1. Beslissing op bezwaar
Tekst van het document
Retouradres Postbus 90150, 5600 RB Eindhoven
Advocatenpraktijk Teke T.a.v. de heer mr. T. Teke Emmalaan 9 1075 AT AMSTERDAM
gemeente Eindhoven Sector Veiligheid, Juridische Zaken en Bestuur Afdeling Juridische Zaken Behandeld Telefoon Uw kenmerk Ons kenmerk 3 oktober 2024
Betreft: Beslissing op bezwaarschrift Beste heer Teke, Naar aanleiding van uw bezwaarschrift namens ………. (hierna: bezwaarmaakster) van 28 april 2023, gericht tegen de besluiten van 28 maart 2023 en 20 juni 2023: vestiging voorkeursrecht Wvg gebied WoensXL, berichten wij u als volgt. Onze beslissing Wij hebben besloten uw bezwaarschrift ongegrond te verklaren. Wat betekent dit voor u / bezwaarmakers? Dit betekent dat het voorkeursrecht op de aangewezen percelen gevestigd blijft. Horen U heeft afgezien van de gelegenheid om gehoord te worden. Motivering Inhoud bezwaar In het bezwaarschrift worden kort samengevat de volgende gronden aangevoerd: - de gemeente was niet bevoegd om de gronden op de voet van artikel 6 Wvg voorlopig aan te wijzen, omdat het gebruik niet afwijkt van de bij het bestreden besluit aan de gronden toegedachte bestemming; - de bestemmingsomschrijving in artikel 7.1 van de planregels komt overeen met de onder 2 van het bestreden besluit omschreven toegedachte bestemming. Anders dan onder 2 van het bestreden besluit — overigens zonder nadere concretisering en onderbouwing aan de hand van stukken - is vermeld, is van een "afwijkend gebruik (intensiever) dan het huidige gebruik" geen sprake;
Bezoekadres Stadhuisplein 1 5611 EM Eindhoven www.eindhoven.nl
Postadres Postbus 90150 5600 RB Eindhoven gemeente@eindhoven.nl Telefoon 14 040
We gaan zorgvuldig om met uw persoonlijke gegevens. Op eindhoven.nl/privacy leest u daar meer over.
Ons kenmerk BZ-23-0507-004
-
-
-
de registergoederen zijn door Certitudo gekocht in het kader van de verwezenlijking van het gemeentelijke ruimtelijke beleid in het Gebied WoenselXL, zoals onder andere is opgenomen in de "Ontwikkelvisie Stadshart Woensel". Daarmee ontvalt — juridisch en feitelijk — de grondslag aan de aanwijzing uit hoofde van de Wvg en de met die aanwijzing beoogde doelen van de gemeente. de gemeente gebruikt haar bevoegdheid tot het vestigen van een voorkeursrecht kennelijk voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven; de gemeente heeft niet of onvoldoende de belangen afgewogen en onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van haar zwaarder wegen dan die van XXL. Er is sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht van XXL. Niet is afgewogen of het belang van de gemeente ook op andere wijze kan worden bereikt. Er is geen sprake van een algemeen belang en het bestreden besluit is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; er is sprake van strijd met het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
Wettelijke bepalingen - Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) - Omgevingswet - Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet Met ingang van 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Wvg is hiermee komen te vervallen en gaat op in de Omgevingswet. In de bezwaarfase vindt de heroverweging in beginsel ex nunc plaats; dat wil zeggen naar de stand van het recht zoals dat geldt tijdens de bezwaarfase. In dit geval is echter overgangsrecht opgenomen in artikel 4 van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet. Artikel 4, eerste lid bepaalt namelijk het volgende: “Als voor de inwerkingtreding van deze wet op basis van de Wet voorkeursrecht gemeenten een besluit tot voorlopige aanwijzing van gronden of een besluit tot aanwijzing van gronden is genomen, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.” Dit betekent dat in deze bezwaarprocedure de bezwaren nog worden behandeld aan de hand van de Wvg. Procesverloop Bij besluit van 28 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: het college) de
2
Ons kenmerk BZ-23-0507-004
gronden, aangegeven op het bij het besluit behorende kadastraal overzicht en de bijbehorende perceellijst, krachtens artikel 6 van de Wvg aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. Bij besluit van 20 juni 2023 heeft de raad voornoemd besluit van het college van 28 maart 2023 bekrachtigd en de gronden krachtens de artikelen 2 en 5 van de Wvg aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. Op grond van artikel 6, derde lid van de Wvg heeft uw bezwaar tegen het besluit van het college van 28 maart 2023 mede betrekking op het besluit van de raad van 20 juni 2023. Overwegingen Hierna leest u hoe wij tot onze beslissing op bezwaar zijn gekomen. Afwijkend gebruik In het bezwaarschrift wordt aangevoerd dat de huidige bestemming al een diversiteit aan functies toelaat waarmee de toekomstige ontwikkelingen gerealiseerd kunnen worden. Artikel 5, eerste lid van de Wvg luidt als volgt: “In afwijking van de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, komen voor aanwijzing ook in aanmerking gronden die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan, of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming.
In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie.” Allereerst hechten wij eraan om te benadrukken dat het bij deze vergelijking niet gaat om de bestemming in het bestemmingsplan, maar de toegedachte bestemming in het besluit tot aanwijzing. Die toegedachte bestemming dient afgezet te worden ten opzichte van het huidige gebruik in feitelijke zin. In het kader van deze heroverweging stellen wij voorop dat aan de gronden gelegen in het gebied WoensXL, gelet op de door de gemeenteraad op 4 april 2023 vastgestelde ‘‘Ontwikkelvisie Stads-hart Woensel’’, in de toekomst een andere dan een agrarische bestemming wordt toegedacht, te weten een gebruik met de bestemmingen wonen,
3
Ons kenmerk BZ-23-0507-004
retail, bedrijven, horeca, maatschappelijke functies, educatie, zorgvoorzieningen, sport en leisure (samengevat een gemengd stedelijk milieu) en de daarbij behorende voorzieningen, en derhalve van een afwijkend gebruik (intensiever) dan het huidige gebruik kan worden gesproken. Aangezien de toekomstige ruimtelijke invulling, namelijk een gemengd stedelijk milieu met de bestemmingen wonen, retail, bedrijven, horeca, maatschappelijke functies, educatie, zorgvoorzieningen, sport en leisure en de daarbij behorende voorzieningen, afwijkend (intensiever) is dan het huidige gebruik, wordt voldaan aan de wettelijke vereisten. Het beoogde gemengd stedelijk milieu op deze locatie voorziet in een grotere diversiteit én intensiteit van het gebruik vergeleken met het feitelijk gebruik dat nu plaatsvindt en is toegelaten op grond van het (voorgaande en huidige) bestemmingsplan. Wij verwijzen hiervoor naar de Ontwikkelvisie Stads-hart Woensel op pagina 45, waarin schematisch is weergegeven wat het verschil is tussen de bestaande en toekomstige functies. Daarnaast is vanaf pagina 96 toegelicht hoe het stedenbouwkundig kader eruit komt te zien.
Hieruit blijkt naar ons oordeel dat er onmiskenbaar sprake zal zijn van een intensivering en verbreding ten opzichte van het huidige feitelijke gebruik, waarbij het dus niet gaat om de vergelijking met het gebruik dat volgens het vigerende bestemmingsplan is toegelaten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), vgl. uitspraak d.d. 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1638) is bij de parlementaire behandeling van de Wvg tot uitdrukking gebracht dat de voorkeursregeling niet zo beperkt behoeft te worden opgevat dat deze alleen toegepast kan worden als sprake is van een bestemming voor wezenlijk andere gebruiksvormen. Ook als de toegedachte bestemming voorziet in een vergelijkbaar, maar intensiever gebruik dan het bestaande, zal van een afwijkend gebruik kunnen worden gesproken. Uit de wetsgeschiedenis van de Wvg, Kamerstukken II, 1976/77, 13.713, nr. 9, p.6, blijkt dat het “afwijkende gebruik” waarvan sprake moet zijn niet te beperkt moet worden opgevat: “De ondergetekenden willen er verder met nadruk op wijzen, dat de vereiste afwijking van het gebruik van de aan de betrokken gronden toegedachte, onderscheidenlijk gegeven niet-agrarische bestemming geenszins zo beperkt behoeft te worden opgevat, dat de
4
Ons kenmerk BZ-23-0507-004
voorkeursregeling alleen tot toepassing zou kunnen komen wanneer sprake is van een bestemming voor wezenlijk afwijkende gebruiksvormen. Ook wanneer die bestemming voorziet in een vergelijkbaar maar beter of intensiever gebruik dan het bestaande, zal geredelijk van een «afwijkend gebruik» kunnen worden gesproken. Ten einde deze bedoeling duidelijker tot uitdrukking te brengen, hebben de ondergetekenden blijkens de bijgevoegde nota van wijzigingen, het tweede lid van artikel 2 [thans artikel 3 lid 1, welk artikel op grond van artikel 5 lid 2 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op een aanwijzing zoals bedoeld in artikel 5 lid 1] zodanig gewijzigd, dat daarin wordt gesproken van een gebruik dat «afwijkt van dat plan». Deze ruimere formulering stelt buiten twijfel dat de «afwijking» kan volgen zowel uit de planvoorschriften terzake van een bestemming als uit die bestemming zelf.” Volgens de Afdeling geldt het voorgaande met name bij de toepassing van artikel 5 Wvg, waar er nog geen sprake is van specifieke, aan de aanwijzing ten grondslag liggende planvorming. In de uitspraak van 18 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2445) in rechtsoverweging 3.1, overweegt de Afdeling: “Voor het oordeel dat, gelet op de ruime toegedachte bestemming, tenminste duidelijk zou moeten zijn in hoeverre die bestemming leidt tot intensiever gebruik, biedt de Wvg geen grond.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 maart 2012 in zaak nr. 201105481/1/A3), is het inherent aan de toepassing van artikel 5 van de Wvg dat van de toegedachte bestemming nog slechts een globaal beeld bestaat. In dit stadium van de planvoorbereiding kan niet op perceelsniveau worden aangeduid welke bestemming zal worden toegekend. Voorts behoeft nog niet voor elk in de aanwijzing betrokken perceel duidelijk te zijn of het kan worden ingepast. De bezwaargrond dat geen sprake zou zijn van een afwijkend gebruik slaagt dan ook niet. Wel vullen wij de motivering van het primaire besluit aan met hetgeen hiervoor is opgemerkt en vullen dat aan met onderstaande motivering. Wij lichten hierbij nog het volgende toe als het gaat om de noodzaak en achtergrond van de toekomstige bestemming. Winkelcentrum Woensel was in de jaren ’60 één van de modernste winkelcentra van Nederland. Opgezet volgens de inzichten van die tijd: winkels waren
5
Ons kenmerk BZ-23-0507-004
gesitueerd aan een afgesloten voetgangersdomein en parkeren gebeurde aan de buitenzijde van het centrum. Het winkelgebied is, ook na de renovatie omstreeks 2005, geheel naar binnen gericht en nodigt anno 2023 niet uit om te bezoeken en te verblijven, wat uiteindelijk heeft geleid tot veel leegstand. Het ondernemersklimaat voor de winkeliers is tanende en om teloorgang tegen te gaan is een serieuze kwaliteitsimpuls nodig. Het gebied heeft veel potentie aangezien er sprake is van voldoende beschikbare ruimte om te komen tot een kwaliteitsimpuls met onder andere woningbouwontwikkeling op grote schaal. Iets wat goed aansluit bij de woningbouwambitie van de stad. Met een transformatie van het gebied, waarbij nieuwe functies worden toegevoegd, waaronder wonen, retail, bedrijven, horeca, maatschappelijke functies, educatie, zorgvoorzieningen, sport en leisure (samengevat een gemengd stedelijk milieu), zal een toekomstbestendige leefomgeving ontstaan. Er kunnen circa 2.500 woningen (voornamelijk appartementen) in het gebied worden gerealiseerd. Om de transformatie van het gebied vorm te geven, heeft ons college op 7 februari 2023 besloten in te stemmen met de “Ontwikkelvisie Stadshart Woensel” en is deze vervolgens ter vaststelling voorgelegd aan de gemeenteraad. In de raadsvergadering van 4 april 2023 is deze ontwikkelvisie vastgesteld.
Nut en noodzaak van het voorkeursrecht In bezwaar wordt de nut en noodzaak van het vestigen van het voorkeursrecht betwist. Het doel van de Wvg is het bieden van een regierol aan gemeenten in gebiedsontwikkelingen. De enkele mededeling dat Certitudo bij levering van de gronden aan haar voornemens zou zijn om die te gebruiken in lijn met de gemeentelijke ontwikkelvisie is daarmee niet gelijk te stellen. Het voorkeursrecht biedt de gemeente immers het middel om actief grond(aankoop)beleid te voeren en bij de voorgestane ontwikkelingen regie te voeren. Dat bezwaarmaakster door de vestiging van het voorkeursrecht niet kan leveren, is een logisch gevolg van de vestiging zelf. Het algemeen belang weegt daarbij zwaarder dan het nadeel voor bezwaarmaakster dat niet kan worden geleverd. Bezwaarmaakster had bovendien met toepassing van artikel 10 lid 3 onder b en c en lid 4 Wvg ervoor kunnen kiezen om de koopovereenkomst tijdig in te schrijven in de openbare registers.
6
Ons kenmerk BZ-23-0507-004
Bij een gewenste verkoop dient het perceel eerst aan de gemeente te worden aangeboden. Er vindt hierbij geen eenzijdige prijsbepaling plaats vanuit de gemeente. De vestiging van het voorkeursrecht heeft mede ten doel om speculatie tegen te gaan. Ten overvloede wordt in dit kader overigens nog opgemerkt dat de wetgever in artikel 10 van de Wvg heeft voorzien in een aantal specifieke situaties waarin een uitzondering geldt op het gemeentelijk voorkeursrecht. Geen van de in dat artikel genoemde situaties doet zich op dit moment voor. Misbruik van bevoegdheden Bezwaarmaakster stelt dat het er de schijn van heeft dat het voorkeursrecht gevestigd is om de geplande levering van haar aan Certitudo uit te stellen. Om die reden zou er sprake zijn van strijdigheid met het verbod van détournement de pouvoir. Hiervan is géén sprake. Een voorkeursrecht wordt gevestigd om ervoor te zorgen dat de gemeente een regierol kan vervullen in de gebiedsontwikkeling. Met het vestigen van een voorkeursrecht kan de gemeente haar positie op de grondmarkt verstevigen en grondspeculatie tegengaan. Het instrument van het voorlopige voorkeursrecht wordt veelal ingezet op het moment dat de gemeente ruimtelijke ontwikkelingen wil opstarten. In dit geval heeft de raad op 4 april 2023 besloten over de Ontwikkelvisie tot herontwikkeling van het gebied WoenselXL.
Het is gebruikelijk dat voorafgaande aan een dergelijke vaststelling van een gebiedsvisie al een voorlopig voorkeursrecht wordt gevestigd. Vaak wordt voor een besluit over een gebiedsvisie (die ex artikel 5 Wvg een verlengde grondslag kan bieden voor een voorkeursrecht) een voorlopig voorkeursrecht gevestigd. Dit is ook in dit geval gebeurd. Op 28 maart 2023 (een week voor de vaststelling van de gebiedsvisie) is er een voorlopig voorkeursrecht gevestigd. Bezwaarmaakster heeft toegelicht (onder randnummer 1.9 van haar bezwaar) dat op 1 april 2022 een koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen haar en Certitudo. Kennelijk heeft vervolgens op 10 maart 2023 een bespreking plaatsgevonden tussen bezwaarmaakster en Certitudo over verplaatsing van de leveringsdatum. Dit heeft volgens bezwaarmaakster niet geresulteerd in een aangepaste leveringsdatum. Dat de vestiging van het voorlopige voorkeursrecht d.d. 28 maart 2023 kort volgde op deze bespreking is voor bezwaarmaakster begrijpelijkerwijs ongelukkig, maar is voor het college geenszins redengevend geweest om tot vestiging over te gaan. Reden daartoe was enkel en alleen dat de raad op het punt stond een gebiedsvisie vast te
7
Ons kenmerk BZ-23-0507-004
stellen ten behoeve waarvan vooruitlopend een voorlopig voorkeursrecht diende te worden gevestigd om de door haar gewenste regierol te kunnen waarborgen. Het voorkeursrecht is gevestigd op in totaal 54 percelen. Dat ten aanzien van één of meer van deze percelen ten tijde van de vestiging van het voorlopige voorkeursrecht onderhandeling(en) gaande zouden zijn is natuurlijk niet uit te sluiten. Lopende onderhandelingen (zo de gemeente daar al mee bekend zou zijn) zijn echter geen reden om de vestiging van een voorkeursrecht achterwege te laten. Bovendien is het (voorlopige) voorkeursrecht (d.d. 28 maart 2023) pas gevestigd nádat bezwaarmaakster haar percelen aan Certitudo had verkocht, te weten op 1 april 2022. Bezwaarmaakster had dus met toepassing van artikel 10 lid 3 onder b en c en lid 4 Wvg ervoor kunnen kiezen om de koopovereenkomst tijdig in te schrijven in de openbare registers. Dit had bezwaarmaker ook nog kunnen doen op het moment dat zij met Certitudo in onderhandeling was over de uitgestelde levering (10 maart 2023). Dat de vestiging van het voorlopige voorkeursrecht de situatie bevriest is dus mede aan bezwaarmaakster zelf te wijten. Gelet op voorgaande overwegingen achten wij geen sprake van een misbruik van bevoegdheden, zoals door bezwaarmaakster wordt aangevoerd. Evenmin staat dit ter beoordeling in de onderhavige procedure.
Belangenafweging en strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur De gemeenteraad heeft een ruime bevoegdheid om naar eigen inzicht beslissingen te nemen over de inzet van het Wvg instrument. Bij het vestigen van een voorkeursrecht gaat het om een discretionaire bevoegdheid. Het al dan niet uitoefenen van die bevoegdheid dient, indien aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing daarvan is voldaan, door de rechter terughoudend te worden getoetst, zie o.a. de uitspraak van de Afdeling d.d. 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3786 r.o. 4.5. Bij de bestreden besluitvorming is geen ruimte om de financiële belangen van de individuele grondeigenaar te betrekken; de wetgever heeft die omstandigheden al verdisconteerd tegenover het algemene belang bij het opstellen van de wet. In de uitspraak van 28 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW0295, r.o.2.4.1) overweegt de Afdeling:
8
Ons kenmerk BZ-23-0507-004
“De wetgever heeft bij de totstandkoming van de Wvg het met het vestigen van het voorkeursrecht te dienen algemene belang reeds afgewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren, zodat dit financiële belang niet meer afzonderlijk in de afweging behoeft te worden betrokken. En in gelijke zin de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1989, r.o. 4): “Daarnaast heeft de Afdeling eerder in haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2332, geoordeeld dat de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het met het vestigen van een voorkeursrecht te dienen algemene belang heeft afgewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren. Het enkele financiële belang hoeft niet meer afzonderlijk in de afweging te worden betrokken. Een voorkeursrecht brengt ook geen ernstige inbreuk op het eigendomsrecht met zich. Feitelijke ontwikkelingen op het perceel zijn nog steeds mogelijk; de enige beperking die geldt is dat als bezwaarmaker het perceel wil vervreemden, hij het eerst aan de gemeente moet aanbieden. Recente uitspraak rechtbank over vestiging voorkeursrecht Wij verwijzen daarnaast naar de recente uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant waarin eerdere besluitvorming van de gemeente Eindhoven ingevolge de Wvg is getoetst door de rechtbank en hierbij vergelijkbare argumenten werd aangevoerd.
In de uitspraak d.d. 8 september 2023 (ECLI:NL:RBOBR:2023:4450) wordt als volgt overwogen in rechtsoverwegingen 8.1 en 8.2: “De bevoegdheid om het voorkeursrecht te vestigen is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid die terughoudend wordt getoetst. De rechtbank ziet in de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022 en de daarop volgende rechtspraak van de Afdeling geen aanleiding voor een intensievere toetsing. Weliswaar is de vestiging van het voorkeursrecht voor [naam] en [naam] een belastend besluit dat inbreuk maakt op hun eigendomsrecht, maar daar staat tegenover dat de raad bij vestiging van het voorkeursrecht beleidsvrijheid toekomt, terwijl het gewicht van de met het besluit van 25 januari 2022 te dienen doelen en te dienen algemene belangen aanzienlijk is. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat het voorkeursrecht een beperkte inbreuk op het eigendomsrecht maakt omdat het alleen tot gevolg heeft dat de eigenaar
9
Ons kenmerk BZ-23-0507-004
zijn eigendom niet zonder tussenkomst van de gemeente kan vervreemden.” “Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1989) heeft de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemene belang dat wordt gediend met het vestigen van een voorkeursrecht al afgewogen tegen het individuele belang van de grondeigenaren, zodat het financiële belang van de grondeigenaar niet meer afzonderlijk in de belangenafweging behoeft te worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de rechtspraak van de Afdeling over het evenredigheidsbeginsel (zie de uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772) geen aanleiding voor een ander uitgangspunt.” (…) Wij volgen bezwaarmaakster dan ook niet in het betoog dat wij haar financiële belangen nadrukkelijker hadden moeten meewegen dan wij gedaan hebben. Ten aanzien van de beoogde levering aan Certitudo verwijzen wij naar onze overwegingen op de pagina’s 4 en 5 van deze beslissing. Verder is het zo dat wij in deze beslissing op bezwaar hebben benoemd wat ons belang is bij de vestiging van het voorkeursrecht en is het beslist niet zo dat tegenover de inbreuk op het eigendomsrecht geen (algemeen) belang aanwezig is aan de zijde van de gemeente.
De wetgever heeft met de invoering van de Wvg beoogd om de positie van gemeenten bij de grondverwerving ten behoeve van de verwezenlijking van het ruimtelijke beleid te versterken door de raad een middel te geven waarmee speculatie kan worden tegengegaan en de regie bij de verwezenlijking van de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen kan worden behouden. Dat het algemeen belang is gediend met toepassing van de Wvg is dan ook al door de wetgever vastgesteld en is eerder in dit besluit nader toegelicht. Met de toelichting is het besluit verder volgens de raad zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd, zodat de bezwaren van bezwaarmaakster op die punten geen doel treffen. Conclusie Gelet op het voorgaande komen wij tot de conclusie dat in het bezwaarschrift geen gronden zijn aangevoerd die zouden moeten leiden tot een herroeping van het bestreden besluit. Wij verklaren het bezwaarschrift dan ook ongegrond. Proceskostenvergoeding Ingevolge artikel 7:15 Awb kan een verzoek worden gedaan tot vergoeding van de door belanghebbende redelijkerwijs gemaakte
10
Ons kenmerk BZ-23-0507-004
proceskosten. Een dergelijke vergoeding vindt enkel plaats indien wordt overgegaan tot een herroeping van het bestreden besluit en deze herroeping plaatsvindt wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In de voorliggende situatie wordt niet overgegaan tot het herroepen van het bestreden besluit, zodat een vergoeding op basis van artikel 7:15 Awb niet aan de orde is. De verzoeken om proceskostenvergoeding worden dan ook afgewezen. Beroepsmogelijkheid Indien u het niet eens bent met deze beslissing kunt u op grond van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na verzenddatum van deze brief hiertegen schriftelijk beroep instellen bij de rechtbank OostBrabant, sector bestuursrecht, postbus 90125, 5200 MA 'sHertogenbosch. Naast dit beroepschrift kunt u, indien u een spoedeisend belang heeft, bij de voorzieningenrechter van de rechtbank eventueel een verzoek om voorlopige voorziening indienen. Zowel voor het instellen van beroep als voor het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening bent u griffierecht verschuldigd. Met vriendelijke groet, namens de gemeenteraad,
J. Jongbloed, griffier.
11