20250930 07l Bijlage Voortoets stikstofdepositie
Tekst van het document
Voortoets stikstofdepositie voor project herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden 20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
Voortoets Stikstofdepositie voor project herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden Opdrachtgever:
Arcus Zuid Dorpsstraat 98 6438 XJ Oisbeek
Locatie:
Ursulinenklooster Breusterstraat 25, 6245 EG Eijsden
Rapportnummer Eij.Arc.25.VS.OW.01 Projectleider T. Rutten
Datum 20 maart 2025 Auteur T. Rutten
Embridge Nederland BV Willem II Singel 42 6041 HT Roermond Telefoon: E-mail: KvK: IBAN:
0475-420191 info@embridge.nl 13036743 NL53RABO0303441194
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar gebruikt worden voor het doel waarvoor het is opgesteld, met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document en het Geomilieumodel blijven berusten bij Embridge Nederland.
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
Samenvatting Voorliggende rapportage betreft de voortoets van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden vanwege project herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden. Het betreft een project specifieke ecologische beoordeling waarbij effecten van de berekende depositie op Natura 2000-gebieden worden beschouwd. De Omgevingswet is het toetsingskader voor deze effectbeoordeling. De ecologische beoordeling betreft jaar één van de bouwfase. Voor jaar twee van de bouwfase en voor de gebruiksfase is er geen sprake van stikstofdepositie. Uit de stikstofberekening voor jaar één van de bouwfase is sprake van stikstofdepositie op vier Natura2000-gebieden. Deze depositie vindt gedurende 1 jaar plaats. Per gebied is een depositie van 0,01 mol/ha/jr of hoger berekend. De hoogste depositie op overbelaste hexagonen bedraagt 0,02 mol/ha/jr in het Natura 2000-gebied Savelsbos. De volgende Natura 2000-gebieden zijn beschouwd: - Savelsbos - Sint Pietersberg & Jekerdal - Bemelerberg & Schiepersberg - Noorbeenden & Hoogbos. Uit de voortoets volgt dat de tijdelijke depositiebijdrage van het project herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden niet leidt tot conflicten met geformuleerde instandhoudings-doelstellingen voor enig Natura 2000-gebied. Er is zelfstandig en in cumulatie geen sprake van significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden.
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
1
2.
Aanpak
1
2.1 2.2 2.3 3.
4.
5.
Wettelijk kader - Omgevingswet – Natura2000-activiteit: Onderdeel Gebiedsbescherming 1 Stikstofdecreet België 1 Resultaten voor Belgische Natura 2000-gebieden 2
Project herontwikkeling Ursulinenklooster
3
3.1
6
Resultanten Stikstofberekening
Effectbeoordeling Natura 2000-gebieden
7
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
7 8 8 8 8 9 9 10 17
Kritische depositiewaarde (KDW) Instandhoudingsdoelstellingen Zoekgebieden Habitattypen Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten Typische soorten Beoordeling significante effecten Perspectief hoeveelheden stikstof Project herontwikkeling Ursulinenklooster Cumulatie
Effectbeoordeling Savelsbos
18
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.5.1 5.5.2 5.5.3 5.5.4 5.5.5 5.6 5.6.1 5.6.2 5.6.3 5.6.4 5.6.5 5.7 5.7.1 5.7.2 5.7.3 5.7.4 5.7.5 5.8 5.8.1 5.8.2 5.8.3 5.8.4 5.8.5 5.9 5.9.1 5.9.2 5.9.3
18 18 19 21 22 22 23 23 24 24 24 24 25 26 26 27 27 27 27 28 29 29 29 29 30 31 31 32 32 32 33 34
Aanwijzing en ligging gebied Instandhoudingsdoelstellingen Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Savelbos. Uitgevoerde en geplande herstelmaatregelen H6110* Pionierbegroeiingen op rotsbodem Omschrijving Instandhoudingsdoelstellingen Drukfactoren Beheer en maatregels Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect H6210 Kalkgraslanden Omschrijving Instandhoudingsdoelstellingen Drukfactoren Beheer en maatregels Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect H6430C Ruigten en zomen Omschrijving Instandhoudingsdoelstellingen Drukfactoren Beheer en maatregels Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect H9120 Beuken-eikenbossen met hulst Omschrijving Instandhoudingsdoelstellingen Drukfactoren Beheer en maatregels Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect H9160B Eiken-haagbeukenbossen Omschrijving Instandhoudingsdoelstellingen Drukfactoren
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
6.
7.
8.
5.9.4 Beheer en maatregels 5.9.5 Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect 5.10 H1078 Spaanse vlag 5.10.1 Omschrijving 5.10.2 Instandhoudingsdoelstellingen 5.10.3 Drukfactoren 5.10.4 Beheer en maatregels 5.10.5 Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect 5.11 Overige habitatsoorten 5.12 Samenvatting effectbeoordeling Natura 2000-gebied Savelbos
35 35 36 36 36 37 37 37 37 38
Effectbeoordeling Sint Pietersberg & Jekerdal
39
6.1 6.2 6.3 6.4 6.4.1 6.4.2 6.4.3 6.4.4 6.4.5 6.5 6.5.1 6.5.2 6.5.3 6.5.4 6.5.5 6.6 6.7
39 39 40 42 42 42 43 44 44 45 45 45 45 46 46 46 46
Aanwijzing en ligging gebied Instandhoudingsdoelstellingen Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Sint Pietersberg & Jekerdal. H9160B Eiken-haagbeukenbossen Omschrijving Instandhoudingsdoelstellingen Drukfactoren Beheer en maatregels Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect H1078 Spaanse vlag Omschrijving Instandhoudingsdoelstellingen Drukfactoren Beheer en maatregels Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Overige habitatsoorten Samenvatting effectbeoordeling Natura 2000-gebied Sint Pietersberg en Jekerdal
Effectbeoordeling Bemelerberg & Schiepersberg
47
7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.5.1 7.5.2 7.5.3 7.5.4 7.5.5 7.6 7.6.1 7.6.2 7.6.3 7.6.4 7.6.5 7.7 7.7.1 7.7.2 7.7.3 7.8 7.9
47 47 48 49 51 51 52 53 53 54 54 54 55 55 57 57 57 57 57 58 58 58
Aanwijzing en ligging gebied Instandhoudingsdoelstellingen Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Sint Pietersberg & Jekerdal. Uitgevoerde en geplande herstelmaatregelen H6110* Pionierbegroeiingen op rotsbodem Omschrijving Instandhoudingsdoelstellingen Drukfactoren Beheer en maatregels Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect H9160B Eiken-haagbeukenbossen Omschrijving Instandhoudingsdoelstellingen Drukfactoren Beheer en maatregels Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect H1078 Spaanse vlag Omschrijving Beheer en maatregels Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect Overige habitatsoorten Samenvatting effectbeoordeling Natura 2000-gebied Bemelerberg & Schiepersberg
Effectbeoordeling Noorbeenden & Hoogbos
59
8.1 8.2
59 59
Aanwijzing en ligging gebied Instandhoudingsdoelstellingen
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
8.3 8.4 8.5 8.5.1 8.5.2 8.5.3 8.5.4 8.5.5 8.6 9.
Stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied Noorbeenden & Hoogbos. Uitgevoerde en geplande herstelmaatregelen H9160B Eiken-haagbeukenbossen Omschrijving Instandhoudingsdoelstellingen Drukfactoren Beheer en maatregels Omschrijving projecteffect en beoordeling projecteffect H1083 Vliegende hert
60 61 62 62 62 62 64 64 64
Typische soorten
65
9.1 9.2 9.3 9.4 9.5 9.5.1 9.5.2 9.6
65 65 66 66 68 69 69 69
Dagvlinder Mossen en Korstmossen Reptielen Vaatplanten Vogels Zoogdieren Conclusie Samenvatting
10.
Cumulatie
70
11.
Conclusie
71
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
1. Inleiding In de stikstofberekening (kenmerk - Eij.Arc.25.DO.OW.01, 7 maart 2025), opgesteld door Embridge Nederland BV (verder Embridge), wordt geconcludeerd dat er sprake is van stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden tijdens het eerste jaar van de bouwfase van project herontwikkeling Ursulinenklooster. Er is geen sprake van stikstofdepositie tijdens het tweede jaar van de bouwfase en ook niet in de gebruiksfase. Hierdoor is geen nader onderzoek nodig voor jaar twee van de bouwfase en de gebruiksfase. In voorliggende rapportage wordt getoetst of de stikstofdepositie significante gevolgen kan hebben op de aanwezige Natura 2000-gebieden. Er wordt getoetst op de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen, leefgebieden, habitatrichtlijnsoorten en vogelsoorten die zijn aangewezen voor de desbetreffende Natura 2000-gebieden, waarop een projecteffect plaatsvindt. Gezien de ligging van het projectgebied, middenin Eijsden, en in combinatie met de grote afstand tot Nederlandse Natura 2000gebieden (>400 meter), zal deze voortoets alleen ingaan op mogelijke effecten door stikstofdepositie en geen direct effecten zoals geluid, mechanisch effecten, optische verstoring ect.
2. Aanpak Bij een stikstofonderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen de bouwfase en de gebruiksfase. In dit geval is de bouwfase de periode waarin het project wordt uitgevoerd en is de gebruiksfase de periode na ingebruikname van het project. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS Calculator. Met behulp van dit rekenprogramma zijn drie separate berekeningen gemaakt; Één voor het eerste jaar van de bouwfase, één voor het tweede jaar van de bouwfase en één voor de gebruiksfase. Er is niet gerekend met een referentie situatie. Voor alle stikstofberekeningen berekent de AERIUS-software de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer van de emissiebronnen. In jaar twee van de bouwfase en in de gebruiksfase is er geen sprake van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Er is dus geen sprake van significante gevolgen door stikstofemissie in jaar twee van de bouwfase en in de gebruiksfase waardoor jaar twee van de bouwfase en de gebruiksfase niet verder wordt behandeld in dit rapport. In voorliggende rapportage worden hierdoor alleen de projecteffecten tijdens jaar één van de bouwfase behandeld.
2.1 Wettelijk kader - Omgevingswet – Natura2000-activiteit: Onderdeel Gebiedsbescherming Het is verboden zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit uit te voeren (Ow 5.1 aanhef en onder e). Waarbij een Natura 2000-activiteit een activiteit is inhoudende het realiseren van een project zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (Ow Bijlage bij artikel 1.1, deel A). Als uit de voortoets beoordeling blijkt dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten, is er geen sprake van een natura 2000-activiteit en dus is de project niet vergunning plichtig.
2.2
Stikstofdecreet België
Het ‘Stikstofdecreet’ is goedgekeurd door het Vlaams Parlement op 24 januari 2024 en is in werking getreden op 24 februari 2024. In het decreet is onder artikel 28 het volgende opgenomen: ‘Bij een omgevingsvergunningsaanvraag of een ontwerp van projectbesluit voor de exploitatie van een IIOA is de opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht ten aanzien van SBZ-H niet vereist als de impactscore kleiner is dan of gelijk is aan een drempelwaarde van 1%’.
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
1
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
Het meest stikstofgevoelige habitat dat in Vlaanderen voorkomt (EU-habitattype 3110) heeft een KDW van 6 kg N ha/jr. 1% van het meest stikstofgevoelige habitattype is 0,06 kg N ha/jr. Omgerekend naar gram is dit 60g N ha/jr. 60g gedeeld door de molaire massa van NO2 (46,0055) is 1,30 mol N/ha/jr. Op basis van de Stikstofdecreet met betrekking tot stikstofdepositie in België, is de opmaak van een passende beoordeling van de effecten van stikstofdepositie via de lucht ten aanzien van SBZ-H niet vereist wanneer de stikstofdepositie kleiner is dan 1,30 mol N/ha/jaar.
2.3
Resultaten voor Belgische Natura 2000-gebieden
De projectlocatie bevindt zich op minder dan 25 km van de grens met België. Vanwege het feit dat een aantal Belgische Natura 2000-gebieden zich binnen 25 kilometer van de projectlocatie bevinden en daarmee in potentie door het project kunnen worden belast met stikstof zijn eigen rekenpunten gebruikt. Uit de projectberekening blijkt dat er een maximaal stikstofdepositie toename van stikstofdepositie plaatsvindt in België en hierdoor zal er geen verder beoordeling nodig zijn voor de in België gelegen Natura 2000-gebieden. In Tabel 1 een overzicht van de stikstofdepositie en het oppervlak met stikstof depositie aangegeven tijdens jaar één van de bouwfase. Tabel 1, Grootste toename per Nederlands Natura 2000-gebied en habitattype in de bouwfase. Natura 2000-gebied Basse Meuse et Meuse mitoyenne Montagne Saint-Pierre Plateau van Caestert met hellingbossen en mergelgrotten Voerstreek Basse vallée du Geer
Jaar 1 bouwfase 0,06 0,01
Jaar 2 bouwfase 0,01 0,00
Gebruiksfase 0,01 0,00
0,01
0,00
0,00
0,01 0,01
0,00 0,00
0,00 0,00
Tijdens de bouw- en gebruiksfase is er wel sprake van een toename van stikstofdepositie (0,01 – 0,06 mol N/ha/jr) op belgische Natura 2000-gebieden. Nader onderzoek naar de stikstofdepositie op Belgische natura 2000 gebieden is niet vereist. De stikstofdepositie is namelijk lager dan de grenswaarde in het Stikstofdecreet van 1,30 mol N/ha/jr. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van een significant storend effect op Belgische Natura2000-gebieden ten gevolge van de bouw- en gebruiksfase van de herontwikkeling van het Ursulinenklooster.
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
2
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
3. Project herontwikkeling Ursulinenklooster Het projectgebied ligt aan de Breusterstraat 25 in Eijsden. De herontwikkeling omvat de realisatie van 40 appartementen, deels in de bestaande bebouwing en deels in een nieuw te bouwen aanbouw aan het klooster. In Figuur 1 is de situatietekening van het terrein weergegeven. Figuur 2 geeft de locatie van het project aan.
Figuur 1, Situatietekening van het terrein (bron: Arcus Zuid).
De meest nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebieden zijn ‘Maas bij Eijsden’ op een afstand van circa 430 meter in westelijke richting van het projectgebied, de ‘Savelsbos’ op een afstand van circa 2,2 km in oostelijke richting van het projectgebied, ‘Sinter Pietresberg & Jekerdal’ op een afstand van circa 3,9 km in noordelijke richting van het projectgebied, ‘Noorbeemden & Hoogbos’ op een afstand van circa 5,1 km in oostelijke richting van het projectgebied en ‘Bimelerberg & Schiepersberg’ op een afstand van circa 7,5 km in noordoostelijke richting van het projectgebied (zie figuur 3). Het meest nabijgelegen Belgische Natura 2000-gebied is de ‘Basse Meuse et Meuse mitoyenne’ op circa 550 meter in westelijke richting van het projectgebied.
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
3
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
Figuur 2, Overzicht omgeving met in rood kader de projectlocatie. (bron: regels-op-de-kaart.nl).
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
4
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
Figuur 3, De ligging van het projectgebied (rode ster) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. De minimumafstand tussen het projectgebied en het dichtstbijzijnde N2000-gebied bedraagt ca. 430 meter (bron: AERIUS Calculator 2024.1.2).
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
5
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
3.1
Resultanten Stikstofberekening
In jaar één van de bouwfase is er sprake van stikstofdepositie op vier Natura 2000-gebieden: Savelsbos, Sinter Pietresberg & Jekerdal, Noorbeemden & Hoogbos en Bemelerberg & Schiepersberg. De maximaal bijdrage van stikstofdepositie is 0,02 mol N/ha/jr. De bouwfase is een tijdelijke situatie die niet weer voor komt en de stikstofdepositie is zeer beperkt. In Tabel 2 en Tabel 3 is een overzicht van de stikstofdepositie en het oppervlak met stikstof depositie aangegeven tijdens jaar één van de bouwfase. Tabel 2, Grootste toename per Nederlands Natura 2000-gebied en habitattype in de bouwfase. Natura 2000gebied
Savelsbos
Sint Pietersberg &
Jekerdal Bemelerberg & Schiepersberg Noorbeenden & Hoogbos
Habitattype
Grootste toename (mol N/ha/jr)
Oppervlakte habitattype stikstofdepositie (ha)
H9160B - Eiken-haagbeukenbossen (heuvelland)
0,02
153,72
H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst
0,02
28,67
ZGH6430C - Ruigten en zomen (droge bosranden)
0,01
0,21
H6210 - Kalkgraslanden
0,01
0,16
H6110 - Pionierbegroeiingen op rotsbodem
0,01
0,01
0,01
4,21
0,01
0,64
0,01
0,00
0,01
0,45
H9160B - Eiken-haagbeukenbossen (heuvelland) H9160B - Eiken-haagbeukenbossen (heuvelland) H6110 - Pionierbegroeiingen op rotsbodem H9160B - Eiken-haagbeukenbossen (heuvelland)
Tabel 3, Oppervlakte van stikstofdepositie per habitattype in jaar één van de bouwfase. Oppervlakte habitattype in Natura 2000-gebied zijn aangegeven in AERIUS monitor. Natura 2000gebied
Savelsbos
Sint Pietersberg &
Jekerdal Bemelerberg & Schiepersberg Noorbeenden & Hoogbos
Habitattype
Oppervlakte habitattype in Natura 2000-gebied (Relevant gekarteerd (ha))
% oppervlakte stikstofdepositie
H9160B - Eiken-haagbeukenbossen (heuvelland)
162,56
94,6
H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst
29,21
98,2
ZGH6430C - Ruigten en zomen (droge bosranden)
<1,00
100
H6210 - Kalkgraslanden
<1,00
100
<1,00
100
14,30
29,5
10,28
6,2
<1,00
0
3,08
14,6
H6110 - Pionierbegroeiingen op rotsbodem H9160B - Eiken-haagbeukenbossen (heuvelland) H9160B - Eiken-haagbeukenbossen (heuvelland) H6110 - Pionierbegroeiingen op rotsbodem H9160B - Eiken-haagbeukenbossen (heuvelland)
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
6
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
4. Effectbeoordeling Natura 2000gebieden Bij de ecologische effectbeoordeling staan de kritische depositiewaarde (KDW) centraal als ook de instandhoudingsdoelen, de kwaliteit, oppervlakte, sturende factoren en beheer van de habitattypen en/of soorten. In de volgende paragrafen zijn de verschillende aspecten en de aanpak voor effectbeoordeling toegelicht. De beoordeling per Natura 2000-gebied staat beschreven in hoofdstuk 5 t/m 8.
4.1
Kritische depositiewaarde (KDW)
Onder de Kritische depositiewaarde (KDW), vastgesteld door Van Dobben et. al1 wordt bedoeld: “de grens waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische depositie.” Een kritisch depositieniveau is gedefinieerd als de maximaal toelaatbare hoeveelheid atmosferische depositie waarbij, volgens de huidige wetenschappelijke kennis, negatieve effecten op de structuur en de functies van ecosystemen niet voorkomen. Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan de KDW van het habitat bestaat er een duidelijk risico op een significant negatief effect, waardoor het instandhoudingsdoel voor een habitat (in termen van kwaliteit en oppervlakte) niet duurzaam kan worden gerealiseerd. Hoe hoger de overschrijding van het kritische niveau en hoe langduriger die overschrijding, hoe groter het risico op ongewenste effecten op de biodiversiteit. De kwaliteit van een habitattype wordt bepaald door de aanwezigheid en de samenstelling van kenmerkende planten- en diersoorten. De atmosferische depositie bij realisatie van een project wordt bepaald door een combinatie van de huidige achtergrondwaarde (de heersende depositie als gevolg van het totaal van de bijdragen van alle emissiebronnen, exclusief de bijdrage van het project) en het projecteffect.
Stikstofdepositie is voornamelijk van belang voor de habitattypen maar kan ook consequenties hebben voor leefgebieden van soorten. Toename van depositie kan de abiotiek die ten grondslag ligt aan het voorkomen van habitattypen nadelig beïnvloeden. Vervolgens kunnen typische soorten, maar ook Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten, die afhankelijk zijn van een goede vegetatieopbouw en samenstelling van een habitattype, nadelig beïnvloed worden. De KDW is in Van Dobben et. al (2012) primair uitgedrukt in (hele) kilogrammen stikstof per hectare per jaar. Preciezer dan hele kilogrammen wordt niet verantwoord geacht. Omdat vaak gebruik wordt gemaakt van mol-eenheid, zijn de kilogrammen ook rekenkundig omgezet naar hele mol waarden (1kg N = 71,43 mol N). Bij de beschrijving of er wel of niet sprake is van overschrijding van de KDW worden de termen niet overbelast, naderend overbelast, en overbelast gehanteerd. Bij naderend overbelast is de achtergrondwaarde onder de KDW, maar is het verschil met de KDW minder dan 70 mol N/ha/jr. Bij niet overbelaste situaties is het verschil met de KDW meer dan 70 mol/ha/jr. De huidige situatie (2024) is in de effectbeoordeling gebruikt om te bepalen of voor een bepaald habitattype of leefgebied sprake is van (naderende) overschrijding van de KDW en daarmee van een (naderende) overbelasting.
Autonoom is mogelijk sprake van een daling van de achtergronddepositie. Omdat dit onzeker is, wordt uitgegaan van de achtergronddepositie in de huidige situatie. Deze beoordeling is op hexagoonniveau uitgevoerd. Wanneer er in de huidige situatie geen sprake is van een overbelasting, dan wel naderende overbelasting is stikstof geen knelpunt en kunnen effecten worden uitgesloten. Alle habitattypen en soorten met leefgebieden waarvan de KDW in de huidige situatie wordt overschreden of naderend wordt overschreden zijn meegenomen in de effectbeoordeling voor het betreffende Natura 2000-gebied.
Van Dobben, H.F., Bobbink, R., Bal, D. en Van Hinsberg, A.. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra Wageningen UR, 2012. 1
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
7
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
4.2
Instandhoudingsdoelstellingen
De instandhoudingsdoelstellingen uit de definitieve aanwijzingsbesluiten vormen het toetsingskader. De doelen voor habitattypen zijn gericht op oppervlakte en kwaliteit. Voor soorten (habitatsoorten en vogels) zijn doelen gericht op oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied en zijn doelen geformuleerd voor de populatie waarbij voor vogels vaak een aantalsdoelstelling is opgenomen. Voor de doelen zijn behouds-, uitbreidings-, of verbeteropgaven opgesteld. Dit zijn de instandhoudingsdoelstellingen. De staat van instandhouding is gunstig als de trend vanaf het moment van aanwijzing neutraal of positief is en/of de gestelde aantallen (bijvoorbeeld broedvogels of overwinterende vogels) of draagkrachtsdoel worden gehaald. Voor de bepaling van de aanwezigheid van habitattypen, -soorten en bijbehorend leefgebied binnen het Natura 2000-gebied en de staat van instandhouding is in de beoordeling gebruik gemaakt van de meest actuele informatie in de natuurdoelanalyses, beheerplannen en de actuele vigerende habitattypen- en leefgebiedkaarten zoals opgenomen in AERIUS Calculator/Monitor.
4.3
Zoekgebieden
Voor zowel de habitattypen als leefgebieden zijn zoekgebieden aangegeven op de habitattypen- en leefgebiedenkaart. In de zoekgebieden zijn, conform het Methodiekdocument kartering habitattypen Natura 2018, locaties aangegeven waar de aanwezigheid van een habitattype en/of leefgebied niet met zekerheid door middel van kartering is vastgesteld, maar wel met een bepaalde mate van zekerheid aanwezig is. In de voorliggende effectbeoordeling zijn de zoekgebieden meegenomen in de beoordeling indien er instandhoudingsdoelstelling zijn aangewezen in de Natura 2000 gebied.
4.4
Habitattypen
Bij de effectbeoordeling van habitattypen is gekeken naar die locaties waar sprake is van een stikstofdepositietoename als gevolg van het project in een situatie van een (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde. Vegetaties zijn namelijk gebonden aan een standplaats. De locaties van een habitattype waar geen sprake is van een toename van stikstofdepositie zijn niet betrokken in de effectbeoordeling. Stikstofdepositie uit de lucht heeft een vermestende en verzurende werking op de bodem die van invloed kan zijn op vegetatie(ontwikkeling) ter plekke. Met de te hoge stikstofdepositie, mogelijk versterkt door verdroging en/of achterstallig beheer, treedt er door een overmaat aan voedingsstoffen (vermesting) versnelde successie op met vergrassing en verbossing. Snelgroeiende soorten profiteren namelijk van de grote beschikbaarheid aan voedingsstoffen. Hierdoor verandert de vegetatiesamenstelling. De mate waarin is verder afhankelijk van het habitattype en standplaatsfactoren zoals het bodemtype. Ook de mate waarin verzuring van de bodem plaatsvindt door te hoge stikstofdepositie is afhankelijk van standplaatsfactoren (onder andere bodemtype, natuurlijke overstroming). Verzuring van de bodem door te hoge stikstofdepositie leidt tot uitspoeling van kalk en andere mineralen waardoor de vegetatiesamenstelling verandert.
Voor habitattypen waar sprake is van een stikstofdepositietoename is de huidige kwaliteit en trend beschreven en is bepaald wat de sleutelfactoren en knelpunten zijn. Sleutelfactoren zijn bepalend voor het voorkomen en de kwaliteit van het type. Het betreft vaak de sturende factoren (grond)waterhuishouding en aanwezigheid van (natuurlijke) dynamiek. Ook is het huidige beheer beschreven. Beheer in de vorm van begrazing, maaien en afvoeren, afplaggen, uitbaggeren zijn voor diverse habitattypen noodzakelijk om de natuurlijke successie terug te zetten en is daarmee een sterk bepalende sleutelfactor voor de kwaliteit van een habitattype. Bij de beschrijving en beoordeling is gebiedsspecifieke informatie van de betreffende habitattypen betrokken. Hierbij is gebruik gemaakt van de meest recente natuurdoelanalyses, beheerplannen en gebiedsanalyses van de betreffende Natura 2000-gebieden.
4.5
Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten
De effectbeoordeling van habitat- en vogelrichtlijnsoorten die (deels) afhankelijk zijn van stikstofgevoelig leefgebied is anders dan bij de habitattypen. Bij aangewezen soorten staat de vraag centraal of het Natura 2000-gebied voldoende draagkracht biedt voor het in standhouden van een minimaal aantal van de soort.
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
8
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
De meeste soorten zijn in meer of mindere mate mobiel en zijn daarmee niet strikt plaatsgebonden. De draagkracht van een gebied wordt bepaald door aanbod van geschikt leefgebied, dat kan bestaan uit een divers aanbod van verschillende vegetatietypen (habitattypen en leefgebieden), alsook voldoende rust of afwezigheid van andere verstorende factoren zoals verlichting (bijvoorbeeld voor de meervleermuis). Voor de gebiedsspecifieke beschrijving van de verspreiding, trend en knelpunten van de soorten is gebruik gemaakt van de meest recente natuurdoelanalyses, beheerplannen en gebiedsanalyses van de betreffende Natura 2000-gebieden. Per relevante soort is gekeken naar de mogelijke leefgebieden/habitattypen en het projecteffect op potentieel geschikt leefgebied binnen het Natura 2000-gebied. In bijlage II van de herstelstrategieën (Smits & Bal 2006) zijn de soorten beschreven die geheel of deels gebruik maken van stikstofgevoelig leefgebied en/of habitattypen. In AERIUS Calculator is het stikstofgevoelig leefgebied opgenomen. In de beoordeling is specifiek gekeken of de toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelig leefgebied, als gevolg van het project herontwikkeling Ursulinenklooster, leidt tot een knelpunt voor de instandhoudingsdoelstelling van de specifieke soort.
4.6
Typische soorten
Typische soorten zijn dier- en plantensoorten die kenmerkend zijn voor een bepaald habitattype. Deze soorten zijn opgenomen in de profielendocumenten van de habitattypen en worden benoemd in de beheerplannen van het Natura 2000-gebied. De aanwezigheid van typische soorten vormt een kwaliteitsaspect van een habitattype. Typische soorten zijn op zichzelf niet aangewezen en kennen dus ook geen zelfstandige instandhoudingsdoelstelling. Op 20 februari 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak geoordeeld dat bij een beoordeling van een project de gevolgen moeten worden geïnventariseerd en onderzocht voor de typische soorten, op voorwaarde dat deze effecten de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied kunnen aantasten. In de effectbeoordeling dient beoordeeld te worden of een eventueel effect op één of meer typische soorten ook een gevolg heeft voor de kwaliteit van een aangewezen habitattype. Bij het in beeld brengen van de gevolgen van stikstofdepositie voor een habitattype is de kwaliteit van het habitattype integraal meegenomen en daarmee indirect ook de gevolgen voor typische soorten. De kwaliteit van een habitattype omvat bijvoorbeeld ook de structuur van de vegetatie en voedselaanbod voor typische diersoorten zoals sprinkhanen en krekels, dagvlinders, libellen, amfibieën, reptielen en vogels.
Er is daarom geen afzonderlijke toets voor typische soorten nodig.
4.7
Beoordeling significante effecten
In de effectbeoordeling moet worden aangegeven of er door het projecteffect sprake kan zijn van significante effecten voor het betreffende habitattype, habitatsoort of vogelsoort. Significante effecten zijn aan de orde wanneer als gevolg van de toename van stikstofdepositie door een plan of project gevaar dreigt voor het halen van de betrokken instandhoudingsdoelstellingen. Waarbij de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten van de betrokken Natura 2000gebieden.2 Bij uitbreidings- of verbeterdoelen moet worden beoordeeld of de omstandigheden zodanig veranderen door toename aan stikstofdepositie door het plan of project dat die veranderingen het bereiken van die de doelen in de weg kunnen staan. Het gaat om concreet waarneembare veranderingen zoals verandering van de soortensamenstelling van de vegetatie, biomassa (structuur), zuurgraad van de bodem of stikstofbeschikbaarheid in de bodem. 3 Wanneer een verbeterdoelstelling geldt, maakt het tijdpad van de verbetering zoals uitgewerkt in het Natura2000-beheerplan deel uit van de doelstelling. Wezenlijke vertraging in het tijdpad als gevolg van de toename van stikstofdepositie door een plan of project kan als significant worden gekwalificeerd.
De beoordeling over het optreden van significante effecten voor het project herontwikkeling Ursulinenklooster is in voorliggende voortoets per individueel Natura 2000-gebied uitgevoerd en beschreven in hoofdstuk 5 t/m 8. Voor zowel de habitattypen, habitatsoorten en aangewezen vogelsoorten is beoordeeld op hoeveel hectaren zij voorkomen en welke hectaren door de toename van
2 HvJEU 7 september 2004, zaak C-127/02 (Kokkelvisserij), punt 49 3 ABRS 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2752, (inpassingsplan Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland), r.o.
16.3. Het is
de verwachting dat dit ook geldt wanneer een behoudsdoelstelling geldt.
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
9
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
stikstof worden beïnvloed. Daarnaast is gekeken naar de kwaliteit van de habitattypen en het leefgebied, de knelpunten, de van toepassing zijnde instandhoudingsdoelstellingen en naar de gevolgen van de toename van stikstofdepositie als gevolg van het project. Onderstaande hoofdstuk 4.8 beschrijft daarnaast enkele algemene overwegingen.
4.8 Perspectief hoeveelheden stikstof Project herontwikkeling Ursulinenklooster Recent zijn voor alle Natura 2000-gebieden natuurdoelanalyses (NDA’s) opgesteld welke momenteel door de Ecologische Autoriteit worden getoetst. Doel van de NDA’s is om voorafgaand aan de vaststelling van het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering te beoordelen of de uitgevoerde en geplande maatregelen leiden tot het realiseren van de condities voor instandhoudingsdoelen voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten. De berekende kleine stikstofdepositie leidt niet tot een meetbaar of merkbaar gevolg voor de vegetatie en heeft daardoor ook geen effect op de kwaliteit van de habitattypen in Natura2000-gebied. De onderbouwing hiervoor is vijfdelig: 1. Kleine (en tijdelijke) deposities leiden nooit tot schade aan planten 2. Niet alle stikstof komt altijd ter beschikking aan de vegetatie. 3. Kleine (en tijdelijke) deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling 4. Kleine (en tijdelijke) deposities zijn verwaarloosbaar in relatie tot het (reguliere) beheer. 5. Kleine (en tijdelijke) deposities zijn verwaarloosbaar ten opzichte van bestaande afvoer van stikstof uit ecosystemen 1.
Kleine (en tijdelijke) deposities leiden nooit tot schade aan planten
Hoge concentraties van gasvormige stikstofverbindingen en hoge concentraties van ammonium (NH 4+) in de bodem, kunnen directe toxische effecten veroorzaken op planten. Dit betekent dat deze hoge concentraties een directe schadelijke werking uitoefenen op de (cel)fysiologie van planten. Bij indirecte effecten, waarop de overige bouwstenen zijn gebaseerd, treden de schadelijke effecten op door geleidelijke veranderingen in het bodemmilieu (waarbij overigens ook giftige stoffen zoals aluminium kunnen ontstaan) en/of door veranderingen in beschikbaarheid van voedingsstoffen voor planten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland zo laag dat directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme speelt in daarom Nederland t.a.v. atmosferische depositie van stikstof geen rol.4 Hieruit volgt ook de conclusie dat kleine en tijdelijke toenames van depositie van stikstof nooit kunnen leiden tot meetbare directe schade aan planten. Directe schade aan individuele planten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen in Natura2000-gebieden als gevolg van een kleine en tijdelijke deposities met zekerheid uitgesloten is. 2.
Niet alle stikstof komt altijd ter beschikking aan de vegetatie.
Uitspoeling van nitraat Nitraat (N03-) en ammonium (NH4+) zijn stikstofverbindingen die oplossen in water en zo via de bodem door plantenwortels kunnen worden opgenomen. Nitraat wordt vrijwel niet geabsorbeerd aan bodemdeeltjes en is direct beschikbaar voor planten. Ammonium in de oplossing is in evenwicht met het ammonium dat aan bodemdeeltjes geadsorbeerd is. Vooral in bodem met een hoog aandeel kleideeltjes kan het aandeel gebonden ammonium hoog zijn. Het gebonden ammonium is voor een deel beschikbaar
4 Smits, N.A.C. & D. Bal, 2014. Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische
Aanpak Stikstof (PAS). Deel I: Algemene inleiding herstelstrategieën: beleid, kennis en maatregelen. Alterra Wageningen UR & Programmadirectie Natura 2000 van het Ministerie van Economische Zaken
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
10
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
voor planten.5 Als de hoeveelheid opgelost stikstof in de bodem hoog is, en deze niet door planten worden opgenomen, dan kan een deel van de stikstof uitspoelen. In terrestrische systemen spoelt stikstof bijna altijd uit in de vorm van nitraat, aangezien ammonium in de bodem weinig mobiel is en maar zeer beperkt naar het grondwater verdwijnt. Alleen in natte systemen, waaronder veengronden, kan ammoniumuitspoeling naar het grondwater ook kwantitatief van belang zijn.6 Uitspoeling is afhankelijk van het soort bodem, waarbij in zandgronden de meeste stikstof uitspoelt, en in veengrond het minste (Tabel 4). In volgorde van meeste naar minste uitspoeling is het zand, klei en veen, waarbij met name in zandgronden ook de grondwatertrap een belangrijke rol speelt. Daarbij geldt dat hoe droger de bodem, hoe groter de concentratie uitspoeling is. 7 8 De hoeveelheden stikstof die uitspoelt na het groeiseizoen bij op landbouwgrond is ter indicatie opgenomen in Tabel 4. Deze tabel geeft de situatie weer in bemeste landbouwgebieden. In natuurgebieden is de uitspoeling naar het grond- of oppervlaktewater niet het gevolg van bemesting maar als gevolg van atmosferische depositie en mineralisatie van organische stof.
De jaarlijkse nutriëntenvrachten van het uit- en afspoelende water uit natuurgebieden in zandgebieden varieert in de periode 2016-2030 tussen 4 en 16 kg N/ha/jaar bij een depositie van 33 (± 7) kg N/ha/jaar.9 Dit is dus minimaal 10% van de stikstofdepositie die dan wegspoelt. Tabel 4, Fractie van het stikstofoverschot op de bodembalans dat uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater (uitspoelingsfractie) per bodemgebruik en grondsoort. De romeinse cijfers geven de grondwatertrappen: 1 = zeer nat en VIII = zeer droog). Naar tabel 3.1 en 3.2 uit RIVM, 2007. De uitspoeling van het stikstofoverschot naar grond- en oppervlaktewater op landbouwbedrijven Zand Bodemgebruik Klei Veen I/II/III* III III* IV V V* VI VII VIII Bouwland 0,04 0,07 0,28 0,38 0,45 0,43 0,58 0,74 0,89 0,36 Grasland 0,02 0,04 0,14 0,20 0,23 0,22 0,30 0,38 0,46 0,12 0,04 Bij het bepalen van de kritische depositiewaarden is in beginsel rekening gehouden met het feit dat een deel van de atmosferische depositie in habitattypen weer uit het systeem verdwijnt. Bij het beoordelen van het effect van toenames van deposities mag hier echter wel rekening mee worden gehouden: een deel van de stikstof zal uit de wortelzone verdwijnen, voordat deze vastgelegd wordt (en later weer ter beschikking kan komen voor de plant) of direct opgenomen wordt door de planten.
Buiten het groeiseizoen nemen planten relatief weinig voedingsstoffen op uit de bodem. In het najaar en de winter verdwijnt daarom een groter deel van de depositie uit de wortelzone dan in het voorjaar en de zomer. Vanuit dit principe kan het aan te bevelen zijn om werkzaamheden die stikstofdepositie veroorzaken in Natura 2000-gebieden met zandige milieus in het najaar uit te voeren, zodat een deel van de stikstof weer uitgespoeld is aan het begin van het groeiseizoen. Hoewel het moeilijk is om betrouwbare kwantitatieve onderbouwingen te geven voor de mate waarin stikstof die als gevolg van atmosferische depositie in een natuurgebied terecht komt weer uitspoelt, en daarom niet ter beschikking komt aan de vegetatie, is een aantal algemene conclusies te trekken: Een deel van de stikstof die via droge of natte depositie in een habitattype terecht komt zal niet direct worden opgenomen door de plant, maar worden gebonden in de bodem of uitspoelen naar het grond- of oppervlaktewater. Nitraat wordt slecht gebonden in de bodem, en blijft of gaat daardoor in oplossing in het grondwater. Uitspoeling van stikstof zal daarom vooral in de vorm van nitraat plaatsvinden.
5 Mengel, K., 1991. Available nitrogen in soils and its determination by the 'Nmin-method' and by electroultrafiltration (EUF).
Fertilizer Research 28: 251-262. 6 Kros, J., B.J. de Haan, R. Bobbink, J.A. van Jaarsveld, J.G.M. Roelofs & W.de Vries 2008. Effecten van ammoniak op de Nederlandse natuur. Wageningen, Alterra-rapport 1698, 132 p. 7 RIVM, 2007. De uitspoeling van het stikstofoverschot naar grond -en oppervlaktewater op landbouwbedrijven 8 Schoumans, O.F., P. Groenendijk, L. Renaud & F.J.E. van der Bolt, 2008. Nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater Vergelijking tussen landbouw- en natuurgebieden. Wageningen, Alterra, Alterrarapport 1700. 9 Schoumans, O.F., P. Groenendijk, L. Renaud & F.J.E. van der Bolt, 2008. Nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater Vergelijking tussen landbouw- en natuurgebieden. Wageningen, Alterra, Alterrarapport 1700.
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
11
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
Uitspoeling is vooral relevant in habitattypen van zandgronden, en is groter naarmate deze habitattypen verbonden zijn aan drogere omstandigheden. In klei- en vooral veenbodem is uitspoeling van stikstof aanzienlijk geringer. - Bij activiteiten van Rijkswaterstaat, ProRail en veel andere ontwikkelaars is vooral sprake van uitstoot van NOx, wat in de vorm van opgelost nitraat in het bodemmilieu terecht komt. - In specifieke gevallen (drogere omstandigheden in zandgronden) verdwijnt een deel van de depositie (tot meer dan 50%) weer uit het systeem voordat het opgenomen wordt door planten. Waar er sprake is van stikstofdepositie vanwege project herontwikkeling Ursulinenklooster, liggen op loss en zandgronden. 10 Rond 0,04 tot 0,5% van de stikstofdepositie gemoduleerd met AERIUS calculator emissie zal dus niet beschikbaar zijn voor planten in de groei seizoen. 3.
Kleine (en tijdelijke) deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling
Bij vermesting is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof (nitraat en ammonium), dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen bevoordeeld relatief snelgroeiende planten, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen ten opzichte van minder snelgroeiende soorten. Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Afname van deze soorten leidt tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen, maar ook leefgebieden, en op den duur zelfs voor areaalverlies. Vermesting en verzuring zijn processen die met elkaar in verband staan. De verzurende werking van stikstofdepositie zorgt ervoor dat de buffercapaciteit afneemt waardoor stikstof gemakkelijker wordt opgenomen en concurrentieverhoudingen veranderen. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een éénmalige en kleine depositietoename van 1 mol N/ha is de volgende berekening illustratief. 11 o o o
o
o
een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N per hectare; de productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar12; het aandeel stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten13; voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30 tot 90 kg N/ha/jaar nodig. Dit komt overeen met circa 2.150 en 6.400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof; dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing); Een eenmalige depositie van 1 mol N/ha/jaar komt overeen met 0,02-0,05% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie.
Een eenmalige en kleine toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie, en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit
10 https://ez.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=61d2e75688b24ec2bd102b2f8d7f7fc2 11 Handreiking kleine en tijdelijke stikstofdeposities; Bouwstenen voor ecologische beoordeling voor tijdelijke projecten en
activiteiten: versie 2024, Arcadis 12 Tolkamp, G.W., C.A. van den Berg, G.J. Nabuurs & A.F. Olsthoorn, 2006. Kwantificering van beschikbare biomassa voor bioenergie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra, Wageningen. Alterra-rapport 1380. 13 https://www.nutrinorm.nl/nl-nl/Paginas/Hoofdelementen-Waarom-heeft-een-plant-stikstof-nodig.aspx#.XR4CmGaP6fg
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
12
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
kan geconcludeerd worden dat een eenmalige kleine depositietoename de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast. Een tijdelijke depositie van maximaal 0,03 mol/ha/jr komt overeen met 0,0004% en 0,001% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee niet tot veranderingen in concurrentiepositie en afname van soortenrijkdom. Deze hoeveelheden hebben ook zeker geen doorwerking op het reguliere natuurbeheer. 4.
Kleine (en tijdelijke) deposities zijn verwaarloosbaar in relatie tot het (reguliere) beheer
Om een beeld te geven van de omvang van een mogelijk effect van kleine en tijdelijke depositietoenames zijn deze te relateren aan de totale depositie in een gebied, de gevoeligheid van de habitattypen en leefgebieden en de nauwkeurigheid waarmee effecten kunnen worden vastgesteld. Een dergelijke uitwerking kan geen bewijslast vormen voor het niet optreden van aantasting van natuurlijke kenmerken, maar geeft wel ondersteuning voor een eventuele conclusie dat de kleine en tijdelijke depositie ecologisch gezien niet of in beperkte mate relevant is. Hoeveel is 1 mol stikstof per hectare per jaar? Eén mol stikstof komt overeen met 14 gram N (of in de vorm van stikstofverbindingen met 62 gram NO 3of 18 gram NH4+). 14 gram N komt overeen met het gewicht van ca. vier suikerklontjes (één eetlepel suiker). Deze hoeveelheid wordt gedurende een jaar gelijkmatig in tijd en ruimte verdeeld over een oppervlakte die gelijk is aan ongeveer 1,5 voetbalvelden. In Tabel 5 is de dosis van 14 gram omgerekend naar dosis per dag en per m2. Tabel 5, Omrekening van gewicht van 1 mol stikstof per tijdseenheid per oppervlakte naar gewicht per tijdseenheid per oppervlakte.
Eenheid Gewicht gram stikstof per jaar per hectare 14 = 14 g N per jaar per hectare 1 mol gram stikstof per dag per hectare 0,04 = 40 mg N per dag per hectare N/ha/jr is in gram stikstof per dag per m2 0,000004 = 4 μg N per dag per m2 Ter vergelijking: de Commissie Bemesting Grasland en Voedergewassen van LTO-Nederland geeft voor productiegrasland het advies een jaarlijkse mestgift te doen van 359-382 kg N per hectare productiegrasland.14 Dit is ca. 26.000 keer zoveel stikstof als bij 1 mol N/ha eenmalige depositie. Weliswaar gaat het hierbij uiteraard niet om een natuurlijk habitat maar om productiegrasland, maar dit zet de omvang van de eenmalige depositie van 1 mol op natuurlijke systemen wel in perspectief. Hoe verhoudt toename zich tot achtergrondbelasting in een bepaald gebied? Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloede oorzaken depositie van stikstofdepositie plaats. Deze achtergronddepositie (ADW) varieert tussen ca. 700 en 4000 mol N/ha/jaar, afhankelijk van de locatie binnen Nederland. Deze deposities vinden al gedurende decennia permanent plaats, zij het dat ze in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald zijn. Hoewel er sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en achtergronddepositie dalen, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie van jaar tot jaar.
Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de
14 Commissie Bemesting Grasland en Voedergewassen, 2017. Bemestingsadvies. Wageningen Livestock Research.
http://www.bemestingsadvies.nl
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
13
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
orde van grootte van 10%.15 Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol N/ha/jaar. Een eenmalige dosis van 1 mol N/ha als gevolg van tijdelijke activiteiten is daarom relatief gezien zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld, als de hoogte van deze deposities over lange termijnen. In Tabel 6 is een omrekening gegeven van de verhouding tussen kleine depositietoenames met verschillende waarden, en de een aantal waarden van achtergronddeposities binnen de spreiding waarmee deze binnen Nederland voorkomen. De tabel kan gebruikt worden om te illustreren dat een bepaalde eenmalige en lage toename van de depositie zeer gering is ten opzichte van de al lang bestaande en permanente deposities op specifieke habitattypen. De tabel kan daarmee gebruikt worden om deze kleine en tijdelijke deposities te nuanceren. Tabel 6, Verhouding (percentage) tussen waarden van kleine toenames van stikstofdeposities en representatieve waarden van achtergronddeposities.
ADW = achtergronddepositie Toename depositie (in %) ADW (in mol N/ha/jaar) 0,05 mol N/ha 0,1 mol N/ha 0,25 mol N/ha 0,5 mol N/ha 1 mol N/ha 700 0,007 0,014 0,036 0,071 0,143 800 0,006 0,013 0,031 0,063 0,125 900 0,006 0,011 0,028 0,056 0,111 1000 0,005 0,010 0,025 0,050 0,100 1250 0,004 0,008 0,020 0,040 0,080 1500 0,003 0,007 0,017 0,033 0,067 1750 0,003 0,006 0,014 0,029 0,057 2000 0,003 0,005 0,013 0,025 0,050 2250 0,002 0,004 0,011 0,022 0,044 2500 0,002 0,004 0,010 0,020 0,040 2750 0,002 0,004 0,009 0,018 0,036 3000 0,002 0,003 0,008 0,017 0,033 3500 0,001 0,003 0,007 0,014 0,029 4000 0,001 0,003 0,006 0,013 0,025 Hoe verhoudt de toename zich tot de kritische depositie van habitattypen en leefgebieden? De kritische depositiewaarde geeft aan beneden welke totale depositie (in mol N/ha/jaar) significante effecten als gevolg van stikstofdepositie op een habitattype of leefgebied met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Bij deze kritische depositiewaarden gaat het om de gevoeligheid van blootstelling van habitattypen en leefgebieden aan stikstofverbindingen gedurende langere perioden. De kritische depositiewaarden zijn afgerond op hele kg’s stikstof. Deze zijn daarna teruggerekend naar mol (dus met een nauwkeurigheid van ca. 71 mol). Een meer precieze bepaling van de kritische depositiewaarden is op grond van beschikbare kennis en modeluitkomsten niet mogelijk.
Aan de kritische depositiewaarde kleeft dus een onzekerheidsmarge van in totaal 142 mol N/ha/jaar, waarbij het bovendien gaat om permanente, en dus langdurige jaarlijkse depositieniveaus. Een kleine en tijdelijke depositietoename van minder dan 1 mol N/ha/jaar bevindt zich dus zeer ruim binnen de betrouwbaarheidsmarges waarmee de kritische depositiewaarden toegepast kunnen worden. Een eenmalige dosis van 1 mol N/ha aan stikstof als gevolg van tijdelijke activiteiten is daarom relatief gezien zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de kritische depositiewaarden zijn vastgesteld, als de hoogte van deze kritische depositiewaarden als lange termijn grenswaarde.
15 https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende-depositie, geraadpleegd op 24-07-2024.
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
14
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
Tabel 7, Verhouding (percentage) tussen waarden van kleine toenames van stikstofdeposities en kritische depositiewaarden. Toename depositie (in %) ADW (in mol N/ha/jaar) 0,05 mol N/ha 0,1 mol N/ha 0,25 mol N/ha 0,5 mol N/ha 1 mol N/ha 429 0,012 0,023 0,058 0,117 0,233 500 0,010 0,020 0,050 0,100 0,200 714 0,007 0,014 0,035 0,070 0,140 786 0,006 0,013 0,032 0,064 0,127 857 0,006 0,012 0,029 0,058 0,117 929 0,005 0,011 0,027 0,054 0,108 1000 0,005 0,010 0,025 0,050 0,100 1071 0,005 0,009 0,023 0,047 0,093 1143 0,004 0,009 0,022 0,044 0,087 1214 0,004 0,008 0,021 0,041 0,082 1286 0,004 0,008 0,019 0,039 0,078 1357 0,004 0,007 0,018 0,037 0,074 1429 0,003 0,007 0,017 0,035 0,070 1571 0,003 0,006 0,016 0,032 0,064 1643 0,003 0,006 0,015 0,030 0,061 1714 0,003 0,006 0,015 0,029 0,058 1786 0,003 0,006 0,014 0,028 0,056 1857 0,003 0,005 0,013 0,027 0,054 2000 0,003 0,005 0,013 0,025 0,050 2071 0,002 0,005 0,012 0,024 0,048 2143 0,002 0,005 0,012 0,023 0,047 2214 0,002 0,005 0,011 0,023 0,045 2286 0,002 0,004 0,011 0,022 0,044 2400 0,002 0,004 0,010 0,021 0,042 2429 0,002 0,004 0,010 0,021 0,041 Hoe verhoudt toename zich tot snelheid autonome daling stikstofdepositie (verleden en prognose)? De depositie van stikstofverbindingen is in de afgelopen decennia sterk gedaald. In ca. 25 jaar is de gemiddelde depositie in Nederland afgenomen van 2700 naar 1700 mol N/ha/jaar.
Dit betekent een gemiddelde jaarlijkse daling van 40 mol N/ha/jaar. Het RIVM verwacht dat de depositie ook de komende jaren zal blijven dalen.16 17 18 Hoewel deze daling een prognose is en dus niet vaststaat, is het gezien de geregistreerde daling die in de afgelopen decennia heeft plaatsgevonden, en de doorvertaling van voorgenomen beleid wel aannemelijk dat ook in het komende decennium een verdere daling van de achtergrondbelasting zal optreden, maar dat de daling zonder extra maatregelen niet op het beoogde niveau komt. Een tijdelijke en kleine depositie in een bepaald gebied betekent dat de daling van de stikstofdepositie in dat gebied enige tijd vertraagd wordt, maar zich na afloop van die depositie weer op hetzelfde niveau als daarvoor bevindt. Met name op veen- en kleigrond wordt stikstof echter gebonden, waardoor deze stikstof niet onmiddellijk weer uit het systeem verdwijnt, en heel geleidelijk ter beschikking kan komen aan de vegetatie. Het kan illustratief zijn om de omvang van de tijdelijke depositie af te zetten tegen de snelheid van de autonome daling van de achtergronddepositie. De tijdelijke depositie wordt dan uitgedrukt in de tijd die verloopt voordat een vergelijkbare daling in het betreffende gebied is opgetreden.
In Tabel 8 is aangegeven wat het equivalent in tijd is van bepaalde tijdelijke toenames bij verschillende waarden van de autonome daling van de achtergronddepositie. Voor 0,02 mol N/ha/jr varieert dit van een halve dag (bij
Uitgangssituatie voor de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering Dit rapport bevat een erratum d.d. 17-01-2023 op pagina 85. RIVM-rapport 2022-0120. 17 RIVM, 2023. Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2023 Monitoring van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. RIVM-rapport 2023-0239. 16 RIVM, 2022. Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2022
18 RIVM, 2024. Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2024. RIVM-2024-0076
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
15
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
een zeer lage tijdelijke toename en grote daling van de ADW) tot één dag (bij een relatief geringe daling van de ADW). Tabel 8, Tijdelijke depositie uitgedrukt als tijdsverloop (in dagen) van de afname van de achtergronddepositie (bij verschillende waarden). Vertraging door tijdelijke depositie (in dagen) ADW (in mol N/ha/jaar) 0,05 mol N/ha 0,1 mol N/ha 0,25 mol N/ha 0,5 mol N/ha 20 0,9 1,8 4,6 9,1 25 0,7 1,5 3,7 7,3 30 0,6 1,2 3,0 6,1 35 0,5 1,0 2,6 5,2 40 0,5 0,9 2,3 4,6
1 mol N/ha 18,3 14,6 12,2 10,4 9,1
De huidige achtergronddepositie van hexagonen waarvoor door het project een tijdelijke toename is berekend ligt tussen 1.300 mol/ha/jr en 2.200 mol/ha/jr. Het maximale projecteffect van 0,02 mol/ha/jr bedraagt daarmee 0,0009% - 0,0015% van de huidige achtergronddepositie. Dit is marginaal. De daadwerkelijke depositie van stikstof op een specifieke locatie varieert van jaar tot jaar. Dit heeft te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). In het achtergrondrapport bij de grootschalige concentratie- en depositiekaarten van Nederland is door het RIVM aangegeven dat onvermijdelijke meteorologische fluctuatie variaties geven in jaargemiddelde concentraties en deposities van 5 tot 10%19. Dit komt bij een achtergronddepositie tussen de 1.300 mol N/ha/jr en 2.200 mol N/ha/jr neer op een fluctuatie in de ordegrootte van 65 tot 220 mol N/ha/jaar. Een tijdelijke maximale dosis van 0,02 mol/ha/jr aan stikstof als gevolg van jaar één van de bouwfase van het project herontwikkeling Ursulinenklooster is mede vanuit dit oogpunt relatief gezien zeer gering; 5.
Kleine en tijdelijke deposities zijn verwaarloosbaar ten opzichte van bestaande afvoer van stikstof uit ecosystemen
In veel half natuurlijke systemen vindt cyclisch natuurbeheer plaats wat is gericht op het verwijderen en (meestal ook) afvoeren van organisch materiaal. Hiermee vindt ook afvoer van stikstofverbindingen plaats. Op deze wijze wordt een evenwicht onderhouden tussen input van nutriënten en afvoer daarvan. De meest toegepaste beheermethoden die in bestaand beheer worden toegepast zijn maaien, beweiden/begrazen, plaggen en chopperen (verwijderen zode met organisch materiaal) en snoeien. De stikstof wordt meestal uit het systeem verwijderd doordat het materiaal geoogst en/of afgevoerd wordt. Hierdoor wordt de in de planten opgenomen stikstof weer grotendeels uit het systeem verwijderd. Een zeer geringe en tijdelijke depositie van maximaal 0,02 mol/ha/jr heeft geen invloed op dit reguliere bestaande natuurbeheer. Er zijn rekenvoorbeelden die dit onderbouwen. 20 Uitgaande van een eenmalige extra depositie van 1 mol/ha/jr is voor afvoer van de extra aanwas 0,024 schaapdag nodig. Uitgaande van een graasduur van 8 uur per dag (gescheperde kudde), moet om het gehele effect van de 0,02 mol N/ha/jr extra depositie van een heel jaar af te voeren door één schaap op jaarbasis minder dan 1 minuten extra worden gegraasd. Een dergelijke kleine extra beheerinspanning is verwaarloosbaar en leidt niet tot enig effect op het habitattype.
Een vergelijkbare berekening kan worden gemaakt met maaibeheer. Bij bijvoorbeeld een eenmalige extra depositie van 1 mol/ha/jr valt de aanwas van vegetatie per hectare weg tegen de gemiddelde oogst van matig voedselarme graslanden van 3,5 ton per hectare. 21 Een dergelijke geringe relatieve productietoename van 0,002% van de achtergronddepositie wordt ongemerkt meegenomen bij de uitvoering van het beheer;
19 https://www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende-depositie, geraadpleegd op 25-07-2024. 20 Handreiking kleine en tijdelijke stikstofdeposities; Bouwstenen voor ecologische beoordeling voor tijdelijke projecten en
activiteiten: versie 2024, Arcadis 21 Elbersen, W. & Spijker, J., 2018. Biomassapotentie Rijkswaterstaat. Analyse van hoeveelheden en huidige toepassing
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
16
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
4.9
Cumulatie
Indien een plan/project leidt tot enig effect, maar dit effect niet significant is omdat de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar komen, dient vervolgens beoordeeld te worden of deze conclusie nog steeds geldt indien rekening wordt gehouden met reeds vergunde, maar nog niet gerealiseerde projecten. Dit is in een apart hoofdstuk (hoofdstuk 10) beschreven.
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
17
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden
5. Effectbeoordeling Savelsbos Het Savelsbos is een relatief smalle bosstrook met eiken-haagbeukenbos, kalkrijk parelgras-beukenbos en gierstgras-beukenbos op de rand van het Maasterras, tussen het plateau van Margraten in het oosten en het terrassenlandschap van de Maasvallei in het westen. Het herbergt door grote verschillen in hoogte, substraat en microklimaat een grote variatie aan bostypen. De helling wordt overal doorsneden door grubben: laagten die uitgeslepen zijn door het regen- en smeltwater dat van het plateau afstroomt, met veelal een bijzonder microklimaat. De grubben staan meestal droog en bieden plaats aan bijzondere planten. Binnen in en aan de randen van het bosgebied liggen enkele hoogstamboomgaarden en graslanden met daarin kleine delen kalkgrasland en heischraal grasland. De kalkgraslanden liggen vaak op de steile hellingen van plateauranden. Ook zijn er onderaardse groeven aanwezig.
5.1
Aanwijzing en ligging gebied
Het gebied Savelbos (160) is aangewezen als Natura 2000-gebied in het kader van de habitatrichtlijn. In Figuur 4 is de ligging van het Natura 2000-gebied ten opzichte van het projectgebied weergegeven.
Figuur 4, ligging van het Natura 2000-gebied Savelbos (geel) ten opzichte van het projectgebied (rode ster).
5.2
Instandhoudingsdoelstellingen
Voor het Natura 2000-gebied Savelbos zijn vanuit de Habitatrichtlijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor habitattypen en habitatsoorten met betrekking tot de kwaliteit, oppervlakte en populatie. Deze instandhoudingsdoelstellingen zijn weergegeven in Tabel 9.
Eij.Arc.25.VS.OW.01 - def
18
20 maart 2025
Voortoets stikstofdepositie herontwikkeling Ursulinenklooster te Eijsden