22bst01133 Raadsvoorstel Wijziging Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven
Tekst van het document
gemeente Eindhoven Inboeknummer Dossiernummer B&W beslisdatum
22bst01133 22.40.851 04 oktober 2022
Wijziging Verordening Sociaal Domein gemeente Raadsvoorstel Eindhoven
Inleiding De gemeente is verantwoordelijk voor onder andere zorg, jeugdhulp en ondersteuning bij werk en inkomen. De regels hierover staan in de Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven (Verordening SD). De Verordening SD regelt onder meer welke vormen van ondersteuning de gemeente kan bieden, hoe een aanvraag gedaan wordt en aan welke termijnen de gemeente zich moet houden. Dit voorstel gaat over een aantal wijzigingen, die in de Verordening SD doorgevoerd dienen te worden als gevolg van wetswijziging, verduidelijking en correcties.
Wettelijke taak Kerntaak gekoppeld aan het werkprogramma van het college Onvermijdelijk
Doelstelling Tekstuele, wetstechnische en inhoudelijke actualisatie van de Verordening SD. Voorstel 1. De wijzigingen van de Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven volgens bijgevoegd concept gemeenteblad vast te stellen. Naast de technische en tekstuele wijzigingen, betreft het de volgende inhoudelijke wijzigingen: Toezichthouder Jeugdwet (artikel 2.7) Verrekening boete Wet inburgering met bijstandsuitkering (artikel 3.37) Verwijdering ouderinitiatieven beschermd wonen (artikel 4.7d) Argumenten 1.1 Het is noodzakelijk om de Verordening zowel technische als tekstueel periodiek te wijzigen De voorgestelde wijzigingen van de Verordening SD worden toegelicht in de was-wordt lijst, zie bijlage 2. Het betreft een aantal wijzigingen, die in de Verordening SD doorgevoerd moet worden als gevolg van wetswijziging, verduidelijking en correctie.
Inboeknummer 22bst01133
1.2 Naast technische wijzigingen zijn ook enkele inhoudelijke wijzigingen in de Verordening SD doorgevoerd. De twee wijzigingen ten aanzien van het onderdeel jeugdhulp en inburgering worden hier per artikel toegelicht. De derde wijziging ten aanzien van het onderdeel Beschermd Wonen (ouderinitiatieven) wordt in argument 1.3 en verder toegelicht. Toezichthouder Jeugdhulp, artikel 2.7: Verruiming van de bepaling door toezicht en handhaving jeugdhulp toe te voegen aan dit artikel (lid 6 tot en met 8). Hierdoor wordt er een juridische basis geschept om via een navolgend collegevoorstel een toezichthouder Jeugdhulp aan te wijzen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid houden in het kader van de Jeugdwet toezicht op de kwaliteit van de jeugdhulp. Zij houden geen toezicht op de rechtmatigheid van de geboden jeugdhulp. De Jeugdwet verplicht de gemeente om bij verordening regels te stellen om mis- of oneigenlijk gebruik van voorzieningen o.g.v. de Jeugdwet te bestrijden. De verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid van jeugdhulp en het toezicht hierop ligt bij de gemeente. Door de toevoeging van lid 6 t/m 8 in artikel 2.7 Verordening SD wordt hier uitwerking aan gegeven. Verrekening boete Wet inburgering met bijstandsuitkering art.
3.37: In de Wet inburgering 2021 is vastgesteld dat gemeenten een boete op moeten leggen aan inburgeringsplichtigen wanneer deze niet meewerken aan de brede intake (uitgebreide kennismaking) of zich daarna niet houden aan de inburgeringsafspraken (uit het Plan Inburgering en Participatie (PIP). Het opleggen van een boete zien wij als minst wenselijke optie. Voordat overgegaan wordt tot het opleggen van een boete wordt alles in het werk gesteld om medewerking aan de inburgeringsplicht op andere manieren te faciliteren en stimuleren, waaronder ook de mogelijkheid binnen om, daar waar de Wet inburgering 2021 die mogelijkheid geeft, allereerst met waarschuwingen te werken. Hierbij staat altijd de individuele situatie centraal. Het is dan ook nog maar zeer zelden voorgekomen dat een boete is opgelegd. Indien toch een boete wordt opgelegd, heeft de gemeente een keuze op welke wijze de boete wordt ingevorderd. Met voorgestelde aanvulling in de Verordening SD is het mogelijk om de boete te verrekenen met de bijstandsuitkering. Door de verrekening met de bijstandsuitkering, maken wij het invorderingsproces eenvoudiger, doordat de inburgeringsplichtige niet zelf de boete hoeft te betalen. Dit is in het belang van de inburgeringsplichtige en ligt in de lijn met de wettelijke verplichting om inburgeraars zoveel mogelijk te ontzorgen.
Door de boete direct te verrekenen, bestaat er namelijk geen risico op het niet betalen van de boete en daarmee het oplopen van een schuld bij de gemeente. Wij houden hierbij altijd rekening met de draagkracht, waardoor de inburgeringsplichtige voldoende uitgekeerd krijgt om in zijn of haar levensonderhoud te kunnen blijven voorzien. We sluiten hiermee aan bij deze al toegepaste werkwijze in andere gevallen (art. 4.15 Verordening SD). -
Juridisch kader
2
Inboeknummer 22bst01133
Het college kan de bestuurlijke boete die het op grond van de Wet inburgering 2021 aan de inburgeringsplichtige heeft opgelegd, verrekenen met de algemene bijstand. Onder verrekenen wordt verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4.93 van de Algemene wet bestuursrecht. 1.3 In de Verordening SD wordt ook een verwijdering doorgevoerd ten aanzien van ouderinitiatieven Beschermd Wonen: het tweede, derde en vierde lid van artikel 4.7d: De Regiovisie Doordecentralisatie Beschermd wonen is door u vastgesteld in februari 2022. Hierin wordt toegewerkt naar een eenduidig landschap Beschermd wonen zonder aparte tarieven voor ouderinitiatieven. Om hieraan te voldoen is een aanpassing van de Verordening SD nodig. Deze verwijdering is dan ook in lijn met de vastgestelde Regiovisie. 1.4 Er is een gelijk speelveld voor zowel ouderinitiatieven als andere (kleinschalige) initiatieven door voor alle inwoners met dezelfde indeling van producten en passende en toereikende (reëel) tarieven te gaan werken. Bureau Berenschot is gevraagd een kostprijsonderzoek te doen. Op basis van dit onderzoek zijn de tarieven vastgesteld en wordt voldaan aan de AMvB reële kostprijs. Dit betekent dat er een reëel tarief wordt geboden voor alle producten Beschermd wonen in relatie tot de gevraagde kwaliteit en deskundigheid.
Met andere woorden, met deze tarieven kan er door aanbieders passende en kwalitatieve ondersteuning worden geboden, zowel door kleine aanbieders als grotere aanbieders. Een cliënt in een ouderinitiatief krijgt vanaf 01-01-2023 hiermee hetzelfde tarief als andere BW-cliënten die dit in PGB-vorm ontvangen. 1.5 Indicaties worden afgegeven op basis van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner in plaats van op basis van de ontstaansgeschiedenis van een initiatief/woonvorm. Producten uit de Regiovisie zijn passend en toereikend voor alle ondersteuningsbehoeften. Er is geen noodzaak om een speciaal product voor ouderinitiatieven in stand te houden. Hiermee wordt voldaan aan het gelijkheidsbeginsel en de uitgangspunten van de Wmo. Kanttekeningen 1.1 De verwijdering van een apart tarief voor ouderinitiatieven beschermd wonen zal leiden tot het gegeven dat een deel van de ouderinitiatieven hun bedrijfsmodel zal moeten aanpassen omdat zij het hebben ingericht op een vast bedrag aan inkomsten (via het pgb) per inwoner. Een deel van de ouderinitiatieven heeft de organisatie zo ingericht dat zij rekenen op een minimaal bedrag aan inkomsten per inwoner, op basis waarvan zij o.a. afspraken maken met zorgaanbieders.
Vaak betekent dit een businessmodel waarbij gebruik wordt gemaakt van een deel van het pgb-budget van de cliënten (met de huidige ouderinitiatief-producten) om naast de zorg ook de gemeenschappelijke activiteiten en ruimtes te kunnen bekostigen. Ze zullen dit nu moeten gaan doen op basis van gestandaardiseerde tarieven.
3
Inboeknummer 22bst01133
Dit betekent een risico voor het ouderinitiatief. In Eindhoven betreft het één ouderinitiatief, hier worden gesprekken mee gevoerd om hen mee te nemen in deze ontwikkeling. 1.2 Het invoeren van gestandaardiseerde tarieven bij ouderinitiatieven kan weerstand oproepen bij een deel van de inwoners en/of hun vertegenwoordigers omdat zij druk ervaren vanuit de “bedrijfsbelangen” of onrust krijgen door de veranderingen. De meeste inwoners wonen geruime tijd in dezelfde locaties. Zij of hun vertegenwoordigers hebben veelal meerdere jaren indicaties gehad met de term ouderinitiatief. De doelgroep van ouderinitiatieven zijn veelal mensen met autisme (met een wisselende begaafdheid) waardoor veranderingen regelmatig weerstand oproepen. Daarom wordt er voorgesteld te werken met een “sterfhuisconstructie”, waarbij lopende indicaties voor inwoners doorlopen tot het einde van de reeds afgegeven indicatie. In afstemming met de ouderinitiatieven wordt gekeken hoe deze kwetsbare doelgroep het beste op de hoogte gebracht kan worden van deze wijziging. Op het moment dat zij een nieuwe indicatie nodig hebben, wordt er met de inwoner of de vertegenwoordiger gekeken wat passend is en of er een overgangstermijn of specifieke afspraken voor de overgang nodig zijn. Bij deze herindicaties wordt gekeken naar welke zorg het meest passend is.
Indien dit een afschaling in de zorg betekent, zou dat in sommige gevallen betekenen dat een inwoner niet meer in het ouderinitiatief kan wonen. Dit is echter niet anders dan de reguliere afschaling van een cliënt. Financiële consequenties Aan de wijziging zijn geen extra kosten verbonden Communicatie Communicatie rondom de wijziging van de producten is al opgestart, door middel van gesprekken met de (besturen van de) Ouderinitiatieven. Voor inwoners, zie paragraaf Planning en Uitvoering (artikel 7.4d). De uitvoerende afdelingen worden geïnformeerd over de aanpassingen en de bijbehorende werkwijze. Planning en uitvoering Na akkoord met raadsvoorstel wordt de Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven conform raadsvoorstel aangepast. Voor nieuwe aanvragen op grond van het artikel 4.7d gaat de wijziging in per 1 januari 2023. Voor inwoners met een lopende indicatie verandert er gedurende aanvraag niets. Zij zullen pas bij een eventuele vervolg-aanvraag te maken krijgen met de verandering in de producten. Hierbij zal met de inwoners gekeken worden of er een overgangsperiode nodig is. Evaluatie Als uit de evaluaties van de in dit voorstel besproken onderwerpen blijkt dat de verordening aangepast moet worden dan wordt de aanpassing aan uw raad voorgelegd.
4
Inboeknummer 22bst01133
Bijlage(n) Als bijlage(n) bij dit voorstel behoren: • 1. Wijziging Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven Gemeenteblad wijziging •
2. Wijziging Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven Bijlage 2 Waswordt lijst
•
3. Wijziging Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven geconsolideerd Gemeenteblad
Een ontwerpraadsbesluit bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. Burgemeester en wethouders van Eindhoven,
, secretaris.
5
Inboeknummer 22bst01133
Ontwerp Raadsbesluit
De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 oktober 2022;
besluit: 1.
De wijzigingen van de Verordening Sociaal Domein gemeente Eindhoven volgens bijgevoegd concept gemeenteblad vast te stellen. Naast de technische en tekstuele wijzigingen, betreft het de volgende inhoudelijke wijzigingen: Toezichthouder Jeugdwet (artikel 2.7) Verrekening boete Wet inburgering met bijstandsuitkering (artikel 3.37) Verwijdering ouderinitiatieven beschermd wonen (artikel 4.7d)
De wijziging van de Verordening Sociaal Domein luidt daarmee als volgt: I. A. Aan artikel 2.1 “Begripsbepalingen” na sub e toe te voegen sub f:
f. SVB: Sociale Verzekeringsbank
B. de nummering in sub d van het derde lid van artikel 2.4a “Doorverwijzing naar gecontracteerde jeugdhulpaanbieder” als volgt te corrigeren: d.
onderzoek of en in hoeverre er mogelijkheden zijn om, geheel dan wel gedeeltelijk: i.
op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
ii.
met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot een oplossing voor de hulpvraag;
iii.
met gebruikmaking van een algemene voorziening te komen tot een oplossing voor de hulpvraag;
iv.
om door middel van een voorliggende voorziening te komen tot een oplossing voor de hulpvraag.
C. De nummering in sub b van het eerste lid van artikel 2.6a “Algemene verplichtingen pgb” als volgt te corrigeren: a. de jeugdige of zijn ouder(s) verstrekt aan het college een pgb-plan aan de hand waarvan het college kan vast stellen of de jeugdige of zijn ouder(s):
6
Inboeknummer 22bst01133
i.
op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
ii.
zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die in natura wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en
iii.
is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, voldoet aan de door het college gestelde kwaliteitseisen.
D. Artikel 2.6b “Vaststelling hoogte pgb in het algemeen” als volgt te wijzigen: In het vijfde lid onder sub c tussen ‘persoon’ en ‘,’ in te voegen: ‘of andere personen, die niet onder a en b vallen’
E. Artikel 2.6d “Opschorting betaling uit pgb” tussen artikel 2.6c “Verantwoordingsvrij bedrag” en artikel 2.7 “Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering” in te voegen: Artikel 2.6d Opschorting betaling uit pgb 1.
Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet.
2.
Indien de jeugdige langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname.
3.
Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een verzoek als bedoeld in het tweede lid.
F. De titel en tekst van artikel 2.7 “Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering” te vervangen door: Artikel 2.7 Nieuwe feiten en omstandigheden, voorkoming en bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik
7
Inboeknummer 22bst01133
1.
Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening.
2.
Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening in natura of pgb zijn aangewezen; c. de individuele voorziening in natura of pgb niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening in natura of pgb, of e. de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening in natura of pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.
3.
Een besluit tot toekenning van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de toekenning heeft plaatsgevonden.
4.
Het college kan een, als gevolg van herziening danwel intrekking, bedoeld in het tweede lid onder a, d en e en derde lid ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of pgb geheel of gedeeltelijk in geldswaarde terugvorderen van de jeugdige of zijn ouders.
5.
Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.
6.
Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen in natura en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.
7.
Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij de Jeugdwet, dan wel bij deze verordening, ten aanzien van de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura en pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van het bepaalde bij de Jeugdwet, dan wel deze verordening.
8
Inboeknummer 22bst01133
8.
Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder.
G. Artikel 3.12 “Vaststelling loonwaarde” als volgt te wijzigen: De tekst ‘het loonwaardebepalingssysteem van het UWV.’ te vervangen door ‘een door de Rijksoverheid gevalideerde methodiek.’.
H. Artikel 3.19 “Hoogte inkomenstoeslag” als volgt te wijzigen: De tekst van sub a, b en c van het eerste lid te vervangen door: ‘a.€ 540,00 voor een alleenstaande b.€ 650,00 voor een alleenstaande ouder c.€ 709,00 voor gehuwden of samenwonenden’
I. Artikel 3.37 “Verrekenen boete Wet inburgering 2021 met de algemene bijstand in de zin van de Participatiewet” tussen artikel 3.36 “Geüniformeerde verplichtingen” en artikel 4.1 “Begripsbepalingen” in te voegen: ‘Artikel 3.37 Verrekenen boete Wet inburgering 2021 met de algemene bijstand in de zin van Participatiewet 1. Het college kan de bestuurlijke boete die het op grond van de Wet Inburgering 2021 aan de inburgeringsplichtige heeft opgelegd, verrekenen met algemene bijstand als bedoeld in artikel 5 onder b Participatiewet. 2. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4.93 van de Awb.
J. Artikel 4.1 “Begripsbepalingen” als volgt te wijzigen: - Sub ‘a. algemeen gebruikelijke voorziening’ komt te vervallen. - Sub b, c, d, e, f en g te vernummeren naar sub a, b, c, d, e en f. K. De nummering van het eerste lid onder sub a en b van artikel 4.3 “Maatwerkvoorziening” als volgt te corrigeren: ‘ 1.
Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de:
9
Inboeknummer 22bst01133
a.
beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen i. op eigen kracht, ii. met gebruikelijke hulp, iii. met mantelzorg, iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, v. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of vi. met gebruikmaking van algemene voorzieningen;
b.
problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen i.
op eigen kracht,
ii.
met gebruikelijke hulp,
iii. met mantelzorg, iv. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of v.
met gebruikmaking van algemene voorzieningen.’
L. De nummering van sub a en c van artikel 4.4 “Weigeringsgronden maatwerkvoorziening” als volgt te corrigeren: ‘ a.
de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt, tenzij i. daarvoor vooraf door het college toestemming is gegeven, danwel ii. het college de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;’
‘ c.
de maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte maatwerkvoorziening, die technisch nog niet is afgeschreven, tenzij
10
Inboeknummer 22bst01133
i.
de eerder verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
ii. de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of iii. als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening niet langer compenserend is.’
M. De nummering onder sub b van het eerste lid van Artikel 4.7a “Algemene verplichtingen pgb” als volgt te corrigeren: ‘b. de cliënt of zijn vertegenwoordiger verstrekt aan het college een pgb-plan aan de hand waarvan het college kan vast stellen of i. hij op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; ii. hij zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen; iii. is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen’
N. Artikel 4.7b “Vaststelling hoogte pgb in het algemeen” als volgt te wijzigen: In het vijfde lid onder sub c tussen ‘persoon’ en ‘,’ in te voegen: ‘of andere personen, die niet onder a en b vallen’ O. De tekst van artikel 4.7d “Pgb beschermd wonen” te vervangen door: ‘In afwijking van artikel 4.7b, vijfde lid bedraagt het pgb voor de verschillende maatwerkvoorzieningen in het kader van beschermd wonen bij het inschakelen van: a.
(een) medewerker(s) in loondienst bij een zorgaanbieder maximaal 81,5% van de prijs of het tarief dat de gemeente zou betalen, als de maatwerkvoorziening in natura zou zijn verstrekt;
b.
een zelfstandige zonder personeel of organisatie, met vijf of minder medewerkers in loondienst, maximaal 69,3% van de prijs of het tarief dat de gemeente zou betalen, als de maatwerkvoorziening in natura zou zijn verstrekt;
11
Inboeknummer 22bst01133
c.
een persoon uit het sociaal netwerk of andere personen, die niet onder a en b vallen, maximaal 40,8% van de prijs of het tarief dat de gemeente zou betalen, als de maatwerkvoorziening in natura zou zijn verstrekt, met dien verstande dat het daarbij in aanmerking te nemen uurtarief van de persoon uit het sociaal netwerk niet hoger is dan € 20,- per uur.’
P. Artikel 4.7e “Hoogte pgb huishoudelijke ondersteuning” als volgt te wijzigen: - van de huidige tekst van het artikel een eerste lid maken: ‘1.In afwijking van artikel 4.7b, vijfde lid aanhef onder b en c, bedraagt het pgb voor huishoudelijke ondersteuning bij het inschakelen van: a. een zelfstandige zonder personeel of organisatie, met vijf of minder medewerkers in loondienst, 100% van het tarief, dat de gemeente zou betalen, als de maatwerkvoorziening in natura zou zijn verstrekt, met dien verstande dat het daarbij in aanmerking te nemen uurtarief van de zelfstandige zonder personeel niet hoger is dan € 19,09; b. een persoon uit het sociaal netwerk of andere personen, die niet onder a vallen, 100% van het tarief, dat de gemeente zou betalen, als de maatwerkvoorziening in natura zou zijn verstrekt, met dien verstande dat het daarbij in aanmerking te nemen uurtarief niet hoger is dan € 15,15.’ - een tweede lid toe te voegen: ‘2. Het college kan nadere regels vaststellen over indexering.’ Q. de nummering onder sub b van het eerste lid van artikel 4.12 “Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden” als volgt te corrigeren: ‘b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.’ R.
de nummering onder sub n en sub r van artikel 5.1 “Begripsbepalingen” als volgt te corrigeren: ‘n. school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: i.
het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;
ii.
het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra;
iii.
het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor
12
Inboeknummer 22bst01133
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of iv.
het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs;’
‘r. vervoersvoorziening: i. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; ii. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of iii. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider;’ II. Het bepaalde onder I. treedt in werking met ingang van 1 januari 2023. III. Dat de tarieven voor ouderinitiatieven zoals vastgelegd in bijlage 3 van de op dit moment geldende Nadere Regeling Sociaal Domein gemeente Eindhoven van toepassing blijven op de indicaties afgegeven voor 1 januari 2023.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van
, griffier.
13