CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20260526 06d TAM-omgevingsplan Libeek Bijlage Planregels

Raadsvergaderingen 26 mei 2026, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Libeek 7 en 9 Sint Geertruid6.627 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001 Planregels Gemeente Eijsden-Margraten

Projectgegevens: Projectnummer: Datum:

25 juli 2025

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001 Planregels Gemeente Eijsden-Margraten

IDN-nummer: Status:

NL.IMRO.1903.XXXXXXX-0001 concept

Vestiging Baexem Kerkstraat 2 6095 BE BAEXEM 0475 - 45 92 60

Vestiging Ubachsberg Kerkstraat 4 6367 JE VOERENDAAL 045 - 575 32 55

info@aelmans.com www.aelmans.com Op onze dienstverlening zijn de algemene voorwaarden van Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. van toepassing die u vindt op www.aelmans.com. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is inschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 14091320. Alleen aan het volledige originele document kunnen rechten worden ontleend door de opdrachtgever. Derden (met uitzondering van bevoegde gezagen) kunnen geen rechten ontlenen aan dit rapport. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is niet aansprakelijk voor schade die direct dan wel indirect voortvloeit uit conclusies, aannames en/of aanbevelingen die vermeld staan in dit rapport. Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V. is niet aansprakelijk voor mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van dit rapport zelf neemt.

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleidende regels

5

Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3

Begrippen Toepassingsbereik Meet-en rekenbepalingen

5 11 12

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

13

Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

13 14 17 19 20

Algemeen gebruiksverbod Wonen Waarde - Archeologie 3 Waarde - Ecologie Waarde -Landschapselement

Hoofdstuk 3 Algemene regels

23

Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Aanvraagvereisten

23 24 25

Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Algemene aanduidingsregels Omgevingsplanactiviteiten Overige regels

26 27 28

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

29

Artikel 15 Artikel 16

29 30

Overgangsrecht Slotregel

Planregels

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

3

4

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Preambule:

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Libeek 7 en 9 te Sint Geertruid en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22a]) van het Omgevingsplan van de gemeente Eijsden-Margraten. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het Omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Voor dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) geldt: Hoofdstukken moeten worden gezien en gelezen als paragrafen van Hoofdstuk 22a van het Omgevingsplan gemeente Eijsden-Margraten. Hoofdstuk 1 moet worden gezien en gelezen als paragraaf 22a.1, hoofdstuk 2 als paragraaf 22a.2, etc. Voor de in dit deel opgenomen artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct vóór het artikelnummer '22a' worden gelezen. Artikel 1 moet dus worden gezien en gelezen als artikel 22a.1, artikel 2 als artikel 22a.2, etc Voor de in dit deel opgenomen bijlage bij de regels moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct vóór het nummer 1 '22a' worden gelezen.

Bijlage 1 bij de regels van het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet daarom worden gezien en gelezen als Bijlage 22a.

Artikel 1

Begrippen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen: 1.1 toepassing omgevingsplan artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op het omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in artikel 1.2 tot en met 1.47 gehanteerd. 1.2 omgevingsplan het omgevingsplan van de gemeente Eijsden-Margraten. 1.3 plan het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Libeek 7 en 9 te Sint Geertruid met identificatienummer NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001 an de gemeente Eijsden-Margraten. 1.4 aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep, dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

5

1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.7 ambacht(elijke) het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen, alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen die verband houden met het ambacht. 1.8 ander bouwwerk bouwwerk, geen gebouw zijnde. 1.9 antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur met bijbehorende bevestigingconstructie ten behoeve van telecommunicatie, radio en televisie en andere vormen van communicatie waar een antenne-installatie voor benodigd is. 1.10 antennedrager antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne. 1.11 archeologischewaarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden. 1.12 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.13 bestaand onder bestaande bebouwing wordt verstaan bebouwing welke op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezig is of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning; onder bestaand gebruik wordt verstaan het gebruik van grond en bouwwerken dat bestaat en is toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.14 bijgebouw een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat een functionele eenheid vormt met, ondergeschikt en dienstbaar is, aan een hoofdgebouw. 1.15 bijgebouwgrens de grens van de aanduiding 'bijgebouwen'.

6

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

1.16 (bouw)aanduiding'bijgebouwen' een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.17 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.18 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.19 bouwlaag een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van onderbouw (souterrain of kelder) en zolder. 1.20 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.21 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel. 1.22 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.23 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.24 coffeeshop een bedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van verdovende en/of hallucinerende stoffen voor consumptie al dan niet ter plaatse, dan wel van hulpmiddelen om deze stoffen zelf te produceren. Als nevenactiviteit is sprake van het verstrekken van dranken en kleine etenswaren voor consumptie ter plaatse. 1.25 dakterras een voor mensen toegankelijke buitenruimte op het dak van een gebouw. 1.26 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die, die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

7

1.27 draadomheining/-erfafscheiding een omheining of erfafscheiding bestaande uit één of meerdere evenwijdig aan elkaar lopende of haaks op elkaar staande draden met een onderlinge afstand van ten minste 20 centimeter. 1.28 gastouderschap kinderopvang welke plaatsvindt in een gastgezin, na tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau. Een geregistreerde gastouder verzorgt de opvang op het eigen woonadres of op het adres van één van de ouders. Als de opvang bij de ouders plaatsvindt, kunnen daar ook kinderen van andere ouders worden opgevangen. 1.29 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.30 growshop winkel waarin de hoofdactiviteit of één van de activiteiten wordt gevormd door detailhandel in kweekbenodigdheden (zoals meststoffen, bestrijdingsmiddelen, plantenvoeding, potgrond, lampen, ventilatiesystemen en waterpompen) bedoeld voor het kweken van verdovende middelen dan wel soortgelijke planten. 1.31 headshop winkel waarin de hoofdactiviteit of één van de activiteiten wordt gevormd door detailhandel in artikelen of attributen die samenhangen met het consumeren van verdovende middelen zoals pijpjes en vloeitjes. 1.32 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als het belangrijkste gebouw valt aan te merken.

1.33 kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap het kenmerkende reliëf, de historische landschapsstructuur en de daarin aanwezige cultuurhistorische landschapselementen, de afwisseling open-besloten en het groene karakter inclusief aanwezige natuurlijke waarden, zoals verwoord in de POVI-aanvulling Nationaal Landschap Zuid-Limburg. 1.34 maaiveld de bovenkant van een terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft. 1.35 mantelzorg het binnen de woning bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op basis van vrijwilligheid en buiten organisatorisch verband. 1.36 peil a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan een weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

8

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

1.37 seksinrichting de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf -waaronder begrepen een erotische massagesalon-, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub alsmede bedrijven die hun bedrijf voeren geheel of gedeeltelijk in overwegend seksueel geaarde dienstverlening, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.38 sekswinkel de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen erotische-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht dan wel verhuurd.

van

1.39 setback een dakopbouw, die gelegen is op tenminste 2.00 m achter de doorgetrokken voorgevel van een woning met een hoogte van maximaal 3.00 m. Bij een woning met meerdere voorgevels wordt in deze alleen de voorgevel waarin de hoofdtoegang is gelegen, als zodanig aangemerkt. 1.40 smartshop een bedrijf waar bedrijfsmatig psychoactieve middelen en/of benodigdheden voor de kweek van hennep en/of andere verdovende middelen te koop worden aangeboden, verstrekt of geleverd. 1.41 stedenbouwkundig beeld ruimtelijke verschijningsvorm van de bestaande bebouwing, die wordt bepaald door de situering, de bouwmassa's, de gevelindeling en de dakvormen. 1.42 verblijfsgebied gedeelte van één of meer bouwwerken op een perceel met dezelfde bestemming, met ten minste één verblijfsruimte bestaande uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen aan elkaar grenzende ruimten anders dan een toilet-, bad-, technische of verkeersruimte. 1.43 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meerdere naar de weg gekeerde gevels, de naar de weg gekeerde gevel, welke door de gevelindeling en/of situering van de oprit en/of de voortuin als meest representatieve gevel van het gebouw dient te worden aangemerkt.

1.44 voorgevelrooilijn de bouwgrens/lijn die is gelegen aan de zijde van de aan de weg gelegen perceelsgrens, die behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde of de van de weg afgekeerde zijde niet mag worden overschreden; ter verduidelijking: onder bouwgrens valt zowel de grens van een bouwvlak als de grens van de aanduiding 'bijgebouwen'. 1.45 waardevolle graslandvegetatie graslanden, waarbinnen zich een half-natuurlijke graslandvegetatie van enige omvang bevindt. Hieronder vallen niet graslanden, gedomineerd door cultuurgrassen.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

9

1.46 waterhuishoudkundige voorzieningen boven- en ondergrondse voorzieningen ten behoeve van waterberging of -infiltratie en voorzieningen ten behoeve van de aan- en afvoer van (hemel)water, zoals leidingen, watergangen, waterlopen en waterpartijen. 1.47 woning een (gedeelte van een) gebouw dat uitsluitend dient voor de huisvesting van één zelfstandige huishouding. eindwoning: een woning die ligt aan het begin of eind van blok rijwoningen. gestapelde / halfvrijstaande woningen: grondgebonden woningen die aan elkaar zijn gebouwd respectievelijk middels (een) bijgebouw(en) of met één zijgevel van het hoofdgebouw. grondgebonden woning: gebouw dat uitsluitend één woning omvat en waarbij op het bijbehorende bouwperceel geen andere woningen voorkomen meergezinswoning: een woning, onderdeel uitmakende van een gebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en uit twee of meer bouwlagen bestaat, of waarbij (een deel van) de eerste bouwlaag van een gebouw voor andere met de betreffende bestemming in overeenstemming zijnde doeleinden wordt gebruikt. nultredenwoning: een woning waarbij de primaire ruimtes (de keuken, het sanitair, de woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden.

rijwoningen: grondgebonden woningen die deeluitmaken van een blok van meer dan twee aaneengebouwde woningen en waarvan de zijgevels van het hoofdgebouw aan de zijgevel van het hoofdgebouw op het naastgelegen perceel zijn vastgebouwd. vrijstaande woning: grondgebonden woning waarvan het hoofdgebouw noch het het bijgebouw op enige wijze verbonden is met gebouwen op het naastgelegen perceel. woongebouw: gebouw bestaande uit meerdere meergezinswoningen. 1.48 zolder ruimte(n) in een gebouw, die geheel is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel opzicht deel uitmaakt (uitmaken) van de daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen.

10

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Artikel 2 a.

b. c.

Toepassingsbereik

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld onder c. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Libeek 7 en 9 te Sint Geertruid, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001 .

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

11

Artikel 3

Meet-en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit plan in m (meter), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 3.1 tot en met 3.9. 3.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens de kortste afstand van de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend vergunningsplichtige bouwwerk. 3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 3.3 de brutovloeroppervlakte van een bouwlaag op de vloer van de bouwlaag, tussen de binnenzijde van de gevelmuren (en/of gemeenschappelijke scheidingsmuren). 3.4 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 3.5 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 3.6 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.7 de lengte, breedte en diepte van een gebouw tussen de buitenzijde van de gevels of het hart van de scheidsmuren, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte. 3.8 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 3.9 uitsluiting ondergeschikte bouwdelen bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,50 meter.

12

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Hoofdstuk 2 activiteiten Artikel 4 a. b.

Regels voor functies en

Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functie dan wel toegestane gebruiksactiviteiten. Onder strijdig gebruik als bedoeld onder a wordt in ieder geval verstaan: 1. het gebruik van opstallen voor een seksinrichting, een sekswinkel of soortgelijk bedrijf; 2. een coffeeshop, smartshop, een growshop; een headshop of soortgelijk bedrijf; 3. alsmede het gebruik van opstallen voor het telen, bewerken en verhandelen van soft- en harddrugs; 4. het gebruik van de grond of opstallen voor een discotheek;

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

13

Artikel 5

Wonen

5.1 Functieomschrijving In het voor Wonen aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan: a. b. c.

wonen, met inbegrip van mantelzorg en aan-huis-gebonden-beroepen waarbij ter plaatse van de aanduiding 'atelier/kunsthandel' een 'atelier/kunsthandel' is toegestaan; tuinen, erven en verhardingen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

5.2 Beoordelingsregels bouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden ook de volgende beoordelingsregels: 5.2.1 Algemeen Op de tot 'wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: 1. 2.

één woning per bouwperceel; bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen.

5.2.2

Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d. e. f. g. h.

hoofdgebouwen mogen uitsluitend in het aangeduide bouwvlak worden gebouwd. de voorgevel van een woning mag uitsluitend in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd; de voorgevelbreedte van een woning zal ten minste 5.00 m bedragen; in ten hoogste 2 bouwlagen mag worden gebouwd de maximaal toegestane goothoogte van een hoofdgebouw is de bestaande goothoogte; de maximaal toegestane bouwhoogte van een hoofdgebouw is de bestaande bouwhoogte; gebouwen mogen plat, met setback of met een kap van ten hoogste 60° worden afgedekt; vrijstaande woningen zullen aan beide zijden en halfvrijstaande woningen aan één zijde op ten minste 2.50 m uit de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd.

5.2.3 Bbijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende bepalingen: a. b.

c. d. e. f. g.

14

het totaal oppervlak aan bovengrondse bijgebouwen mag per woning binnen de bouwaanduiding 'bijgebouwen' ten hoogste 150 m² bedragen; het totaal oppervlak aan ondergrondse bijgebouwen mag per woning binnen de bouwaanduiding 'bijgebouwen' ten hoogste 120 m² bedragen, verminderd met het oppervlak aan bovengrondse bijgebouwen; bijgebouwen mogen uitsluitend vrijstaand op ten minste 1.00 m afstand van het bouwvlak of aangebouwd worden opgericht; bijgebouwen zullen in of ten minste 1.00 m uit de zijdelingse erfscheiding worden gebouwd; in ten hoogste 1 bouwlaag mag worden gebouwd waarvan de goothoogte ten hoogste 3.30 m mag bedragen; de bouwhoogte mag ten hoogste 6.60 m bedragen; bijgebouwen mogen uitsluitend plat of met een kap van ten hoogste 45° worden afgedekt;

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

h. i.

ten aanzien van het gestelde onder e. en f. kan geen gebruik worden gemaakt van een algemene omgevingsvergunning van 10%; het oprichten van bijgebouwen mag niet leiden tot aantasting van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap.

5.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a.

5.3

de hoogte van andere bouwwerken mag ten hoogste 3.00 m bedragen. met uitzondering van: 1. de hoogte van erfafscheidingen, welke voor zover aanwezig voor de naar de weg gekeerde bouwgrens ten hoogste 1.00 m en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens ten hoogste 2.00 m mag bedragen; 2. de hoogte van palen, masten en plastische kunstwerken, welke ten hoogste 5.00 m mag bedragen. Aanwijzing vergunningsplicht- bouwactiviteiten

5.3.1 Zijdelingse bouwgrens Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met lid 5.2 voor het overschrijden van de zijdelingse bouwgrens, mits: ten behoeve van de verkeersveiligheid, voldoende afstand tot de bestemming 'verkeer' wordt aangehouden; geen onevenredige aantasting van het stedenbouwkundig beeld plaatsvindt; dit niet leidt tot aantasting van de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap. met dien verstande dat: a. b. c.

ten minste 3.00 m uit de zijdelingse perceelsgrens zal worden gebouwd; de overschrijding van de zijdelingse bouwgrens maximaal 4.00 m mag bedragen; ten aanzien van het gestelde onder a. en b. geen gebruik kan worden gemaakt van een algemene omgevingsvergunning van 10%.

5.3.2 Bouwaanduiding Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met lid 5.2 voor het bouwen van bijgebouwen buiten de bouwaanduidingen 'bijgebouwen' aan de voorzijde van de woning, mits: geen onevenredige aantasting van het stedenbouwkundig beeld plaatsvindt, met dien verstande dat: a. b.

5.4

de afstand van bijgebouwen tot de bestemming 'verkeer' ten minste 5.00 m zal bedragen; bijgebouwen de lijn, die kan worden getrokken in het verlengde van de naar de weg gekeerde bouwgrens op het naastgelegen perceel, met niet meer dan 3.00 m zullen overschrijden. Specifieke gebruiksactiviteiten

5.4.1 Verbod Het is verboden: a. b. c.

een bij een woongebouw behorend bijbehorend bouwwerk en/of garagebox te gebruiken voor zelfstandige woonruimte. een gedeelte van de woning te gebruiken voor een consumentverzorgend ambachtelijk bedrijf; een gedeelte van een woning te gebruiken voor een aan-huis-verbonden beroep;

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

15

d.

van daken van bijgebouwen als dakterras en/of daktuin, ter plaatse van de bouwaanduiding 'bijgebouwen';

5.4.2 Uitzondering verbod Het verbod zoals opgenomen in artikel 5.4.1, onder c, geldt niet voor het gebruik van een gedeelte van ruimten binnen de woning of in de bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

b. c. d. e. f. g.

ten minste 50% van het verblijfsgebied met woonfunctie van de woning blijf gehandhaafd. Bij woningen met een verblijfsgebied van minder dan 240 m² dient een verblijfsgebied met woonfunctie van 100 m² behouden te blijven; degene die de activiteiten uitvoert, dient ook de bewoner van de woning te zijn; het gebruik mag geen ernstige of onevenredige hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving; de ruimtelijke uitstraling is in overeenstemming met de woonfunctie; de parkeerbalans in de directe woonomgeving wordt niet onevenredig nadelig beïnvloed en er zijn geen extra verkeersmaatregelen noodzakelijk; er is geen sprake van een grote verkeersaantrekkende werking. De aanwezige infrastructuur moet hierop berekend zijn; er mag geen detailhandel plaatsvinden.

5.5

Aanwijzing vergunningplicht - gebruiksactiviteiten

5.5.1

Gebruiksactiviteit

Met een omgevingsvergunning kan een gebruiksactiviteit worden toegelaten die in strijd is met lid 5.4 voor: a.

de vestigiging van een consumentverzorgend ambachtelijk bedrijf in de woning en/of bijbehorende bouwwerken;

5.5.2 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning genoemd onder 5.5.1 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels: a. b. c. d.

16

ten hoogste 30% van de vloeroppervlakte mag worden gebruikt; de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed en geen extra verkeersmaatregelen noodzakelijk worden; geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan; er geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat, met uitzondering van beperkte verkoop van ondergeschikte betekenis en inherent aan de betreffende activiteit.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Artikel 6

Waarde - Archeologie 3

6.1 Functie omschrijving Het voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkomende functie(s), mede bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van aantoonbaar voorkomende en te verwachten archeologische waarden. 6.2 Beoordelingsregels bouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden ook de volgende beoordelingsregels: 6.2.1 Algemeen De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van: a. b. c. d.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn; vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; een bouwwerk zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 meter en dat zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; een bouwwerk met een oppervlakte tot ten hoogste 250 m².

6.3 Aanwijzing vergunningplicht - bouwactiviteiten a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde; b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik; d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning, ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd; 6.3.1 Bouwactiviteit(en) Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met artikel 6.2.1 met inachtneming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels. 6.3.2 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning voor de bouw of verbouw van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 250 m2 en/of dieper dan 0,50 meter, wordt slechts verleend als: a. b. c. d.

uit een bij de aanvraag gevoegd rapport blijkt dat door de bouwactiviteiten op de locatie de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; uit een bij de aanvraag gevoegd rapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument naar het oordeel van het college niet of niet onevenredig wordt geschaad; de archeologische waarde van het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden, gericht op: 1. het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of 2. het doen van opgravingen; of 3. het laten begeleiden van de bodemverstorende activiteit door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

17

vergunning te stellen kwalificaties. 6.4

Aanwijzing vergunningplicht - aanlegactiviteiten

6.4.1 Algemeen Het is verboden zonder een omgevingsvergunning de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren: a. b. c. d.

het verlagen van het waterpeil; het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale onderhoud, gebruik en beheer van de gronden op de locatie;

met uitzondering van werken en/of werkzaamheden: e. f. g. h. i.

met een oppervlakte tot ten hoogte 250 m² of smaller dan 1,5 meter; die al in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan; die behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; die ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; waarbij de archeologische waarde van het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden, gericht op: 1. het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of 2. het doen van opgravingen; of 3. het laten begeleiden van de bodemverstorende activiteit door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

6.4.2 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning wordt slechts verleend als: a. b. c. d.

uit een bij de aanvraag gevoegd rapport blijkt dat door de werken en/of werkzaamheden op de locatie de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; uit een bij de aanvraag gevoegd rapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden aanwezig zijn; de archeologische waarde van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument naar het oordeel van het college niet of niet onevenredig wordt geschaad; de archeologische waarde van het te verwachten archeologisch monument kan worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden, gericht op: 1. het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of 2. het doen van opgravingen; of 3. het laten begeleiden van de bodemverstorende activiteit door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

6.4.3 Uitzondering In afwijking van het bepaalde in 6.4.1 is geen omgevingsvergunning vereist, als uit voorafgaand archeologisch onderzoek is gebleken dat geen archeologische waarden aanwezig zijn en geen archeologische waarden worden aangetast.

18

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Artikel 7

Waarde - Ecologie

7.1 Functie omschrijving Het voor Waarde - Ecologie aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkoemnde functie(s), mede bedoeld voor instandhouding en versterking van de samenhang tussen abiotische (niet-levende natuur) en biotische (levende natuur) kenmerken van de betreffende plangebiedsdelen. 7.2 Aanwijzing verunningplicht - aanlegactiviteiten a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen, waarbij de hoogte van het maaiveld met meer dan 0.30 m wordt gewijzigd; c. het bebossen van gronden; d. het scheuren van grasland, voor zover het betreft waardevolle graslandvegetaties; e. het aanbrengen en/of aanleggen van oeverbeschoeiingen en het graven en/of aanleggen van waterlopen. 7.2.1 Algemeen Het is verboden op of in het voor Waarde - Ecologie aangewezen gebied in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag of in afwijking van de Keur van het waterschap de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e.

het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen, waarbij de hoogte van het maaiveld met meer dan 0.30 m wordt gewijzigd; het bebossen van gronden; het scheuren van grasland, voor zover het betreft waardevolle graslandvegetaties; het aanbrengen en/of aanleggen van oeverbeschoeiingen en het graven en/of aanleggen van waterlopen.

7.2.2 Uitzondering Het in 7.2.1 bepaalde is niet van toepassing voor: a. b. c. d.

werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde; werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik; werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning, ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd;

7.2.3 Beoordelingsregels De werken of werkzaamheden als bedoeld in 7.2.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in 7.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

19

Artikel 8

Waarde -Landschapselement

8.1 Functie omschrijving Het voor Waarde - Landschapselement aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkomende functie(s), mede bedoeld voor instandhouding en herstel van de in het buitengebied aanwezige kleine landschapselementen en de daarmee samenhangende landschappelijke en natuurlijke waarden, alsmede het daarmee samenhangende waterbergend vermogen van de grond. 8.2

Aanwijzing vergunningplicht - aanlegactiviteiten

8.2.1 Algemeen Het is verboden op of in het voor Waarde - Landschapselement aangewezen gebied, met daarop een klein landschapselement of steilrand, zoals aangeduid op de kaart kleine landschapselementen (Bijlage 1 bij de regels), zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag of in afwijking van de Keur van het waterschap de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren: a.

b.

het vellen, rooien, slopen, dempen, egaliseren of verwijderen van kleine landschapselementen, dan wel het verrichten van werkzaamheden, die ernstige beschadiging of de dood of verdwijning van kleine landschapselementen tot gevolg hebben; het verwijderen of afgraven van steilranden of het verrichten van andere grondwerkzaamheden die een aantasting hiervan inhouden of kunnen inhouden.

8.2.2 Uitzondering Het in 8.2.1 bepaalde is niet van toepassing voor: a. b. c. d.

werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde; werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik; werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning, ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.

8.2.3 Beoordelingsregels De werken of werkzaamheden als bedoeld in 8.2.1 zijn slechts toelaatbaar a.

indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in 8.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind. Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorwaarden stellen ter compensatie.

8.2.4 Beoordelingsregels De werken of werkzaamheden als bedoeld in 8.2 zijn slechts toelaatbaar: a.

20

voor zover, in het geval de werken of werkzaamheden betrekking hebben op kleine landschapselementen ten hoogste 20% van elk ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp bestaand

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

b.

c.

klein landschapselement wordt geveld/gerooid/verwijderd/gekapt; voor zover, in het geval de werken of werkzaamheden worden uitgevoerd ter plaatse van waterlopen en of poelen, de ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp bestaande waterlopen en poelen worden gehandhaafd. voor zover de werken of werkzaamheden de ecologie van de aanwezige natuurwaarden niet aantasten.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

21

22

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Hoofdstuk 3 Artikel 9

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

23

Artikel 10

Algemene bouwregels

Als de bestaande maatvoering afwijkt van hetgeen in deze planregels is bepaald mag deze afwijkende maatvoering te allen tijde worden gehandhaafd en/of vernieuwd, met dien verstande dat de afwijking niet mag worden vergroot.

24

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Artikel 11

Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

25

Artikel 12

Algemene aanduidingsregels

12.1 Milieuzone-Bodembeschermingsgebied Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - bodembeschermingsgebied' is duurzaam behoud van kwetsbare functies en waarden een als bijzondere bescherming van de bodem noodzakelijk. Het streven is naar een kwaliteit van bodem, grondwater en landschap die voldoet aan de eisen die de aanwezige bijzondere biotische, abiotische en cultuurhistorische waarden stellen. Daarbij dient rekening gehouden te worden met dan wel afstemming te worden gezocht met het beleid ter zake van de Omgevingsvisie Limburg en de Omgevingsverordening Limburg. 12.2 Milieuzone-Grondwaterbeschermingsgebied Binnen het grondwaterbeschermingsgebied ter plaatse van de aanduiding ‘mlieuzone grondwaterbeschermingsgebied’ is een bijzondere bescherming van de openbare drinkwatervoorziening noodzakelijk. Daarbij dient rekening gehouden te worden met, dan wel afstemming te worden gezocht met het beleid ter zake van de Omgevingsvisie Limburg en de Omgevingsverordening Limburg.

26

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Artikel 13

Omgevingsplanactiviteiten

Het bevoegd gezag is bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken: a.

b.

c.

d. e.

van de in deze regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages. Afwijken is niet mogelijk ten aanzien van de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bij woningen; in afwijking van sub a. mag in die gevallen waarin reeds uit hoofde van de regels in de respectievelijke artikelen een omgevingsvergunning voor het afwijken is verleend, niet nogmaals op grond onderhavige afwijkingsregel een omgevingsvergunning worden verleend; van deze regels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of intensiteit daartoe aanleiding geeft; van deze regels en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; van deze regels ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van een overschrijding van deze maximaal toegestane bouwhoogte voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak; 2.

de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 maal de maximaal toegestane bouwhoogte van het betreffende gebouw.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

27

Artikel 14

Overige regels

14.1 Parkeren a. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein, zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen en wijzigingen of de rechtsopvolgers daarvan. b. De onder a. genoemde parkeergelegenheid moet in stand worden gehouden. c. Met een maatwerk- of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde onder a als: 1. op andere wijze in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien; 2. het voldoen aan het bepaalde onder a door bijzondere omstandigheden op onevenredige bezwaren stuit.

28

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

Hoofdstuk 4 Artikel 15

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwen a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%; c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 15.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.

Het is verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

29

Artikel 16

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het TAM-IMRO omgevingsplan Libeek 7 en 9, van de gemeente Eijsden-Margraten.

30

NL.IMRO.1903.TAMOP22xLibeek7en9-0001

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=e94e858f-b387-445f-bc25-c5097a63bcbd