CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20250408 06m TAM Bijlage 5 bij Motivering Activiteitenplan

* Raadsvergaderingen 8 april 2025, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Raadsvoorstel TAM-omgevingsplan Woningbouw Oost-Maarland24.663 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Activiteitenplan soortenbescherming Omgevingswet Oost-Maarland Gemeente Eijsden Margraten 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

Contactpersoon ARCADIS NEDERLAND B.V.

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 'sHertogenbosch Nederland

2

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

Inhoudsopgave 1

Inleiding 1.1 Aanleiding

2

3

4

5

6

3

5 5

1.2 Leeswijzer

5

Plangebied en ingreep

6

2.1 Huidige situatie

6

2.2 Voorziene ingreep

9

2.3 Benodigd soortgericht onderzoek

9

Broedvogels

10

3.1 Methode

10

3.2 Resultaten

11

3.4 Toetsing

11

3.5 Mitigerende maatregelen

11

3.6 Toetsing na maatregelen en conclusie

12

Steenmarter

13

4.1 Methode

13

4.2 Resultaat

14

4.3 Conclusie

14

Flora

15

5.1 Methode

15

5.2 Resultaat

15

5.3 Conclusie

15

Vlinders

16

6.1 Methode

16

6.2 Resultaat

16

6.3 Conclusie

16

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

7

8

Zorgplicht

17

7.1

17

Algemene zorgplicht

7.2 Specifieke zorgplicht

17

Conclusie

19

Referenties

20

Bijlagen Bijlage A Wettelijk kader Beschermde soorten

21

Bijlage B Ecologische quickscan (Arcadis, 2024)

28

Bijlage C Ontwerp

29

Colofon

30

4

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

1

Inleiding

1.1 Aanleiding De gemeente Eijsden Margraten heeft het voornemen meer woongelegenheid te creëren op percelen 108, 109, 110 en 276 aan de Pastoor Rosierstraat te Oost-Maarland. Bij dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met mogelijk negatieve effecten op beschermde soorten, Natura 2000-gebieden, houtopstanden en Natuurnetwerk Limburg in het kader van de Omgevingswet. Negatieve effecten, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, leiden mogelijk tot overtredingen van verbodsbepalingen in de Omgevingswet. Zie Bijlage A voor het wettelijk kader van de Omgevingswet. Arcadis heeft in 2024 in opdracht van de gemeente Eijsden Margraten een ecologische quickscan uitgevoerd om de mogelijke effecten inzichtelijk te maken (zie Bijlage B). In deze quickscan is geconcludeerd dat voor enkele soorten nader soortgericht onderzoek noodzakelijk is om vast te kunnen stellen of sprake is van negatieve effecten op de betreffende soorten. Dit betreft broedvogels (steenuil, sperwer, torenvalk, grauwe klauwier en kramsvogel), zoogdieren (steenmarter), vaatplanten (akkerdoornzaad en grote bosaardbei) en vlinders (grote vos en teunisbloempijlstaart). Deze onderzoeken zijn in 2024 uitgevoerd door Arcadis en Ecosprong.

In dit activiteitenplan zijn de resultaten van deze onderzoeken beschreven, zijn effecten op de aanwezige beschermde functies inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de Omgevingswet. Indien sprake is van effecten op beschermde soorten als gevolg van de geplande werkzaamheden, spreken we van een flora- en fauna-activiteit. De werkzaamheden kunnen dan enkel doorgang vinden na het verkrijgen van een Omgevingsvergunning. Dit document dient als verantwoording en onderbouwing voor de noodzaak van het aanvragen van een Omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.

1.2 Leeswijzer In dit rapport zijn de volgende hoofdstukken opgenomen: • Hoofdstuk 2: beschrijving van het plangebied en de ingreep. • Hoofdstukken 3, 4, 5 en 6: beschrijving van de methode van het soortgericht onderzoek, resultaten, effectbeoordeling, maatregelen en toetsing, per soort(groep). • Hoofdstuk 7: beschrijving invulling zorgplicht. • Hoofdstuk 8: conclusies inclusief samenvattend overzicht soort(groep)en en mitigerende en compenserende maatregelen. • Referenties: lijst met gebruikte bronnen. Verder is sprake van de volgende bijlagen: • Bijlage A: wettelijk kader soortbescherming onder de Omgevingswet. • Bijlage B: ecologische quickscan (Arcadis, 2024). • Bijlage C: ontwerp nieuwbouw.

5

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

2

Plangebied en ingreep

2.1 Huidige situatie Het originele plangebied betreft de percelen 108, 109, 110 en 276 te Margraten (Zuid-Limburg) gelegen aan de pastoor Rosierstraat in Oost-Maarland, waarvan in een later stadium perceel 276 (bosperceel) is komen te vervallen. Het plangebied bestaat daarom uit percelen 108, 109 en 110 (zie Figuur 1). Perceel 108 is een open akker met enkele kersenbomen en raaigras spec. (50-80 cm) met incidenteel kruiden als boterbloem spec. en kleefkruid (Figuur 2). Percelen 109 en 110 lijken relatief veel op perceel 108. Ook op deze percelen staan kersenbomen met een hoge ondergroei van raaigrassen en enkele kruiden (Figuur 3). De kersenbomen zijn echter jonger, kleiner en in grotere aantallen aanwezig. De kersenbomen op de percelen 109 en 110 hebben boomkorven die indiceren dat de percelen mogelijk begraasd worden. Boomkorven beschermen jonge bomen tegen schade van grote grazers. Alle percelen zijn omrasterd met prikkeldraad. Het plangebied is aan de zuid- en de westkant omgeven door woonwijken met jaren 70 woningen (Figuur 4). Aan de oostkant van het plangebied ligt de spoorlijn van Maastricht naar Eijsden (Figuur 5). De noordkant van het plangebied grenst voornamelijk aan percelen die onderdeel uitmaken van de tuinen rondom Parrestraat 22, 24 en 26. Over een deel van de noordgrens ligt een takkenril, net buiten het plangebied (Figuur 6).

Verder is de noordkant afgeschermd met struiken (o.a. rode kornoelje) met een ondergroei van onder andere hondsdraf, geel nagelkruid en robertskruid.

Figuur 1: Plangebied in Oost-Maarland (rode omlijning). Perceel 276 (gele omlijning) is komen te vervallen.

6

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

Figuur 2: Perceel 108, gefotografeerd vanaf de zuidkant. Perceel bestaande uit voornamelijk raaigras met enkele kersenbomen.

Figuur 3: Percelen 109 en 110 met jonge kersenbomen en hoog raaigras spec.

Figuur 4: Woonwijken grenzen aan de zuid- en westzijde van het plangebied. 7

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

Figuur 5: De spoorlijn van Maastricht naar Eijsden aan de oostkant van het plangebied.

Figuur 6: Takkenril aan de noordkant van het plangebied. Perceel 109 ligt aan de rechterzijde van de takkenril.

8

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

2.2 Voorziene ingreep De gemeente Eijsden Margraten heeft het voornemen om in Oost-Maarland woningen te bouwen op de percelen 108, 109 en 110. Om dit te realiseren moeten de percelen bouwrijp worden gemaakt. Hiervoor wordt de vegetatie van percelen verwijderd. Vervolgens zullen graafwerkzaamheden plaatsvinden ten behoeve van het leggen van de funderingen van de woningen, waarna de woningbouw kan starten. Tijdens deze werkzaamheden worden bouwmaterialen tijdelijk en lokaal opgeslagen. Bij het opstellen van dit activiteitenplan is de exacte planning van de werkzaamheden onbekend. Daarom is er in dit rapport van uitgegaan dat werkzaamheden jaarrond kunnen plaatsvinden.

2.3 Benodigd soortgericht onderzoek In Tabel 1 zijn de conclusies van de quickscan (zie Bijlage B) per soortgroep opgenomen. Sinds de quickscan zijn ondanks aanpassingen van het ontwerp, de conclusies ongewijzigd gebleven. Ondanks dat effecten op steenmarter op voorhand voorkomen kunnen worden middels mitigerende maatregelen, is gekozen om de soort wel te onderzoeken, om mitigerende maatregelen waar mogelijk te optimaliseren. Voor de onderzochte soorten geldt dat de negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden bestaan uit tijdelijke effecten, die zich enkel voordoen gedurende de werkzaamheden, en permanente effecten. Het gaat om de volgende effecten: Tijdelijke effecten • Doden of verwonden; • Verstoring door geluid, licht, trillingen en optische prikkels (bijvoorbeeld aanwezigheid mensen); Permanente effecten • Verlies van verblijfplaatsen; • Mechanische effecten door vergraven/comprimeren van de bodem door heen en weer rijden; • Vermesting en verzuring (bijvoorbeeld door stikstof uit de lucht); • Versnippering (aantasting samenhang van gebieden). Tabel 1. Overzicht van de conclusies van de quickscan (QS) en het benodigde soortgericht onderzoek (SGO).

Soorten Akkerdoornzaad en grote bosaardbei Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Broedvogels met jaarrond beschermd nest: Sperwer, steenuil, torenvalk, grauwe klauwier en kramsvogel Steenmarter Grote vos, teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder

Conclusie QS Mogelijk effect op soorten Mogelijk effect op soorten

SGO noodzakelijk? Ja Nee

SGO uitgevoerd? Ja Nee

Mogelijk effect op soorten

Ja

Ja

Geen effect mits maatregelen Mogelijk effect op soorten

Nee

Ja

Ja

Ja

Voor de verschillende soorten zijn veldbezoeken uitgevoerd in de periode maart tot en met oktober 2024. De gebruikte onderzoeksmethoden zijn per soort(groep) nader toegelicht in de volgende hoofdstukken. Onderzoeken voor de verschillende soorten zijn waar mogelijk gecombineerd (op dezelfde dagen uitgevoerd).

9

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

3

Broedvogels

3.1 Methode Voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest is geen aanvullend onderzoek uitgevoerd, maar effecten op deze soorten zijn wel getoetst in par. 3.4. Hiervoor moeten maatregelen getroffen worden. Deze zijn beschreven in paragraaf 3.5. Voor broedvogels met jaarrond beschermd nest is wel nader onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in par. 3.2 en de effectbeoordeling in 3.3. Het plangebied is onderzocht op de aanwezigheid van steenuil, sperwer, torenvalk, grauwe klauwier en kramsvogel. Het onderzoek is uitgevoerd conform de vigerende onderzoeksprotocollen (zie Tabel 2). Voor niet iedere soort zijn echter protocollen beschikbaar. Voor een aantal soorten is daarom een protocol toegepast van een vergelijkbare soort. De gebruikte onderzoeksprotocollen zijn gebaseerd op: • Steenuil: Kennisdocument steenuil (BIJ12, 2017b) • Sperwer en torenvalk: Kennisdocument buizerd (BIJ12, 2017a) • Grauwe klauwier en kramsvogel: broedvogel monitoringsprotocol SOVON (Vergeer et al., 2023). De afwezigheid van broedende steenuilen kan worden aangetoond als aanwezigheid van steenuilen niet wordt aangetoond bij drie gerichte veldbezoeken in de periode van 1 februari tot en met 30 april. Hierbij moet minimaal 1 maand tussen het eerste en het laatste bezoek zitten. Het beste moment om te inventariseren is in de avondschemer, vanaf een halfuur na zonsondergang, tot middernacht.

Een ander goed moment is in de ochtendschemer, van anderhalf uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst. Daarnaast moet er volgens het protocol overdag gezocht worden naar sporen die op de aanwezigheid van een territorium duiden. Om deze redenen hebben twee bezoeken voor steenuil plaatsgevonden in de avondschemer. Bij overige bezoeken in de ochtenden is voornamelijk gezocht naar sporen; hierdoor wordt aan de onderzoekseisen (minimaal 3 ronden) uit het Kennisdocument steenuil voldaan. Voor de onderzoeken conform het Kennisdocument buizerd (BIJ12, 2017a) kan de aanwezigheid van een nest of van een rustplaats worden aangetoond door het uitvoeren van twee tot vier gerichte veldbezoeken. Deze moeten overdag na zonsopkomst plaatsvinden in de periode maart tot en met half mei, met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Om latere broedgevallen mee te kunnen pakken, zijn ook veldbezoeken na mei, in juni, uitgevoerd. Hierdoor wordt ruimschoots aan de onderzoekseisen (minimaal 2 ronden) uit het Kennisdocument buizerd voldaan. Voor grauwe klauwier en kramsvogel moeten conform de Handleiding Sovon Broedvogelmonitoring BMP & kolonievogels (Vergeer et al., 2023) ten minste twee bezoeken binnen de datumgrenzen plaatsvinden. Deze zijn gecombineerd uitgevoerd met onderzoeken naar sperwer en torenvalk.

• Kramsvogel 1 april-30 juni  3 geldige bezoeken • Grauwe klauwier, 15 mei-20 juli  2 geldige bezoeken Ook hier wordt voldaan aan de onderzoekseisen (minimaal 2 ronden per soort), volgens de Handleiding van Sovon. Tabel 2. Gegevens en omstandigheden bij de veldbezoeken voor de onderzoeken naar broedvogels met jaarrond beschermd nest.

Datum

Tijd

Onderzoek

01-03-2024

08:00-10:00

14-03-2024 28-03-2024

17:45-19:15 08:30-13:30

14-04-2024

08:30-11:30

14-05-2024 7-06-2024

20:30-22:30 11:00-15:00

28-06-2024

10:45-15:00

Sperwer, torenvalk Steenuil Sperwer, torenvalk Sperwer, torenvalk, kramsvogel Steenuil Sperwer, torenvalk, kramsvogel, grauwe klauwier Sperwer, torenvalk, kramsvogel, grauwe klauwier

10

Temperatuur (°C) 9

Bewolking

Ecoloog

Bewolkt

Windkracht (Bft) 3

12 7

Bewolkt Half bewolkt

2 3

MW en WvO MW

13

Half bewolkt

2

MW en WvO

17 15

Onbewolkt Onbewolkt

2 1

MW en WvO SvdL

21

Half bewolkt

2

SvdL

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

MW

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

3.2 Resultaten Steenuil Bij de onderzoeken is eenmaal een steenuil gehoord. Deze bevond zich buiten het plangebied. Er zijn geen aanwijzingen dat de steenuil gebruik maakt van het plangebied. Er zijn tevens geen nesten aangetroffen. Beschermde functies voor steenuil zijn binnen het plangebied uitgesloten. Sperwer en torenvalk Bij de veldbezoeken is eenmaal een overvliegende sperwer waargenomen. Deze sperwer toonde geen binding met het plangebied. Er is tweemaal een foeragerende torenvalk waargenomen tijdens de uitgevoerde onderzoeksrondes. Het plangebied wordt dus door torenvalken gebruikt als foerageergebied. Er zijn echter veel vergelijkbare percelen met grasland en boomgaarden aanwezig binnen enkele honderden meters van het plangebied, waardoor geen sprake is van essentieel foerageergebied. Er zijn géén nesten van sperwer of torenvalk aangetroffen binnen het plangebied. Grauwe klauwier en kramsvogel Er zijn geen grauwe klauwieren of kramsvogels waargenomen tijdens de uitgevoerde onderzoeksrondes. Aanwezigheid van beide soorten is binnen het plangebied uitgesloten. Andere waargenomen soorten Er is buiten het plangebied een nest van kerkuilen aangetroffen. Het nest zit in de Sint-Jozefkerk ongeveer 150 m van het plangebied. Tijdens een van de avondrondes is een foeragerende kerkuil waargenomen in het plangebied.

Het plangebied maakt dus onderdeel uit van het foerageergebied van de kerkuilen in de kerk. Er zijn echter veel vergelijkbare percelen met grasland en boomgaarden aanwezig binnen enkele honderden meters van het plangebied, waardoor geen sprake is van essentieel foerageergebied. Door het ontbreken van de aanwezigheid van nesten of andere essentiële functies (zoals essentiëel foerageergebied) van steenuil, sperwer, torenvalk, grauwe klauwier en kramsvogel (en kerkuil) zijn effecten op deze broedvogels als gevolg van de werkzaamheden per definitie uitgesloten. Er is geen toetsing noodzakelijk voor deze soorten.

3.4 Toetsing In Tabel 3 zijn de overtredingen van de verbodsbepalingen weergegeven. Lid c en d worden niet overtreden, omdat er geen eieren worden geraapt en eventuele verstoring geen invloed heeft op de staat van instandhouding, omdat het gaat over algemeen voorkomende broedvogels zonder jaarrond beschermd nest. Tabel 3. Voor Vogelrichtlijnsoorten: in het kader van een Flora- en fauna-activiteit de relevante gevolgen die mogelijk optreden en waarvoor een Omgevingsvergunning nodig is.

Soort/soortgroep Broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten

a x

b x

c

d

Als gevolg van Kappen van bomen en verwijderen van vegetatie.

Het is zonder Omgevingsvergunning verboden om een Flora- en fauna-activiteit te verrichten. De definitie van een Flora- en fauna-activiteit is “activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten”. In het Besluit activiteiten leefomgeving is dit nader gespecificeerd: het verbod geldt voor Vogelrichtlijnsoorten voor a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of het opzettelijk wegnemen van nesten; c. het rapen en onder zich hebben van eieren; of d. het opzettelijk storen, tenzij het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. De relevante artikelen uit de Omgevingswet zijn opgenomen in Bijlage A.

3.5 Mitigerende maatregelen Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest • Maatregel voor algemeen voorkomende broedvogels waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is: – Voer werkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. – Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden, totdat de werkzaamheden zijn afgerond. 11

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

• •

Onderzoek is bij het nemen van de maatregel niet nodig. Omgevingsvergunning is niet mogelijk, voorgenoemde maatregelen moeten genomen worden.

3.6 Toetsing na maatregelen en conclusie Binnen het plangebied zijn géén essentiële leefgebieden aanwezig van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Effecten zijn daarom uitgesloten. Er is voor deze soorten dus géén sprake van een flora- en fauna-activiteit; het is voor deze soorten daarom niet nodig om aanvullende maatregelen te treffen, en/of een Omgevingsvergunning aan te vragen. Mogelijk komen er binnen het plangebied wel vogels voor zonder jaarrond beschermd nest. Voor deze soorten kan geen Omgevingsvergunning worden aangevraagd en moeten mitigerende maatregelen worden getroffen zoals beschreven in paragraaf 3.5.

12

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

4

Steenmarter

4.1 Methode Voor het onderzoek naar steenmarter is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van sporen en verblijven van steenmarter. Hiervoor heeft veldbezoek plaatsgevonden op 28 maart 2024. Tijdens dit bezoek is specifiek gezocht naar uitwerpselen en sporen van steenmarter op perceel 276 en langs de takkenrillen op de noordgrens van perceel 108. Verder is tijdens de veldbezoeken ten behoeve van andere soorten ook gelet op sporen van deze soort. Aanvullend is de takkenril aan de noordzijde met cameravallen onderzocht op het voorkomen van steenmarter, conform het Kennisdocument Kleine Marterachtigen (BIJ12, 2024). Volgens dit kennisdocument is één meetpunt vereist per 0,25 hectare geschikt leefgebied. Geschikt leefgebied is hierin gedefinieerd aan de hand van drie landschapskenmerken: voedsel, verbindingen en verblijfplaatsen. In het plangebied bestaat het geschikte leefgebied uit houtwallen, de begroeide randen van het gebied en de greppels, die dekking bieden aan de steenmarter. Dit leefgebied heeft een oppervlakte van 0,15 hectare, waardoor één meetpunt voldoende is om de aan- of afwezigheid van de steenmarter vast te stellen. Omdat steenmarters gebruik maken van lijnvormige begroeiing om zich te verplaatsen, is de wildcamera geplaatst op een locatie waar meerdere lijnvormige elementen elkaar kruisen.

Na een periode van vier weken is de camera verplaatst om een tweede meetpunt te creëren en daarmee de kans op waarnemingen te vergroten (zie Figuur 7). De wildcamera is ingezet in de periode van 2 augustus tot 13 oktober en om de twee weken gecontroleerd (zie Tabel 4). Tijdens het plaatsen van de camera op de meetpunten is tevens gelet op sporen, zoals uitwerpselen, pootafdrukken en voedselresten.

Figuur 7. Locaties van de wildcamera’s (blauwe sterren). Het plangebied is rood omkaderd. Tabel 4. Gegevens en weersomstandigheden bij de veldbezoeken in het kader van de onderzoeken naar steenmarter.

Datum

Tijd

Onderzoek

28-03-2024 02-08-2024

08:30-13:30 14:30

16-08-2024

10:00

30-08-2024

10:00

12-09-2024

10:00

13-10-2024

16:00

Sporenonderzoek Wildcamera ophangen Controle wildcamera Controle wildcamera + verplaatsen Controle wildcamera Wildcamera ophalen

13

Temperatuur (°C) 7 Nvt

Bewolking

Ecoloog

Half bewolkt Nvt

Windkracht (Bft) 3 Nvt

Nvt

Nvt

Nvt

EdvP

Nvt

Nvt

Nvt

EdvP

Nvt

Nvt

Nvt

EdvP

Nvt

Nvt

Nvt

EdvP

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

MW EdvP

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

4.2 Resultaat Bij het eerste veldbezoek naar steenmarter zijn steenmarteruitwerpselen aangetroffen bij de takkenril op de noordgrens van het plangebied. Op de camerabeelden zijn echter geen steenmarters vastgelegd; wel zijn waarnemingen gedaan van merel en huiskatten. Het eerste veldbezoek valt buiten de voortplantingsperiode van steenmarters. Naar verwachtingen zouden meer waarnemingen van (sporen van) steenmarter gedaan zijn wanneer het plangebied een essentieel onderdeel zou zijn geweest van het leefgebied. Het is daarom aannemelijk dat de steenmarter het plangebied dus slechts sporadisch bezoekt, en maakt hierbij gebruik van de takkenril als migratieroute. Het plangebied door het sporadisch gebruik geen essentieel deel uit van het leefgebied van de steenmarter. Er zijn dus geen essentiële functies voor steenmarter aanwezig binnen het plangebied. Effecten zijn daarmee per definitie uitgesloten. Er is geen toetsing noodzakelijk voor deze soort.

4.3 Conclusie Binnen het plangebied zijn geen essentiële functies aanwezig voor steenmarter. Effecten zijn daarom uitgesloten. Er is voor deze soort dus géén sprake van een flora- en fauna-activiteit; het is voor steenmarter daarom niet nodig om aanvullende maatregelen te treffen, en/of een Omgevingsvergunning aan te vragen.

14

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

5

Flora

5.1 Methode Het onderzoek naar akkerdoornzaad en grote bosaardbei is uitgevoerd in de bloeiperiode van beide planten. Akkerdoornzaad bloeit in de periode juli - augustus en bosaardbei bloeit in de periode mei – juli. Voor het onderzoek naar akkerdoornzaad en grote bosaardbei hebben vier veldbezoeken plaatsgevonden in mei, juni en juli (zie Tabel 5). Hierbij is het plangebied onderzocht op bloeiende exemplaren. Tabel 5. Gegevens en weersomstandigheden bij de veldbezoeken in het kader van de onderzoeken naar vaatplanten, akkerdoornzaad en grote bosaardbei.

Datum

Tijd

Onderzoek

14-05-2024 07-06-2024 28-06-2024 24-07-2024

20:30-22:30 11:00-15:00 10:45-15:00 10:00-12:00

Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten

Temperatuur (°C) 17 15 21 17

Bewolking

Onbewolkt Onbewolkt Half bewolkt Half bewolkt

Windkracht (Bft) 2 1 2 1

Ecoloog MW en WvO SvdL SvdL EdvP

5.2 Resultaat Bij de onderzoeken naar vaatplanten zijn géén exemplaren van akkerdoornzaad en grote bosaardbei aangetroffen. Door het ontbreken van de aanwezigheid van akkerdoornzaad en grote bosaardbei, zijn effecten op akkerdoornzaad en grote bosaardbei als gevolg van de werkzaamheden per definitie uitgesloten. Er is geen toetsing noodzakelijk voor deze soorten.

5.3 Conclusie Binnen het plangebied zijn geen groeiplaatsen aanwezig van akkerdoornzaad en grote bosaardbei. Effecten zijn daarom uitgesloten. Er is voor deze soorten dus géén sprake van een flora- en fauna-activiteit; het is voor deze soorten daarom niet nodig om aanvullende maatregelen te treffen, en/of een Omgevingsvergunning aan te vragen.

15

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

6

Vlinders

6.1 Methode Het onderzoek naar grote vos, teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder is uitgevoerd aan de hand van het Onderzoeksprotocol vlinders en libellen (Vlinderstichting, 2023). In de periode half mei– augustus zijn drie veldbezoeken onder goede weersomstandigheden (droog, weinig bewolking, >13 graden en windkracht <6 bft) uitgevoerd. Daarnaast is één extra veldbezoek uitgevoerd voor grote vos in het najaar (vanaf half september) en één extra veldbezoek voor teunisbloempijlstaart in augustus (zie Tabel 6). Voor grote vos is tijdens veldbezoeken gezocht naar waardbomen en mogelijke winterschuilplaatsen. De belangrijkste waardbomen voor deze soort zijn iepen, maar ook zoete kers, populieren en bepaalde wilgensoorten worden gebruikt voor de ei-afzet. Voor overwintering maakt de grote vos gebruik van koele, donkere schuilplaatsen zoals holle bomen, houtstapels, schuurtjes, bunkers, zolders en vergelijkbare locaties. De aanwezige waardbomen zijn onderzocht op (vraatsporen van) rupsen en aanwezige schuilplaatsen. Overwinterende imago’s kunnen in de winterperiode (vanaf september) in de genoemde schuilplaatsen worden waargenomen. Voor teunisbloempijlstaart is tijdens de veldbezoeken gezocht naar de waardplanten van deze soort, namelijk harig wilgenroosje, basterdwederik, teunisbloem en grote kattenstaart.

Bij aanwezige waardplanten is gekeken naar aanwezigheid van rupsen, of naar vraatsporen en uitwerpselen hiervan. Voor veldparelmoervlinder is het standaard onderzoek uit het Onderzoeksprotocol vlinders en libellen (Vlinderstichting, 2023) gebruikt. Op drie dagen gedurende de vliegperiode en tijdens geschikte weersomstandigheden is gezocht naar aanwezige imago's van de soort. Ook is tijdens deze bezoeken gezocht naar waardplanten (smalle weegbree, ereprijs, knoopkruid en muizenoortje) en rupsen van de soort. Tabel 6. Gegevens en weersomstandigheden bij de veldbezoeken in het kader van de onderzoeken naar vlinders, namelijk grote vos, teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder.

Datum

Tijd

Onderzoek

14-05-2024 07-06-2024 28-06-2024 24-07-2024 02-08-2024 13-10-2024

20:30-22:30 11:00-15:00 10:45-15:00 12:00-13:00 13:30-14:30 15:00-16:00

Vlinders Vlinders Vlinders Vlinders Vlinders Grote vos winterverblijf

Temperatuur (°C) 17 15 21 19 25 12

Bewolking

Onbewolkt Onbewolkt Half bewolkt Half bewolkt Onbewolkt Bewolkt

Windkracht (Bft) 2 1 2 1 1 1

Ecoloog

MW en WvO SvdL SvdL EdvP EdvP EdvP

6.2 Resultaat Bij de onderzoeken naar grote vos zijn waardbomen (fruitbomen, waaronder pruim) met kleine holten en deuken aangetroffen. De bomen zijn gecontroleerd op (vraatsporen van) rupsen en de holten zijn gecontroleerd op overwinterende imago’s. Deze zijn niet aangetroffen. Waardplanten van teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder zijn niet aangetroffen. Er zijn daarom vanzelfsprekend ook geen (vraatsporen en uitwerpselen van) rupsen aangetroffen. Door het ontbreken van de aanwezigheid van zowel grote vos, teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder, zijn effecten op beide soorten als gevolg van de werkzaamheden per definitie uitgesloten. Er is geen toetsing noodzakelijk voor deze soorten.

6.3 Conclusie Binnen het plangebied zijn geen voortplantings- en overwinteringsplaatsen van grote vos, veldparelmoervlinder en teunisbloempijlstaart aanwezig. Effecten zijn daarom uitgesloten. Er is voor deze soorten dus géén sprake van een flora- en fauna-activiteit; het is voor deze soorten daarom niet nodig om aanvullende maatregelen te treffen, en/of een Omgevingsvergunning aan te vragen. 16

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

7

Zorgplicht

Ten aanzien van de zorgplicht zijn in de Omgevingswet verplichtingen opgenomen. In deze paragraaf worden deze verplichtingen besproken en wordt beschreven op welke manier invulling te geven aan deze verplichtingen. De algemene zorgplicht geldt voor alle soorten, de aanvullende zorgplicht geldt voor beschermde soorten. Het is belangrijk om ook rekening te houden met vrijgestelde soorten.

7.1 Algemene zorgplicht In het algemeen moet voorkomen worden dat bij het doden of vangen van een dier, dat dier onnodig leidt (art. 11.28, Besluit activiteiten leefomgeving). Hieronder is specifiek aangegeven hoe invulling is gegeven aan de verplichte aspecten voor flora- en fauna-activiteiten of andere activiteiten waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat dit leidt tot nadelige effecten ten aanzien van natuurbescherming (art. 11.27, lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving): • Neem alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om gevolgen te voorkomen. De volgende maatregelen worden genomen. • Voor zover gevolgen niet kunnen worden voorkomen, moeten effecten zoveel mogelijk beperkt worden. De volgende maatregelen worden genomen: – Maai voorafgaand aan de werkzaamheden buiten de kwetsbare periode de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens aanleg. – Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting, van gesloten naar open delen van het terrein. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet ingesloten. • Tref de noodzakelijke maatregelen, voortkomend uit soortgerichte onderzoeken.

• Als rest-effecten onvoldoende kunnen worden beperkt: laat de activiteit achterwege zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd. Het is belangrijk dat het niet zo ver komt en al in eerdere stappen voldoende maatregelen worden genomen om effecten voldoende te beperken en te herstellen. • Indien onverhoopt soorten worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden, leg de werkzaamheden dan per direct stil, en neem contact op met een ecologisch deskundige 1.

7.2 Specifieke zorgplicht Voor flora- en fauna-activiteiten gelden specifiek de volgende verplichtingen (art. 11.27, lid 2, Besluit activiteiten leefomgeving): • Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie of in de directe nabijheid beschermde soorten of voor beschermde soorten leefgebieden of groeiplaatsen aanwezig zijn. Deze inventarisatie geeft aanwijzingen dat mogelijk beschermde soorten in het plan-/projectgebied aanwezig zijn. Het is noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren. In de volgende paragraaf wordt dit uitgewerkt. • Als aanwijzingen van de aanwezig er zijn, dan moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten. Deze inventarisatie geeft aanwijzingen dat mogelijk beschermde soorten in het plan-/projectgebied aanwezig zijn. Het is noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren en daaruit moet ook volgen welke effecten voorzien zijn. • Als negatieve gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten.

Deze quickscan geeft aanwijzingen dat mogelijk beschermde soorten in het plan/projectgebied aanwezig zijn. Het is noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren en daaruit moet ook volgen welke effecten voorzien zijn. • Alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen. In deze inventarisatie zijn maatregelen om effecten te voorkomen opgenomen, zie “Mitigerende maatregelen. Met deze maatregelen zijn effecten te voorkomen. De noodzaak en nadere invulling van verdere maatregelen moet volgen uit nader onderzoek.

1

“Een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring. Hij of zij geeft ecologisch advies en/of begeleidt werkzaamheden op het gebied van habitats (natuurlijke leefgebieden) en soorten. En heeft voldoende kennis en jarenlange ervaring om ecologisch onderzoek te kunnen doen.’’ (RVO, 2024).

17

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

• •

18

Tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Het is belangrijk om te borgen dat maatregelen voldoende effect hebben. Bij onvoldoende kennis of twijfel kan een ecologisch adviseur worden betrokken. Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Het is belangrijk dat het niet zo ver komt en al in eerdere stappen voldoende maatregelen worden genomen om effecten voldoende te beperken en te herstellen.

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

8

Conclusie

In het plangebied voor woningbouw door de gemeente Eijsden Margraten aan de pastoor Rosierstraat te OostMaarland is in 2024 nader soortgericht onderzoek uitgevoerd naar broedvogels met jaarrond beschermd nest (steenuil, sperwer, torenvalk, grauwe klauwier, kramsvogel), zoogdieren (steenmarter), planten (akkerdoornzaad en grote bosaardbei) en vlinders (grote vos, teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder). De onderzochte soorten zijn niet aangetroffen, beschermde functies van deze soorten zijn niet aanwezig in het plangebied. Wel zijn er mogelijke nestplaatsen van broedvogels zonder jaarrond beschermd nest aanwezig in het plangebied. Voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest moeten de mitigerende maatregelen, zoals beschreven in paragraaf 3.5, worden opgevolgd. Voor overige soorten geldt de zorgplicht, zoals beschreven in hoofdstuk 7. Met de genoemde maatregelen worden effecten op beschermde soorten volledig voorkomen. Daarmee is bij de geplande werkzaamheden dus geen sprake van een flora- en fauna- activiteit; er hoeft géén Omgevingsvergunning aangevraagd te worden voor de geplande werkzaamheden. Het is aan te bevelen om de mitigerende en zorgplicht-maatregelen overzichtelijk te bundelen in een ecologisch werkprotocol voor de partij die de werkzaamheden zal gaan uitvoeren.

Daarmee wordt geborgd dat deze maatregelen deel uit maken van de werkwijze van de betreffende partij. Hiermee wordt onverhoopt afwijken van deze maatregelen, en daarmee het begaan van overtredingen in het kader van de soortbescherming in de Omgevingswet, voorkomen.

19

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

Referenties BIJ12, 2017a. Kennisdocument Buizerd. BIJ12. Versie 1.0 juli 2017. BIJ12, 2017b. Kennisdocument Steenuil. BIJ12. Versie 1.0 juli 2017. BIJ12, 2024. Kennisdocument Kleine marterachtigen. Versie 1.1 juli 2024. Bos-Groenendijk, G.I. & N. Thierry, 2023. Onderzoeksprotocol vlinders en libellen. Rapport VS2023.058, De Vlinderstichting, Wageningen. December, 2023. Vergeer, J. W., van Bruggen, J., & van Turnhout, C. 2023. Handleiding SOVON Broedvogelmonitoring. SOVON vogelonderzoek Nederland.

20

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

Bijlage A Wettelijk kader Beschermde soorten

Algemeen De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. De wet is in plaats van de Wet natuurbescherming gekomen. De Omgevingswet wordt door het Rijk verbeeld als een gebouw in aanbouw en bestaat uit een hoofdspoor, een invoeringsspoor en een aanvullingsspoor. Het hoofdspoor bestaat uit: • de Omgevingswet; • de vier Algemene Maatregelen van Bestuur; • het Omgevingsbesluit; • Besluit kwaliteit leefomgeving • Besluit activiteiten leefomgeving; • Besluit bouwwerken leefomgeving • de Omgevingsregeling. Het invoeringsspoor bestaat uit de bestaande wetten en regels die onderdeel worden van “het nieuwe gebouw” en bestaat uit : • de Invoeringsregeling, • het Invoeringsbesluit; • de Invoeringswet. Tot slot bestaat het aanvullingsspoor uit de beleidsontwikkelingen op het gebied van natuur, bodem, geluid en grondeigendom die uiteindelijk opgaan in het hoofdspoor. De onderdelen zijn • Aanvullingsregelingen; • Aanvullingsbesluiten; • Aanvullingswetten. De fundering van de nieuwe Omgevingswet is het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Dat is één digitaal loket waarin alle wet- en regelgeving over de leefomgeving samenkomt. In het kader van regelgeving rond Natura 2000-gebieden zijn met name de Omgevingswet, het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en Besluit Activiteiten Leefomgeving van belang.

In de navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de relevante delen van de wet, besluiten en regelingen gegeven.

Algemene bescherming In het Besluit activiteiten leefomgeving is een zorgplicht ten aanzien van soorten opgenomen. In het algemeen moet voorkomen worden dat bij het doden of vangen van een dier, dat dier onnodig leidt. 2 Verder is aangegeven dat bij Flora- en fauna-activiteiten of andere activiteiten waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat dit leidt tot nadelige effecten ten aanzien van natuurbescherming, de volgende zaken verplicht zijn: 3 • neem alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om gevolgen te voorkomen; • voor zover gevolgen niet kunnen worden voorkomen: beperk die gevolgen zoveel mogelijk • of maak deze ongedaan; en • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: laat de activiteit achterwege zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd. Voor Flora- en fauna-activiteiten geldt specifiek het volgende 4: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie of in de directe nabijheid beschermde soorten of voor beschermde soorten leefgebieden of groeiplaatsen aanwezig zijn. b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten;

2

art. 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren), Besluit activiteiten leefomgeving art. 11.27 (specifieke zorgplicht), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving 4 art. 11.27 (specifieke zorgplicht), lid 2, Besluit activiteiten leefomgeving 3

21

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Categorieën De wet onderscheidt drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Soorten vogelrichtlijn, ook wel Vogelrichtlijnsoorten genoemd (§ 11.2.2 Besluit activiteiten leefomgeving) • Soorten habitatrichtlijn, ook wel Habitatrichtlijnsoorten genoemd (§ 11.2.3 Besluit activiteiten leefomgeving) • Andere soorten (§ 11.2.4 Besluit activiteiten leefomgeving) Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd. 5 Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen 6: • alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; • en planten van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern. Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn).

Omdat in het Besluit activiteiten leefomgeving § 11.2.3 “soorten habitatrichtlijn” in de titel heeft, wordt deze term echter wel gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen in bijlage IX onder A bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 7

Regels In de Omgevingswet staat dat het zonder Omgevingsvergunning verboden is om een Flora- en fauna-activiteit te verrichten. 8 De definitie van een Flora- en fauna-activiteit is “activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten”. In het Besluit activiteiten leefomgeving is dit nader gespecificeerd. Het verbod geldt voor Vogelrichtlijnsoorten voor: 9 g. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen 5

art. 11.37 t/m 11.40, Besluit activiteiten leefomgeving art. 11.46 t/m 11.48, Besluit activiteiten leefomgeving 7 art. 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), Besluit activiteiten leefomgeving 8 art. 5.1 (Omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet), lid 2, onderdeel 9, Omgevingswet 9 art. 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn schadelijke handelingen), lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving. 6

22

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

h. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of het opzettelijk wegnemen van nesten; i. het rapen en onder zich hebben van eieren; of j. het opzettelijk storen, tenzij het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. 10 Het verbod geldt voor Habitatrichtlijnsoorten voor: 11 k. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen; l. het opzettelijk verstoren; m. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren; n. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen; en o. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van beschermde planten. Het verbod geldt voor Andere soorten voor: 12 p. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende individuen; q. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen; r. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van Andere soorten (planten). Hierboven is voor Vogelrichtlijnsoorten en Habitatrichtlijnsoorten aangegeven dat verstoring niet is toegestaan. Niet iedere verstoring in het kader van de wet is relevant is. Het moet gaan om verstoring die voor soorten in potentie wezenlijke gevolgen heeft. Een tijdelijke verandering van gedrag valt hier niet zonder meer over.

Zie voor meer informatie het volgende tekstkader. Juridisch kader verstoring beschermde soorten Niet iedere toename van verstoringsbronnen leidt tot een daadwerkelijk effect dat in het kader van de wet is voorzien als verstoring. Voor een individu dat sprake is van opzettelijke verstoring als niet in de directe omgeving (tijdelijk) uitwijkmogelijkheden voor handen zijn en de functionaliteit van het leefgebied door verstoring wordt aangetast. Dit si verschillende keren bevestigd door de Raad van State. Hieronder staan twee delen van uitspraken waarin dit bevestigd is: ECLI:NL:RVS:2009:BI3701: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr. 200607283/1) geldt als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving, moet worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting in de zin van artikel 10 van de Ffw.” ECLI:NL:RVS:2020:1125: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 23 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM8836), geldt bij de uitleg van artikel 10 van de Flora- en faunawet als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving een opzettelijke verontrusting is in de zin van die bepaling.

Het tijdelijk (doen) wegvluchten voor werkzaamheden naar een rustiger plek kan niet worden aangemerkt als opzettelijke verontrusting in de zin van deze bepaling. De Afdeling volgt deze interpretatie eveneens ten aanzien van het in het vierde lid van artikel 3.1, vierde lid, van de Wnb neergelegde verbod van opzettelijke storing.”

Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Het verbod om een Flora- en fauna-activiteit uit te voeren zonder Omgevingsvergunning geldt niet voor activiteiten die vallen onder een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden 13: • aantoonbaar worden uitgevoerd in overeenstemming met de gedragscode; en • plaatsvinden in het kader van:

10

De uitzondering is opgenomen in art. 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn schadelijke handelingen), lid 3 Besluit activiteiten leefomgeving. 11 art. 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving 12 art. 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving 13 art. 11.45 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn op basis van aangewezen gedragscode), art. 11.53 (vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn op basis van aangewezen gedragscode), art. 11.59 (vergunningvrije gevallen andere soorten op basis van aangewezen gedragscode), Besluit activiteiten leefomgeving

23

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

• • • •

het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw, een bestendig gebruik; of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Vrijstelling In het algemeen geldt het verbod om een Flora- en fauna-activiteit uit te voeren zonder Omgevingsvergunning niet voor gevallen, te gebruiken middelen en/of soorten die zijn opgenomen in het omgevingsplan, de waterschapsverordening 14, de omgevingsverordening 15 of een ministeriële regeling 16 of een programma 17. Hierbij moet wel worden voldaan aan de voorwaarden zoals die ook gelden voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning (zie tekst onder kopje “Omgevingsvergunning”). 18 Als activiteiten in een goedgekeurd programma zijn opgenomen, moet het programma wel aan een van de volgende voorwaarden voldoen 19: • Het programma moet gericht zijn op inrichting, gebruik en beheer van een Natura 2000-gebied en gericht zijn op het halen van de instandhoudingsdoelstellingen (voorheen beheerplan). • Het programma moet gericht zijn op een evenwichtige duurzame ontwikkeling waarbij de belasting van kwalificerende natuurwaarden in Natura 2000-gebieden afneemt of beheer, bescherming, herstel van natuurlijke habitats of de staat van instandhouding van in het wild voorkomende dieren of planten verbetert.

Verder geldt voor beschermde soorten het verbod om zonder Omgevingsvergunning een Flora- en fauna-activiteit uit te voeren niet in de volgende gevallen: • Als de activiteit is toegestaan in het kader van een andere wet én als wordt voldaan aan artikel 9, lid 1 en 2 en artikel 13 van de Vogelrichtlijn voor Vogelrichtlijnsoorten 20, artikel 16, lid 1 van de Habitatrichtlijn voor Habitatrichtlijnsoorten 21 en de eisen die ook aan de Omgevingsvergunning worden gesteld voor Andere soorten. 22 Zie het volgende tekstkader voor de relevante inhoud van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. • Als de activiteiten vallen onder instandhoudingsmaatregelen 23 en passende maatregelen 24 in het kader van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. 25 • Voor andere soorten geldt dat het verbod niet van toepassing is op het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis en het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. 26

14

art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 2, Omgevingswet art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 2, Omgevingswet en art. 11.42 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in omgevingsverordening), art. 11.50 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in omgevingsverordening), art. 11.56 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in omgevingsverordening), Besluit activiteiten leefomgeving 16 art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 3, Omgevingswet en art. 11.43 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in ministeriële regeling), art. 11.51 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn in ministeriële regeling), art. 11.57 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten in ministeriële regeling), Besluit activiteiten leefomgeving 17 art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 4, Omgevingswet 18 art. 8.74j t/m 8.74l, Besluit kwaliteit leefomgeving als verwezen in art. 11.44 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn), lid 1, art. 11.52 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten habitatrichtlijn), lid 1, art. 11.58 (begrenzing aanwijzing vergunningvrije Flora- en fauna-activiteiten andere soorten), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving, 19 art. 5.2 (afbakening vergunningplicht art. 5.1), lid 4, Omgevingswet art.

11.41 (aanwijzing vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn in programma), lid 2 en art. 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen), Besluit activiteiten leefomgeving 20 art. 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel a, Besluit activiteiten leefomgeving. 21 art. 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen) lid 2, onderdeel a, Besluit activiteiten leefomgeving 22 art. 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel b, Besluit activiteiten leefomgeving 23 “instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de art. 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of art. 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn.” 24 “een passende maatregel als bedoeld in art. 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn”. 25 art. 11.37 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel b, art. 11.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel b en art.

11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel c, Besluit activiteiten leefomgeving. 26 art. 11.54 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen), lid 2, onderdeel a, Besluit activiteiten leefomgeving. 15

24

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

Relevante inhoud Vogel- en Habitatrichtlijn In artikel 9 lid 1 staat dat er geen andere bevredigende oplossing mag bestaan en dat het voornemen nodig is: • in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid (onderdeel a), • in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer (onderdeel a), • ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren (onderdeel a), • ter bescherming van flora en fauna (onderdeel a); • voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs, het uitzetten en herinvoeren van soorten en voor de met deze doeleinden samenhangende teelt (onderdeel b); • teneinde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan (onderdeel c). In artikel 9, lid 2 geeft de voorwaarden waaronder mag worden afgeweken.

De volgende zaken moeten worden vermeld: • voor welke soorten mag worden afgeweken (onderdeel a); • welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan (onderdeel b); • onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen (onderdeel c); • welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen (onderdeel d); • welke controles zullen worden uitgevoerd (onderdeel e). In artikel 13 is opgenomen dat de activiteiten niet mogen leiden tot een verslechtering van de huidige staat van instandhouding.

In artikel 16, lid van de Habitatrichtlijn staat dat wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en dat de activiteit geen afbreuk doet aan een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mag onder de volgende voorwaarde worden afgeweken: • in het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna en van de instandhouding van de natuurlijke habitats (onderdeel a); • ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden en wateren en andere vormen van eigendom (onderdeel b); • in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid of om andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijke gunstige effecten (onderdeel c); • ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie en herintroductie van deze soorten, alsmede voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten (onderdeel d); • ten einde het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, door de bevoegde nationale instanties vastgesteld aantal van bepaalde specimens van de in bijlage IV genoemde soorten te vangen, te plukken of in bezit te hebben (onderdeel e). Tabel 7. Door de provincie Limburg vrijgestelde soorten met de daarbij horende periode.

Nederlandse Naam Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker Hazelworm Levendbarende hagedis Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis

25

Periode waarin vrijgesteld Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Juli, augustus en september 15 augustus tot en met 15 oktober Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Maart – april en juli tot en met november Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat

Gehele jaar Gehele jaar 15 augustus tot en met februari Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar Gehele jaar

Omgevingsvergunning Voor een project geldt dat in de aanvraag van een Omgevingsvergunning moet worden voldaan aan een aantal eisen. Dit verschilt per beschermingscategorie. Voor Vogelrichtlijnsoorten moet een project voor een aanvraag Omgevingsvergunning voldoen aan de volgende eisen om de Omgevingsvergunning ook daadwerkelijk te verlenen 27: • er is geen andere bevredigende oplossing; • de activiteit is nodig is: • in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; • in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; • voor het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; • ter bescherming van flora en fauna; • voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt; of • om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; en • de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de relevante soort(en).

Voor Habitatrichtlijnsoorten moet een project voor een aanvraag Omgevingsvergunning voldoen aan de volgende eisen om de Omgevingsvergunning ook daadwerkelijk te verlenen 28: • er is geen andere bevredigende oplossing; • de activiteit is nodig: • in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; • voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; • in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; • voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of • om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de Omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de Omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en • de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de

populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor Andere soorten moet een project een aanvraag Omgevingsvergunning voldoen aan de volgende eisen om de Omgevingsvergunning ook daadwerkelijk te verlenen 29: • er is geen andere bevredigende oplossing; • de activiteit is nodig: • in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

27

art. 8.74j (beoordelingsregels Flora- en fauna-activiteit: soorten vogelrichtlijn), Besluit kwaliteit leefomgeving art. 8.74k (beoordelingsregels Flora- en fauna-activiteit: soorten habitatrichtlijn)Besluit kwaliteit leefomgeving 29 art. 8.74l (beoordelingsregels Flora- en fauna-activiteit: andere soorten), Besluit kwaliteit leefomgeving 28

26

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-121:0.2 - Datum: 11 december 2024 - Public

ACTIVITEITENPLAN SOORTENBESCHERMING OMGEVINGSWET

•

voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de Omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de Omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; voor het voorkomen van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; voor het beperken van de omvang van de populatie van in het wild levende dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=c18bf506-cf74-41dd-aae8-0f47594fd78a