzoeksagenda. In afwachting hiervan heeft het Rijk besloten voor 2026 (en verder) uit te gaan van de stand 2025. Eindhoven is een grote ‘voordeelgemeente’ en heeft dus baat bij een verdere implementatie van het ingroeimodel. Bij een volledige invoering van het nieuwe verdeelmodel zouden we nog 45 mln structureel extra moeten ontvangen. Inmiddels is een aantal onderzoeken afgerond en deze hebben nog niet geleid tot eenduidig toe te passen correcties die het model beter maken. BZK wil per 1 januari 2027 een volgende stap zetten op het ingroeipad naar de nieuwe verdeling. Mochten de vervolgonderzoeken nog niet zijn afgerond, dan wordt toch per 1 januari 2027 een volgende stap gezet. In de meicirculaire 2026 moet duidelijkheid komen over het ingroeipad vanaf 2027. Gezien de opties die nu worden verkend is een risico dat we er op termijn in een nieuwe verdeling minder op vooruit gaan dan in de huidige verdeling. Tot en met 2030 kunnen 4 stappen worden gezet (= 16 mln). Meer structurele middelen uit lokale lasten – mogelijkheid 0 tot 11 mln structureel De lokale lasten bestaan uit onroerende zaakbelasting (OZB), rioolheffing en afvalstoffenheffing. Voor de rioolheffing en afvalstoffenheffing hanteren we conform wetgeving kostendekkende tarieven.

Alleen de OZB-

7

opbrengst is een algemeen dekkingsmiddel. Die bedraagt in 2026 netto 94 mln, waarvan 42 mln voor woningen en 52 mln voor niet-woningen (zoals kantoren en winkels). Elke verhoging van 1% van de opbrengst van woningen en niet-woningen samen geeft een extra ruimte van +/- 1 mln structureel. Daarbij tekenen we aan dat de lokale lasten eerst verhoogd moeten worden met de reguliere inflatiecorrectie (2026: 3,5%) om zo het vastgestelde model van indexatie van baten en lasten te kunnen uitvoeren. Voor woningen kunnen we grofweg een landelijke vergelijking maken met het gemiddelde van de 100.000+ gemeenten. O.b.v. deze vergelijking ligt de gemiddelde aanslag voor een koopwoning zo’n 100 euro onder het gemiddelde. Verhoging naar dit gemiddelde levert een meeropbrengst op van naar schatting 3 mln. In onderstaande tabel presenteren we de gemiddelde aanslagen, die we nu o.b.v. een aanname (2x 3,5%) naar een landelijk niveau 2027 hebben vertaald. De tarieven voor rioolheffing en afvalstoffenheffing zijn in dit staatje gebaseerd op de huidige inzichten. De rioolheffing zal naar verwachting verder stijgen (zie onderdeel ‘Extreem weer’). Er worden scenario's doorgerekend om de effecten op de rioolheffing te bepalen. De afvalstoffenheffing zal naar verwachting verder stijgen door hogere kosten van afvalinzameling via de Gemeenschappelijke regeling CURE.

De effecten hiervan zijn nog niet bekend, maar kunnen -omdat we lokale lasten als één pakket zien- ook een dempend effect hebben op de meeropbrengst OZB. Voor niet‑woningen kunnen we alleen een landelijke vergelijking maken op basis van de tarieven. Die liggen in 2025 zo’n 19% onder het gemiddelde. Verhoging naar dit gemiddelde levert een meeropbrengst op van naar schatting 8 mln. De waardestijging van niet-woningen is daarbij niet uniform en tarieven worden per groep (eigenaar/gebruiker) vastgesteld. Omdat objecten per segment sterk verschillen kan een tariefstijging tot grotere effecten voor individuele ondernemers leiden. Gemiddelde aanslag koopwoning (in euro’s)

Eindhoven (’26)

Gemiddelde 100.000+ (’27)

Eindhoven (’27) naar gemiddelde

Stijging

OZB

463

481

514

11%

Afvalstoffenheffing

345

401

365

6%

Rioolheffing

202

226

232

15%

Lokale lasten

1.010

1.111

1.111

10%

Meer middelen uit activa, cofinancieringspakketten, subsidies, reserves, rekeningresultaten mogelijkheden PM • We hebben een aantal deelnemingen die een dividendopbrengst kennen. Op basis van geactualiseerd deelnemingenbeleid inclusief dividendbeleid kunnen mogelijkheden onderzocht worden of hogere dividendinkomsten tot de mogelijkheden behoren. • Het blijft een voortdurende opdracht om te onderzoeken of aanvullende cofinanciering, bv in de vorm van (EU) subsidies, een mogelijkheid biedt om bestaande eigen middelen vrij te spelen waardoor ruimte binnen de begroting zou kunnen ontstaan. • Elke 4 jaar (in een verkiezingsjaar) worden alle reserves doorgelicht. Daarbij wordt o.a. gekeken of de bestedingsplannen nog actueel zijn. De analyse vindt plaats bij het opstellen van de jaarrekening over 2025. De uitkomsten worden samen met de concept-jaarrekening aangeboden op 1 april. • Ook zijn de afgelopen jaren telkens (met name incidentele) positieve rekeningresultaten behaald. Keuzes uit beleidsvrijheid begroting – mogelijkheden 0-6 mln structureel Eén van de mogelijkheden om financiële dekking te vinden is ‘nieuw voor oud’. Dat wil zeggen dat nieuw beleid in de plaats komt van bestaand (oud) beleid, dat wordt afgebouwd of geheel gestopt. De vraag of en waar deze ruimte in de begroting zit is niet zo eenvoudig te beantwoorden.

Gemeenten zijn in veel taken namelijk niet vrij om te kiezen. Uit een rapport van ROB blijkt dat 60% van de gemeentelijke uitgaven als gevolg van wettelijke taken geheel niet beïnvloedbaar is. In de overige 40% kunnen keuzes worden gemaakt. Die beleidsvrijheid (volgen we route ‘A’ of volgen we route ‘B’?) leidt niet per definitie tot financiële speelruimte. De beleidsvrijheid blijkt met name te zitten op het niveau waarop we taken uitvoeren (bv onderhoudsniveau) en op thema’s waar we ambities op hebben: klimaat, mobiliteit, sport, cultuur en economie. Ook eigen regelgeving (denk bijvoorbeeld aan het opstellen van tussentijdse rapportages of de mate waarin bijzondere

8

bijstand wordt verleend) is beïnvloedbaar. Het proces van ombuigen is weerbarstig. Het draait om ingewikkelde keuzes maken binnen een samenstel van onderling conflicterende belangen. Daarbij moet ook gekeken worden naar o.a. de maatschappelijke effecten en een realistisch ingroeipad. Buiten de eerder beschreven ruimte bij lokale lasten is er vrijheid ten aanzien van de inkomsten uit bijvoorbeeld parkeren en toeristenbelasting. Op basis van eerder genomen besluiten is die ruimte nu beperkt. De parkeertarieven laten we tot en met 2030 stapsgewijs groeien naar het gemiddelde van de G4 en de Brabantse steden. De toeristenbelasting wordt in 2 stappen verhoogd (per overnachting in 2026 naar 5,25 euro en in 2027 naar 6 euro). Onderzocht kan worden of hier nog aanvullende ruimte kan worden gevonden. ROB heeft in haar rapport alle taakvelden in de begroting gescoord op een schaal van 0 (geen vrijheid) tot 10 (volledige vrijheid). Verdeeld over de bestaande budgetten in de programma’s is de score als volgt: Programma

x 1 mln

Begroting '27

Score

1. Klimaat en weer

128

5,5

2a. Ondernemende stad

16

9,5

2b. Onderwijs

66

3,5

2c. Sociale stad

585

2,9

3a. Woningbouw en fijne wijken

98

7,5

3b. Bereikbaarheid

72

8,1

4. Veilige wijken

47

3,8

5. Levendige stad

100

8,9

6. Organisatie Totaal

188

1,7

1.299

4,2

Samenvatting financieel beeld In onderstaande tabel zetten we alle financiele opgaven en kansen op een rij. Uit deze opstelling blijkt dat de kosten de baten overstijgen en keuzes noodzakelijk zijn om de begroting structureel sluitend te houden. Financiele opgaven

Structureel

Incidenteel

Weerstandsvermogen Sparen voor strategische investeringen blijft noodzakelijk

5-10

5 12

Hogere uitgaven voor Jeugdzorg, Wmo en Beschermd wonen Hogere uitgaven in gemeenschappelijke regelingen

20-40 6-8

Eisen op het gebied van digitalisering, AI, cybersecurity en gebruik van data Organisatie moet in ontwikkeling blijven om mee te groeien met opgaven van stad

8 6-11

3

Overige ontwikkelingen Totaal financiele opgaven

2-7 47-84

3 23

Kansen

Structureel

Incidenteel

Saldo meerjarenraming Meer structurele middelen Rijk (o.a. herijking Gemeentefonds)

0-1 4-16 + PM

PM

0-11 PM

PM

0-6 4-34 + PM

PM

Meer structurele middelen uit lokale lasten Meer middelen uit activa, cofinanciering, subsidies, reserves, rekeningresultaten Keuzes uit beleidsvrijheid begroting Totaal kansen

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16726292/1