CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

22bst01150 Raadsvoorstel Tot het vaststellen van de Verordeningen gemeentelijke belastingen heffingen en rechten 2023

Raadsvergadering 8 november 2022, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Tot het vaststellen van de Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 202326.117 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

gemeente Eindhoven Inboeknummer 22bst01150 Dossiernummer 22.38.751 B&W beslisdatum 20 september 2022

Tot het vaststellen van de Verordeningen gemeentelijke aadsvoorstel belastingen, heffingen en rechten 2023 Inleiding Ieder jaar stelt uw raad de ‘Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten’ (hierna: de verordeningen) vast. De belastingtarieven maken onderdeel uit van deze verordeningen. Aan de hand van deze tarieven worden de aanslagen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten opgelegd. Het betreft de navolgende verordeningen: 1. onroerende-zaakbelastingen; 2. rioolheffing; 3. reinigingsheffingen (afvalstoffenheffing en reinigingsrechten); 4. leges burgerzaken; 5. leges vergunningen; 6. precariobelasting; 7. marktgeld; 8. begraafplaatsrechten; 9. hondenbelasting; 10. standplaatsgeld autobusdiensten; 11. kanaalrechten; 12. toeristenbelasting; 13. parkeerbelastingen; 14. intrekking baatbelasting riolering; 15. kwijtscheldingsverordening. Via dit voorstel worden de verordeningen voor belastingjaar 2023, ter vaststelling, aan u voorgelegd. Ja Wettelijke taak Ja Kerntaak gekoppeld aan het werkprogramma van het college Ja Onvermijdelijk

1

Inboeknummer

22bst01150

Doelstelling Mogelijk maken van de realisatie van de begrote opbrengsten gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten, die in de Programmabegroting 2023 zijn opgenomen. Voorstel 1. De Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2023 vaststellen. 2. De tarieven onroerende-zaakbelastingen 2023 in december 2022 gewijzigd vaststellen, indien daartoe aanleiding bestaat. Argumenten 1.1 De verordeningen geven uitvoering aan het raadsvoorstel tot vaststelling van de begroting 2023 In de begroting treft u de begrote opbrengsten aan van de verschillende gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten voor belastingjaar 2023. Met deze opbrengsten kunnen we in 2023 de gewenste voorzieningen treffen. De heffing van deze belastingen, heffingen en rechten gebeurt op basis van de verordeningen en tarieven die we u hierbij ter vaststelling voorleggen. Allereerst gaan we nader in op de woonlasten. Voor inwoners van de gemeente met een eigen woning bestaan de woonlasten uit de onroerende-zaakbelasting (hierna: OZB), de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. De totaalopbrengsten van de OZB, rioolheffing en reinigingsheffingen (afvalstoffenheffing en reinigingsrecht) zijn voor 2023 begroot op € 138 miljoen (2022: € 133 miljoen).

Een gedeelte van deze stijging komt door hogere tarieven, namelijk € 3 miljoen, en voor het overige is dit het gevolg van vergroting van het areaal (€ 2 miljoen). De rioolheffing, de afvalstoffenheffing en de reinigingsrechten moeten, net als bijvoorbeeld de leges, voldoen aan de opbrengstlimiet. Dat wil zeggen dat de begrote opbrengsten de begrote kosten niet mogen overstijgen. De tarieven blijven maximaal kostendekkend. Na behandeling van de woonlasten, gaan we in paragraaf 1.2 nader in op de OZB. Vervolgens komt in paragraaf 1.3 de rioolheffing aan bod, terwijl in paragraaf 1.4 de reinigingsheffingen worden besproken. In de daaropvolgende paragrafen lichten we de aanpassingen in de overige verordeningen nader toe. Woonlasten Conform het Bestuursakkoord 2022-2026 is het voorstel om, zolang er substantiële structurele nieuwe middelen te verdelen zijn, de lokale lasten voor woningen en niet-woningen in totaal niet meer groeien dan met de reguliere

2

Inboeknummer

22bst01150

indexering. De reguliere indexering is voor 2023 vastgesteld op 2,4% (conform CPB prijsindexcijfers van maart 2022). In december 2021 is er een commissienotitie besproken voor het Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP). Hierbij is de wens uitgesproken om het ambitieniveau voor klimaatadaptatie gelijk te houden. De ruimte die ontstaat door reguliere indexatie van de lokale lasten wordt in 2023 geheel bestemd voor een verhoging van de rioolheffing. Op deze manier kunnen de voorgestelde plannen voor klimaatadaptatie worden uitgevoerd hetgeen op verschillende plekken in de stad leidt tot een kwalitatieve impuls in de openbare ruimte. In onderstaande tabel wordt inzichtelijk gemaakt wat de ontwikkeling van de lokale lasten van 2022 naar 2023 betekent voor een meerpersoonshuishouden, bestaande uit drie personen, met een eigen woning en een gemiddelde WOZwaarde (€ 369.000,-). Zoals uit onderstaande tabel blijkt zijn de onroerendezaakbelasting en de afvalstoffenheffing gelijk gebleven ten opzichte van 2022. De totale gemiddelde woonlasten stijgen met 2,4%. Woonlasten (afgeronde getallen cf. begroting) Verschil in Verschil in 2022 2023 € % Onroerende-zaakbelasting € 340,€ 340,0,0,0 % Afvalstoffenheffing € 289,€ 289,0,0,0 % Rioolheffing € 168,€ 187,19,11,3 % Totaal gemiddelde woonlasten € 797,€ 816,19,2,4 %

1.2

Onroerende-zaakbelastingen

1.2.1 Taxatiewaarde De vastgestelde waarde van onroerende zaken volgens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) dient als grondslag voor de aanslag OZB. De OZBtarieven bedragen een percentage van deze WOZ-waarde. Bij een wijziging van de WOZ-waarde zal, indien de OZB-lasten gelijk blijven, het OZB-tarief in tegengestelde richting bewegen. Doordat de WOZ-waarde is gestegen, is het OZB-tarief dientengevolge gedaald. Volgens de Wet WOZ moet de gemeente de waarde jaarlijks vaststellen. Voor het belastingjaar 2023 gaat het daarbij om de waarde naar peildatum 1 januari 2022. De gemiddelde WOZ-waarde van een woning voor belastingjaar 2023, met waardepeildatum 1 januari 2022, bedraagt in Eindhoven € 369.000,-. Het voorstel voor de tarieven van de OZB is gebaseerd op de nu beschikbare kennis. Dit wil zeggen dat, op basis van de thans beschikbare gegevens,

3

Inboeknummer

22bst01150

inschattingen zijn gemaakt over bijvoorbeeld de gemiddelde waardeveranderingen en de omvang van de nieuwbouw. Volgens de vaste systematiek zal aan het einde van het jaar de berekening nogmaals worden uitgevoerd. De taxaties zijn dan verder gevorderd. Daardoor kunnen we dan een nauwkeurigere tariefberekening voor 2023 uitvoeren. Indien aanleiding bestaat de tarieven te wijzigingen, dan zal dit aan uw raad worden voorgelegd. Als we een wijziging van de tarieven voorstellen, zal de begrote opbrengst van de niet wijzigen. 1.2.2 Gevolgen voor bedrijven (niet-woningen) Ten aanzien van de OZB voor niet-woningen kennen we een eigenaren- en een gebruikersheffing. De opbrengst van beide heffingen stijgt voor 2023 met de reguliere indexering van 2,4%. 1.3 Rioolheffing De rioolheffing is bedoeld om de kosten te dekken die worden gemaakt voor de nakoming van de zorgplichten die de gemeente heeft voor afval-, hemel-, gronden oppervlaktewater. Omdat deze kosten vanwege periodieke investeringen van jaar tot jaar fors kunnen verschillen, verhalen we de kosten niet per jaar. Dit wordt gedaan om grote schommelingen in de heffing te voorkomen. Het beleid voor de zorgplichten en de onderbouwing van leggen we vast in een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP). Eind 2018 is het GRP (2019 – 2022) vastgesteld door de raad.

In het vierde kwartaal van 2022 wordt het nieuwe GRP voor de periode 2023-2026 bestuurlijk behandeld. Vooruitlopend hierop is in november 2021 het voorstel-scenario van de commissienotitie gemeentelijke rioleringsplan (GRP) door het college bekrachtigd. In deze notitie zijn voorstellen gedaan voor de uitwerkingsrichting van het nieuwe GRP 2023-2026 in relatie tot klimaatadaptatie, het Eindhovens kanaal en Knooppunt XL naast het voortzetten van reguliere taken. De rioolheffing voor 2023 is gebaseerd op dit voorkeurscenario. In het Bestuursakkoord komt dit terug onder ‘klimaatadaptief inrichten van de stad, € 2 miljoen structureel via de rioolheffing’. De ruimte die ontstaat door reguliere indexatie van de lokale lasten wordt hiermee in 2023 geheel bestemd voor een verhoging van de rioolheffing. De tarieven voor de rioolheffing voor het eigenarendeel stijgen van € 168,- naar € 187,- en voor het gebruikersdeel van € 233,- naar € 259,-. 1.4

Reinigingsheffingen

1.4.1 Afvalstoffenheffing (huishoudens) De tarieven zijn opgebouwd uit twee kostencomponenten; de vaste en de variabele kosten. De variabele kosten betreffen de verwerkingskosten van het afval. De hoogte daarvan is derhalve afhankelijk van de (totale) hoeveelheid

4

Inboeknummer

22bst01150

aangeboden afval. De vaste kosten zijn de kosten van het inzamelen van het afval en de bedrijfsvoeringskosten. Deze kosten zijn niet afhankelijk van de hoeveelheid aangeboden afval. De begrote opbrengsten van de afvalstoffenheffing mogen de begrote kosten niet overschrijden. In de tarieven voor de afvalstoffenheffing wordt onderscheid gemaakt tussen éénpersoonshuishoudens, tweepersoonshuishoudens, driepersoonshuishoudens en vier- of meerpersoonshuishoudens. Het vaste deel van de kosten wordt gelijkelijk verdeeld over elk huishouden (adres). Het variabele kosten-deel wordt naar rato van de grootte van het huishouden bij het vaste kosten-deel opgeteld. Daarbij wordt voor de huishoudens met vier of meer personen de gemiddelde grootte van deze categorie aangehouden. Achterliggende reden om deze tariefstructuur te hanteren is: “de vervuiler betaalt”. In onderstaande tabel staan de tarieven van 2022 en het voorstel voor 2023. Tarieven afvalstoffenheffing

Eénpersoonshuishouden Tweepersoonshuishouden Driepersoonshuishouden Vier- en meerpersoonshuishouden

2022 € 200,34 € 244,48

2023 € 193,82 € 241,22

€ 288,62

€ 288,62

€ 346,84

€ 351,49

Verschil in € -6,52

Verschil in % -3,25 %

-3,26 0,-

-1,33 % 0,00 %

4,65

1,34 %

De tarieven voor de afvalstoffenheffing in 2023 blijven vrijwel gelijk aan de tarieven van 2022. Dit is mogelijk doordat de kosten van Cure voor het huishoudelijk afval lager uitvallen dan eerder geraamd en vanwege een hogere groei van het aantal inwoners en huishoudens dan waarmee in eerdere prognoses rekening was gehouden. Voorgesteld wordt om de kwijtschelding van de afvalstoffenheffing in de kwijtscheldingsverordening te preciseren. Naast de reguliere inzameling van huishoudelijk afval verricht Cure ook andere werkzaamheden voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Te denken valt dan aan het gebruik van de milieustraat en het thuis ophalen van grof huishoudelijk afval. Bij kwijtschelding van de afvalstoffenheffing kan geen onbeperkt gratis gebruik worden gemaakt van deze andere vormen van afvalinzameling. Om misbruik te voorkomen wordt dit beperkt tot een jaarlijks redelijk gebruik. In verband hiermee kunnen per kalenderjaar kosteloos maximaal vijf stuks grof huishoudelijk afval worden aangeboden en één Big Bag (1 m3). Voor het overige gelden de reguliere tarieven.

5

Inboeknummer

22bst01150

1.4.2 Reinigingsrecht (bedrijven) Bedrijven hebben, mits het afval aan bepaalde voorwaarden voldoet, de keuze om hun bedrijfsafval door de gemeente of een particuliere afvalinzamelaar te laten ophalen. Ongeveer de helft van de bedrijven laat het afval door een particulier bedrijf verwijderen en betaalt dus geen reinigingsrecht. Voorgesteld wordt het tarief voor de reinigingsrecht niet te verhogen voor 2023 en te handhaven op € 197,09 (excl. btw). Tot eind 2021 had Cure op de milieustraat aan de Lodewijkstraat een beperkte dienstverlening voor bedrijven. Per 1 januari 2022 is de milieustraat uitsluitend nog toegankelijk voor inwoners van Eindhoven. Hiermee komen de tarieven voor het aanbieding van bedrijfsafval bij de milieustraat te vervallen. 1.5 Leges Voor de leges geldt dat sprake is van twee afzonderlijke legesverordeningen; de Legesverordening burgerzaken en de Legesverordening vergunningen. De ene verordening heeft betrekking op burgerzaken en algemene dienstverlening en de andere op de vergunningverlening en aanverwante diensten. Algemeen uitgangspunt bij de legesheffing is een kostendekkend tarief, met oog voor de maatschappelijke effecten en rekening houdende met de wettelijk gemaximeerde tarieven. Daarbij is de term maximale kostendekkendheid van belang.

Dit betekent dat de begrote opbrengsten van de leges, de kosten van de daarmee samenhangende dienstverlening niet mogen overstijgen. Belangrijk bij de tariefstelling is de mogelijkheid dat de kosten van de (samenhangende) dienstverlening over de verschillende legestarieven verdeeld mogen worden, de zogenaamde kruissubsidiëring. Zo zien we bijvoorbeeld in titel 2 van de Legesverordening vergunningen dat de kosten voor omgevingsvergunningen met elkaar samenhangen. De wijzigingen worden hierna toegelicht. Verordening leges burgerzaken  De maximale tarieven voor reisdocumenten en identiteitskaarten (hoofdstuk 3), voor rijbewijzen, (hoofdstuk 4), voor papieren verstrekkingen uit de Basisregistratie personen (onderdeel 5.6) en de verklaring omtrent gedrag (onderdeel 8.1) uit de tarieventabel, worden van rijkswege vastgesteld en zijn nog niet bekend op het moment dat dit dossier bestuurlijk in routing gaat. Vooralsnog zijn daarom de tarieven van 2022 opgenomen. Zodra deze van rijkswege vastgestelde tarieven voor 2023 bekend worden, stelt het college van burgemeester en wethouders de legesverordening gewijzigd vast.  In Hoofdstuk 8 van de tarieventabel van de Legesverordening burgerzaken (onderdeel 8.4) zijn de tarieven voor de stadspas vervallen omdat de stadspas inmiddels afgeschaft is.  De belangrijkste overige tarieven zijn met de algemene index van 2,4% verhoogd.

6

Inboeknummer

22bst01150

Verordening leges vergunningen In titel 3 van de Dienstverlening vallend onder de Europese Diensten- of machtigingsrichtlijn, is een artikel toegevoegd, artikel 3.5.5. Dit is een legestarief van €250,- voor een verhuurvergunning die valt onder de opkoopbescherming. De opkoopbescherming is per 1 april 2022 in werking getreden, middels een wijziging van de Huisvestingsverordening gemeente Eindhoven 2020 (21bst01773/dossier 21 49453). Hier was echter nog geen legestarief voor vastgesteld. De kosten voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een dergelijke vergunning bedragen zo’n €250,-, hetgeen wij een redelijk legestarief vinden. Wij stellen uw raad daarom voor om dit bedrag hierbij toe te voegen. De tarieven zijn met de algemene index van 2,4% verhoogd. Verder zijn er geen wijzigingen ten opzichte van de Verordening leges vergunningen 2022, behalve enkele ondergeschikte tekstuele aanpassingen. 1.6

Precariobelasting

Tarieven terrassen horeca Ten aanzien van de precariobelasting voor terrassen is in verband met corona voor de jaren 2021 en 2022 geen belasting geheven. Dit betrof een tijdelijke maatregel. Op grond hiervan wordt voor 2023 niet langer een nultarief gehanteerd maar is voor de precariobelasting betreffende de terrassen een regulier tarief opgenomen, geïndexeerd met 2,4%. Tarieven benzinepompinstallaties In hoofdstuk 6 van de tarieventabel precariobelasting staan tarieven opgenomen voor het gebruik van gemeentegrond ten behoeve van benzinepompinstallaties. In de praktijk worden deze tarieven niet gehanteerd omdat dit in voorkomende gevallen via een privaatrechtelijke vergoeding wordt geregeld. Op grond hiervan wordt voorgesteld hoofdstuk 6 van de tarieventabel precariobelasting per 2023 te laten vervallen. 1.7 Toeristenbelasting In het verleden werd bij de aanslagoplegging van de toeristenbelasting gebruik gemaakt van de zogenaamde voorlopige aanslag. Na afloop van het kalenderjaar werd dan de definitieve aanslag opgelegd. Als gevolg van corona is geen gebruik meer gemaakt van de voorlopige aanslag. Hierdoor wordt thans alleen nog een definitieve aanslag opgelegd. Omdat de hoteliers op dat moment de toeristenbelasting al hebben ontvangen van hun gasten, wordt voorgesteld de betalingstermijn te verkorten van twee termijnen naar één termijn.

7

Inboeknummer

22bst01150

Daarnaast wordt voorgesteld om, gelet op de kosten van de aanslagoplegging en de invordering, geen aanslag op te leggen indien het bedrag van de aanslag maximaal € 35,- bedraagt. Dit komt overeen met maximaal tien overnachtingen. Op dit moment wordt bij maximaal twee overnachtingen geen aanslag opgelegd. 1.8 Parkeerbelastingen Parkeerbelasting is het instrument van de gemeente om te sturen op het gebruik van het openbare parkeeraanbod en daarmee tevens een belangrijk middel om de vervoerwijzekeuze van inwoners en bezoekers te beïnvloeden in de richting van de gewenste mobiliteitstransitie naar duurzaam vervoer. Daarbij is parkeren in het centrum duurder dan in de wijken. Indexering Voor 2023 worden de parkeertarieven grotendeels aangepast op basis de algemene indexering van 2,4%, verhoogd met eenzelfde percentage wat gepast is na twee jaar grotendeels stabiel gebleven tarieven in reactie op de Coronacrisis. De meeste uurtarieven worden hiermee € 0,10 hoger. Het goedkoopste uurtarief blijft gelijk als gevolg van afronding. Ook de dagtarieven worden navenant verhoogd, evenals de parkeertarieven die Park Strijp Beheer hanteert op Strijp-S. Parkeervergunningen De tarieven van parkeervergunningen zijn al lange tijd niet veranderd. Deze volgen nu ook de aanpassing aan de prijsontwikkeling met een afronding op hele euro’s.

Uitzonderingen zijn het tarief van de bezoekersregeling dat ongewijzigd € 0,20 per uur blijft, de deelautovergunningen en sommige vergunningtarieven als gevolg van afronding.

Naheffingsaanslag Met betrekking tot de naheffingsaanslag (als er niet betaald is voor parkeren en een parkeervergunning ontbreekt) wordt voorgesteld het maximale tarief van € 72,90 te hanteren dat de Minister van BZK heeft vastgesteld voor 2023 in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. De hoogte van de naheffingsaanslag mag niet meer dan kostendekkend zijn. Uit het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen, dat als onderdeel van de verordening hierbij wordt voorgelegd, blijkt dat de kosten van de naheffing hoger zijn dan het door de Minister vastgestelde maximumbedrag. Het aantal geraamde naheffingsaanslagen van 52.603 stuks betreft de verwachte hoeveelheid op te leggen naheffingsaanslagen die daadwerkelijk wordt geïnd.

8

Inboeknummer

22bst01150

Gehandicapten parkeerkaart In 2023 is het de bedoeling om de Gehandicapten Parkeer Kaart (GPK) uit te breiden met een digitale parkeervergunning. Door de samenwerking met andere gemeenten op dit vlak wordt parkeren door GPK-houders met dit initiatief gemakkelijker en veiliger. Ook past de digitale GPK in de verdere digitalisering van de gemeentelijke parkeerproducten. Invoering is afhankelijk van separate besluitvorming over deelname aan een convenant waarin de gezamenlijke afspraken van de deelnemende gemeenten over de digitale GPK worden vastgelegd. Met aanpassing van artikel 8 lid 2 is de verordening hierop voorbereid. Uitstel van betaling Voorgesteld wordt om artikel 12 van de Verordening parkeerbelastingen zodanig te wijzigen dat het niet langer uitgesloten is om uitstel van betaling te verlenen voor de parkeerbelasting. Hierdoor wordt het mogelijk om automatisch uitstel van betaling te verlenen op het moment dat belanghebbende bezwaar maakt tegen een oplegde naheffingsaanslag parkeerbelasting. Dit betekent concreet dat de naheffingsaanslag pas betaald hoeft te worden nadat beslist is op het bezwaarschrift. Het voorstel sluit aan bij het karakter van de naheffingsaanslag en het beperkte bedrag dat ermee gemoeid is.

Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de veronderstelling van veel bezwaarmakers dat nog niet betaald hoeft te worden indien bezwaar gemaakt wordt tegen de naheffingsaanslag. 1.9 Overige belastingen en heffingen De tarieven van de precariobelasting, de hondenbelasting en het standplaatsgeld autobusdiensten zijn ten opzichte van 2022 indexmatig verhoogd. De tarieven marktgeld, kanaalrechten en toeristenbelasting zijn ongewijzigd ten opzichte van de tarieven van 2022. 1.10 Intrekking verordeningen baatbelasting Een aantal verordeningen met betrekking tot de baatbelasting is inmiddels uitgewerkt; het traject van aanslagoplegging, invordering en eventuele bezwaaren beroepsprocedures is geheel afgerond. Omdat de verordeningen niet langer functioneel zijn stellen wij voor om deze in te trekken. Hierin voorziet de Verordening tot intrekking verordeningen baatbelasting riolering 2023. 1.11 Geen privaatrechtelijke tarieven De gemeente kan naast een publiekrechtelijke vergoeding ook een privaatrechtelijke vergoeding vragen indien daar een tegenprestatie tegenover staat. Dit dossier behandelt alleen fiscale tarieven, zoals hiervoor opgesomd. Privaatrechtelijke tarieven, zoals bijvoorbeeld voor sport, maken hier derhalve geen onderdeel van uit.

9

Inboeknummer

22bst01150

Kanttekeningen n.v.t. Kosten Met dit voorstel wordt invulling gegeven aan de Programmabegroting 2023. Hierin wordt voor de lokale heffingen een totale opbrengst geraamd van € 172 miljoen. Communicatie De verordeningen worden via het Gemeenteblad bekendgemaakt. Deze zijn digitaal te raadplegen. Planning en uitvoering Op basis van de verordeningen legt de heffingsambtenaar de aanslagen en/of kennisgevingen gemeentelijke belastingen en rechten voor belastingjaar 2023 op. Evaluatie Via de tussentijdse rapportage en de jaarrekening informeren we uw raad over de stand van zaken van de realisatie van de begrote opbrengsten gemeentelijke belastingen en rechten. Bijlagen Als bijlage bij dit voorstel behoort: - Overzicht tarieven gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2022 en 2023 De bijlage wordt meegestuurd. Ontwerp-raadsbesluiten bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. Burgemeester en wethouders van Eindhoven

,secretaris.

JaRaadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 september 2022;

10

Inboeknummer

22bst01150

mede gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de

Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2023 Artikel 1. 1.

2.

3.

Belastbaar feit en belastingplicht

Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a.

een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;

b.

een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.

Bij de gebruikersbelasting wordt: a.

gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; diegene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belastingen als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

b.

het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.

Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2.

Voorwerp van de belasting

1.

Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.

2.

Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.

3.

Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld

11

Inboeknummer

22bst01150

voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3.

Maatstaf van heffing

1.

De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.

2.

Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4. 1.

Vrijstellingen

In afwijking, in zoverre van artikel 3, wordt bij het bepalen van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.

ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;

b.

glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

c.

onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

d.

één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

e.

natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

f.

openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

12

Inboeknummer

22bst01150

g.

waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

h.

werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

i.

werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

j.

onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;

k.

straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;

l.

plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

m.

begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.

2.

De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

3.

In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 5. Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: A.

de gebruikersbelasting: 0,21238%;

B.

de eigenarenbelasting: i.

voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,09197%;

13

Inboeknummer

ii.

22bst01150

voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,29481%.

Artikel 6. Wijze van heffing De belastingen worden geheven bij wege van aanslag.

Artikel 7. Aanslaggrens 1.

Voor belastingbedragen tot € 10,- vindt geen invordering plaats.

2.

Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerendezaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 8. Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3.

Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

4.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 9. Overgangsrecht, inwerkingtreding, en citeertitel 1.

De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2022’ van 9 november 2021, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 21 december 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

3.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.

14

Inboeknummer

4.

22bst01150

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening onroerendezaakbelastingen 2023’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 november 2022

, voorzitter.

, griffier.

15

Inboeknummer

22bst01150

JaRaadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 september 2022; mede gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de

Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2023 Artikel 1.

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder: a.

garagebox: een perceel dat bestemd is voor opslag van goederen en/of stalling van één motorvoertuig, zonder wateraansluiting of directe aansluiting op de gemeentelijke riolering;

b.

gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

c.

verbruiksperiode: de periode van 12 maanden waarop de afrekening van de N.V. Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant/Brabant Water N.V. betrekking heeft;

d.

water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

Artikel 2.

Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a.

de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b.

de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3. 1.

Belastbaar feit en belastingplicht

De belasting wordt geheven:

16

Inboeknummer

22bst01150

a.

van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en

b.

van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.

2.

Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

3.

Voor het gebruikersdeel wordt: a.

gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

b.

gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven;

c.

het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 4. 1. 2.

Voorwerp van de belasting is een perceel. Als perceel wordt aangemerkt; a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 5. 1.

Voorwerp van de belasting

Maatstaf van heffing

Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

17

Inboeknummer

22bst01150

2.

Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanaf of vanuit het perceel wordt afgevoerd.

3.

Het aantal kubieke meters water als bedoeld in het vorige lid, wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar naar het perceel is toegevoerd of opgepompt.

4.

Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a.

watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

b.

bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5.

De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

Artikel 6.

Belastingtarieven

1.

Het tarief voor het eigenarendeel bedraagt € 187,-.

2.

Het tarief voor het gebruikersdeel bedraagt voor elke volle eenheid van 500 kubieke meters water € 259,-.

Artikel 7.

Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8.

Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Vrijstelling Van het eigenarendeel van de rioolheffing zijn vrijgesteld: 1.

de percelen welke in hoofdzaak worden gebruikt voor de openbare eredienst of voor openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;

2.

garageboxen en parkeerplaatsen.

Artikel 10. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

18

Inboeknummer

22bst01150

1.

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2.

Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

3.

Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 11.

Termijnen van betaling

1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3.

Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

4.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 12.

Kwijtschelding

Van de heffing van het gebruikersdeel, zoals bedoeld in artikel 3, wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 13. 1.

Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel

De ‘Verordening rioolheffing 2022’, vastgesteld bij raadsbesluit van 9 november 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

19

Inboeknummer

22bst01150

2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

3.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.

4.

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening rioolheffing 2023’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 november 2022

, voorzitter.

, griffier.

20

Inboeknummer

22bst01150

JaRaadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 september 2022; mede gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

besluit vast te stellen de

Verordening op de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2023

Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1.

Inleidende bepaling

Krachtens deze verordening worden geheven: a. b.

een afvalstoffenheffing; reinigingsrechten.

Artikel 2.

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder: a. b. c.

d.

‘gebruikmaken’ in Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruikmaken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer; bedrijfslocatie: een onroerende zaak - of een zelfstandig gebruikt gedeelte ervan geen perceel zijnde in de zin van de Wet milieubeheer; grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en instellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet in aanmerking komen voor het periodiek inzamelen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a; een collo: elk exemplaar stukgoed, ongeacht de verpakking, dat door één persoon te dragen is.

Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing Artikel 3. 1.

Aard van de belasting en belastbaar feit

Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

21

Inboeknummer

2.

22bst01150

De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.

Voorwerp van de belasting is een perceel.

2.

Als perceel wordt aangemerkt: a.

de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;

b.

de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;

c.

een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

d.

een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

e.

het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 5.

Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.

Artikel 6.

Maatstaf van heffing en belastingtarief

De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Artikel 7.

Belastingjaar

Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8.

Wijze van heffing

22

Inboeknummer

22bst01150

1.

De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.

2.

De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel schriftelijke gedagtekende kennisgeving (waaronder mede een bon, nota en factuur worden begrepen). Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9. Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.

De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2.

Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

3.

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

5.

De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen.

Artikel 10.

Termijnen van betaling

1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, moet de belasting worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 8, tweede lid:

23

Inboeknummer

22bst01150

a.

mondeling wordt gedaan: op het moment van het doen van de kennisgeving;

b.

schriftelijk wordt gedaan: op het moment van het uitreiken van de kennisgeving.

4.

Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

5.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Hoofdstuk III Reinigingsrechten Artikel 11.

Aard van de heffing en belastbaar feit

1.

Onder de naam ‘reinigingsrechten’ worden rechten geheven voor zowel het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn, of door de gemeente in beheer of in onderhoud zijn gegeven.

2.

Het in het eerste lid bedoelde genot van diensten en het gebruik van bezittingen, werken en inrichtingen bestaat uit: a.

het periodiek verwijderen van bedrijfsafval van beperkte omvang of hoeveelheid;

b.

het op aanvraag incidenteel verwijderen van colli;

c.

het achterlaten van met huishoudelijk afval gelijk te stellen bedrijfsafval van beperkte omvang en hoeveelheid (uitsluitend kantoor-, winkel- en dienstenafval) op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats.

Artikel 12. Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen, bedoeld in artikel 11, gebruik maakt.

Artikel 13.

Maatstaven van heffing en belastingtarieven

1.

De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2.

Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

24

Inboeknummer

Artikel 14.

22bst01150

Belastingjaar

1.

Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven over een belastingjaar.

2.

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 15.

Wijze van heffing

1.

Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven bij wege van aanslag.

2.

De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving (waaronder mede een bon, nota en factuur worden begrepen), waarop het verschuldigde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 16. Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.

Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2.

De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen.

3.

Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

4.

Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 17.

Termijnen van betaling

1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en

25

Inboeknummer

22bst01150

zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.

In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de reinigingsrechten in geval van heffing middels een in artikel 15, tweede lid, bedoelde kennisgeving, bij de uitreiking terstond worden betaald.

4.

Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

5.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 18.

Kwijtschelding

Bij de invordering van de rechten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, wordt geen kwijtschelding verleend.

Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen Artikel 19.

Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel

1.

De ‘Verordening reinigingsheffingen 2022’, vastgesteld bij raadsbesluit van 9 november 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

3.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.

4.

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening reinigingsheffingen 2023’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 november 2022

, voorzitter.

26

Inboeknummer

, griffier.

27

22bst01150

Inboeknummer

22bst01150

Tarieventabel behorende bij de Verordening reinigingsheffingen 2023 Hoofdstuk 1

Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing

Hoofdstuk 1.1

Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing

1.1.1

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één € 193,82 persoon:

1.1.2

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee € 241,22 personen:

1.1.3

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door drie € 288,62 personen:

1.1.4

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door vier of meer personen: € 351,49

Hoofdstuk 1.2 1.2.1

Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de belasting voor het op aanvraag verwijderen van colli: a. b. c.

1.2.2

per big bag van 1 m3: per big bag van 1,5 m3: voorwerpen die niet in een inzamelmiddel passen, per voorwerp/sticker:

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de belasting voor het achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats, (milieustraat) per keer, vanaf de 13e keer dat binnen één kalenderjaar afvalstoffen worden achtergelaten:

28

€ 40,€ 60,€ 10,-

€ 20,-

Inboeknummer

1.2.3

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de belasting voor het op aanvraag vervangen van de toegangspas voor de ondergrondse afvalcontainers en/ of de milieustraten per keer:

Hoofdstuk 2

Maatstaven en tarieven reinigingsrechten

Hoofdstuk 2.1

Maatstaf en jaarlijks tarief reinigingsrechten

2.1.1

Het recht bedraagt per belastingjaar voor het verwijderen van bedrijfsafval als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, per bedrijfslocatie voor elke per ophaalbeurt te verwijderen hoeveelheid van maximaal 240 liter of maximaal 6 zakken:

Hoofdstuk 2.2

22bst01150

€ 15,-

€ 197,09

Vervallen

Het bedrag genoemd in hoofdstuk 2.1 is exclusief omzetbelasting.

Deze tarieventabel maakt onderdeel uit van en behoort bij het raadsbesluit van 8 november 2022 tot vaststelling van de Verordening reinigingsheffingen 2023

, voorzitter.

, griffier.

29

Inboeknummer

22bst01150

JaRaadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 september 2022; mede gelet op de artikelen 156 en 229 van de Gemeentewet en de artikelen 2 en 7 van de Paspoortwet;

besluit vast te stellen de

Verordening op de heffing en de invordering van leges burgerzaken en algemene dienstverlening 2023 Artikel 1.

Aard van de heffing en belastbaar feit

Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor: a.

het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;

b.

het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een (vervangende) Nederlandse identiteitskaart of een reisdocument, als bedoeld in de Paspoortwet;

een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 2.

Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst of van de (vervangende) Nederlandse identiteitskaart of het reisdocument, dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht.

Artikel 3.

Maatstaven van heffing en tarieven

1.

De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2.

Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid gerekend.

Artikel 4.

Wijze van heffing

De leges worden geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een

30

Inboeknummer

22bst01150

stempelafdruk, een zegel, een nota, een factuur of andere schriftuur, of een kennisgeving langs elektronische weg. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving of langs elektronische weg aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 5. 1.

2.

Termijnen van betaling

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 4 a.

mondeling wordt gedaan: op het moment van het doen van de kennisgeving;

b.

schriftelijk wordt gedaan: op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending van de kennisgeving binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

c.

langs elektronische weg in het aanvraagproces wordt gedaan: onverwijld.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het voorgaande lid gestelde termijnen.

Artikel 6.

Vermindering of teruggaaf

Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges, ter zake van een in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst, wordt verleend op een verzoek als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in deze verordening en de daarbij behorende tabel opgenomen bepaling.

Artikel 7. 1.

Vrijstellingen

Leges worden niet geheven voor: a.

stukken of handelingen, welke ambtshalve of ter voldoening aan wettelijke voorschriften kosteloos worden afgegeven of verricht;

b.

inlichtingen, opgaven, handelingen of stukken, welke met vergunning van het college van burgemeester en wethouders, worden verstrekt, verricht of afgegeven ten behoeve van rechtstreeks gebruik voor het algemeen belang dienende voorlichting over de gemeente, haar organen en instellingen.

2.

De leges, genoemd in de tarieventabel in de onderdelen 1.1, 1.2 en 1.4 worden niet geheven voor de in het openbaar belang afgegeven stukken en verstrekte inlichtingen aan openbare besturen, ambtenaren en instellingen.

3.

De leges, genoemd in de tarieventabel in de onderdelen 1.3 en 1.4 worden niet geheven voor zover stukken met vergunning van het college van burgemeester en wethouders worden afgegeven aan politieke groeperingen, waarvan de

31

Inboeknummer

22bst01150

aanduiding bij de Kiesraad is geregistreerd dan wel welke aan de laatst gehouden gemeenteraadsverkiezingen hebben deelgenomen. 4.

De leges, genoemd in de tarieventabel in onderdeel 1.4 worden niet geheven, voor zover het betreft de exemplaren van de raadsbijlagen welke op eigen initiatief door of vanwege het college van burgemeester en wethouders worden verstrekt aan belangstellenden voor raadsvergaderingen, teneinde het deze mogelijk te maken de vergadering aan de hand van de stukken te volgen.

Artikel 8. Kwijtschelding Bij de invordering van leges wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 9. Overdracht van bevoegdheden Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, indien de wijzigingen: a. b.

van zuiver redactionele aard zijn; een gevolg zijn van nieuwe of gewijzigde rijksregelgeving die in werking treedt binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van de inwerkingtreding ervan in het Staatsblad of de Staatscourant en het de volgende hoofdstukken of onderdelen van de tarieventabel betreft: i. vervallen; ii. hoofdstuk 3 (reisdocumenten en (vervangende) Nederlandse identiteitskaart); iii. hoofdstuk 4 (rijbewijzen); iv. onderdeel 5.6 (papieren verstrekking uit de Basisregistratie personen); v. onderdeel 8.1 (verklaring omtrent het gedrag);

een en ander voor zover met deze wijzigingen niet reeds bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden.

Artikel 10. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.

De ‘Legesverordening burgerzaken 2022’ vastgesteld bij raadsbesluit van 9 november 2021, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 december 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

3.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023.

4.

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Legesverordening burgerzaken 2023’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 november 2022

32

Inboeknummer

, voorzitter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12031863/1