23bst01319 - Bijlage 3 - zienswijze brief - Ontwerp gewijzigde GR ODZOB
Tekst van het document
Retouradres Postbus 90150, 5600 RB Eindhoven
ODZOB Dagelijks Bestuur Postbus 8035 5601KA EINDHOVEN
gemeente Eindhoven Uw brief van 17 juli 2023 Uw kenmerk Z.2023-002044/D.104900
Betreft: Zienswijze ontwerp gewijzigde GR ODZOB 2024 Geacht bestuur,
In uw brief van 17 juli jl. vraagt u om onze zienswijze kenbaar te maken op de ontwerp gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling ODZOB 2024. Opmerkingen bij uittredingsregeling Met betrekking tot de voorgestelde wijzigingen hebben wij enkel een opmerking bij artikel 9.2 m.b.t. de uittredingsregeling. Wij constateren dat de uittredingsregeling van de 4 grote GR’en op verschillende manieren is uitgewerkt. Dit verdient ons inziens nader onderzoek naar haalbaarheid, uitvoerbaarheid en harmonisatie tussen de 4 grote GR’en. De GR dient conform de Wgr bepalingen te hebben omtrent de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding. Dit was al het geval voor GR’en die voor onbepaalde tijd zijn getroffen, maar deze verplichting geldt door de wetswijziging ook voor GR’en van bepaalde tijd. Daarnaast schrijft de wet voor waarover afspraken gemaakt moeten worden. Volgens de wetgever laat de praktijk zien dat veel problemen worden ervaren ten gevolge van de uittreding omdat in de GR vaak wordt volstaan met de afspraak dat in geval van uittreding het (algemeen) bestuur de uittreedvoorwaarden vaststelt. De nieuwe wetgeving is om die reden aangescherpt.
In de GR moeten in ieder geval afspraken worden gemaakt over de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon en de deelnemende gemeente(n), waarbij moet worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen. In de voorgestelde wijzigingen van de GR’en is hier uitvoering aan gegeven, maar niet op een eenduidige manier. De voorwaarden waaronder uitgetreden kan worden, verschilt namelijk per GR. We vragen ons af ook of die voorstellen financieel haalbaar en uitvoerbaar zijn voor gemeenten en of er geen nadere harmonisatie van de voorwaarden op dit onderdeel tussen de GR’en kan plaatsvinden. Wij doen hierbij dan ook een oproep om, conform de wijze waarop de kaders voor P&C instrumenten en reservevorming eenduidig voor de 4 GR’en zijn vastgesteld, tot een voor de 4 grote GR’en eenduidige uittredingsregeling te komen en de hiervoor genoemde financiële aspecten van haalbaarheid en uitvoerbaarheid hierin mee te nemen. Opmerkingen m.b.t. de stemverhouding In zowel de nu vigerende als de nu voorliggende Gemeenschappelijke Regeling ODZOB is dezelfde bepaling opgenomen omtrent de stemverhouding bij besluiten die zien op: a. het vaststellen van de begroting; b. de wijziging van de begroting; en c. het vaststellen van de jaarrekening.
Deze bepaling houdt in dat bij deze besluiten een gekwalificeerde meerderheid nodig is, waarbij de meerderheid van stemmen tevens tenminste de helft van de omzet vertegenwoordigd welke de omgevingsdienst in het voorgaande jaar heeft gerealiseerd.
In de praktijk is het zo dat de provincie circa 33% van de jaarlijkse omzet van de ODZOB op zich neemt. De bijdrage van Eindhoven, als deelnemer met de hoogste bijdrage na de provincie Noord-Brabant, is jaarlijks circa 7% a 8%. Dit betekent dat het in de praktijk vrijwel onmogelijk is een meerderheid over deze besluiten te krijgen, zonder dat de provincie Noord-Brabant hier mee instemt. Gemeentelijke belangen, die inhoudelijk verschillen van de provinciale belangen, kunnen daarmee zeer lastig overgebracht worden en de controlerende taak van de Gemeenteraad kan daarmee ook niet worden ingevuld. Uit een inventarisatie in den lande is gebleken dat een dergelijke stemverhouding, buiten de provincie NoordBrabant, vrijwel niet wordt gehanteerd. Derhalve wordt verzocht om de stemverhouding in de nieuwe Gemeenschappelijke Regeling te wijzigen. Er zijn diverse wijzen waarop dat kan. De wijze waar de gemeente Eindhoven zijn voorkeur voor uitspreekt de onderstaande is: 1. Het aantal stemmen van een deelnemer is gerelateerd aan de in de begroting van de omgevingsdienst voor het betreffende kalenderjaar opgenomen bijdrage van de deelnemer. 2. Het aantal stemmen van de provincie is niet hoger dan de deelnemende gemeente met de meeste stemmen. 3.
Het aantal stemmen per deelnemer wordt jaarlijks door het dagelijks bestuur op de eerste vergadering van het jaar vastgesteld aan de hand van de voor dat jaar vastgestelde begroting van de omgevingsdienst. Het aantal stemmen wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde even getal. 4. Het aantal stemmen per lid in het algemeen bestuur wordt berekend door het aantal stemmen per deelnemer te delen door twee. Indien slechts één lid van een deelnemer aan de stemming deelneemt, blijft het afwezige lid separaat stemmingsgerechtigd en kan door middel van een volmacht (in de zin van artikel 3:60 jo 3:62 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek) aan het wél aanwezige lid, zijn stem uitgebracht worden. Het aantal stemmen dat het afwezige lid vertegenwoordigt in het algemeen bestuur blijft in dat geval in stand. 5. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 6. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van het aantal uitgebrachte stemmen. 7. Indien gedurende het jaar sprake is van toetredende deelnemers, wordt in afwijking van het derde lid, tussentijds de stemverhouding vastgesteld met inachtneming van de in dit artikel vastgestelde methodiek.
Bron: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst West-Holland | Lokale wet- en regelgeving (overheid.nl) Opmerkingen m.b.t. inspraak Wij verzoeken u expliciet vast te leggen dat inspraak in beginsel via de deelnemers aan de GR verloopt. Het dagelijks bestuur krijgt het recht hier vanaf te wijken, eventueel op verzoek van de raden. Hiertoe stellen we de volgende bepaling voor ter vervanging van het bepaalde in artikel 1.3 ontwerp gewijzigde Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant 2024: Artikel (…) Inspraak 1.
Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemers betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.
2.
In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen.
3.
Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden het dagelijks bestuur hierom verzoeken.
4.
Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.
Opmerkingen bij artikelen over archiefbescheiden Tenslotte hebben wij een opmerking bij de artikelen die ingaan op het archiefbescheiden: -
Artikel 8.4 Verantwoording In dit artikel wordt enkel gesproken over de zorg voor de archiefbescheiden. We verzoeken om in dit artikel ook de verantwoording over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, op te nemen. Er wordt aangeraden om hiervoor aan te sluiten bij de bepalingen zoals genoemd in de handreiking inrichting informatie en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden, opgesteld door de werkgroep van het LOPAI, de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland (KVAN) en het Kennisnetwerk Informatie en Archief (KIA).
-
Artikel 9.4 Opheffing Dit artikel bevat geen bepaling waarin is opgenomen wat er gedaan wordt met het archief van de gemeenschappelijke regeling na opheffing. Wie wordt in dit geval de rechtsopvolger?
Tot slot Het getekende raadsbesluit is ter informatie bijgevoegd. Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. De raad van de gemeente Eindhoven,
J. Jongbloed, griffier.