20250930 08f BP Breusterstraat Eijsden - Motivering, bijlage 3b - veldonderzoek
Tekst van het document
Transect-rapport 5251
Eijsden, Breusterstraat 20 Gemeente Eijsden (LB)
Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P)
transect ARCHEOLOGISCH
ONDERZOEK
»
ADVIES
transect ARCHEOLOGISCH
ONDERZOEK
»
ADVIES
T:
030-7620705
Overijsselhaven 127
£:
030-7620706
3433 PH
€
informatie@transect.nl
Nieuwegein
Colofon Eiijsden, Breusterstraat 20. Gemeente Eijsden-Margraten
Titel
(LB). Een Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (VO-P) Rapportnummer
Transect-rapport 5251
Auteurs
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Versie
Versie
Datum
09-04-2024
Projectnummer
23080008
Onderzoeksmeldingnummer
5472671100
Opdrachtgever
(geanonimiseerd)
1.0
DG Vastgoed b.v.
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Uitvoerder
Transect
b.v.
Overijsselhaven 127 3433 PH
Nieuwegein
Bevoegde overheid
Gemeente Eijsden-Margraten.
Adviseur namens bevoegde overheid
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Toetsing rapport bevoegde overheid
Nog niet goedgekeurd
Beheer en plaats documentatie
Transect b.v., Nieuwegein
Omslagafbeelding
Weergave van het plangebied ten tijde van het onderzoek (richting het noordwesten)
Autorisatie Naam
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) K
Datum
Paraaf
09-04-2024
(geanonimiseerd)
Senior KNA Archeoloog (actorregistratienummer 92432055)
ISSN:
2211-7067
© Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de
adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK
Overissehaven127 » ADVIES
: 030.7620706
3433 PH Nieuwegein _ £: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van DG Vastgoed b.v. heeft Transect b.v. op 13 maart 2024 een archeologisch
proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Breusterstraat 20 in Eijsden (gemeente Eijsden-Margraten; fig. 1). De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om een wooncomplex
voor senioren te realiseren in het plangebied. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 900 m?. Onderhavig onderzoekgebied bedraagt circa 650 m? en wordt gevormd door het deel van het plangebied waarin op basis van het vooronderzoek een (middel)hoge archeologische verwachting
geldt. Vooronderzoek
In 2023 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied (geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
2023). Hieruit blijkt dat in het zuiden van het plangebied een (middel)hoge verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten daterend vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Met name vanwege de ligging binnen een historische dorpskern, i door de bevoegde overheid
besloten om voorafgaand aan de ondergrondse sloop van de bestaande bebouwing en/of overige graafwerkzaamheden, een karterend en waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uit te voeren. Dit onderzoek heeft als doel om aan te tonen of er n het plangebied sprake is van
archeologische resten, of deze resten al dan niet behoudenswaardig zijn, en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is.
Tijdens het veldonderzoek zijn vijf proefsleuven (88 m? in totaal). Het vlak is aangelegd op circa 55 m +NAP, in de top van de lössafzettingen. In het onderzoeksgebied zijn sporen en vondsten uit de Late Nieuwe Tijd aangetroffen. De sporen kunnen worden geïnterpreteerd als sporen van landgebruik, en
zijn zodanig recent dat ze archeologisch niet relevant lijken te zijn. De sporen bevatten roodachtig granulaat, kalkbrokjes, mergelbrokjes, cokesbrokjes en/of dierlijk bot. De spoorvullingen zijn los van structuur, gevlekt of heterogeen en matig tot sterk humeus. De sporen bestaan grotendeels uit kuilen. Daarnaast zijn mogelijke uitbraaksleuven, een mogelijk funderingsspoor, een kalkput, een recente dierbegraving, een smalle greppel en een muur van vijf mergelblokken aangetroffen. Dit muurwerk is
mogelijk onderdeel geweest van de voormalige mestkelders. 6,3. Selectieadvies
Het proefsleuvenonderzoek moest de vraag beantwoorden ofn het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud
mogelijk is. Op basis van de waardestelling is geconcludeerd dat in het plangebied geen sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. Er zijn enkele sporen aangetroffen,
maar deze kunnen in de 20
eeuw worden gedateerd en kunnen niet als behoudenswaardig worden beschouwd. Daarom adviseren wij dat het plangebied voor toekomstige ontwikkeling wordt vrijgegeven.
Het bevoegd gezag, gemeente Eijsden-Margraten, neemt op basis van dit advies een selectiebesluit. Indien onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht bij de minister van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap, conform de Erfgoedwet 2016,
artikel 5.10 en 5.11. Archeologische vondsten dienen daarnaast altijd gemeld te worden bij het bevoegd gezag.
transect
Inhoud Aanleiding. Vooronderzoek...
Aard, doel en onderzoeksvragen Onderzoeksmethodiek . Resultaten
veldonderzoek.
6.
Conclusies, waardestelling en selectieadvies.
7.
Geraadpleegde bronnen …
Bijlage 1.
Archeologische periode-indeling voor Nederland …
Bijlage 2.
Allesporenkaart
Bijlage 3.
Viaktekeningen…
Bijlage 4.
Sporen- en lagenlijs
Bijlage S.
Splitsvondstenlijst …
Bijlage 6.
Beantwoording onderzoeksvragen
transect
1.
Aanleiding
Provincie
Limburg
Gemeente
Eijsden-Margraten
Plaats
Eijsden
Toponiem
Breusterstraat 20
Kaartblad Perceelnummer(s)
62H EDNOO-D-5028
Centrumcoördinaat
177.439 / 309.823
Oppervlakte plangebied
ca. 900 m?
Oppervlakte onderzoeksgebied Huidig grondgebruik
| ca. 650 m? Bebouwd, binnenerf
In opdracht van DG Vastgoed b.v. heeft Transect b.v.! op 13 maart 2024 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Breusterstraat 20 in Eijsden (gemeente Eijsden-Margraten; fig. 1. De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om een wooncomplex
voor senioren te realiseren in het plangebied. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 900 m2. Onderhavig onderzoekgebied bedraagt circa 650 m? en wordt gevormd door het deel van het plangebied waarin op basis van het vooronderzoek een (middel)hoge archeologische verwachting
geldt. De exacte ontgravingsdiepten zijn tot op heden onbekend. Het gemeentelijk beleid en het vigerende bestemmingsplan geven aan dat het plangebied in een zone met een Waarde Archeologie 2 ligt. Dit houdt in dat bodemroerende werkzaamheden
onderzoeksplichtig zijn wanneer dieper wordt gegraven dan 50 cm -Mv of wanneer
meer dan 100 m?
wordt ontgraven.
In 2023 is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied (geanonimiseerd) E " (geanonimiseerd) 2023). Hieruit blijkt dat in het zuiden van het plangebied een (middel)hoge verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten daterend vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe
tijd. Met name vanwege de ligging binnen een historische dorpskern is door de bevoegde overheid besloten om voorafgaand aan de ondergrondse sloop van de bestaande bebouwing en/of overige graafwerkzaamheden, een karterend en waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uit
te voeren. Dit onderzoek heeft als doel om aan te tonen of er in het plangebied sprake is van archeologische resten, of deze resten al dan niet behoudenswaardig zijn, en onder welke
randvoorwaarden behoud mogelijk is. Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd conform het daartoe opgestelde Programma van Eisen (PVE:
(geanonimiseerd) 2023), de eisen van de bevoegde overheid en de Kwaliteitsnorm Nederlandse N Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). In dit rapport zijn de resultaten van het boor- en
proefsleuvenonderzoek beschreven en wordt een advies geformuleerd over de al dan niet te nemen vervolgstappen.
! Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertficaat. Transect b.v. s certificaathouder van de volgende protocollen:
‘KNA Protocol 4001 Programma
van Eisen’, 'KNA Protocol 4002 Bureawonderzoek’ ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol
4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven en ‘Protocol 4004 Opgraven’, n staat geregistreerd b de RCE en de SIKB.
transect
30950 30970 77500
T7
77500
T7
Legenda
CO
pingeties
Figuur 1. Topografische kaart met de locatie van het plangebied (bron: www.pdok.nl).
2.
Vooronderzoek? Eerder uitgevoerd onderzoek Bureau- en booronderzoek
Uitvoerder Uitvoeringsperiode
ArcheoPro 2023
Uitvoeringsmethode
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase d.m.v.
(geanonimiseerd)
boringen
(geanonimiseerd)
20 te Eijsden, Gemeente Eijsden-Margraten. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO0, verkennend booronderzoek).
Onderzoeksmeldingsnummer
Rapportnummer 22052.
5272114100
Vondsten/monsters/documentatie
Digitaal: E-depot, Archis3
Vondstdocumentatie: geen vondsten
2.1. Landschappelijke achtergronden Het plangebied ligt in het meest zuidelijke deel van het Limburgse Maasdal. De afstand tot het huidige
zomerbed van de Maas bedraagt circa vierhonderd meter. Het plangebied ligt op een hoger gelegen tussenterras van de Maas, bedekt met löss (terras van Mechelen a/d Maas).
(geanonimiseerd) Het verkennende booronderzoek e
(geanonimiseerd) M 2023)
heeft aangetoond dat binnen het
zuidelijke deel van het plangebied de oorspronkelijke bodem nog grotendeels intact is. Het betreft
aldaar bergbrikgronden, getuige de intacte B-horizont en het ontbreken van een E-horizont. Waarschijnlijk is de E-horizont opgenomen
n de oorspronkelijke Ap-horizont. Ter plaatse van boring 3
ontbreekt de B-horizont en is sprake van een AC-profiel in primaire löss met een relatief dikke Ap-
horizont (of ophooglaag) van 50 cm. Ter plaatse van de boringen 1, 2 en 4 zijn ophooglagen/Aphorizonten vastgesteld met een dikte variërend van 30 tot 70 cm.
2.2. Archeologische waarden Het plangebied ligt binnen de historische (dorps)kern van Breust en Eijsden (AMK-terrein 16.410; hoge archeologische waarde). De historische dorpskern dateert vanaf de Late Middeleeuwen. Rondom het plangebied zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd en er zijn meerdere vondsten bekend. De meeste vondsten dateren uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd; een enkele vondst gaat terug tot de
Romeinse tijd. Noemenswaardig is het onderzoek naar de motte van Breust. Hier zijn bewonings- en gebruiksssporen aangetroffen vanaf de 11° eeuw. 2.3. Historische achtergronden Het plangebied ligt binnen de oude bebouwingskern van Breust en Eijsden. Het wegennet dat het
plangebied omsluit, dateert minstens uit de Middeleeuwen. Op hístorische kaarten is al vanaf het begin van de 19° eeuw bebouwing in het plangebied zichtbaar
(Tranchotkaart 1805; Kadastraal Minuutplan 1832; zie figuur 2). Op beide kaarten is een L-vormig gebouw zichtbaar. De percelen binnen het plangebied op het Kadastrale Minuutplan waren in
eigendom van (de erfgenamen van) (geanonimiseerd) B en respectievelijk in gebruik als tuin (perceel 765 en 767), als huiserf (perceel 766) of als boomgaard (perceel 768; bron: Oorspronkelijk
Aanwijzende
Tafelen). Het is niet zeker of dit de voormalige bebouwing betreft.
? Teksten in dit hoofdstuk zijn geschreven op basis van de informatie geleverd in het vooronderzoek (Paulussen en Van de Water 2023} en het PVE (Van de Water 2023).
transect
Figuur 2. Het plangebied op het Kadastrale Minuutplan (1832).
2.4. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden
Periode
| (middel)hoge verwachting; hoge waarde (AMK-terrein 16.410)
Laat-Paleolithicum — Nieuwe Tijd; Late Middeleeuwen — Nieuwe tijd
stratigrafische positie
Top van de colluviumlaag: vanaf 110 cm -Mv Top van de lössafzettingen: vanaf 30 tot 50 cm -Mv
Complextypen
Vuursteenvindplaatsen (extractie-/basiskampen); nederzettingsterreinen; sporen van landgebruik/landbouw
Sporen en structuren verbonden aan nederzettingsterreinen en/of off site-fenomenen kunnen bestaan uit ophoogpakketten, leeflagen, grondsporen, kuilen, paalsporen, water- en/of beerputten, afvalkuilen, greppels, sloten, resten van huisplattegronden, etc. Bij off site-fenomenen kan gedacht worden aan perceelstructuren, leemkuilen, houtskoolmeilers, etc.
transect
3.
Aard, doel en onderzoeksvragen
Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet,
voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten.
Als zodanig dient de vraagstellingte worden beantwoord of in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud
mogelijk is. Dit wordt onderzocht aan de hand van de volgende onderzoeksvragen uit het Programma
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) °>2), de in bijlage 6 worden beantwoord: van Eisen (PvE: p Algemene vragen:
1.
Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten, paleo-ecologische resten) in de ‘bodem aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden?
2.
Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven?
3.
In hoeverre komen de onderzoeksresultaten overeen met de opgestelde verwachting van het bureauonderzoek?
4.
Hoe draagt dit onderzoek bij aan de archeologische waardering en onderzoekswijze van historische dorps- en stadskernen?
Perioden en sites:
5.
Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden?
6.
Zijn er aanwijzingen voor archeologisch gebruik van en binnen de aangetroffen oude beeklopen? Zo ja, welke?
7.
Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en
begrenzing b. de geologische, geomorfologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. de aard /complextype / functie e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) f. de vondst- en spoordichtheid g. de stratigrafie h. de ouderdom, periodisering, typo-chronologische classificatie i. de relatie met eventueel andere aangetroffen complexen.
Landschap en bodem: 8.
Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de sites (aardkundige situatie, afstand tot water, reliëf)?
9.
Hoe is de opbouw van het profiel in bodemkundige zin? Wat zijn de kenmerken van de stratigrafische eenheden? Is er sprake van loopvlakken, begraven bodems, ophogingslagen of
cultuurlagen? 10.
Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan op de
archeologische resten? 11.
Wat is de ouderdom en genese van het aanwezige colluviale bodempakket.
12.
Welke landschapsreconstructie kan opgesteld worden op basis van het colluviumpakket en/ofde aangetroffen bodemlagen?
Gaafheid, conservering en waardering van de vindplaatsen: 13.
In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische
resten of waar zijn ze te verwachten? 14.
Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten?
15.
Wat is de waardering van de sites (cfr. KNA-waarderingstabel per aangetroffen vindplaats)?
transect
4.
Onderzoeksmethodiek
(geanonimiseerd) Het veldwerk is uitgevoerd op 15 maart 2024 door (geanonimiseerd) e »roiect!eider), )
en (geanonimiseerd) K (projectmedewerkers). Het onderzoek betreft een proefsleuvenonderzoek. Deze onderzoeksmethode valt in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1) onder
Protocol 4003, Inventariserend Veldonderzoek (landbodems) — Proefsleuven (IVO-P]. In totaal zijn vier
proefsleuven aangelegd van 10 bij 2 meter en een sleuf van 4 bij 2 meter (88 m2), conform het puttenplan uit het Plan van Aanpak (Uittenboogaard en (geanonimiseerd) B 2024). De geplande proefsleuf ten (zuid)oosten van werkput 1i
niet aangelegd omdat deze geheel ter hoogte van de voormalige stal is
geprojecteerd, waaronder een dichtgestorte mestkelder ligt. Ter plaatse van deze sleuf was de grond los en waterverzadigd, wat bij de eventuele aanleg een gevaar zou vormen. Aangezien mestkelders
minimaal tot 1,5 m diepte worden uitgegeraven, zullen archeologische resten hier hoogstwaarschijnlijk niet meer intact aanwezig zijn geweest. In het kader van de veiligheid en de lage archeologische trefkans, is deze proefsleuf niet aangelegd. De proefsleuwen zijn aangelegd en laagsgewijs verdiept tot op vlak 1 tussen circa 55 m +NAP in het zuiden van het plangebied, en 54,3 m +NAP in het noorden van het plangebied. Het vlak is aangelegd
n de top van de lössafzettingen (de Bt-horizont, indien afwezig de C-horizont). De vlakken zijn aangelegd met behulp van een graafmachine, voorzien van een gesloten bak met een glad snijvlak. De
‘bodem is verdiept in lagen van maximaal 10 tot 20 cm. Vanaf circa 10 cm boven het archeologisch relevante niveau is verdiept in lagen van maximaal 2 tot 5 cm. Het vlak is afgezocht op vondsten met een metaaldetector. Vondsten zijn per spoor of per laag verzameld. De vlakken, profielen en sporen
zijn fotografisch vastgelegd en profielen van de stratigrafie en/ofde sporen zijn getekend. Met de dGPS zijn de putomtrekken, verstoringen, sporen, maaiveldhoogtes, vlakhoogtes, en profielpinnen
ingemeten (serienummer snZNO6662100111; De bodemopbouw
kalibratienummer KALO14021).
is gedocumenteerd aan de hand van twee profielkolommen per werkput, van
minimaal 1 m breed. De profielkolommen zijn aan de uiteindes van de werkputten geplaatst aan de meest representatieve wand van de put. De profielkolommen zijn gefotografeerd en analoog op schaal
1:20 getekend. Een selectie van de aangetroffen sporen is gecoupeerd om de kwaliteit en conservering van de sporen adequaat te kunnen inschatten. Tijdens het veldonderzoek zijn geen grondmonsters
genomen uit bodem|agen en (spoor-)vullingen, omdat er geen kansrijke/relevante sporen of lagen aangetroffen. Figuren 3 en 4 geven een impressie van de werkzaamheden tijdens het veldwerk.
Figuur 3. Analoge tekening van de profielname. 10
transect
Figuur 4. Overzichtsfoto van werkput 2 (gezien richting het oosten).
t transect
1
5.
Resultaten veldonderzoek
5.1. Lithologie en bodemopbouw? Het vlak is aangelegd op circa 55 m +NAP in het zuiden van het plangebied (in de top van de
lössafzettingen) en op circa 54,3 m +NAP in het noorden van het plangebied (in de C-horizont). De top van de bodem bestaat uit een moderne ophoging/bouwvoor (Ap-horizont; S1000) op lössafzettingen. In werkput 1, in het noorden van het plangebied, is geen bodemvorming in de löss waargenomen en is onder de sporen uitsluitend sprake van een C-horizont. Achterop het terrein, ter hoogte van
werkputten 2 /m 5, is een deels intacte leembrikgrond aangetroffen. Hier ligt onder de Ap-{of een EJhorizont een briklaag (Bt-horizont; S2800). Deze is (rood)bruin van kleur en bevat relatief veel lutum. De laag vertoont klei-inspoeling en gleyverschijnselen. In werkput 3 is in de top van de lössafzettingen
een E-horizont (S2000) aanwezig. De E-horizont is grijsgeel (dus lichter) van kleur, gebioturbeerd en niet zo stug als de Bt-horizont. De bodemopbouw wijkt niet veel af van de bodem die is waargenomen
(geanonimiseerd) e" (geanonimiseerd) tijdens het verkennende booronderzoek in het plangebied EN M 2023).
Figuur 5. Profiel 1.1 in de oostelijke wand van werkput 1. De bodem wordt hier gekenmerkt door recente verstoringen en mogelijk uitbraaksleuven. S3 zou nog een fundering
kunnen zijn van kalkbrokjes.
3 Een uitgebreide beschrijving van de lagen is opgenomen in de sporen- en lagenljst in bilage S. 12
transect
Figuur 6. Profiel 3.2 in de zuidelijke wand van werkput 3. De E-horizont (S2000) ligt hier bovenop de Bthorizont (S2800).
5.2. Sporen* Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in totaal 20 grondsporen gedocumenteerd. De sporen bevatten roodachtig granulaat, kalkbrokjes, mergelbrokjes, cokes-brokjes en/of dierlijk bot. De spoorvullingen zijn los van structuur, gevlekt of heterogeen en matig tot sterk humeus. Als zodanig kan worden geconcludeerd dat de sporen dateren uit de (Late) Nieuwe tijd of zelfs recent van aard zijn. De sporen bestaan grotendeels uit kuilen, waarvan geen op basis van vorm geïdentificeerd kan worden als paalkuil (zie figuren 7 en 8). Op basis van kalk in de vulling betreft S9 n werkput 2 mogelijk een kalkput.
20 in werkput 5 betreft daarnaast een smalle greppel. De greppel s ingestoken vanuit de
Ap-horizont (figuren 9 en 10). S8 in werkput 2 betreft een dierbegraving van een klein zoogdier (figuur 11). Naast S8 hebben S2, S10 en $13 eveneens dierlijk bot opgeleverd. Op basis van de conservering
van het bot lijken de sporen met dierlijk bot recent. Organische resten, waaronder (onverbrand) bot, blijven slecht tot niet bewaard in de lössbodems.
S5 betreft een rijtje van vijf mergelblokken in werkput 1 (figuur 12). Dit muurwerk is mogelijk onderdeel geweest van de voormalige mestkelders (figuur 13). De locatie van de muur komt namelijk
overeen met de ligging van de mestkelders. Op beeldmateriaal uit het vooronderzoek is zichtbaar dat
(geanonimiseerd) de kelders zijn opgebouwd uit mergelblokken. De kelders reikten tot minimaal 1,5 m -Mv N (geanonimiseerd) n B 2023) De conclusie is dat alle sporen
recent zijn of uitde Late Nieuwe Tijd dateren en archeologisch niet
relevant lijken te zijn. De sporen kunnen worden geïnterpreteerd als sporen van landgebruik; in dit geval erfgebruik. De precieze functie van de meeste individuele sporen op het achtererf kunnen moeilijk worden bepaald. De meeste sporen zijn slechts deels blootgelegd.
* Een uitgebreide beschrijving van de sporen is opgenomen in de sporen- en lagenlijst in bilage $ 13
transect
Figuur 8. Kuilen S11 en S12 in de zuidelijke wand van werkput 2. Kuil S11 vertoont oranjerood granulaat.
14
transect
Figuur 10. Coupe van greppel S20. Het spoor is ingestoken vanuit de moderne bouwvoor ($1000).
15
transect
Figuur 12. Muurwerk van mergelblokken (S5) in werkput 1, vermoedelijk onderdeel van de voormalige mestkelders.
t transect
16
(geanonimiseerd) Figuur 13. De gewelfde mestkelders van de voormalige bebouwing, zoals gedocumenteerd in N
m. 5.4. Vondsten
Tijdens het veldonderzoek zijn 29 vondsten gedaan. Het vondstmateriaal bestaat uit keramiek,
keramisch bouwmateriaal, kleipijpaardewerk, glas, dierlijk bot en natuursteen. De vondsten dateren uit de Nieuwe tijd. Een enkele uitzondering wordt gevormd door een bodemfragment steengoed met uitgeknepen voet — een zogenaamde Wellenfu6 (VNR3). Het overige aardewerk bestaat uit roodbakkend geglazuurd aardewerk (VNR1; zie figuur 14) en andere steengoedfragmenten. De kleipijpsteeltjes zijn dun en dateren vanaf de 18° tot de 20° eeuw (VNR4). Het vondstmateriaal is
afkomstig uit uitbraaksleufS2 en kuilen S10 en S11 (werkputten 1 en 2. Aan de voorzijde van de mergelmuur (S5) zijn daarnaast meerdere bakstenen verzameld.
UT
Figuur 14. Roodbakkend geglazuurde rand van een schaal (VNR1 uit uitbraaksleuf S2).
5 De vondsten zijn per vondstnummer omschreven in bilage 6. 17
transect
6.
Conclusies, waardestelling en selectieadvies
6.1. Conclusie
Tijdens het veldonderzoek zijn vijf proefsleuven (88 m? in totaal). Het vlak is aangelegd op circa 55 m +NAP, in de top van de lössafzettingen.
In het onderzoeksgebied zijn sporen en vondsten uit de Late
Nieuwe Tijd aangetroffen. De sporen kunnen worden geïnterpreteerd als sporen van landgebruik, en
zijn zodanig recent dat ze archeologisch niet relevant lijken te zijn. De sporen bevatten roodachtig granulaat, kalkbrokjes, mergelbrokjes, cokesbrokjes en/of dierlijk bot. De spoorvullingen zijn los van structuur, gevlekt of heterogeen en matig tot sterk humeus.
Daarnaast zijn mogelijke uitbraaksleuven, een mogelijk
De sporen bestaan grotendeels uit kuilen.
funderingsspoor, een kalkput, een recente
dierbegraving, een smalle greppel en een muur van vijf mergelblokken aangetroffen. Dit muurwerk is
mogelijk onderdeel geweest van de voormalige mestkelders. 6.2. Waardestelling
Biij het aantreffen van een vindplaats wordt een waardestelling opgesteld conform de BRL4000 / het KNA-protocol 4003, specificatie VS06 Waarderen, en bijlage IV van de KNA 4.1. De vindplaats, indien deze zo genoemd kan worden, bestaat uit sporen en vondsten die hoogstwaarschijnlijk geen oudere
datering hebben dan de late 20° eeuw, en anderzijds geen oudere datering hebben dan de 19° eeuw. Het enige mogelijke oudere spoor bestaat uit mergelblokken, maar deze kan eveneens recent zijn in
datering. Met inachtneming van deze kenmerken kan de vindplaats worden afgeschreven als een serie aan recente verstoringen verspreid over een groot oppervlak. Met uitzondering van de fysieke kwaliteit scoort het minimaal op alle punten van de KNA-protocol 4003, specificatie VS06 Waarderen. 6.3. Selectieadvies
Het proefsleuvenonderzoek moest de vraag beantwoorden of in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelij
is. Op basis van de waardestelling is geconcludeerd dat in het plangebied geen sprake is van
een behoudenswaardige vindplaats.
Er zijn enkele sporen aangetroffen, maar deze kunnen in de 20
eeuw worden gedateerd en kunnen niet als behoudenswaardig worden beschouwd.
Daarom
adviseren wij dat het plangebied voor toekomstige ontwikkeling wordt vrijgegeven. Het bevoegd gezag, gemeente Eijsden-Margraten, neemt op basis van dit advies een selectiebesluit.
Indien onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11. Archeologische vondsten dienen daarnaast altijd gemeld te worden
bij het
bevoegd gezag.
18
transect
7.
Geraadpleegde bronnen
Archeologische kaarten en databestanden e _ Archeologisch Informatie Systeem I (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. e
wwwahnnl
e
wuww‚pdok.nl
e _ wwwruimtelijkeplannen.nl Literatuur
.
(geanonimiseerd)
.
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) 2024 Breusterstraat 20, Eijsden, gemeente Eijsden-
Margraten, Programma van Aanpak, Transect-PvA, Nieuwegein.
Margraten.
(geanonimiseerd) 023. Breusterstraat 20 te Eijsden, gemeente EijsdenBureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), verkennend
booronderzoek). ArcheoPro, Eijsden.
…
. (geanonimiseerd)
oo
van Eisen: Proefsleuven met optie van
doorstart naar opgraven. Breusterstraat 20 te Eijsden. Gemeente Eijsden-Margraten. ArcheoPro, Eijsden. Figuren en tabellen
Figuur 1. Topografische kaart met de locatie van het plangebied (bron: www-pdok.nl). Figuur 2. Het plangebied op het Kadastrale Minuutplan (1832). Figuur3. Analoge tekening van de profielname. . Figuur 4. Overzichtsfoto van werkput 2 (gezien richting het oosten). Figuur5. Profiel 1.1 in de oostelijke wand van werkput 1. De bodem wordt hier gekenmerkt door recente verstoringen en mogelijk uitbraaksleuven. S3 zou nog een fundering kunnen zijn van kalkbrokjes. … Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Figuur6. Profiel 3.2 in de zuidelijke wand van werkput 3. De E-horizont (S2000) ligt hier bovenop de Bt-horizont (S2800).
Figuur7. Sporen in het vlak van werkput 1. De spoorvullingen vertonen veel kalk-/mergelbrokjes. … 14 Figuur8. Kuilen S11 en $12 in de zuidelijke wand van werkput 2. Kuil S11 vertoont oranjerood granulaal Figuur9. Greppel S20 in het vlak van werkput 5. Figuur 10. Coupe van greppel S20.
Het spoor is ingestoken vanuit de moderne bouwvoor (51000]
Figuur 11. Dierbegraving SB in werkput 2. Het betreft een recent begraven, klein zOOgdier.
……
Figuur 12. Muurwerk van mergelblokken (S5) in werkput 1, vermoedelijk onderdeel van de voormalige
mestkelders.
16
Figuur 13.
De gewelfde mestkelders van de voormalige bebouwing, zoals gedocumenteerd in
Paulussen
en Van
de Water
2023.…
Figuur 14. Roodbakkend geglazuurde rand van een schaal (VNRT uit uitbraaksleuf S2). …
transect
…
17 17
19
Bijlage 1. Archeologische periode-indeling voor Nederland
Periode
Deel-/subperiode
Recent
Middeleeuwen
Romeinse Tijd
_
Van
Tot
1945 na Chr.
2050 na Chr.
LateMiddeleeuwenB
_
1250 na Chr.
1500 na Chr.
Late-MiddeleeuwenA
__
1050 na Chr.
1250 na Chr.
Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-MiddeleeuwenB Vroege-Middeleeuwen A
900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. __450 na Chr.
1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.
Laat-Romeinse tijd B Laat-RomeinsetijdA
350 na Chr. 270 na Chr.
450 na Chr. 350 na Chr.
Midden-RomeinsetijdB
_50 na Chr.
270 na Chr.
Midden-RomeinsetijdA Vroeg-RomeinsetijdB Vroeg-RomeinsetijdA
_70 na Chr. _25 na Chr. _12 voor Chr.
150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.
__
20
Bijlage 2.
Allesporenkaart
T
T7
T7
Allesporenkaart Vlak1
Eijsden, Breusterstraat 20 Gemeente Eijsden-Margraten
Legenda
z
30983 D
Pingebied Werkput
sporen
E
B
Greppel
B
i
B
oierbegraving
309810
177440 20
r. transect ‚
177472 30
40
som
21
T
77
T7
Allesporenkaart Vlak2
Eijsden, Breusterstraat 20 Gemeente Eijsden-Margraten
Legenda
EZ
30983 D
DC
Plangebied Werkput
sporen
EI
309810
177308
r. transect ‚
177440
17472
B
e
B
Uitbraakspoor
EEB
Recent
Bijlage 3.
Vlaktekeningen T
aa
Vlaktekening Vlak 1 Werkput 1
Em
ETE
Eijsden, Breusterstraat 20 Gemeente Eijsden-Margraten
Legenda
CT = °
Werkput Maaiveldhoogtes (m NAP) Vlakhoogtes (m NAP) Profielpinnen
Sporen
Em
Em
Em
B
Uitbraakspoor
Em m
_
aa
transect
transect
23
T
T7
Vlaktekening
ä
ä
Vlak 2 Werkput 1 Eijsden, Breusterstraat 20 Gemeente Eijsden-Margraten
Legenda
TT
Werkput
& ° Vlakhoogtes (m NAP) +
Profielpinnen
sporen
B
s
8| B
£
£|
_
—_
EZEE
e
Uitbraakspoor Recent
n
i
i aa
T
0 transect
i
aa
2
3
d
5m
transect 24
T
T
Vlaktekening Vlak 1 Werkput 2
zm
Eijsden, Breusterstraat 20 Gemeente Eijsden-Margraten
Legenda
CT e
Werkput Maaiveldhoogtes(m NAP)
+ _ Vlakhoogtes (m NAP)
E
+
Profilpinnen
——
Coupehaken
sporen
B
i
B
Dierbegraving
EZ
a
T
9
1
T
2
5m
transect 25
T
T7
Vlaktekening Vlak 1 Werkput
E
3
Em Eijsden, Breusterstraat 20 Gemeente Eijsden-Margraten
Legenda
D
Plangebied
1
Werkput Maaiveldhoogtes (m NAP)
E
Em
Vlakhoogtes (m NAP) %
Profielpinnen
sporen
B
E
i
Em
a
n
transect
26
T7
T
T
Vlaktekening Vlak 1 Werkput 4
ET
E} Eijsden, Breusterstraat 20 Gemeente Eijsden-Margraten
Legenda
CT _
Werkpu Maaiveldhoogtes (m NAP)
+ _ Vlakhoogtes (m NAP) +
Profielpinnen
sporen
E
E
ES
h4
zm
s
B
i Recent
E
a
transect
transect
27
T7
T
Vlaktekening Vlak 1 Werkput 5
i
Eijsden, Breusterstraat 20 Gemeente Eijsden-Margraten
E
7
Legenda
D
Plangebied
1
Werkput
e m
Maaiveldhoogtes (m NAP)
& _ Vlakhoogtes (m NAP)
-
sporen Greppel B
\ E
i
EE Recent Em
w
Ï
° transect
:
:
e
d
á
Sm
transect 28
Bijlage4.
_ Sporen- en lagenlijst
‘spoor/laag- | werk-
nummer
|put
|vl2k
spoor]
|aard
Kleur-
|vulling | kleur _ | structuur
tex-
[vlak-
[spoor-
ij
tuur | vorm | contour
0001
o1
|oo | uT | 1 | DGRBR | heterogeen
m
0002
o1
|oo | urT | 1 | DreR | heterogeen
13
Lz1, maar erg kleiig; Mst; gevlekt; H2; HK2; Kbw1;
Uitbraakspoor? 19e-eeuws?
123; Msl; brokkelig; gevlekt; H3; Hk2; G3 (grind);
Uitbraakspoor? 20e-eeuws?
ONR [SCHERP | Mergelbrokjes; Steenkool
ONR | SCHERP | Mergelbrokjes; Steenkool; Repac?
13
GRWI | heterogeen
ij
interpretatie
Doorsnijdt S1 en SS Mogelijk een soort
0003
01
|oo | eun | 7
uN
0004
o1
|oo | u | 1 | 8RRo | heterogeen
0005 0006 0007
o 02 02
|o2 | m | 1 uN |scHeRP | voorzijde gedrukt [oor| x 1 [oerer Ï homogeen | 3 | ovi [scherp _ |123 Msl; Brokkelig; H3; Kowt (afgerond:; RO/OR; Steenkool; Mergelbrokies [oor] «t 1 | DBRGR | homogeen | L3 | ovt [scherP [L23; l; Brokkelig; H2; Kbw1; Steenkoo!; Mergelbrokjes
0008
02
|o | D | 1
0009
02
|oo | kt
recent Zsa/ Mogelijk een type put; 124 Zs4 en Lz4 (gemengd grindig zand met Ieem); Gevlekt; veel | recent; wordt doorsneden 1 | Grs8 | heterogeen RND [SCHERP | kalk; H1; 62 door 510 (eveneens recent]
0010
02
|oo |
1
0011
02
|oo | «t
1 | GROR | heterogeen
0012
02
|oo |
t
1
|
GROR |
heterogeen
0013
03
[oor]
k
1
|
LGRBR
|
homogeen
| 123 | OvL
[SCHERP
0014
oa
|oor]|
KL
1
GR
|
homogeen
OvL
[SCHERP
2
|scHerP _ |Lz3; uiterst St; gevlekt;H1; Kalk/mergel
DGR | homogeen
LI
| DBrGr | homogeen
Muur van mergelblokken
| steenkool; Mergelbrokjes; met ODB en KER
123; DGR/ORGE; uiterst gevlekt; Msl; HO-H2; kalkbrokjes OVL | VAGEND | (cs mm}; enkele mergelbrokjes; KKP
13
transect
Mergeblokken; 5 blokken, 1 laag, met wat KBW aan de
Klein zoogdier; bot intact;
123; Msl; Brokkelig; H2; Kbw1 (afgerond; RO/OR);
RND | SCHERP
13
Uitbraakspoor? 19e-eeuws?
RND |ScHERP | L21; Msl; Brokkelig; H1; veel ODB
13
kt
L22, maar erg kleiig; Msl; gevlekt; H2; k; Kbw2;
ONR |[scHERP | Mergelbrokjes; Steenkool
5xX
funderingsspoor met mergelgruis
Recent; komt 0.a. ODB uit
ij ij Identiek aan 11; één spoor
123; DGR/ORGE; uiterst gevlekt; Msl; HO-H2; kalkbrokjes
OVL | VAGEND
_
| (<5 mm); enkele mergelbrokies; KKP
Identiek aan 11; één spoor
| t23; Mst; H1; ODB
Inclusies van ODB; recent
122; H2; kalkbrokjes (<5
mm) en Kbw-brokjes (rood)
29
spoor/laag| werkspoor- |valling | Kleur nummer |put |Vak |aará
Kleur-
|structuur
_
tex [vlak- [spoor|tuur | vorm |(contour _ | opmerkingen vulling
interpretatie
0015
oa
[oor]|
x
1
GR
|
homogeen
ovL
[scHERP
| 122; H2; kalkbrokjes (<5 mm) en Kbw-brokjes (rood)
Eventueel een soort vlek
0016
a
[oor]
KL
1
GR
|
homogeen
OvL
[SCHERP
_ | 122; H2; kalkbrokjes (<5
Eventueel een soort vlek
0017
a
[oor]|
KL
1
GR
|
homogeen
OVL
[SCHERP
0018
os
[oor]|
x
1
r
| homogeen
ovL
[scherp _ | 22; H2: kalkbrokies (<5 mm) en Kbw-brokjes; met ROOR
0019
o5
[oor]|
x
1
6r
|
homogeen
ovi
[scherP
0020
o
[oa]
o
7
DGR
|
homogeen
UN
|SCHERP _ [L22; H2; kalk/mergelbrokjes (<5 mm) en Kbw-brokjes
mm) en Kbw-brokjes (rood)
| 122; H2; kalkbrokjes (<5 mm) en Kbw-brokjes (rood)
baksteen
| 122; H2; kalkbrokjes (<5 mm) en Kbw-brokjes; met ROOR baksteen
[
Lijkt niet door te lopen
13
1000
o1
|102 | 8v | 1 | D8rer | homogeen
123; Msl; G1; H2; Kbw1
Ap-horizont
L23; Msl; kalkbrokjes; H2; Kbw1; nazak van S11/512?
Nazak van S11/512?
13
1001
02
|103 | ev | 1 | Derer | homogeen 13
1002
02
|103 | sv | 1 | D8rer | homogeen
1005
oa |101 | 16
123; Msl; H2; Kbw2; ROOR baksteen; nazak van S11/512? _ | Nazak van $11/S12? Ll tot 2; Vuil Oanjegeel;Soort AC horizont; overgang _ | SOA horzon VerBeng
1 | orGE | homogeen
naar Bt-horizont; H1 LI
van Aphorizont naar de Bt orizont
E-horizont; Pleniglaciale löss. Lichte humusinspoeling vanuit Ap-horizont; door
bioturbatie (en mogelijk
2000
2800 3000
03
02 o1
|163 ]| 16
|103 | 16 [102]| 16
transect
1
GRGE
homogeen
Lz1; gebioturbeerd U1
1 | ROBR | homogeen 1 GE | homogeen | 1
21; Glewerschijnselen, kleiige inspoeling/vorstscheuren;
mangaankorrels z; St; lichte gley; mangaanbrokjes
door menselijk toedoen) niet geheel intact _ | Bt-horizont; Pleniglaciale
lss C-horizont; Pleniglaciale löss
30
Bijlage5.
_ Splitsvondstenlijst
r
|e
|| EE aard
e
e
0001GLS
01
[001 |0002 [ u |_ 1
[o1[
OOO1KER
01
001 | 0002
UIT
1
0001008
01
[oor[0002][
ur
|
UT me
|E (gram)
|
1
|06
01
6
300.3
Kleurloos glas, naar verwachting vrij modern Roodbakkend aardewerk, schaal met dik
1
|oi]
6
|111
[Runderkies
|
1
[o1[
4
|68
Kwarts (onbewerkt)
|
1
[o[
5
[aa5
0001SXX
01
[001|0002[
0002KBW
01
[002
|0005
0002SXX
01
002
| 0005
MR
1
01
1
13.8
0O03KER
02
001
|0010
KL
1
02
2
62
0003008
02
[o001
[oo10]|
kt
02|
2
|335
'0004KKP
transect
02
|
[oor [ oo [ _ kt
02[
2
|64
loodglazuur (inwendig)
Steengoed; waaronder een stukje Middeleeuws
steengoed met uitgeknepen standring _
[Diverse botfragmenten
Dunne pijpenstelen (18e - 20e-eeuws)
31
Bijlage 6. Beantwoording onderzoeksvragen Algemene vragen: 1.
Zijn erarcheologische resten (sporen, structuren, vondsten, paleo-ecologische resten) n de bodem
aanwezig, of zijn er aanwijzingen dat deze hier verwacht mogen worden? In het plangebied zijn grondsporen en vondsten aangetroffen. De sporen zijn echter zodanig recent van
aard dat de resten niet als archeologisch relevant worden beschouwd. 2.
Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven?
Het plangebied is uitsluitend recentelijk 3.
bewoond/gebruikt.
n hoeverre komen de onderzoeksresultaten overeen met de opgestelde verwachting van het bureauonderzoek?
De bodemopbouw komt overeen met de resultaten van het vooronderzoek. De (middel)hoge verwachting op archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd is alleen bevestigd voor wat
betreft de Late Nieuwe tijd. 4.
Hoe draagt dit onderzoek bij aan de archeologische waardering en onderzoekswijze van historische dorpsen stadskernen? Nvt.
Perioden en sites:
5.
Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er binnen de vindplaats aparte sites onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden? Nvit.
6.
Zijn er aanwijzingen voor archeologisch gebruik van en binnen de aangetroffen oude beeklopen?Zo ja, welke? Nvt.
7.
Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing
b. de geologische, geomorfologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. de aard /complextype / functie e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) f. de vondst- en spoordichtheid g. de stratigrafie h. de ouderdom, periodisering, typo-chronologische classificatie i. de relatie met eventueel andere aangetroffen complexen Nvt.
Landschap en bodem:
8.
Watis de fysiek-landschappelijke ligging van de sites (aardkundige situatie, afstand tot water, reliëf)? Het plangebied ligt in het meest zuidelijke deel van het Limburgse Maasdal. De afstand tot het huidige zomerbed van de Maas bedraagt circa vierhonderd meter. Het plangebied ligt op een hoger gelegen
tussenterras van de Maas, bedekt met löss (terras van Mechelen a/d Maas). 9.
Hoe is de opbouw van het profiel in bodemkundige zin? Wat zijn de kenmerken
van de stratigrafische
eenheden? Is er sprake van loopvlakken, begraven bodems, ophogingslagen of cultuurlagen? De top van de bodem bestaat uit een moderne ophoging/bouwvoor (Ap-horizont; $1000) op lössafzettingen. In werkput 1, in het noorden van het plangebied, is geen bodemvorming in de löss
waargenomen en is onderde sporen uitsluitend sprake van een C-horizont. Achterop het terrein, ter hoogte van werkputten 2 t/m 5, is een deels intacte leembrikgrond aangetroffen. Hier ligt onder de Ap-(of een E-Jhorizont een briklaag (Bt-horizont; S2800). Deze is (rood)bruin van kleur en bevat relatief veel Iutum.
De laag vertoont klei-inspoeling en gleyverschijnselen. In werkput 3 is in de top van de
lössafzettingen een E-horizont (S2000) aanwezig. De E-horizont is grijsgeel (dus lichter) van kleur, gebioturbeerd en niet zo stug als de Bt-horizont
transect
32
10.
Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan op de
archeologische resten? Zie vraag 9. 11
Wat is de ouderdom en genese van het aanwezige colluviale bodempakket. Zie vraag 9.
12.
Welke landschapsreconstructie kan opgesteld worden op basis van het colluviumpakket en/ofde aangetroffen bodemlagen? Zie vraag 9.
Gaafheid, conservering en waardering van de vindplaatsen: 13.
In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten of
waar zijn ze te verwachten? Nvt. 14.
Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? Nvt.
15.
Wat is de waardering van de sites (cfr. KNA-waarderingstabel per aangetroffen vindplaats)? Nvt.
transect
33