Memo antwoorden vragen raad Gulpen-Wittem Bouwstenennotitie Omgevingsvisie.docx
Tekst van het document
Ons kenmerk
G.21.01461
*G.21.01461*
Memo
Poststuk
Aan:
Gemeenteraad
Van:
Procesgroep en Projectgroep Omgevingsvisie Lijn 50
Datum:
11 mei 2021
Onderwerp
Beantwoording technische vragen Bouwstenennotitie Omgevingsvisie Lijn-50
Dossiercode: Inhoud:
In de uitnodiging voor de bijeenkomst van de gezamenlijke gemeenteraden over de bouwstenennotitie Omgevingsvisie is een mogelijkheid voor het stellen van vragen opgenomen. Fracties vanuit de gemeenteraden van Gulpen-Wittem en Eijsden-Margraten hebben daarvan gebruik gemaakt; vanuit de gemeenteraad van Vaals zijn geen vragen gesteld. De antwoorden op de gestelde vragen vanuit Gulpen-Wittem treft u onderstaand aan; de antwoorden op de vragen vanuit Eijsden-Margraten treft u in een aparte bijlage aan. Fractie Franssen (Gulpen-Wittem) 1. Heeft opnieuw uitstel van de invoering van de Omgevingsvisie nog invloed op het traject en zo ja welke? Antwoord: Nee we houden in principe vast aan onze eigen planning zoals opgenomen in het plan van aanpak. Daarnaast zal eventueel uitstel van de Omgevingswet waarschijnlijk niet van invloed zijn op de uiteindelijke transitietermijn waarbij binnen die termijn verschillende producten/instrumenten opgeleverd moeten worden. Voor de omgevingsvisie geldt dat deze in 2024 uiterlijk klaar moet zijn. Dit geeft ons wel de ruimte om de omgevingsvisie zorgvuldig voor te bereiden en de planning (die door corona toch al moet worden bijgesteld) niet als leidend te zien. Kwaliteit en zorgvuldigheid boven snelheid. 2.
Er is een zichtbare/duidelijke tegenstelling tussen de wens en oproep van inwoners om meer rust in ons gebied en de economische impact van het toerisme. Uit de analyse van de vragenlijsten komt deze tegenstelling ook naar voren. Welke invloed heeft deze zichtbare en toenemende tegenstelling op het vervolg (participatie)proces? Antwoord: Juist in het vervolgproces zullen er in de omgevingsvisie keuzes gemaakt moeten worden. Daarbij is de uitdaging om te zoeken naar evenwicht en balans tussen de verschillende toekomstperspectieven. In veel gevallen kan die balans wellicht gevonden door keuzes te maken die meerdere belangen kunnen dienen maar in sommige gevallen zal het noodzakelijk zijn om te kiezen voor het een of het ander. Hoewel we natuurlijk streven naar een zo breed mogelijk draagvlak is het een utopie te
veronderstellen dat participatie al deze tegenstellingen kan “oplossen”. Participatie brengt deze tegenstellingen juist in beeld en helpt bestuurders om daarin keuzes te maken. 3. Dit geldt ook voor de tegenstelling tussen de oudere en jongere generatie en de “verHollandsing” van het gebied. Wij verwachten dat ook deze tegenstellingen toenemend zijn. Welke maatregelen/instrumenten worden ingezet om hier mee om te gaan en draagvlak te creëren richting fase 2? Antwoord: Ook fase 2 zal middels een intensief participatietraject tot stand komen. In dat participatieproces zullen we ook moeten trachten zoveel mogelijk groepen met elkaar te verbinden door keuzes te maken die in het belang zijn van de gemiddelde bevolking. Hoewel er zeker tegenstellingen zijn in opvattingen over de ontwikkelingsrichting van het gebied tussen jong en oud c.q. authentieke bevolking versus niet-authentieke bevolking is er zeker ook potentie om perspectieven te schetsen die meerdere generaties / bevolkingsgroepen kunnen dienen. Daarbij is ook te denken aan gebiedsgerichte differentiatie om tegenstellingen te verzachten dan wel in die schijnbare tegenstellingen te zoeken naar ruimte waarin meerdere belangen toch goed samen kunnen komen. 4.
Hoe worden de signalen op vraag 2/3 bestuurlijk door de colleges geduid, met name omdat burgerparticipatie en draagvlak voor dit proces essentieel is, maar ook in een latere fase bij de uitvoering van de Omgevingswet waarin burgerparticipatie een prominente rol heeft? (Kunnen ons voorstellen dat deze ter plekke gesteld moet worden, maar willen hem ter inventarisatie alvast meegeven maken) Antwoord: Het participatieproces en het creeren van draagvlak is een belangrijke pijler van de Omgevingswet en daarmee ook van groot belang bij de ontwikkeling van de omgevingsvisie. Vandaar dat ook gekozen is om een intensief participatieproces rondom de omgevingsvisie op te tuigen. Participatie is met name bedoeld om inzicht te krijgen in de wijze waarop de omgeving tegen sociaal-maatschappelijke en ruimtelijke opgaves aan kijkt. Die input kan bestuurlijk helpen om de juiste keuzes te maken. 5. Is/wordt er ook gekeken naar het inzetten van pilots in de periode tussen fase I en fase II om ‘proef te draaien’ met de geschetste ontwikkelingen t.b.v. de Omgevingsvisie en hoe deze gaan uitpakken? Antwoord: Er vinden op dit moment in het gebied al meerdere pilots plaats die input geven en ervaringsgegevens opleveren waarmee we fase 2 straks mee kunnen verrijken.
Er zijn zowel fysieke pilots (concrete ruimtelijke ontwikkelingen) maar ook pilots omtrent de andere manier van werken en het inrichten van andere werkprocessen (cultuurverandering). Fractie Balans (Gulpen-Wittem) 6. Binnen de bouwstenen staan wij voor heel veel uitdagingen, die daadkracht vragen van het bestuur. 1045 personen hebben deel genomen aan de enquête. Op zich een mooi aantal, maar het overgrote deel van de Lijn-50 regio niet. Burgers staan wel open voor participatie, maar hoe gaan wij deze burgers echt bereiken om maatschappelijk draagvlak te krijgen, vooral als dit niet in hun eigen tuin plaatsvindt? Antwoord: Door het abstractieniveau van de omgevingsvisie is het inderdaad een feit dat niet al onze inwoners zich geroepen voelen om deel te nemen aan het participatieproces. Desondanks zijn wij tevreden over de bereikte resultaten in dit visietraject. Onze inwoners krijgen ook in fase 2 nieuwe mogelijkheden om te participeren. Ook dan trachten wij weer met behulp van een gerichte communicatiestrategie zoveel mogelijk mensen te bereiken. Daarbij zullen wij trachten de vraagstukken die op het niveau van de omgevingsvisie spelen zo concreet mogelijk te maken. Vraagstukken op het gebied van wonen, 2/4
energie, landbouw etc. kunnen goed vertaald worden naar de leef- en beleefwereld van onze burgers. Hopelijk is het in de 2e fase ook weer mogelijk om fysieke participatiemomenten en –vormen te organiseren, waardoor wellicht (nog) meer inwoners deelnemen dan in fase 1. 7. De aanpak van een aantal bouwstenen heeft invloed op onze buurgemeenten. Zowel in ZuidLimburg, maar ook over de grens. Dit is nu al merkbaar. Denk aan de aanpak van motorijders in het aangrenzende Duitsland of de aanpak van toerfietsers in België. Beide hebben negatieve invloeden op de Lijn-50 regio. Hoe borgen wij de planen over en weer? En hoe gaan wij dit doen met de buitenlandse gemeente waar geen omgevingsvisie gemaakt wordt? Antwoord: Primair door met onze buitenlandse buurgemeenten het overleg aan te gaan en plannen over en weer te bespreken. Juist in het NOVI-traject wordt een grensoverschrijdende aanpak gestimuleerd om dit soort zaken af te stemmen. Onze omgevingsvisie lijn50 kadert immers binnen de nationale en provinciale omgevingsvisie en sluit aan op deze trajecten. Overigens hebben grensgemeenten mogelijk geen “omgevingsvisie” maar wel andersoortige strategische plannen met eenzelfde karakter. 8. Het OV is een onderdeel welke wij lezen in meerder bouwstenen.
Welke statement kunnen wij als lijn-50 regio maken, om OV meer te zien in het belang van de inwoners dan in euro’s? Antwoord: Door het vraagstuk van het OV juist nadrukkelijk te positioneren in onze omgevingsvisie kunnen we dit thema ook prioritair inbrengen in de POVI/NOVI-trajecten en ook buurgemeenten, provincie en rijksoverheid bewegen om hierin passende keuzes te maken. 9. Duurzaam wonen in een prettige leefomgeving. Een hele volzin met een hoge lading. Deze staat nu en de komende jaren behoorlijk onderdruk. Tal van bouwstenen onderschrijft dit. In tal van de bouwstenen wordt de verhouding tussen de “autochtone” bevolking, binnen de lijn50 regio geregeld geuit in het ongenoegen te aanzien van de “import” bevolking ( voornamelijk uit “Holland”/Randstad). Hoe kunnen wij gezamenlijk dit binnen de regio doorbreken zoals de Lijn-50 voor beide een leefbare omgeving blijft? Antwoord: In fase 2 van de omgevingsvisie zullen rondom een aantal thema’s / vraagstukken principiële keuzes gemaakt moeten worden. Daarbij is het de kunst om in schijnbare tegenstellingen in de geschetste toekomstperspectieven, die mede ontstaan als gevolg van een andersoortige beleving van verschillende bevolkingsgroepen, een balans en evenwicht te zoeken waarbij toch meerdere doelen gediend kunnen worden.
Dat evenwicht zal niet altijd gevonden kunnen worden en waar dat niet kan of lukt zal de omgevingsvisie wel duidelijkheid moeten bieden welke weg we als lijn50 willen inslaan. 10. De enquête heeft in het begin van de Covid-19 periode plaatsgevonden. In een jaar tijd is er veel gebeurd. Je merkt in je omgeving, dat inwoners op punten anders gaan denken, maar ook gaan leven. Zo waren begin 2020 Tiny houses nog een oplossing voor tijdelijke of middellange wonen. Kijken wij naar de cijfers over deze woonvorm nu, dan is de vraag naar deze binnen de koppels behoorlijk gedaald. Zijn in deze de bouwstenen bij de uiteindelijke invulling dynamisch? Antwoord: De bouwstenen maar ook de omgevingsvisie zelf zal dynamisch van aard zijn. De maatschappij ontwikkelt en verandert momenteel zo snel dat we de uiteindelijke omgevingsvisie en dus ook de bouwstenen dynamisch moeten en willen benaderen. Daar waar de huidige bouwstenen en/of opvattingen over bouwstenen veranderen, kunnen we daar de omgevingsvisie telkens op aanpassen. Juist in de beleidscyclus die de Omgevingswet voorschrijft (van visie-programma-planmonitoring/evaluatie) is bijstelling van de visie wezenlijk onderdeel van die cyclus. 3/4
3/4