CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20260707 08f TAM- Terhorst 8 Banholt - Hoofdstuk 22f - Bijlage Motivering

Raadsvergaderingen 7 juli 2026, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: TAM Omgevingsplan Terhorst 8 Banholt15.007 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden;

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

33

3. 4.

Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlijk ingericht; Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak. 6.2.2 Beoordeling Voorliggende ontwikkeling ziet op het doorvoeren van een bestemmingswijziging op de locatie Terhorst 8 te Banholt. Het voornemen is om de bestemming 'Bedrijf - Toegesneden' te wijzigen in de bestemming 'Wonen'. Ten gevolge van deze ontwikkeling treden in beginsel geen wijzigingen op in de waterhuishouding binnen het plangebied omdat enkel sprake is van een planologische functiewijziging. Wel is van belang dat onderhavige ontwikkeling gepaard gaat met ontstening als gevolg waarvan het totaal oppervlak aan dakverharding afneemt. 6.2.3 Conclusie water Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

6.3

Klimaatadaptatie

6.3.1 Klimaat Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren.

Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving.

34

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

6.3.2 Beoordeling Rekening houdend met het aspect water is van belang dat onderhavige ontwikkeling ziet op het doorvoeren van een inpandige functiewijziging. Er is geen sprake van het toevoegen van nieuwe bebouwing en/of erfverharding. Daarom zal het hemelwater vallend op de bebouwing op dezelfde wijze worden verwerkt als in de bestaande situatie. Daarop aansluitend is van belang dat het oppervlak aan bijgebouwen zal worden teruggebracht tot een oppervlak dat passend is bij een reguliere woonbestemming. Deze ontstening heeft een positief effect op de waterhuishouding. 6.3.3 Conclusie klimaatadaptie Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat bij voorliggend plan rekening wordt gehouden met het aspect 'duurzaamheid en klimaat' en dat dit aspect geen belemmeringen impliceert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

6.4

Verkeer en parkeren

6.4.1 Algemeen Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 6.4.2 Beoordeling De weg Terhorst vormt een rustige weg die het gehucht Terhorst ontsluit. De beoogde bestemmingswijziging zal leiden tot minder verkeersbewegingen. Immers, de bebouwing is momenteel bestemd voor bedrijfsdoeleinden met als gevolg dat ter plekke een brandstofhandel en bedrijfsactiviteiten uit milieucategorie 1 en 2 mogen worden uitgeoefend. Deze activiteiten kunnen gepaard gaan met klanten die het bedrijf bezoeken, maar ook met laad- en losactiviteiten. Initiatiefnemers wensen de bestemming 'Bedrijf - Toegesneden' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' met als gevolg dat het aantal verkeersbewegingen afneemt. Bovendien neemt de parkeerbehoefte ten gevolge van onderhavige planontwikkeling in feitelijk opzicht af omdat de bedrijfsmatige functie komt te vervallen. Voorts zijn nieuwe in-/uitritten vanwege voorliggende plantontwikkeling niet aan de orde. Volledigheidshalve is de toekomstige parkeerbehoefte van onderhavige locatie in beeld gebracht aan de hand van het geldende 'Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten'. Op basis van dit parapluplan met bijbehorend kaartmateriaal is onderhavige locatie gelegen in 'weinig stedelijk gebied' en 'rest bebouwde kom'.

Uitgaande van een koopwoning, 2-onder-1 kap geldt een minimale parkeerbehoefte van 1,8 en een maximale parkeerbehoefte van 2,6 parkeerplaatsen. Hierbij is van belang dat op eigen terrein voldoende ruimte aanwezig is om twee voertuigen te parkeren. 6.4.3 Conclusie verkeer en parkeren Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

35

6.5

Bodem

6.5.1 Algemeen Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid i Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het projectgebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

6.5.2 Beoordeling Voorliggend project voorziet in het doorvoeren van een planologische functiewijziging. In dat kader is ten behoeve van het project een bodemonderzoek uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1. Op grond van dit onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. Bovengrond Diverse zware metalen overschrijden de normwaarde Sterk verontreinigd (interventiewaarde), hierdoor dient een groot gedeelte van het perceel als sterk verontreinigd te worden bestempeld. De eerder aangetroffen overschrijdingen uit het onderzoek van Geonius (2013) ter plaatse van de verdachte deelgebieden, worden in vergelijkbare concentraties wederom aangetroffen. Voornoemde overschrijdingen overschrijden niet de normwaarde Sterk verontreinigd. De bovengrond van het perceel is zeer diffuus verontreinigd met diverse zware metalen, PAK en/of minerale olie. Daarnaast overschrijden de concentraties zink, koper, nikkel of kobalt de normwaarde Sterk verontreinigd. Ondergrond In de ondergrond wordt slechts uitsluitend in de bodemlaag vanaf 0,5 tot 1,0 m -mv ter plaatse van boring 01a een sterk verhoogde concentratie zink aangetroffen.

De overige ondergrond is weliswaar licht verontreinigd doch de aangetroffen concentraties zijn van dien aard dat deze niet de normwaarden Sterk verontreinigd overschrijden. Asbest Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuigelijk bodemonderzoek en het analytisch asbestonderzoek kan de hypothese “onverdacht” met betrekking tot asbest worden bevestigd.

Gelet op vorenstaande resultaten dient de aangetroffen verontreiniging te worden ingekaderd. Aan de hand van dit nadere bodemonderzoek kan het volume van de verontreiniging worden bepaald, zodat een besluit genomen kan worden of sprake is van een overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit bodem. Dit is het geval als in 25 m³ grond of meer de interventiewaarde wordt overschreden. Als hiervan sprake is zijn sanerende maatregelen verplicht. Dit kan enerzijds zijn het verwijderen van de verontreiniging en anderzijds het afdekken hiervan.

36

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd, hetgeen is bijgevoegd als Bijlage 2. Daar tijdens de eerder uitgevoerde onderzoeken uitsluitend is onderzocht op PAK of minerale olie en vaak niet op het volledig NEN 5740 pakket, is de bodem van het gehele terrein nu aanvullend op de standaard parameters uit het NEN 5740 pakket onderzocht. Naar aanleiding van de bevindingen van het verkennend bodemonderzoek en de bevindingen van de nader uitgevoerde onderzoeken (fase I en II) wordt geconcludeerd dat onder de tegel/klinker verharding een gebied van circa 290 m2 sterk verontreinigd is met zware metalen en PAK. Uitgaande van een gemiddelde dikte van circa 0,8 meter is er sprake van circa 230 m³ sterk met zware metalen en PAK verontreinigde grond. Naar aanleiding van de bevindingen wordt geconcludeerd dat er sprake is van een overschrijding van meer dan 25 m3 van de Waarde Toelaatbare Kwaliteit Bodem (WTKB). Naar aanleiding van de voorhanden zijnde bevindingen wordt geconcludeerd dat het te onderzoeken perceel veelal diffuus verontreinigd is met diverse zware metalen en/of PAK. De aangetroffen verontreinigingen zijn waarschijnlijk te wijten aan de in het verleden opgebrachte fundatiematerialen (zinkassen). Teneinde de locatie te herbestemmen tot woondoeleinden moeten deze sterk verontreinigde bodemlagen gesaneerd worden.

Daar de sterke verontreinigingen zich bevinden onder een duurzame afdeklaag en geheel in beeld zijn gebracht (ingekaderd) kan men ervoor kiezen om een MBA melding in te dienen en te kiezen voor de saneringsvariant aaneengesloten verhardingslaag. Onderhavig voornemen ziet op het in stand houden van de bestaande verharding die momenteel aanwezig is ter plaatse van de verontreiniging. De verhardingslaag wordt in stand gehouden en in dat kader zal het perceel een kadastrale aantekening krijgen. 6.5.3 Conclusie bodemkwaliteit Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen (PM) belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

6.6

Geluid

6.6.1 Algemeen Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl). In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen. In paragraaf 6.10 wordt ingegaan op geluid door (bedrijfs)activiteiten. 6.6.2 Beoordeling Onderhavige planontwikkeling voorziet niet in het realiseren van nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Het gebruik van de woning blijft als zodanig gelijk. Sprake is van een planologische wijziging van 'bedrijfswoning' naar 'burgerwoning'. Het BKL (artikel 5.78r) schrijft voor dat geluidbelasting op bestaande - rechtmatig aanwezige - geluidgevoelige gebouwen niet getoetst hoeft te worden.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

37

6.6.3 Conclusie geluid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

6.7

Luchtkwaliteit

6.7.1 Algemeen Bij een evenwichtige toedeling van functies dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. Een afwijking van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van voorliggend plan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van de afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). 6.7.2 Beoordeling In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. In artikel 5.54 Bkl is een opsomming gegeven van standaardgevallen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3.

Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Eén van de standaardgevallen die NIBM bijdragen is de realisatie tot 1.500 woningen, ontsloten via één ontsluitingsweg. Bij voorliggend project is geenszins sprake van een project van dergelijke omvang, waardoor gesteld kan worden dat het realiseren hiervan NIBM bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Vorenstaande kan worden gestaafd met de NIBM-tool, waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging beoordeeld kunnen worden. Dit rekenmodel toont aan dat (in rekenjaar 2025) tot 3.432 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. Een dergelijke toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen is als gevolg van onderhavig planvoornemen geen sprake. 6.7.3 Conclusie kwaliteit van de buitenlucht Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'kwaliteit van de buitenlucht' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

6.8

Externe veiligheid

6.8.1 Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Daarbij speelt ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel

38

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de 'feitelijke' risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren. De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit.

Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. 6.8.2

Beoordeling

Een dienst- en bedrijfswoning wordt aangemerkt als beperkt kwetsbaar object. Een reguliere woning wordt eveneens aangemerkt als kwetsbaar object. Bij onderhavige planontwikkeling is géén sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object in het kader van externe veiligheid. De bestaande bedrijfswoning is immers reeds een kwetsbaar object en als gevolg van de beoogde bestemmingswijziging neemt het aantal kwetsbare objecten of de personendichtheid niet toe. 6.8.3 Conclusie externe veiligheid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

6.9

Ontplofbare oorlogsresten

BeoBOM heeft in 2020 voor de gemeente Eijsden-Margraten een gemeentebreed historisch vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. Dit vooronderzoek wijst uit dat op een aantal plaatsen in de gemeente Eijsden-Margraten een verhoogd risico bestaat op het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Voorbeelden hiervan zijn vliegtuigbommen, raketten en granaten. Ontplofbare oorlogsresten kunnen gevaarlijk zijn. Zolang de ontplofbare oorlogsresten onberoerd in de bodem blijven liggen is de kans zeer klein dat deze spontaan ontploffen. Of er sprake is van een risico hangt af van de plek waar wordt gegraven en de diepte. In bepaalde gebieden in de gemeente Eijsden-Margraten is een risico op achtergebleven oorlogsmateriaal. Onderhavige locatie is volgens de 'Risicokaart gemeente Eijsden-Margraten' gelegen in de zone 'Achtergrondrisico'. Onderhavige ontwikkeling ziet enkel op het doorvoeren van een planologische functiewijziging waardoor geen sprake is van graafwerkzaamheden in de bodem. Rekening houdend met de aard van onderhavige ontwikkeling zijn geen maatregelen nodig.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

39

Risicokaart gemeente Eijsden-Margraten 6.9.1 Conclusie ontplofbare oorlogsresten Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'ontplofbare oorlogsresten' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

6.10

Milieuzonering

6.10.1 Algemeen Ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving dienen nieuwe bedrijfsmatige activiteiten een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van de bedrijfsmatige activiteiten gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van de bedrijfsmatige activiteiten en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de locaties voor bedrijfsmatige activiteiten voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie een bedrijfsmatige activiteit of woningen mogelijk wil maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.

40

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

6.10.2 Beoordeling Onderhavige ontwikkeling ziet op het wijzigen van de bestaande bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken naar een reguliere burgerwoning met bijbehorende bouwwerken. Het wijzigen van de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden' naar de bestemming 'Wonen' levert geen (extra) beperkingen op voor de bestaande bedrijvigheid in de omgeving, omdat geen sprake is van een nieuwe gevoelige functie. In de bestaande situatie dient de bestaande bedrijvigheid reeds rekening te houden met de woonfunctie ter plekke van de locatie Terhorst 8 Banholt, in het kader van het garanderen van een goed woon- en leefklimaat. 6.10.3 Spuitzones De gemeente Eijsden-Margraten houdt wat betreft het aspect spuitzones vast aan de in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalde afstand van 50 meter tussen nieuwe gevoelige bestemmingen en percelen waar drift van gewasbeschermingsmiddelen kan optreden. Aan de noordwestzijde van onderhavige locatie zijn diverse agrarische percelen aanwezig waar op basis van het bestemmingsplan het gebruik van driftveroorzakende bestrijdingsmiddelen is toegestaan. Het betreft percelen die in eigendom zijn bij de bewoners van de locaties Terhorst 4, 6, 10, 12, 14, 16 en 18. Deze percelen zijn (gedeeltelijk) gelegen binnen een afstand van 50 meter van het plangebied.

Deze korte afstand heeft ertoe geleid dat de eigenaren van deze percelen een machtiging hebben ondertekend waarmee een spuitbeperking wordt opgelegd op het gedeelte van het perceel met de bestemming 'Agrarisch'. 6.10.4 Conclusie milieuzonering Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'milieuzonering' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

6.11

Gezondheid

Een gezonde en veilige fysieke leefomgeving is één van de doelen van de Omgevingswet. Er wordt gestreefd naar een leefomgeving die de gezondheid beschermt én bevordert en die bewoners de gelegenheid biedt eigen regie te voeren. De leefomgeving is gezonder als de invloed van belastende milieuaspecten (lucht, geluid, geur, straling) op de gezondheid zo klein mogelijk is. Een omgeving die voldoet aan de wettelijke normen is het startpunt, maar juist onder de normen is nog veel gezondheidswinst te behalen. Een omgeving die uitnodigt tot gezond gedrag die bewoners als veilig en prettig ervaren en stimuleert tot sociaal contact is een gezonde omgeving. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen voor het beschermen van gezondheid. Vanuit de milieuaspecten luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, waterkwaliteit en bodem is geen sprake van een negatieve invloed op de gezondheid van de bewoners. Het plan leidt niet tot een wijziging van de luchtkwaliteit en er treden geen effecten op vanuit externe veiligheid en waterkwaliteit. 6.11.1 Conclusie gezondheid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'gezondheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

41

6.12

Duurzaamheid

Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's. Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.

Verbeteren energieprestatie: zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen; Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen; Natuurinclusief bouwen. 6.12.1 Conclusie duurzaamheid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'duurzaamheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

6.13

Mer-beoordeling

Onderhavige ontwikkeling ziet enkel op het doorvoeren van een planologische functiewijziging waarbij de ter plaatse geldende bestemming 'Bedrijf - Toegesneden' wordt gewijzigd naar de bestemming 'Wonen'. Er is een sprake van het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Er is dan ook geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Het opstellen van een aanmeldnotitie mer is dan ook niet aan de orde. 6.13.1 Conclusie mer-beoordeling Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'mer-beoordeling' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan.

42

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. Anterieure overeenkomst Als sprake van een ontwikkeling die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het wijzigen van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken. Publiekrechtelijk kostenverhaal Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in het Omgevingsplan, in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse Omgevingsplanactiviteit) of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst.

In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn. Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal: 1. 2.

Integrale gebiedsontwikkeling, mét tijdvak (artikel 13.14 Ow) Organische gebiedsontwikkeling, zónder tijdvak (artikel 13.15 Ow)

Rekening houdend met onderhavige ontwikkeling, zijnde het doorvoeren van een functiewijziging, ontstaan geen verhaalbare kosten waardoor het sluiten van een anterieure overeenkomst of het vaststellen van een exploitatieplan niet aan de orde is.

7.2

Financiële bijdragen

Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving. In het kader van deze wijziging van het omgevingsplan zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde.

7.3

Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

43

die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving. De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn: het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan), een omgevingsvergunning, een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap. Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting. De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren. Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.

Met betrekking tot onderhavig planvoornemen zal in het kader van nadeelcompenstatie een nadeelcompensatieovereenkomst worden afgesloten tussen gemeente Eijsden-Margraten en de initiatiefnemer.

7.4

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.4.1 Participatie Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden. Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd.

In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten

44

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken. Omgevingsdialoog Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan. In het kader van participatie is een omgevingsdialoog gevoerd. Initiatiefnemers hebben de bewoners van de meest nabijgelegen woningen geïnformeerd. Naar aanleiding daarvan zijn bij initiatiefnemers positieve reacties binnen gekomen. 7.4.2 Vaststellingsprocedure Het ontwerp-TAM-Omgevingsplan en bijhorende stukken heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen.

Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen, dit kon schriftelijk of mondeling. Er zijn geen zienswijze binnengekomen op het ontwerp-TAM-Omgevingsplan.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

45

46

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

Hoofdstuk 8 8.1

Artikelsgewijze toelichting

TAM-Omgevingsplan

8.1.1 Algemeen Een TAM-Omgevingsplan is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan, tot dat de gemeente het Omgevingsplan volledig in STOP (Standaard voor officiële publicaties) kan opstellen. Het TAM-Omgevingsplan wordt later ondergebracht in STOP. Het TAM-Omgevingsplan is een wijziging van het Omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-Omgevingsplan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie. Een TAM-Omgevingsplan wordt met een andere techniek (IMRO i.p.v. STOP/TP) opgesteld, bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Daardoor is het niet mogelijk om het TAM-Omgevingsplan en de tekst van de bruidsschat in één bestand samen te voegen. Omdat het juridisch wel één omgevingsplan vormt, wordt in de praktijk het TAM-Omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd in het Omgevingsplan van rechtswege. Dit hoofdstuk wordt juridisch toegevoegd na Hoofdstuk 22 en voor de slotbepalingen. De naam van een TAM-Omgevingsplan begint met ‘TAM-omgevingsplan’ gevolgd door een spatie en de rest van de plannaam. De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar.

De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering bij ‘artikel 1’ begint. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het Omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-Omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het Omgevingsplan, wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-Omgevingsplan in samenhang met de rest van het Omgevingsplan gelezen moet worden. 8.1.2 Uitwerking in de regels Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Eijsden-Margraten van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Eijsden-Margraten van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Eijsden-Margraten. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is op deze locatie het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, inclusief eerste herziening' leidend.

Voor het opstellen van onderhavig TAM-Omgevingsplan is dan ook aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, inclusief eerste herziening'. Via dit TAM-Omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-Omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' formaat. Dit betekent dat oude begrippen zoals bestemmingsregels nog in het TAM-Omgevingsplan voorkomen. De regels van het TAM-Omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken met, namelijk 'Inleidende regels' (hoofdstuk 1) met daaraan voorafgaand een preambule, 'Functies en regels voor activiteiten' (hoofdstuk 2), 'Algemene regels' (hoofdstuk 3) en 'Overgangsregels' (hoofdstuk 4). Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken. Preambule

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

47

In de preambule is opgenomen dat het TAM-Omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Inleidende regels (hoofdstuk 1) De algemene bepalingen zijn opgenomen in Hoofdstuk 1 van onderhavig TAM-Omgevingsplan. Deze algemene bepalingen omvatten het toepassingsbereik, de toepassing van de begripsbepaling, aanvullende begripsbepalingen, meet- en rekenbepalingen en de aanvraagvereisten. Functies en activiteiten (hoofdstuk 2) In Hoofdstuk 2 van het TAM-Omgevingsplan is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. De in de regels opgenomen functies en activiteiten zijn in paragraaf 8.1.3 nader toegelicht. Algemene regels (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 van het TAM-Omgevingsplan bevat de algemene regels die van toepassing zijn op het plangebied zoals de anti-dubbeltelregel, algemene gebruikactiviteiten, kwaliteitsregels, overige regels en de werking van wettelijke regelingen. 8.1.3 Functies en activiteiten In Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten van het TAM-Omgevingsplan zijn de volgende functies en activiteiten opgenomen welke binnen het plangebied zijn toegestaan Agrarisch Bij voorliggend TAM-Omgevingsplan is de functie 'Agrarisch' vastgelegd.

Een als Agrarisch aangewezen locatie mag onder andere gebruikt worden voor agrarisch gebruik en bestrijding en voorkoming van bodemerosie en wateroverlast, waaronder begrepen de aanleg van onder- en/of bovengrondse voorzieningen voor de opvang en buffering van water. Wonen Bij voorliggend TAM-Omgevingsplan is de functie 'Wonen' vastgelegd. Een als 'Wonen' aangewezen locatie mag onder andere gebruikt worden voor het wonen, met inbegrip van aan huis gebonden beroep en gastouderschap. In artikel 5.2.3 sub a van de planregels is bepaald dat het totaal oppervlak aan bovengrondse bijgebouwen ten hoogste 150 m2 mag bedragen. Daarop aansluitend is in artikel 5.5 van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is bepaald dat het (doen/laten) gebruiken van de locatie Terhorst 8 te Banholt voor Wonen pas mag plaatsvinden op het moment dat wordt voldaan aan artikel 5.2.3 sub a van de planregels. Archeologie Bovendien is op de locatie de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3' vastgelegd. Een als zodanig aangewezen locatie heeft als functie de bescherming en veiligstelling van aantoonbaar voorkomende en te verwachten archeologische waarden. Ecologie Daarnaast is op de locatie de dubbelbestemming 'Waarde – Ecologie' vastgelegd.

Een als Waarde - Ecologie aangewezen locatie heeft als functie de instandhouding en versterking van de samenhang tussen abiotische (niet-levende natuur) en biotische (levende natuur) kenmerken van de betreffende plangebiedsdelen. Landschapselement Daarnaast is op de locatie de dubbelbestemming 'Waarde - Landschapselement' vastgelegd. Een als Waarde Landschapselement aangewezen locatie heeft als functie de instandhouding en herstel van de in het buitengebied aanwezige kleine landschapselementen en de daarmee samenhangende landschappelijke en

48

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

natuurlijke waarden, alsmede het daarmee samenhangende waterbergend vermogen van de grond. Erosie Tot slot is op de locatie de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' opgenomen. Een als Waterstaat - Erosie aangewezen locatie heeft onder andere als functie het bestrijden en voorkomen van bodemerosie en wateroverlast;

8.2

Procedure

Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een Omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit. 1.

2.

3.

4.

5.

Voorbereiding: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van het voornemen om het Omgevingsplan te wijzigen en geeft aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Ontwerp: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van de terinzagelegging van het ontwerp-Omgevingsplan, zodat iedereen gedurende een termijn van 6 weken dat het ontwerp-Omgevingsplan ter inzage ligt een zienswijze (schriftelijk of mondeling) kan indienen. Vaststelling: de gemeente stelt het (gewijzigde) Omgevingsplan vast en geeft daarbij aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid. Het besluit tot vaststelling van het gewijzigde Omgevingsplan wordt op de daartoe voorschreven wijze bekendgemaakt, en tegelijkertijd wordt kennisgegeven van de terinzagelegging dit besluit. Inwerkingtreding: het gewijzigde Omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt.

Beroep: tegen het besluit tot wijzigen van het Omgevingsplan staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

49

50

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

Hoofdstuk 9

Belangenafweging en conclusie

Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het omvormen van de bestaande bedrijfswoning op de locatie Terhorst 8 te Banholt tot een reguliere burgerwoning. Op deze wijze wordt de locatie Terhorst 8 te Banholt herontwikkeld tot een reguliere woonlocatie. Uit Hoofdstuk 3 tot en met Hoofdstuk 6 blijkt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Conclusie Alles overwegende is de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar. De impact van de beoogde ontwikkeling op omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op.

TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22f Terhorst 8 Banholt

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=bc7ab606-7935-4e1f-8baa-720940adb3ce