CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20250930 08e BP Breusterstraat Eijsden - Motivering, bijlage 3a - archeologisch rapport

* Raadsvergaderingen 30 september 2025, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Vaststellen TAM omgevingsplan Breusterstraat 20 Eijsden11.156 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ArcheoPro Archeologisch rapport Nr. 22052

Breusterstraat 20 te Eijsden, Gemeente Eijsden-Margraten. Bureauonderzoek

en Inventariserend

Veldonderzoek (IVO-O, verkennend booronderzoek).

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

September 2022

ArcheoPro

ArcheoPro Archeologisch rapport Nr, 22052

Breusterstraat 20 te Eijsden, Gemeente Eijsden-Margraten. Bureauonderzoek

en Inventariserend

Veldonderzoek (IVO-O, verkennend booronderzoek).

Opdrachtgever Projectcode Bestandsnaam

Aelmans, Kerkstraat 4, 6367 JE Voerendaal 22-094 ArcheoPro Rapport Breusterstraat 20, Eijsden 2022 09 15

Versie

15-09-2022

Status Archis melding (zaaknummer) Bevoegd gezag

Concept | 5272114100 Gemeente Eijsden-Margraten

Deskundige namens de

(geanonimiseerd) —

bevoegde overheid Opslagplaats documentatie

Provinciaal depot Limburg, E-depot, eigen depot ArcheoPro

ISSN

1569-7363

Auteur(s)

Projectleider

__

Projectmedewerkers

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

Onderaannemers

Niet van toepassin;

(geanonimiseerd)

Autorisatie

Uitgegeven door ArcheoPro

© Copyright 2022 ArcheoPro, Eijsden ArcheoPro

Sint Jozefstraat 45

NL 6245 LL Eijsden Nederland

er

5-09-2022

Tel:0(031) 43 3672586

www.archeopro.nl

Kamer

van Koophandel Limburg: 14117581

e-mail: info@archeopro.nl

ArcheoPro.

Inhoudsopgave SAMENVATTING

…

1. INLEIDING. 1.1 ALGEMEEN..

1.2 LOCATIEGEGEVENS _ (LS02 1.3 HUIDIGE SITUATIE _ (LSO1) 1.4 AARDVANDEINGREEP _ (LS01).. 1.5 ONDERZOEK EN VRAAGSTELLING _ (LSO1) .

10

1.6 BELEID EN RANDVOORWAARDEN.

10

2 BUREAUONDERZOEK . 2.1 METHODE

EN BRONNEN

…

2.2 GEO(MORFO)LOGIE EN BODEM

2.4ARCHEOLOGIE

(LS04)

_ (LS01/LS04)

2.5 INFORMATIE AMATEURARCHEOLOGEN

2.6HISTORIE

_

_ (LS01/LS04)..

(LS03).…

2.7 GESPECIFICEERD ARCHEOLOGISCH

2.8ONDERZOEKSSTRATEGIE

VERWACHTINGSMODEL

(LS05)

_ (LSOS)

3 VELDONDERZOEK...

3.1 VERRICHTE WERKZAAMHEDEN

_ (VS03)

3.2 RESULTATEN EN INTERPRETATIE BOORONDERZOEK

4 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

5. LITERATUUR

EN BRONNEN

_ (VS03

(VS07)..

…

6. BIJLAGES... BIJLAGE 1: VERKLARENDE WOORDENLIJST..

BIJLAGE 2: ARCHEOLOGISCHE TIJDSCHAA BIJLAGE 3: OVERZICHT VONDSTLOCATIES BIJLAGE 4: OVERZICHT ARCHEOLOGISCHE MONUMENTEN

…

BIJLAGE 5: OVERZICHT ARCHEOLOGISCHE ONDERZOEKSMELDINGEN …

BIJLAGE 6: BOORBESCHRIJVING.

ArcheoPro

Samenvatting Op 17 juli 2022 is ter plaatse van een perceel gelegen aan de Breusterstraat 20 te Eijsden in verband met de geplande nieuwbouw van een appartementenblok een archeologisch vooronderzoek bestaande uit een inventariserend veldonderzoek overig (IVO-0) verkennende fase uitgevoerd. Voorafgaand aan het veldonderzoek is een bureaustudie verricht ten behoeve van het opstellen van een gespecificeerd verwachtingsmodel. De centrale vraagstelling van het bureauonderzoek luidt: welke archeologische verwachting en/of waarde kenmerkt het plangebied? De centrale vraagstelling van het inventariserend veldonderzoek verkennende fase luidt: Kan op basis van de resultaten van het IVO-O verkennende fase door middel van grondboringen de gespecificeerde archeologische verwachting en/of waarde worden bijgesteld? Op basis van de resultaten van de bureaustudie is geconcludeerd dat voor het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor resten en sporen uit alle perioden vanaf de het neolithicum tot en met de nieuwe tijd en een middelhoge verwachting voor resten uit de steentijd (paleo- en mesolithicum) en de vroege middeleeuwen. Het booronderzoek heeft aangetoond dat binnen het zuidelijke deel van het plangebied de oorspronkelijke bodem nog grotendeels intact is. Binnen het noordelijke is deze sterk verstoord, mede door de aanleg van (mest]kelders.

Op basis van de bevindingen kan de archeologische verwachting voor het zuidelijke deel van het plangebied worden bijgesteld naar laag voor alle perioden met uitzondering van de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Voor het zuidelijke deel van het plangebied dient de (middel)hoge verwachting met betrekking tot mogelijk behoudenswaardige resten en sporen voor alle perioden te worden behouden. Mede vanwege de ligging binnen een historische dorpskern wordt geadviseerd om voorafgaand aan de ondergrondse sloop van de bestaande bebouwing en/of overige graafwerkzaamheden, om een archeologisch vervolgonderzoek middels proefsleuven uit te laten voeren. Hierbij dient met name de aandacht uit te gaan naar het zuidelijke deel van het plangebied.

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro.

ArcheoPro

…………………

760

T7

UEI

w

Rapport,

22052,

176500

Figuur 1: De ligging van het plangebied (rood omlijnd) op de moderne topografische

kaart’

met daaromheen

de cirkel die de buitengrens

van het onderzoeksgebied

aangeeft.

1 Bron: Kadaster Topografische Dienst, Emmen 2008.

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro

P:

Archeologisch Gemeente

onderzoek

B

usterstraat

20 te

ArcheoPro

Eijsden,

Rapport, 22052,

Eijsden-Margraten

1. Inleiding 1.1 Algemeen

Opdrachtgever Contactpersoon opdrachtgever

| Aelmans, Kerkstaat 4, 6367 JE Voerendaal (geanonimiseerd)

Datum uitvoering veldwerk

18 juli 2022

Archis onderzoeksmelding Bevoegd gezag

5272114100 Aanvraag bouwvergunning Gemeente Eijsden-Margraten

Deskundige namens de bevoegde

(geanonimiseerd)

Onderzoekskader

overheid

Bewaarplaats vondsten

Niet van toepassing

Bewaarplaats documentatie

Provinciaal depot Limburg, E-depot, eigen depot ArcheoPro

1.2 Locatiegegevens

(LS02)

Provincie Gemeente

Limburg Eijsden-Margraten

Plaats Toponiem

Eijsden Breusterstraat 20

Globale ligging

Het plangebied ligt in het zuidoosten van de gemeente Eijsden-Margraten, binnen de kern van Eijsden. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrenst door de Breusterstraat en aan de oostzijde door de Schoolstraat. Aan de overige zijdes staat belendende bebouwing. Binnen het plangebied ligt het pand Breusterstraat 20. Figuur 1.

Hoekcoördinaten plangebied (bounding box)

177431 / 309814 177431 / 309848 177451 / 309848 177451

/ 309814

Kadastrale ligging

EDN00-D-5028 (deels)

Oppervlakte plangebied Eigendom

0,04 hectare privaat

Grondgebruik

Bebouwd, binnenerf. Figuur 2.

Hoogteligging

54,6 - 56,3 m +NAP

Bepaling locaties

meetlinten

ArcheoPro

Archeologisch

Gemeente

onderzoek

Breusterstraat

20

te

Eijsden,

ArcheoPro

Rapport,

22052,

Eijsden-Margraten

Figuur 2: Luchtfoto van 2021 met daarop rood omlijnd het plangebied.? 1.3 Huidige situatie

(Ls01)

Momenteel is het plangebied grotendeels bebouwd. Kleine delen van het plangebied zijn vrij van bebouwing, maar zijn verhard of overkapt.

Figuur 3a: foto's van de opstallen binnen het plangebied.? 2 Bron: http://www.pdok.nl

3 Foto's:

Versie:

(geanonimiseerd) ugustus 2022. 15-09-2|

ArcheoPro.n!

Pagina

Archeologisch

Gemeente

onderzoek

Breuste:

raat 20 te Eijsden

ArcheoPro

Rapport,

221

Eijsden-Margraten

Figuur 3b: foto's van het interieur van de te verbouwen schuur binnen het plangebied.* Delen van de bebouwing zijn onderkelderd. Het hoofdgebouw heeft een gewelfde kelder (fig. 3c links) die ongeveer de helft van dat bouwvolume beslaat. De gewelfde kelder is ruwweg oost-west georiënteerd. Aan de noordzijde ligt een trap en aan de zuidzijde is een gat aanwezig, waarschijnlijk is hier sprake van een (voormalig) kolengat (fig. 3c rechts). De oostelijke schuur is voorheen als koeienstal gebruikt en heeft een mestkelder. De kelders hebben een minimale diepte van 1,5 m.

Figuur 3c: foto's van gewelfde kelder.5 Voorts is het onbekend of op het terrein nog andere ondergrondse structuren aanwezig zijn, maar gezien het gebruik lijkt dit wel aannemelijk (onder andere kabels en leidingen, riolering, etc.).

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) vww.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Gemeente

Breusterstraat 20 te Eijsden,

ArcheoPro

Rapport,

22052,

Eijsden-Margraten.

1.4Aard van deingreep

(LS01)

Aard ingreep

Het planvoornemen betreft de sloop van de huidige bebouwing en de nieuwbouw van tien appartementen met parkeergelegenheid op eigen terrein. Figuur4. Gedetailleerde plannen ontbreken ten tijde van het opstellen van de bureaustudie.

Wijze fundering

Onbekend

Onderkeldering

Onbekend

Diepte bodemverstoring

Onbekend

Verwachte wijziging GW-stand

Nee

Toekomstige ligging boven- en ondergrondse infrastructuur

Onbekend

Toekomstige ligging verharding

Onbekend

Figuur 4: Nieuwe situatie van het planvoornemen.®

$ Bron: NU architecten project 211130 d.d. 12-07-2022.

Versie:

15-09-2022

www.ArcheoPro.nl

Pagina 9

1.5 Onderzoek en vraagstelling

(LS01)

In juli/augustus 2022 is door ArcheoPro een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd met betrekking tot het plangebied aan de Breusterstraat 20 te Eijsden (gemeente EijsdenMargraten). Het archeologisch onderzoek betrof een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-0) middels verkennende boringen en een bureaustudie. Bureauonderzoek heeft tot doel om alle beschikbare informatie te bundelen. Vervolgens kan deze gebruikt worden om te komen tot een gespecificeerde archeologische (verwachtings)waarde. De centrale vraagstelling van het bureauonderzoek luidt: welke archeologische verwachting en/of waarde kenmerkt het plangebied? Inventariserend Veldonderzoek heeft vervolgens tot doel om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen door middel van veldwaarnemingen. Aan de hand van de resultaten hiervan kan worden vastgesteld of binnen het plangebied daadwerkelijk archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn. Op welke diepte deze (kunnen) voorkomen en of deze vervolgonderzoek en/of planaanpassing vereisen.

De centrale vraagstelling van het inventariserend veldonderzoek verkennende fase luidt: Kan op basis van de resultaten van het IVO-0 verkennende fase door middel van grondboringen de gespecificeerde archeologische verwachting en/of waarde worden bijgesteld? In Nederland dient het vaststellen van de archeologische (verwachtings)waarde van een plangebied te gebeuren op grond van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA

(geanonimiseerd) (senior KNA archeoloog / (geanonimiseerd) (Gis-ondersteuning) conform de hiervoor vastgelegde normen en richtlijnen (KNA

versie 4.1). Het onderzoek is uitgeyoerd doort

senior KNA prospector),

G

(senior KNA archeoloog) Cná

4.1 en SIKB BRL 4000). ArcheoPro is in het bezit van het daarvoor vereiste SIKB BRL 4000 certificaat 4002 en 4003 (IVO-0).

1.6 Beleid en randvoorwaarden

Het plangebied ligt in een gebied waarvoor een gemeentelijk archeologisch beleid is vastgesteld.7 Op grond van het gemeentelijk archeologiebeleid en het bestemmingsplan Eijsden, gemeente Eijsden-Margraten® valt het plangebied in een zone van archeologische waarde 2. Aan deze zonering heeft het gemeentelijke beleid de vrijstellingsgrenzen van 50

cm

(diepte

-mv)

en

100

m?

(oppervlakte)

gekoppeld.

Om

in

deze

zone

een

omgevingsvergunning te kunnen verkrijgen, dient de initiatiefnemer bij overschrijding van de vrijstellingsgrens, een rapport te overleggen waarin naar oordeel van de bevoegde overheid de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld. In het kader van dit proces heeft het in dit rapport beschreven onderzoek plaatsgevonden. In Nederland dient het vaststellen van de archeologische waarde van een plangebied te gebeuren op grond van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1). Gemeenten kunnen hierop aanvullende uitvoeringskaders vaststellen. De gemeente EijsdenMargraten heeft geen aanvullende uitvoeringskaders voor het uitvoeren van archeologisch vooronderzoek. Dit onderzoek is dus gebaseerd op de algemene criteria die in de KNA staan geformuleerd.

7 Erfgoedverordening Eijsden-Margraten 2013 em1z_ 3 NL.IMRO.1903.BPKOM10000EIJ-VA01, onherroepelijk vastgesteTd

Versie:

15-09-2022

23-04-2013

ArcheoPro.

2 Bureauonderzoek 2.1 Methode

en bronnen

Het bureauonderzoek wordt uitgevoerd conform de KNA 4.1, protocol 4002. Tijdens het bureauonderzoek wordt door de bestudering van de beschikbare bronnen, kennis vergaard omtrent de bodem en geologie van het onderzoeksgebied en de in en rondom het plangebied aanwezige bekende en te verwachten archeologische waarden. Op basis hiervan wordt op het schaalniveau van het plangebied een locatie specifiek verwachtingsmodel geformuleerd. Dit model kan gedetailleerder zijn dan de verwachtingsmodellen (trefkansen) zoals deze op de gemeentelijke verwachtingskaarten worden gepresenteerd. Eventueel worden ook lokale deskundigen geraadpleegd. Aan de hand van de resultaten van het bureauonderzoek kan de beste aanpak voor het veldonderzoek worden bepaald. Het veldonderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen c.q. nader te detailleren. Het bureauonderzoek kent de volgende onderdelen: e Afbakenen plan- en onderzoeksgebied en vaststellen consequenties van mogelijk toekomstig gebruik; Aanmelden onderzoek bij Archis; Beschrijven huidig gebruik; Beschrijven historische situatie en mogelijke verstoringen; Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden in de ondergrond; Beschrijven bekende archeologische en aardwetenschappelijke waarden; Opstellen gespecificeerde verwachting; Opstellen rapport bureauonderzoek.

Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Archeologische MonumentenKaart (AMK) ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) Atlas van topografische kaarten Nederland 1955-1965, 1:50.000 Bodemkaart

van Nederland

1:50.000

De geschiedenis van het Zuid-Limburgse cultuurlandschap Gemeente Eijsden-Margraten, Archeologische beleidskaart Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 Geologische kaart 1:50.000

Grote historische atlas van Nederland 1:50.000 1838-1857 (Deel Zuid) Grote historische topografische atlas van Nederland, provincie Limburg 1:25.000 18941926

e

Kaart Archeologie in Nederland Kadastrale minuutplan met aanwijzende tafels, 1830

Bovenstaande bronnen zijn gebruikt omdat deze relevante informatie bevatten over de historische en/of archeologische en/of aardkundige achtergrond van het plangebied. De informatie uit deze bronnen wordt gebruikt voor het opstellen van de gespecificeerde verwachting. Niet opgenomen bronnen hebben geen relevante informatie opgeleverd en zijn verder niet beschreven.

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro.

Archeologisch onderzoek Gemeente

Breusterstraat

20 te

Eijsden,

ArcheoPro

Rapport,

22

Eijsden-Margraten

De kaart Archeologie in Nederland is een combinatie van de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Hierop zijn bekende behoudenswaardige archeologische terreinen verzameld, gecombineerd met de trefkans (hoog, middelhoog, laag) op archeologische resten. Sinds 2014 wordt de AMK niet meer bijgehouden door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De huidige AMK

kan

De

IKAW

dan ook beschouwd

bevat

een

worden

vlakdekkende

als een statisch bestand.

en

landsdekkende

classificatie

van

de

trefkans

op

archeologische resten. Deze trefkans is gebaseerd op een kwantitatieve analyse en op archeologisch inhoudelijke kennis van het bodemarchief. De kaart geeft een globaal beeld van de trefkans op archeologische resten in de bodem en onder water. Deze trefkans wordt per gebied van 50 bij 50 meter aangegeven met een van de categorieën: ‘hoge’, ‘middelhoge', ‘lage' of ‘zeer lage' trefkans, dan wel: ‘niet gekarteerd'. Deze laatste categorie geeft aan van welke gebieden tijdens het maken van deze versie van de IKAW geen bodemkundige of geologische gegevens beschikbaar waren. Het gaat hier vooral om bebouwde gebieden.

2.2 Geo(morfo)logie en bodem

(LS04)

Het plangebied ligt in het meest zuidelijke deel van het Limburgse Maasdal (figuur 5). De afstand tot het huidige zomerbed van de Maas bedraagt circa vierhonderd meter. w

Figuur 5: Reliëfkaart van Zuid-Limburg op basis van het AHN

met de ligging van het plangebied (rode stip). ° Volgens de geomorfologische kaart van Nederland ligt het plangebied op een ten opzichte van de huidige rivierdalbodem hoger gelegen tussenterras van de Maas, bedekt met löss (figuur 9, legenda-eenheid 5E42). Dit is het zogenaamde terras van Mechelen a/d Maas (zie figuur 10). De riviersedimenten van het terras van Mechelen a/d Maas behoren geologisch tot de formatie van Beegden. Op de geologische kaart van Zuid-Limburg met Maasafzettingen (RGD, 1988) worden deze afzettingen aangeduid als de afzettingen van Gronsveld. Deze zijn ontstaan tussen circa 150.000 en 120.000 jaar geleden op de overgang

3 Bron ondergrond: www.ahn.nl

Versie:

15-09.

ArcheoPro

van de Saalien glaciaal naar het Eemien interglaciaal. Tijdens de laatste fase van de laatste ijstijd, het Weichselien, is het terras van Mechelen a/d Maas afgedekt met lössleem (laagpakket van Schimmert, formatie van Boxtel). Ten westen van het plangebied gaat het terras van Mechelen a/d Maas vía een smalle lösswand (figuur 9, legenda-eenheid 10A51) over in de huidige rivierdalbodem van de Maas of het terras van Geistingen (figuur 9, legenda-eenheid 43R41L). De terrassen van de Maas zijn ontstaan doordat de rivier onder invloed van klimaatsveranderingen en variaties in tektonische activiteit afwisselend grote hoeveelheden sediment deponeerde en zich in zijn eigen afzettingen insneed. De ondergrond van het terras war het plangebied van bestaat uit grof beddinggrind en grof beddingzand dat is afgedekt door fijnkorrelige oeverafzettingen bestaande uit fijn zand, leem en klei. De overgang tussen de beddingafzettingen en de oeverafzettingen is vaak scherp. Pal ten westen van plangebied ligt het iets lager gelegen terras van Geistingen. Dit terras is gevormd in de late Dryas van het Laat-Glaciaal (circa 10.800-10.150 jaar geleden). Gedurende deze koude stadiale periode van het Laat-Glaciaal had de Maas een meer verwilderd karakter en vulde de dalvlakte weer gedeeltelijk op met grof sediment. Op dit terras zijn gedurende het Holoceen bij hoog water leem en klei op afgezet.

Vanaf het Vroeg-Holoceen (Pre-Boreaal) tot circa 3100 jaar geleden (late bronstijd) waren dit vooral kleiige sedimenten, ook wel aangeduid als ‘oude rivierklei’. Onder invloed van agrarische ontginningen en de daarmee gepaard gaande erosie van de lössplateaus nam vanafde late bronstijd maar vooral vanaf de ijzertijd/Romeinse tijd de afzetting van meer siltige sedimenten sterk toe. Deze jongere oeverafzettingen van de Maas worden ‘jonge rivierklei’ genoemd.

Figuur 6: Detailuitsnede van het AHN-hoogtebeeld met de ligging van het plangebied

(gele contourlijn). ’° Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Breusterstraat die hier duidelijk de kenmerken heeft van een holle weg, aflopend in westelijke richting naar het holocene Maasdal. Het noordelijke deel van het plangebied ligt binnen de contouren van deze verlaagde weg.

10 Bron ondergrond:

Versie:

15-09-2022

www.ahn.nl

ArcheoPro

Archeologisch onderzoek

Breusterstraat 20 te Eijsden,

ArcheoPro Rapport,

22052,

Pagina 14

Gemeente Eijsden-Margraten.

Op de uitsnede uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (figuur 11) is ter plaatse van het plangebied de overgang van het terras van Mechelen a/d Maas naar het terras van Geistingen c.q. de holocene dalbodem duidelijk als een steilrand herkenbaar. De overgang verloopt hier vrij abrupt en is enkel door de bebouwing minder goed in het landschap zichtbaar.

I Terras van Valkenburg

IE Terras van Sint Geertruid I Terras van Sint Pietersberg IE Terras van Eijsden-Lankhaar

Figuur 7: Schematische weergave van het oost-westprofiel over het huidige Maasdal bij

Maastricht en de oudere terrasniveaus (). ''Het laatglaciale terras van Geistingen wordt hier tot het Maasdal gerekend. Het terras van Mechelen a/d Maas ligt op het niveau van het terras van Eijsden-Lanklaar. De foto-inzet toont de terrasrand gezien van de Schansweg ten zuiden van de bebouwing van Eijsden in westelijke richting met op de achtergrond het huidige Maasdal en daarachter de steile rand van de St. Pietersberg en de groeve van Lixhe. Volgens de bodemkaart van Nederland (figuur 12) is de bodem ter plaatse van het plangebied niet gekarteerd. Extrapolatie maakt het aannemelijk dat ter plaatse van het plangebied radebrikgronden in siltige leem met een kenmerkende roodbruine tot bruinrode, relatief stugge Bt-horizont voorkomen (figuur 12, eenheid BLd6). De aanwezigheid van ooivaaggronden in siltige colluviale leem (figuur 12, eenheid Ldh6) kan echter ook niet worden uitgesloten gezien de aanwezigheid van deze eenheid ten oosten van het plangebied. Onder dit colluvium kan in dat geval nog eolische primaire löss uit het Weichselien aangetroffen worden gevolgd door de pleistocene Maasterrasafzettingen. De reguliere dikte van een Bt-horizont in siltige leem bedraagt 60 tot 80 cm.

* bron: Landschapsvisie Zuid-Limburg, 2007 Versie: 15-09-2022

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek

Breusterstraat20 te Eijsden,

ArcheoPro Rapport,

22052

Gemeente Eijsden-Margraten. LE

E

Figuur 8: Uitsnede uit de geologische kaart. ’? Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied weer.

12 Bron: Stichting voor Bodemkartering, Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Wageningen, 1968

Versie:

15-09-2022

www.ArcheoPro.nl

Pagina 15

Archeologisch onderzoek

Breusterstraat 20 te Eijsden,

ArcheoPro Rapport,

22052

Gemeente Eijsden-Margraten.

17600

f

Geomu;íologie

177000

177500

‘\ '4L91

31050

310 0

30950

30 0 0

/

/

3R41|

. ArcheoPro

c

r

|

1TES00

KI

T7e000

Legenda TE

eoeovar

oo o Plingen

B

EE

oo

rijvak metoss

_

BREE

m

Oatstspoesngewaaer w vlak. metdekzandross Dutspoeingswaaer.

j.

DEE}

stoetopen met g

zand

B

oreegen onggerite onsee danemge aa met detzandioss

oo

oo

oo

remge g aaoggen

e -

met dekzandioss

Meigten ot e

w

Rsierdalbodem

anggerekte zeerdiepe dahomige laage

ooggelegen

Rierdaadem

angpereke zeerdepe

eoggelegen

Rerdabedem,

anggerekte zeer depe dalormsge aage

dahormge g

aggelegen

Figuur 9: Uitsnede uit de geomorfologische kaart.’? Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied weer.

13 Bron: Universiteit Wageningen, 2017

Versie:

15-09-2022

www.ArcheoPro.nl

Pagina 16

Archeologisch onderzoek

Breusterstraat 20 te Eijsden,

ArcheoPro Rapport, 22052, Pagina 17

Gemeente Eijsden-Margraten.

Figuur 10: Uitsnede uit de Maasterrassenkaart.’* Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied Maasmechelen. G = terras van Geistingen.

weer.

MM

=

terras

van

1 Bron: Universiteit Wageningen, 2017

Versie: 15-09-2022

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Breusterstraat 20 te Eijsden, Gemeente Eijsden-Margraten

c R

{ 17EB00

77700

ArcheoPro Rapport,

1770

178000

22052,

776500

Figuur 11: Uitsnede uit het Actueel Hoogtebestand Nederland.’5 Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied weer.

15 Bron: Rijkswaterstaat, Servicedesk Data, AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland), Delft

Versie:

15-09.

vww.ArcheoPro.nl

Pagina 18

Archeologisch onderzoek

Breusterstraat 20 te Eijsden,

ArcheoPro Rapport, 22052 Pagina 19

Gemeente Eijsden-Margraten. LT

Bodemkaart

Legenda bodemkaart L ] Viak- en duinvasggronden

EE

E

E E Vik- n duinvaaggronden, gooreersgronder N 1 L Loem-hrougeersgrondenvaaggronden _ EE B

vaaggronden

B

Fiuviateve afzettingen. pre aat-pleistoceen

Kleigronden Kleefaarde of vuursteeneluvium ontiepe teigronden. poter Matene afzeingen pre-pestoceen Vaaggronden Oude bewoningsplaatsen Gor- stkvaaggronden EE Bebouwng.ajken en bovenandstrook,opgehoogd o afgegraven Poldervaaggronden L Water, moeres Vlakvaaggronden voen. petgaten, kreekbedcingen, beekdalgronden, duin- en kwedergronden, stuizand

Figuur 12: Uitsnede uit de bodemkaart.’5 Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied weer

16 Bron: Universiteit Wageningen, 2017

Versie: 15-09-2022

www.ArcheoPro.nl

24Archeologie

_ (LS01/LS04)

Volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW 3.0, figuur 13 en 14) ligt het plangebied in een ongekarteerde zone, vanwege de ligging in een bebouwde kern. Extrapolatie op basis van de iets ruimere omgeving kan een middelhoge tot hoge archeologische verwachting op het plangebied plakken. De gemeentelijke archeologiekaart (figuur 15) plaatst het plangebied in een zone met middelhoge archeologische verwachting én in een monument van (zeer) hoge archeologische waarde. Het plangebied ligt namelijk binnen een bekend archeologisch terrein (AMK terrein): AMK 16410. In het onderzoeksgebied zijn verder nog twee terreinen aanwezig: AMK 16411 en 16412.17

AMK 16410 betreft een terrein met bewoningssporen uit de vroege middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Het betreft de oude dorpskern van de dorpen Breust en Eijsden. In Eijsden is de invloed van het hofstelsel op de nederzettingsvorm duidelijk zichtbaar. Een open, vierkant terrein geeft de plaats aan van de oorspronkelijke vroegmiddeleeuwse hof. De kerk en een deel van de bebouwing rond de kerk ligt aan het terrein. AMK 16411 betreft een terrein met bewoningssporen uit de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Het betreft een cluster oude bebouwing in het gehucht Laag Caestert. AMK 16412 betreft een terrein met bewoningssporen uit de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Het betreft een cluster oude bebouwing in het dorpje Hoog-Castert. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is

gebaseerd op 19%-eeuwse en vroeg 20s-eeuwse kaarten, Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn.

Ten zuiden van het plangebied ligt een beschermd gezicht, het beschermde dorpsgezicht van Eijsden, aangewezen op 24 juni 1971.18 Stedenbouwkundig is Eijsden van belang door het opnemen van de middeleeuwse dorpsweg in een vrijwel rechthoekig stramien, dat zich tot de Maasoever uitstrekt. De zuidkant hiervan wordt gevormd door de met bomen beplante en door grote herenhuizen gemarkeerde Diepstraat, die naar het Bat afdaalt. Deze kade, die eertijds breder en langer zal zijn geweest, is in de Franse tijd door een stenen keermuur tegen verdere afslag beschermd, zodat Eijsden zijn rivierfront behouden heeft en aldus een uitzondering vormt onder de Maasdorpen. Aan de noordzijde van genoemd stramien ligt naast de kerk de Vroenhof, die mogelijk nog herinnert aan de middeleeuwse herenhoeve. Dit monumentale plein, dat evenals de Diepstraat gelegenheid tot vestiging van welgestelden bood, wordt in het oosten door de oude dorpsstraat begrensd en heeft in het westen twee verbindingen met de Maasoever. Achter de bouwstrook langs de oever vormt een parallelstraat het laatste onderdeel van het historische stramien.

In het besproken gebied zijn vrij veel gebouwen uit de 174 en 18 eeuw en de eerste jaren

van de 194° eeuw bewaard gebleven. Hoewel tussen deze veelal gewitte oude huizen hier en daar panden zijn gebouwd, die minder passen in het historische beeld, is het onderhavige gebied nog erg karakteristiek.

17 Navolgende is overgenomen uit ARCHIS en de beschrijvingen van de AMK terreinen. 18 Navolgende is ontleend aan de toelichting bij het aanwijzingsbesluit van 24 juni 1971 (monument 1556).

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro.

Archeologisch onderzoek Breusterstraat 20 te Eijsden, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 22052, Pagina 21

Tesoo

Archis 3 Vondstlocaties

a

Ài1nó'|:;mù"b"î Vaan SE

rchneorro

Legenda

E

Archeologisch monument Vondstlocatie met nummer IKAw 30

L ]

EE M

UT

Onderzoeksgebied

SS

Beschermde stads on dorpegezichten

Plangebied

Provinciale aandachtsgebieden

Lage verwachting

Middelnoge verwachting _ Hoge verwachting

Figuur 13: Kaart met de Archisvondstmeldingen.’? Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied aan. 19 Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ARCHIS 3.

Versie: 15-09-2022

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Breusterstraat 20 te Eijsden, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 22052, Pagina 22

TE

Legenda

E

Archeologisch monument

DC

Pangetied

LC nderzoeksmetding met nummer

IC

Onderzoeksgebied

EZ

Provinciale aandachtsgebieden

S

Beschermde stads en dorpsgezichten

iKAw30 L_]

IE M

Lage verwachting

Middelhoge verwachting _ Hoge verwachting

Figuur 14: Kaart met de Archisonderzoeken.29 Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied aan. 20 Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ARCHIS 3.

Versie: 15-09-2022

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Breusterstraat 20 te Eijsden, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 22052, Pagina 23

LT

Gemeentelijke beleidskaart

legenda

ezegene m

o

nm

p

e

v

_

v

@ Voumere

Figuur 15: Uitsnede uit de gemeentelijke beleidskaart.2!

21 Bron: Gemeente Eijsden-Margraten.

Versie: 15-09-2022

www.ArcheoPro.nl

In het plangebied zijn tot op heden nog geen vondsten gedaan. In het onderzoeksgebied zijn er meerdere vondsten en/of waarnemingen bekend (25 zaaknummers, fig. 10 en bijlage 3). Een aantal van de zaaknummers die op fig. 10 afgebeeld zijn, zijn het resultaat van archeologische onderzoeken (figuur 14). Ten westen ligt zaaknummer 2005692100. Dit zaaknummer is het resultaat van een proefsleuvenonderzoek, uitgevoerd door de ROB in 1997.22 Door middel van zestien grondboringen en twee proefsleuven is een gedeelte van het plein onderzocht op resten van een vermoedelijk op deze plaats gelegen vroegmiddeleeuws hof. Tijdens het onderzoek zijn in de eerste proefsleuf langs de oostzijde van het plein twee sporen aangetroffen. Op grond van de hierin verzamelde aardewerkfragmenten is het eerste spoor gedateerd in de 154 of 164 eeuw en het tweede in de 14‘ of 154 eeuw. De tweede proefsleuf langs de zuidzijde van het plein heeft geen grondsporen opgeleverd. In beide proefsleuven bevond zich onder het huidige maaiveld en een aantal vermoedelijke ophogingslagen een identieke, bijna geheel

intacte

laag

die

als

oorspronkelijk

maaiveld

is

geïnterpreteerd.

Gezien

de

boorresultaten lijkt het erop dat voor de rest van het plein dezelfde stratigrafische opbouw als in de twee proefsleuven kan worden verwacht. Tijdens het onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden die duiden op een gebruik van het plein in de vroege middeleeuwen. De verzamelde aardewerkfragmenten stammen uit het einde van de 124 tot het einde van de 194° eeuw.

Ten zuidwesten, langs de Diepstraat zijn drie zaaknummers geregistreerd: 1030803, 1076185 en 1054492. Het betreft in deze drie gevallen resten van aardewerk, een haardsteen en enkele mergelblokken die als fundering zijn gebruikt. De vondsten dateren uit de late middeleeuwen tot nieuwe tijd en kunnen verder niet aan een specifiek complextype gekoppeld worden. Ze onderschrijven wel de bebouwde context binnen de oude kern van Eijsden. Ten

zuiden

liggen

de

zaaknummers

3043561100,

3249383100,

2923163100

en

3976123100.

Zaaknummer 3043561100 is het resultaat van onderzoek. In maart en juli 2002 heeft RAAP Archeologisch

Adviesbureau

een

archeologisch

vooronderzoek

uitgevoerd

op

zes

woningbouwlocaties te Eijsden, Mesch en Rijckholt.23 Locaties 2, 3, 4 en 6 liggen in Eijsden en zijn voor dit onderzoek relevant. Gezien de ligging en de resten uit de omgeving is een

middelhoge tot hoge verwachting uitgesproken. Het booronderzoek (karterend van karakter) heeft echter op geen enkele locatie vondsten aangetoond. Enkel op locatie 2 is dierlijk bot opgeboord, maar aangezien dit in een verstoorde context is aangetroffen, is hieraan geen waarde gehecht. Vervolgonderzoek op deze locaties werd niet noodzakelijk gevonden. Zaaknummer 3249383100 betreft de mogelijke locatie van de voormalige Kletenburcht, ook wel Kettelhof of Kettelburcht genoemd. Deze Laathof, toebehorend aan het Luikse gasthuis

van St. Matthieu à la Chaine, vormde de kern van het huidige Caestert, dat niet voor de 13 eeuw kan zijn ontstaan. De locatie is gebaseerd op oude bronnen en verder (nog) niet met archeologisch resten gestaafd. Zaaknummer 2923163100 betreft een oude vermelding van overblijfselen, vermoedelijk op de "Kletenberg" tegenover het kasteel Eijsden en vermoedelijk uit de Romeinse tijd. Zaaknummer 3976123100 betreft de vondsten die gedaan zijn tijdens de uitvoering van een archeologisch vooronderzoek.?* De vondsten betreffen echter niet-archeologische materiaal

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro.

(natuurlijke vuursteenafsprongen, een brokje krijt en steenkool). Er is tijdens het onderzoek

geen

aanwijzing

aangetroffen

voor

een

vindplaats.

Vervolgonderzoek

werd

niet

noodzakelijk geacht.

Ten zuidoosten van het plangebied liggen de zaaknummers 2136004100 en 3136322100. Zaaknummer 2136004100 betreft de vondst van een Andenne-scherf die tijdens een verkennend booronderzoek is opgeboord.2 Het scherfje is aangetroffen in de teelaarde en verder niet als indicator voor een vindplaats geïnterpreteerd. Vervolgonderzoek werd niet noodzakelijk geacht.

Zaaknummer

3136322100

het

der

terrein

betreft een oude melding

Zinkwitfabriek

bij

Eiijsden.

van een Romeinse begraafplaats op

Naast

aardewerk

zijn

er

munten

en

bouwfragmenten aangetroffen. Mogelijk betreft het ook een nederzetting en/of resten van industriële activiteiten.

Ten slotte, ten oosten van het plangebied ligt een cluster van zeven verschillende meldingen: zaaknummers 2454968100

2923236100,

2355450100,

2443910100,

2120671100,

2225267100,

en 2325050100.

Zaaknummer 2923236100 betreft de oudere melding van talrijke vondsten van Romeins en middeleeuws bouwmateriaal. Er is -volgens Archis- geen reden om onmiddellijk aan Romeinse bewoning te denken. Hergebruik (spolia) van dergelijk materiaal komt in

middeleeuwse kerken in deze contreien vrij vaak voor. Voor bevestiging van vroege (Romeinse) bewoning ter plaatse is onderzoek nodig, wat nog niet heeft plaatsgevonden. De overige zaaknummers

zijn het resultaat van onderzoek op en rondom

de motte van

Breust.26

In

2008-2009

is

onderzoeksgebied

het

oostelijke

en

in

2011-2012

het

westelijke

gedeelte

van

het

Breusterhof onderzocht. In het oostelijke gedeelte is in de ondergrond

sprake van een depressie met een bron, waaruit de Bak, een kleine beek, ontspringt. Op 3,5

m onder maaiveld bevindt zich grind met daarop een 50 cm dikke leemlaag. Op deze leemlaag heeft zich rond 1000 een akkerlaag en in de 11% en 12 eeuw een nederzettingshorizont ontwikkeld. Dit geheel wordt afgedekt door een tot 2 m dik pakket colluvium van afgespoelde löss. De onderkant van dit pakket is gedateerd in de eerste helft van de 134 eeuw. Op het colluvium liggen ophogingslagen en nederzettingsresten uit de 144e tot 164 eeuw en daarop liggen nog ophogingen tot het huidige maaiveld. In het westelijke gedeelte van het onderzoeksgebied, rond de kerk, is geen sprake van een oude

depressie en het middeleeuwse maaiveld lag hier min of meer

gelijk met het huidige. Enkele

vondsten wijzen mogelijk op vroegmiddeleeuwse (Karolingische) bewoning in de omgeving

en de oudste bewoningssporen zijn weinig jonger dan de vroegste historische vermelding van Breust. In de nederzettingshorizont zijn twee 124-eeuwse gebouwplattegronden herkend. Deze bestaan telkens uit zes palen en hebben afmetingen van minimaal circa 5 bij 12,5

m

(structuur A) en circa

5 bij minimaal

10,5

m

(structuur

B). De akkerlaag wordt

doorsneden door een 4,5 m brede gracht die in de tweede helft van de 124 eeuw is opgevuld. Op de gedempte gracht is een deel van een structuur met een 30 tot 40 cm brede fandering van vuursteenknollen gevonden. Deze is rond 1200 te dateren en betreft waarschijnlijk een vakwerkconstructie. De fundering is van een groot gebouw van circa 20 bij 20 m met meerdere ruimtes of van twee of drie kleinere aparte gebouwen. In dat laatste geval heeft het best bewaarde gedeelte afmetingen van circa 6 bij 20 m. In de tweede helft

van de 124 of de eerste helft van de 13 eeuw, dus rond 1200, werd een motte opgeworpen. 25 E

Navolgende is overgenomen ui

Versie:

15-09-2022

021 p. 103-107.

ArcheoPro.

De basis heeft een diameter van circa 20 m en ligt circa 2,5 m onder het maaiveld. Het vlakke bovenste gedeelte van de motte, het platform, heeft een diameter van 11 tot 12 m. De motte wordt omgeven door een 6,5 tot 7 m brede gracht van 1,5 m diep die wordt gevoed door de Bak. Excentrisch in de noordoostzijde van de motte bevindt zich een kelder van mergelstenen met afmetingen van circa 3,5 bij 4 m met een vloer van maaskeien. De kelder is gebouwd tijdens het opwerpen van de motte en behoort waarschijnlijk tot een houten gebouw van maximaal 8 bij 8 m op het platform, waarvan het noordoostelijke gedeelte onderkelderd was. Aangenomen mag worden dat na enige tijd, toen het mottelichaam was ‘gezet’, de houten bebouwing werd vervangen door steenbouw. De twee eerder genoemde houten gebouwen en de vuursteenfundering behoren mogelijk tot de voorburcht of het voorhof van de motte. Al vrij snel na aanleg van de motte begon de afdekking met colluvium afkomstig van de meer naar het oosten gelegen hellingen. Het colluviumpakket is ontstaan door ontbossing ten behoeve van grootschalige ontginningen op de hellingen en lössplateau's en vervolgens het agrarische grondgebruik in de volle en late middeleeuwen. Uit pollenonderzoek blijkt dat vooral rond 1250 de ontbossing snel ging.

Dat de kelder in de motte en waarschijnlijk ook het bijbehorende bovengrondse gedeelte van het gebouw zeker tot in de 15de eeuw in gebruik waren, blijkt uit verbouwingssporen en met baksteen vernieuwde

vloeren.

Vondsten uit de 13° en 144 eeuw zijn schaars, maar vanaf de 144 eeuw lijkt de bewoning toe te nemen. Aan de oostzijde zijn resten gevonden van een aantal opeenvolgende huizen in de vorm van een één meter dik pakket lemen vloeren met ingedrukte balkresten,

brandlagen en keien. Direct ten zuiden hiervan bevinden zich ophogingslagen uit de 144 tot 174 eeuw. In het westelijke gedeelte van het onderzoeksgebied is geen akkerlaag aanwezig en slechts een dunne laag colluvium. Het onderste gedeelte hiervan is mogelijk al in de late prehistorie afgezet. Enkele vondsten wijzen weer op mogelijke vroegmiddeleeuwse bewoning in de omgeving. Grondsporen en vondsten uit 114 en 124 eeuw wijzen mogelijk op de nabijheid van een nederzetting rond de motte uit deze periode. De grondsporen bestaan uit een hutkom en een gedeelte van een bootvormige gebouwplattegrond, evenals enkele verspreide kuilen. Slechts weinig vondsten stammen uit de 134 eeuw, maar wel komen enkele 144-eeuwse sporen voor. In deze tijd is het bovenste gedeelte van het dunne colluviumpakket afgezet. Verder zijn hier resten van stenen bebouwing uit de 154 en 16de eeuw aangetroffen. Direct ten westen van de motte, op de grens tussen het oostelijke en westelijke gedeelte van het onderzoeksgebied, zijn geen hoog- en laatmiddeleeuwse bewoningssporen aanwezig.

De hoeveelheid mobiele vondsten die is aangetroffen, is relatief gering, waarschijnlijk door de korte gebruiksduur van de motte en de snelle opvulling van de grachten met colluvium. Botanisch onderzoek wijst op de verbouw van rogge, gerst, boekweit en emmer- en broodtarwe in de omgeving. Op het onderzoeksterrein lagen moestuinen en in de omgeving lag ook grasland. De geringe hoeveelheid botmateriaal vertegenwoordigt vooral rund en verder varken.

Na het onderzoek van de Breustse motte zijn in de directe omgeving meerdere onderzoeken uitgevoerd. Het onderzoeksgebied van de motte ligt direct ten zuidoosten van de Martinuskerk, oostelijk van de weg Breusterhof. In 2011, 2012 en 2014 is onderzoek gedaan in een westelijk aangrenzend gebied, aan de overzijde van de Breusterhof. De zuidgrens van dit onderzoeksgebied wordt gevormd door de Breusterstraat. Het onderzoek in 2011 betrof een begeleiding, waarbij bewoningssporen zijn gevonden die aansluiten op die bij de motte.27 Er is sprake van een bewoningsfase tussen ca. 950 en 1100 en een bewoningsfase rond 1200. De sporen lopen door buiten het onderzoeksgebied.

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro.

Aangetroffen zijn een gedeelte van een bootvormige huisplattegrond bijbehorende hutkom. Beide structuren zijn rond 1000 te dateren.

en

een

mogelijk

In 2012 is bij een proefsleuvenonderzoek een erf uit de 114° tot 13° eeuw aangesneden, dat in de periferie van de nederzetting bij de motte moet hebben gelegen.2 Een opgraving in 2014 heeft delen van waarschijnlijk een hoofdgebouw en van bijgebouwen opgeleverd uit de 11‘ en 12é eeuw. Verder zijn kuilen, een waterput en greppels

aangetroffen uit de periode van ca. 1000 tot in de 164° eeuw.29 Tot slot is in 2014 een begeleiding uitgevoerd in een plangebied direct ten zuiden van het gebied van de drie laatstgenoemde onderzoeken, aan de overzijde van de Breusterstraat.30 Het plangebied was merendeels recent verstoord door sloop van de bestaande bebouwing. In het beperkte onverstoorde gedeelte zijn echter geen grondsporen aangetroffen en ook zijn slechts enkele mobiele vondsten gedaan. Het lijkt er op dat het gebied ten zuiden van de Breusterstraat net buiten de periferie van de nederzetting nabij de motte ligt. Door het onderzoek rondom

de motte van Breust moet de opvatting dat nederzetting, kerk

en hof van Breust in de 144 eeuw zuidwaarts zijn verplaatst, worden herzien. Zeker is dat de huidige kerk al rond 1200 op deze plek stond. Mogelijk lag er in de noordelijke kern een

vroegere

kerk, maar

aangezien

kerken en de bijbehorende

kerkhoven

sterk plaatsvaste

elementen zijn, is een dergelijke verplaatsing minder aannemelijk. Ook mag in het geval van

een verplaatsing worden verwacht dat er ‘herinneringen’ aan de oude locatie zouden zijn overgeleverd, bijvoorbeeld in de toponymie, maar die ontbreken. Verder is er over het algemeen een sterke relatie tussen kerk en herenhuis (kerk-motte-voorburcht), zeker bij eigenkerken. Verder tonen de onderzoeken aan dat dorpskernarcheologie bijzondere resultaten kan opleveren.

2.5 Informatie amateurarcheologen (LS01/LS04) ArcheoPro heeft geen contact opgenomen met lokale heemkundevereniging

met

betrekking

tot

eventuele

amateurarcheologen

(niet

in

Archis

of

een

geregistreerde)

archeologische oppervlaktevondsten binnen het plangebied. Het onderzochte gebied betreft namelijk een volledig begroeid dan wel bebouwd met een (semi) verhard achterterrein dat niet vrijelijk toegankelijk is en binnen de bebouwde kom ligt.

2.6 Historie

(LS03)

De van oorsprong aparte kern Breust maakt tegenwoordig deel uit van Eijsden, waarvan de oude kern westelijker ligt, nabij de Maas. De oude kerken van Breust en Eijsden liggen hemelsbreed

ruim

500

van

elkaar.

Breust wordt

in het midden

van

de

104

eeuw

voor

het

eerst vermeld en aangenomen wordt dat het, net als Eijsden, teruggaat op een Karolingisch domein dat deel uitmaakte van een omvangrijk koningsgoed met 's Gravenvoeren als centrum.3! De naam Breust (oudere vermeldingen Bruest of Brust) wordt verbonden met het Oudhoogduitse brust wat ‘afgrond, steile helling’ betekent.32

2012 29

2015.

0

3

2021,p.

3

103

2018.

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro.

Archeologisch onderzoek

Breusterstraat 20 te Eijsden,

ArcheoPro Rapport, 22052,

Pagina 28

Gemeente Eijsden-Margraten.

De Tranchotkaart uit 1805 (figuur 16) is de oudste kaart die voor dit plangebied relevante informatie toont. Het plangebied lijkt begin 194 eeuw ietwat buiten een dichte bewoningskern te liggen. In de directe omgeving zijn hier en daar gebouwen aangeduid. Ook binnen het plangebied is een bouwvolume aangeduid. Het betreft een L-vormig gebouw. Het is onduidelijk of het huidige bouwvolume teruggaat op het bouwvolume dat op de Tranchotkaart is afgebeeld. Rondom de bebouwing liggen boomgaarden en graslanden. Verder van de bebouwing verwijderd liggen de akkers. De wegen die momenteel het plangebied omsluiten zijn ook op de Tranchotkaart al zichtbaar. Ten noorden loopt een weg die mogelijk de voorganger is van de Breusterstraat en ten westen loopt een weg die mogelijk herleid kan worden tot de Schoolstraat.

*r Versie: 15-09-2022

1505520 www.ArcheoPro.nl

/

e

1/

/

l

/

_

_

IE

/

Figuur 17: Uitsnede uit de kadastrale kaart uit 1832.3+ Het plangebied is rood omlijnd. De kadasterkaart uit 1832 (figuur 17) plaatst het plangebied in een gelijkaardig landschap. Ook volgens deze kaartuitsnede ligt het plangebied op enige afstand van een ‘kern’. Zowel ten noorden als ten westen ligt volgens de kadasterkaart een weg, Het betreft de (voorloper van de) Breusterstraat en de Schoolstraat. Op de Kadastrale Minuut zijn deze wegen aangeduid als De Breuster Straat en De Katte Straat. Het is onduidelijke wanneer de naam De Katte Straat vervangen is door Schoolstraat. Het plangebied beslaat de percelen 765, 766, 767 en 768. Alle vier de percelen waren in

(geanonimiseerd) en respectievelijk in gebruik als tuin eigendom van (de erfgenamen van) N

(perceel 765 en 767), als huiserf (perceel 766) of als boomgaard (perceel 768). Binnen het plangebied, op het huiserf, ligt een soort van L-vormige bebouwing. Het betreft niet één aaneengesloten volume, maar drie volumes die tezamen een L-vorm vormen. Ook hiervan is niet te herleiden of het de huidige bebouwing betreft.

3* Bron: Kadaster Topografische Dienst, Top25Raster, Top10Vector, GBKN kaarten, Emmen 2008

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro.

Archeologisch onderzoek Gemeente

Breusterstraat

20 te Eijsden,

ArcheoPro

Rapport,

22052,

Eijsden-Margraten

_…

Fzguur 18: Uitsneden uit de topografische kaarten uit nchtereenvnlgens

1845, 1926,

1959 en 2016.35 Het plangebied is telkens rood omlijnd. Het vierluik van figuur 18 toont achtereenvolgens topografische kaarten van het plangebied en omgeving uit 1845, 1926, 1959 en 2016. Op deze kaarten is de systematische groei van de bebouwing zichtbaar. Waar begin 20° eeuw het plangebied nog in een gelijkaardige setting ligt als op de laat 18‘%®-eeuwse of begin 19%-eeuwse kaarten, is dit vanaf medio 205° eeuw niet meer herkenbaar. Het wegennet is nog wel aanwezig, maar de bebouwing rondom het plangebied wordt stelselmatig intensiever en kernen (van Eijsden en Breust) kruipen dichter en dichter bij elkaar.

35 Bron: www.topotijdreis.nl

Versie:

15-09-2|

ArcheoPro

Pagina

30

Archeologisch onderzoek

Breusterstraat 20 te Eijsden,

ArcheoPro Rapport, 22052,

Pagina 31

Gemeente Eijsden-Margraten. e

T

m

£| Historische relicten sderfieiden

310 0

30 0 0

WAL

G

ArcheoPro cm

TSD

:

(

°

|

T7

e

n

J” D

17750

178000

Gp 3

776300

Figuur 19: Uitsnede uit de kaart met historische relicten van Zuid Limburg.36 Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied aan.

Deze evolutie wordt ook gezien als de studie van Renes?7 ter hand genomen wordt. Renes heeft immers in de jaren 1980 een studie gemaakt naar de historisch geografische evolutie en ontwikkelingen in Midden- en Zuid-Limburg. Hierbij heeft hij gepoogd nog gave en historisch complete delen in het huidige landschap aan te duiden en te dateren. Volgens de kaart van de historische relicten (figuur 19) ligt het plangebied in een ongewijzigd deel van het landschap, binnen de oude kern van Eijsden en Breust. Het wegennet dat het plangebied omsluit, geeft Renes een middeleeuwse datering (of zelfs nog

Versie: 15-09-2022

www.ArcheoPro.nl

ouder). Bijzondere historisch geografische objecten of structuren zijn volgens de studie van Renes niet meer bewaard.

2.7 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

(LS05)

Specifieke ligging (locatie) Het plangebied ligt op een van de Maasterrassen binnen de historische kern van Eijsden en Breust.

Het plangebied ligt volgens de geomorfologische kaart op een tussenterras van de Maas. (droog)Dalen zijn volgens de geomorfologische kaart niet aanwezig, maar volgens het AHN lijkt de Breusterstraat een droogdal of holle weg te zijn. De oorspronkelijke bodem bestaat naar verwachting uit brikgronden. Historisch ligt het plangebied binnen de oude kern van Breust met bebouwing, een huiserf, tuin en een gedeelte van een boomgaard binnen het plangebied. Vanaf midden 205° eeuw wordt het huiserf meer en meer opgenomen in de kernen van Breust en Eijsden. Verwachte perioden (datering) en complextypen Bekende gegevens In de omgeving van het plangebied zijn in beperkte hoeveelheden duidelijk te dateren archeologische vondsten en waarnemingen gedaan. De vondsten onderschrijven wel de archeologische waarde en betekenis van dit gebied als onderdeel van een oude bewoningskern en een derhalve gebruikt en bewoond gebied doorheen de geschiedenis. Het gros van de vondsten wijst op een bewoning en gebruik vanaf de volle middeleeuwen en

minimaal vanaf de late 184° eeuw is het plangebied bebouwd. Echter het is niet uit te sluiten dat binnen het plangebied sprake is van oudere bebouwing (late middeleeuwen en vroege nieuwe tijd tot zelfs in de prehistorie).

Verwachting voor het plangebied Gezien de landschappelijke context van het plangebied en de archeologische resten die in de omgeving van het plangebied zijn aangetroffen, blijkt dat in het plangebied archeologisch resten uit alle periodes kunnen worden aangetroffen. Deze resten kunnen bestaan uit nederzettingen, grafvelden en/of off site fenomenen. Specifiek is de verwachting: - _ hoog voor resten van nederzettingen, grafvelden en/of off site fenomenen uit de late prehistorie tot en met Romeinse tijd; hoog voor resten van nederzettingen en/of off site fenomenen uit de late middeleeuwen tot en met nieuwe tijd; - _ middelhoog voor resten van nederzettingen, grafvelden en/of off site fenomenen uit de vroege prehistorie; - _ middelhoog voor resten van nederzettingen, grafvelden en/of off site fenomenen uit de vroege middeleeuwen; - _ laag voor resten van begraving uit de late middeleeuwen tot en met nieuwe tijd. Deze gespecificeerde verwachting is gebaseerd op de beschikbare archeologische kennis voor dit plangebied (bureaustudie) en op verwachtingsanalyses zoals die gelden voor gebieden in Zuid-Limburg. Archeologische waarden uit het mesolithieum kunnen op lokale hoogtes en gradiëntzones nabij (oude verlande dan wel nog actieve) geulen, beken en rivieren worden aangetroffen. Deze resten kunnen bestaan uit tijdelijke verblijfplaatsen zoals jachtkampementen of special

activity kampementen. Vanwege de aanwezigheid van een (beek- c.q. droog)dal direct aangrenzend aan het plangebied, zou een hoge verwachting voor nederzettingen,

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro.

begravingen en/of off site fenomenen moeten gelden. Echter, het recentere gebruik heeft waarschijnlijk voor verstoring geleid. Derhalve een middelhoge verwachting. Archeologische waarden vanaf het neolithicum tot en met de Romeinse tijd worden met name op de hogere en drogere delen in het landschap verwacht. Hier moet rekening worden gehouden met mogelijke bewoningssporen en begravingen. Voor het plangebied geldt een hoge verwachting voor nederzettingen en begravingen uit deze periodes. Voor off site fenomenen uit deze periodes geldt vooralsnog een middelhoge verwachting omdat momenteel nog geen vindplaatsen in de directe omgeving bekend zijn. Indien vindplaatsen aangetroffen worden, verhoogt de verwachting voor off site fenomenen naar hoog. Archeologische waarden uit de vroege middeleeuwen worden binnen het plangebied niet verwacht. Op korte afstand is echter een vroegmiddeleeuws hof aangetroffen met bijhorende seculiere bewoning. Het plangebied ligt net iets te ver van dit hof om een verhoogde verwachting te krijgen, maar het kan niet geheel uitgesloten worden. Archeologische resten binnen het plangebied worden weer verwacht vanaf de volle middeleeuwen tot en met nieuwe tijd. De oudste bekende resten van Breust dateren uit de 104 eeuw. Vanwege de ligging binnen de oude kern kunnen ook vanaf die periode bewoningsresten en resten van off site fenomenen verwacht worden.

De bewoning zal daarbij waarschijnlijk in eerste instantie geconcentreerd zijn rondom het oude hof en de kerk, terwijl de omliggende gebieden een agrarisch karakter kenden. Bewoningsresten uit de volle middeleeuwen zijn nog niet aangetoond, resten uit de nieuwe tijd wel (op basis van historisch kaartmateriaal). Voor het plangebied geldt derhalve voor de periodes van volle middeleeuwen en nieuwe tiijd een hoge verwachting voor nederzettingen en voor off site fenomenen. Begravingen worden niet verwacht (lage verwachting). Uiterlijke kenmerken Vuursteenvindplaatsen uit het paleolithicum of mesolithicum zullen binnen het plangebied uit vondststrooiingen van voornamelijk vuursteen en houtskool bestaan met eventuele ondiepe sporen van met name haarden en/of kuilen. Eventuele nederzettingsresten uit het paleolithicum of mesolithicum (vroege prehistorie) kunnen zowel bestaan uit

basisnederzettingen met een oppervlakte tussen 200 en 1.000 m? of van kleine tijdelijke kampementjes met zeer geringe afmetingen die nauwelijks meer zijn dan de neerslag van een enkele (jacht)activiteit of een kortstondig kamp. De omvang hiervan kan beperkt zijn tot enkele (tientallen) vierkante meters. Nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd kunnen zich manifesteren als

concentraties

van

vondstmateriaal

(onder

andere

vuursteen,

aardewerk,

metalen

objecten of bouwmateriaal bestaande uit natuursteen, baksteen of verbrande leem en houtskool) of als spoorvullingen van voormalige afvalkuilen, paalkuilen, grachten, greppels, water- en/of beerputten, fundamenten, uitbraaksporen e.d. Off site verschijnselen uit alle perioden vanaf het neolithicum tot en met de nieuwe tijd kunnen bijvoorbeeld bestaan uit opgevulde greppels, wegen, bruggen, perceelsscheidingen, resten van celtic field systemen, grensstenen, ploegsporen, afgedekte karrensporen e.d. Daarnaast kunnen uit deze periode tevens graven of grafvelden voorkomen. Deze kunnen bestaan uit inhumatieresten alsook uit crematieresten, en zullen (soms) vergezeld gaan van grafgiften (aardewerk, vuursteen, metaal, …, ommuringen, rituele landschappen, etc. Archeologische stratigrafie plangebied Vanwege de verwachte bodemopbouw worden archeologische resten verwacht in de top van het bodemprofiel. Vondsten kunnen daarbij aangetroffen worden vanaf de bouwvoor, sporen zullen naar verwachting pas goed leesbaar zijn in de top van de briklaag (Bthorizont).

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro.

Mogelijke verstoringen plangebied (incl. gaafheid en conservering) De oude (18%-eeuwse maar mogelijk ook nog oudere) bebouwing, alsook de huidige bebouwing hebben vermoedelijk impact gehad op de gaafheid en conservering van oudere archeologische vindplaatsen. Onder de huidige bebouwing zijn kelders aanwezig (het uitgraven en bouwen ervan heeft tot bodemroering geleid. Daarnaast hebben bouw (en mogelijk ook sloop van oudere bebouwing) mogelijk ook voor bodemverstoringen geleid. Daarnaast zullen ten behoeve van de bebouwing zeker (plaatselijke) verstoringen ontstaan zijn door funderingen en/of kabels en leidingen. Met name voor vondst-vindplaatsen (zoals vindplaatsen uit de vroege prehistorie) kan het grondgebruik geleid hebben tot een verminderde conservering van vindplaatsen. Naar verwachting is de gaafheid van eventuele resten matig (voor anorganische resten) tot laag (voor organische, onverkoolde resten). De gaafheid van de oorspronkelijke bodem zal met name binnen het noordelijke deel van het plangebied sterk zijn aangetast door erosie ter plaatse van de Breusterstraat. Wanneer deze erosie heeft plaatsgevonden is niet bekend, vermoedelijk tijdens de middeleeuwen.

2.8 Onderzoeksstrategie

(LS05)

Doel van het inventariserend booronderzoek verkennende fase (IVO-0) is om vast te stellen hoe de bodem is opgebouwd, in hoeverre deze nog intact is en of hierin behoudenswaardige archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn. Daarbij dient met name te worden nagegaan of de oorspronkelijke bodem bestaat uit een leembrikgrond, of deze nog aanwezig is, hoe dik de betreffende briklaag (Bt-horizont) nog is, of er sprake is van afdekkend colluvium, in hoeverre eventuele archeologische niveaus vestoord zijn en hoe dik een eventuele ophogingslaag is. Uitgegaan wordt van een minimale boordichtheid van vijf boringen per hectare. Een dergelijke boordichtheid voldoet om de bodemopbouw doelmatig en betrouwbaar te karakteriseren en een eventuele grootschalige verstoring nader vast te stellen. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek zal worden aangegeven welk type bodems binnen het plangebied voorkomen, in hoeverre de bodem door (sub)recente grondwerkzaamheden zoals bouwactiviteiten, afgravingen en egalisaties is verstoord, hoe dik een eventuele ophogingslaag is, wordt het verwachtingsmodel eventueel aangepast en zal worden aangegeven in een hoeverre (karterend) vervolgonderzoek naar archeologische

indicatoren,

materiële resten

en sporen wenselijk en zinvol is en welk type onderzoek

hiervoor het meest geschikt is.

Binnen het onbebouwde deel van het plangebied zijn buiten de bestaande woonbebouwing met kelder zeven boorpunten regelmatig verdeeld. Hierdoor wordt binnen het 0,04 hectare grote plangebied een boordichtheid bereikt van 175 boringen per hectare. Van alle boorpunten wordt de NAP-hoogte bepaald door middel van het AHN of een waterpas. De AHN-hoogtedata hebben in principe een nauwkeurigheid van + 5 cm. De boorlocaties (RDcoördinaten) worden in het veld vastgesteld met behulp van een GPS. De boorprofielen worden beschreven op basis van de ASB 5.2. In verband met de begroeiing en bebouwing en verharding van het plangebied is geen oppervlaktekartering mogelijk c.q. zinvol. Evenmin zijn bodemontsluitingen aanwezig die geïnspecteerd kunnen worden op de aanwezigheid van archeologische indicatoren.

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro.

3 Veldonderzoek 3.1 Verrichte werkzaamheden

(VS03)

Positie boringen:

regelmatige verdeling over het plangebied (figuur 21).

Gebruikt boormateriaal:

Edelmanboor

Totaal aantal boringen:

7

Boorgrid:

Boordichtheid:

Geboorde diepte: Inmeten boorlocaties:

Boorbeschrijving:

met een diameter

van 7 cm.

nvt

175 boringen per hectare

10-3,0 m -Mv meetlint en waterpas

Archeologische Standaard Boorbeschrijving (ASB 5.2)

Inspectie bodemontsluitingen en/of oppervlaktekartering: In verband met de begroeiing, bebouwing en verharding van het plangebied was geen oppervlaktekartering mogelijk. Evenmin waren bodemontsluitingen aanwezig die geïnspecteerd konden worden op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De ligging van de boorpunten is weergegeven op de boorpuntenkaart. De resultaten van het booronderzoek zijn opgesomd in Bijlage 1. Het veldwerk is uitgevoerd in samenwerking met Aelmans Eco waarbij selectief gebruik is gemaakt van de ten behoeve het milieukundig bodemonderzoek uitgevoerde boringen. De boringen 5 en 6 zijn inpandig gesitueerd. 3.2 Resultaten en interpretatie booronderzoek

(VS03)

Uit de boorresultaten blijkt dat de oorspronkelijke bodem tot een minimale diepte van 3,0 m

-mv ter plaatse van boring 2 uit een lichtbruine, eolische lössleem bestaat die grotendeels uit het Laat-Weichselien dateert en tot het laagpakket van Schimmert (formatie van Boxtel) behoort. Ter plaatse van boring 5 wordt deze primaire, eolische leem afgedekt door een lichtbruine leemlaag tot 110 cm -mv die geïnterpreteerd is als een colluviumlaag. Kenmerkend voor deze laag zijn de lichtgrijze humusvlekken, houtskoolspikkels en zeer fijne baksteendeeltjes. De baksteendeeltjes duiden op een (post)middeleeuwse ouderdom. Binnen het zuidelijke deel van het plangebied (boringen 1 t/m 4) zijn in drie boringen (boringen 1, 2 en 4) grotendeels nog intacte bodems met een B-horizont aangetroffen (zie figuur 20 en 21). Deze bodems dienen vanwege het ontbreken van een E-horizont te worden geclassificeerd als bergbrikgronden. Waarschijnlijk is de E-horizont opgenomen in de oorspronkelijke Ap-horizont. Ter plaatse van boring 3 ontbreekt de B-horizont en is sprake van een AC-profiel in primaire löss met een relatief dikke Ap-horizont c.q. ophooglaag van 50 cm. Ter plaatse van de boringen 1, 2 en 4 zijn ophooglagen vastgesteld met een dikte variërend van 30 tot 70 cm. Het onderscheidt tussen ophooglaag en Ap-horizont was middels geroerde boringen niet eenduidig vast te stellen. Binnen het noordelijke deel van het plangebied (boringen 6 en 7) ontbreken de leembrikgronden volledig.

Ter plaatse van boring 7 bevindt zich een zwartbruin, sterk puinhoudend ophoogpakket van circa 1,5 m. Dit ophoogpakket ligt direct op de primair Clöss. Het ophoogpakket is waarschijnlijk gevormd tijdens de aanleg van de kelderruimtes direct naast deze boring.

Versie:

15-09-2022

ArcheoPro.

Archeologisch onderzoek

Breusterstraat 20 te Eijsden,

ArcheoPro Rapport,

22052,

Pagina 36

Gemeente Eijsden-Margraten.

Ter plaatse van boring 6 lijkt de bodem volledig uit C-löss te bestaan waarbij het bovenste deel verstoord is. Vanwege de inpandige situering was de bodem uiterst droog waardoor de waarnemingen ter identificatie van het profiel werden bemoeilijkt. Aangaande de bodemtoestand onder het woonhuis buiten de bestaande kelderruimte kan gen uitspraak worden gedaan. Tijdens het booronderzoek zijn buiten de puinresten geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen. Mvin m

+NAP

saml 5620

3

5580

s

50

o

Legenda

5280

'»ol] z

I e norzont:

AC-horzont geroerd

C-horizont: coluvium

I………

opgebtacht

I BC-horizont

Geroerd

(b)-horizont

i6ss

Figuur 20: Boorprofielen

Versie: 15-09-2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=e792023e-2eb5-440c-bcaa-26fcbd898f6b