CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20250408 06l TAM Bijlage 4 bij Motivering Ecologie

* Raadsvergaderingen 8 april 2025, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Raadsvoorstel TAM-omgevingsplan Woningbouw Oost-Maarland12.224 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ecologische quickscan Omgevingswet Oost-Maarland Gemeente Eijsden Margraten 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Contactpersoon M.W.

Ecologisch adviseur

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1632 6201 BP Maastricht Nederland

2

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

3

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Leeswijzer

5

Projectbeschrijving

6

2.1

Huidige situatie

6

2.2

Voorgenomen herinrichting

11

2.3

Afbakening effecten

11

Gebiedsbescherming

12

3.1

Methode

12

3.2

Ligging

12

3.3

Effectbeschrijving

13

3.4

Deelconclusie gebiedsbescherming

13

Natuurnetwerk Limburg (NNL)

14

4.1

Methode

14

4.2

Ligging

14

4.3

Toetsing

14

4.4

Deelconclusie Natuurnetwerk Limburg

15

Aanwezigheid beschermde soorten

16

5.1

Methode

16

5.2

Aanwezigheid beschermde soorten

16

5.3

Effectbeschrijving

20

5.4

Toetsing

21

5.4.1

Beschermingscategorieën relevante soorten

21

5.4.2

Toetsing

21

5.5

Zorgplicht

22

5.6

Vervolgstappen

23

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

5.7

6

Deelconclusie soortbescherming

24

Conclusies

25

6.1

Soortbescherming

25

6.2

Gebiedsbescherming

25

6.3

Natuurnetwerk Limburg

25

6.4

Vervolgstappen/advies

26

6.4.1

Soortgericht onderzoek

26

6.4.2

Stikstofdepositieberekening

26

Bijlagen Bijlage A Wettelijk kader

27

Colofon

36

4

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

De gemeente Eijsden Margraten heeft het voornemen meer woongelegenheid te creëren. Dit dient gerealiseerd te worden op percelen 108, 109, 110 en 276 aan de Pastoor Rosierstraat te Oost-Maarland. Bij dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met mogelijk negatieve effecten op soorten, Natura 2000gebieden, houtopstanden en Natuurnetwerk Limburg (NNL) die in het kader van de Omgevingswet beschermd zijn. Negatieve effecten, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, leiden mogelijk tot conflict met de Omgevingswet. Om te onderzoeken in hoeverre dergelijke negatieve effecten optreden, is deze ecologische quickscan Omgevingswet opgesteld. Het doel van dit rapport is vast te stellen of er vervolgstappen nodig zijn in het kader van de bepalingen in de Omgevingswet met betrekking tot natuurwaarden, waaronder mogelijk het aanvragen van een Omgevingsvergunning.

1.2

Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk is een beschrijving van het projectgebied in de huidige situatie opgenomen, evenals een beschrijving van de werkzaamheden. Hoofdstuk 3 behandelt de Natura 2000-gebieden, hierin is een beschrijving van de ligging en effecten op Natura 2000-gebieden opgenomen. In hoofdstuk 4 is beschreven waar het NNL is gelegen en of sprake is van negatieve effecten. Hoofdstuk 5 geeft de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten binnen de reikwijdte van effecten evenals de effectbeschrijving en toetsing. Tot slot zijn in hoofdstuk 6 de conclusies en de vervolgstappen beschreven. Bijlage A beschrijft het wettelijk kader van de bescherming van gebieden en soorten in de Omgevingswet beschreven.

5

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

2

Projectbeschrijving

2.1

Huidige situatie

Het plangebied is weergegeven in Figuur 1. Het betreft de percelen 108, 109, 110 en 276 te Margraten (Zuid-Limburg) gelegen aan de pastoor Rosierstraat in Oost-Maarland. Perceel 108 is een open akker met enkele kersenbomen en raaigras (50-80 cm) met incidenteel kruiden als boterbloem en kleefkruid (Figuur 2). Het perceel is afgerasterd met prikkeldraad. Percelen 109 en 110 lijken relatief veel op perceel 108. Ook op deze percelen staan kersenbomen met een hoge ondergroei van raaigrassen en enkele kruiden (Figuur 3). De kersenbomen zijn echter jonger, kleiner en in grotere aantallen aanwezig. De kersenbomen op percelen 109 en 110 hebben boomkorven die indiceren dat de percelen mogelijk begraasd worden. Broodkorven beschermen jonge bomen tegen schade van grote grazers. Tijdens het veldbezoek was er geen vee aanwezig. De percelen 109 en 110 zijn samen omrasterd met prikkeldraad. Perceel 276 is onderdeel van de een tuin van Parrestraat 22 (Figuur 4). In deze tuin staan meerdere kersenbomen, perenbomen en notenbomen in rijen. Op de perceelgrens aan de west- en noordkant staat een bomenrij die onderdeel uitmaakt van een houtsingel (Figuur 5). De houtsingel heeft een ondergroei van onder andere klimop, mannetjesvaren en jonge eikenscheuten (Figuur 6). Ook is er een composthoop met snoeiafval maar ook menselijk afval in de vorm van etensresten (Figuur 7).

Het plangebied is aan de zuid- en de westkant omgeven door woonwijken met jaren 70 woningen (Figuur 8). Aan de oostkant van het plangebied ligt een spoorlijn (Figuur 9). De noordkant van het plangebied grenst voornamelijk aan percelen die onderdeel uitmaken van de tuinen rondom Parrestraat 22, 24 en 26. Over een deel van de noordgrens ligt een takkenril, net buiten het plangebied (Figuur 10). Verder is de noordkant afgeschermd met struiken met een ondergroei van onder andere hondsdraf, rode kornoelje, geel nagelkruid en robertskruid.

Figuur 1: Plangebied te Oost-Maarland met kadastrale grenzen en nummers.

6

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Figuur 2: Perceel 108 vanaf de zuidkant.

Figuur 3: Percelen 109 en 110.

7

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Figuur 4: perceel 276.

Figuur 5: De houtsingel op de noordwest kant van perceel 276.

8

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Figuur 6: Ondergroei van de houtsingel op perceel 276.

Figuur 7: Composthoop in perceel 276.

9

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Figuur 8: Situatieschets van hoe het plangebied grenst aan de omliggende woonwijken.

Figuur 9: De spoorlijn aan de oostkant van het plangebied.

10

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Figuur 10: Takkenril aan de noordkant van het plangebied met perceel 109 aan de rechterzijde van de figuur.

2.2

Voorgenomen herinrichting

De gemeente Eijsden Margraten heeft het voornemen om in Oost-Maarland de woongelegenheid uit te breiden. Hiervoor worden de percelen 108, 109, 110 en 276 gebruikt. Om dit te realiseren dient de vegetatie van percelen 108, 109, 110 en 276 verwijderd te worden. Daarnaast dient er ten behoeve van het plaatsen van de funderingen van de woning gegraven te worden. Vervolgens worden de woningen gebouwd. Tijdens deze werkzaamheden worden bouwmaterialen tijdelijk en lokaal opgeslagen. Tijdens het opstellen van het onderhavig rapport is geen planning met betrekking tot de werkzaamheden bekend. Daarom wordt uitgegaan van werkzaamheden die jaarrond zullen plaatsvinden.

2.3

Afbakening effecten

De werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben voor beschermde soorten en/of gebieden. Hieronder zijn puntsgewijs de effecten weergegeven die kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen activiteit: Tijdelijke effecten • Doden of verwonden; • Verstoring door geluid, licht, trillingen en optische prikkels (bijvoorbeeld aanwezigheid mensen); Permanente effecten • Verlies van verblijfplaatsen; • Mechanische effecten door vergraven/comprimeren van de bodem door heen en weer rijden; • Vermesting en verzuring (bijvoorbeeld door stikstof uit de lucht); • Versnippering (aantasting samenhang van gebieden).

11

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

3

Gebiedsbescherming

3.1

Methode

Met behulp van de website www.natura2000.nl is nagegaan wat de afstand van het plangebied is tot verschillende Natura 2000-gebieden. Op basis van ecologische expertise wordt bepaald of deze Natura 2000-gebieden binnen de invloedssfeer van de geplande ingreep (en het geplande gebruik) vallen en worden deze websites en de definitieve beheerplannen (aanwijzingsbesluiten) geraadpleegd voor het eventueel achterhalen van de instandhoudingsdoelstellingen (incl. doel- en habitatsoorten). Voor het bepalen van een mogelijk effect op beschermde Natura 2000-gebieden is – naast ecologische expertise – gebruik gemaakt van de effectenindicator van synbiosys.alterra (synbiosys.alterra.nl). Deze effectenindicator is een instrument waarmee mogelijke schadelijke effecten ten gevolge van een geplande ingreep kunnen worden verkend (de informatie is generiek) en geeft informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren.

3.2

Ligging

De Natura 2000-gebieden in de buurt van het plangebied zijn de Maas bij Eijsden (1,5 km), Savelsbos (1,7 km), Sint Pietersberg & Jekerdal (2,4 km), Noorbeemden & Hoogbos (5,0 km), Bemelerberg & Schiepersberg (5,9 km), Grensmaas (8,2 km) en Geuldal (8,8 km).

6

7

5 3

2 1

4

Figuur 11: Het plangebied (rode punt) ten opzichte van Natura-2000 gebieden in Nederlands Limburg: 1.) Maas bij Eijsden 2.) Savelsbos 3.) Sint Pietersberg & Jekerdal 4.) Noorbeemden & Hoogbos 5.) Bemelerberg & Schiepersberg 6.) Grensmaas 7.) Geuldal.

12

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

3.3

Effectbeschrijving

In algemene zin kan als gevolg van werkzaamheden/herontwikkeling – tijdens zowel de aanlegfase als de permanente fase (gebruiksfase) – direct en indirect (door externe werking) sprake zijn van een al dan niet negatief effect op (de instandhoudingsdoelstellingen van) een Natura 2000-gebied. Effecten kunnen van ruimtelijke (oppervlakteverlies, versnippering), fysische (bijv. verdroging, vernatting), mechanische (bijv. verstoring door betreding, trillingen, geluid en licht) en/of chemische (bijv. stikstofdepositie, verontreiniging) aard zijn. Gezien de ruime afstand (meer dan 1,5 km) van het plangebied tot Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten van ruimtelijke, fysische, mechanische aard op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden tijdens zowel de aanleg- als de gebruiksfase uitgesloten. Mogelijk is als gevolg van de voorziene ingreep (aanlegfase) sprake van een toename van de depositie van stikstof op nabijgelegen Natura 2000-gebieden (chemisch effect). Alleen als de uitvoering volledig emissieloos wordt uitgevoerd (door gebruik van elektrische machines) is stikstofdepositie uit te sluiten. Door de schaal van de ingreep en het type werkzaamheden is dit echter niet mogelijk. Omdat het plangebied van landbouwgrond naar woonwijk veranderd, is een toename aan stikstofuitstoot in de gebruiksfase niet uitgesloten.

3.4

Deelconclusie gebiedsbescherming

Gezien de afstand van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (>1,5 km), zijn directe effecten van zowel de aanleg als de gebruiksfase uitgesloten. Daarnaast zijn indirecte negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie niet uit te sluiten voor de aanleg- en de gebruiksfase. Dit is omdat de aanleg niet emissieloos uitgevoerd kan worden en de gebruikte percelen van tuin en boomgaarden naar bewoonde bebouwing veranderd gaat worden. Dit resulteert in een hogere uitstoot en dus mogelijk extra stikstofdepositie in omliggende Natura 2000-gebieden. Om dit vast te stellen dient een Aerius berekening uitgevoerd te worden waarbij op basis van emissie, zowel de depositie in de aanlegfase als de gebruiksfase als gevolg van het voornemen wordt berekend, om mogelijke effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de genoemde Natura 2000-gebieden vast te kunnen stellen dan wel uit te kunnen sluiten.

13

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

4

Natuurnetwerk Limburg (NNL)

4.1

Methode

Met behulp van de Atlas Limburg viewer 1 is nagegaan wat de afstand van het plangebied is tot het NNL en de groenblauwe mantel. Het plangebied maakt zelf geen deel uit van het NNL en de groenblauwe mantel. De Omgevingsverordening beschrijft de doelen en de subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden, landschapselementen en agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb).

4.2

Ligging

Het plangebied ligt op 450 meter van onderdelen van Natuur Netwerk Limburg (Figuur 12). Het gebied heet Eijsder beemden Dit bestaat uit de beheertypen kruiden-en faunarijk grasland (N12.02), dennen-, eiken-, en beukenbos (N15.02), poelen en kleine historisch wateren (L01.01), zoete plas (N04.02), rivier (N02.01), rivier- en beekbegeleidend bos (N14.01) en ruigteveld (N12.06).

Figuur 12: Het plangebied (oranje omlijning) ten opzichte van nabijgelegend onderdelen van het NNL (gecodeerde kleuren) en de groenblauwe mantel (lichtblauw).

4.3

Toetsing

De ingreep heeft geen invloed op het ruimtebeslag van NNL en groenblauwe mantel. Verdere toetsing is niet nodig. Negatieve effecten op NNL zijn uitgesloten.

1

Atlas Viewer Limburg: https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default geraadpleegd op 20-2-2024.

14

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

4.4

Deelconclusie Natuurnetwerk Limburg

De ingreep heeft geen invloed van NNL waardoor negatieve effecten op NNL zijn uitgesloten. Verdere toetsing is aan de NNL is daarom niet nodig.

15

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

5

Aanwezigheid beschermde soorten

5.1

Methode

Er zijn een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar (periode 01-012018 t/m 10-5-2022) in een straal van twee kilometer rondom het plangebied. Daarnaast is gebruik gemaakt van de verspreidingsatlas (verspreidingsatlas.nl) voor de verspreidingsgegevens van beschermde soorten. Het veldbezoek is uitgevoerd op 12 mei 2023 door een ecoloog in dienst bij Arcadis. De omstandigheden tijdens het veldbezoek waren zwaar bewolkt, windkracht 1-2 Bft. en 13°C. Tijdens het veldbezoek is een habitatgeschiktheidsbeoordeling uitgevoerd. Dit houdt in dat op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied een verwachting wordt gesteld van het al dan niet voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd of en zo ja, welke beschermde soorten (mogelijk) in en nabij het plangebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en per soortgroep beoordeeld of essentiële onderdelen van het functioneel leefgebied (zoals standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden) binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied aanwezig zijn en of deze (mogelijk) worden aangetast als gevolg van de voorziene ingreep.

5.2

Aanwezigheid beschermde soorten

In Tabel 1 is per soortgroep weergegeven of en zo ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het projectgebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als veldbezoek. Tabel 1: Voorkomen en functie leefgebied van beschermde soorten binnen het projectgebied per relevante soortgroep. Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat Flora Bureauonderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van akkerdoornzaad, bergnachtorchis en bokkenorchis (NDFF) Daarnaast ligt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van akkerogentroost, berggamander, blaasvaren, bruinrode wespenorchis, echte gamander, geelgroene wespenorchis, getande veldsla, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, kalkboterbloem, kleine wolfsmelk, muurbloem, pijlscheefkelk, rood peperboompje, ruw parelzaad, schubvaren, stijve wolfsmelk, stofzaad, tengere veldmuur en trosgamander. Veldbezoek Percelen 108, 109 en 110 bestaan voornamelijk uit weilanden met kersenbomen. De vegetatie in deze weilanden bestaat uit raaigrassen met enkele kruiden waaronder kleefkruid en scherpe boterbloem. Dit duidt op een voedselrijke bodem met veel zon. Ook ligt het plangebied dicht bij de maas en wordt deze incidenteel begraasd (en dus ook bemest) waardoor deze minder kalkrijk is dan de rest van Zuid-Limburg. Hierdoor zijn deze percelen geschikt voor akkerdoornzaad.

Op basis van dezelfde kenmerken kunnen akkerogentroost, bergnachtorchis, bokkenorchis, getande veldsla, geelgroene wespenorchis, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw, kalkboterbloem, kleine wolfsmelk, rood peperboompje, ruw parelzaad stofzaad en tengere veldmuur worden uitgesloten in perceel 108, 109 en 110. Deze soorten hebben een voedselarme bodem en/of een kalkrijke bodem als voorkeursbiotoop wat niet overeenkomt met percelen 108, 109 en 110. Ook kan grote bosaardbei worden uitgesloten in percelen 108, 109 en 110 door het gebrek aan voldoende schaduw. Perceel 276 biedt dit wel door een hogere dichtheid aan bomen en struiken waardoor de grote bosaardbei in perceel 276 niet kan worden uitgesloten. Daarnaast zijn er geen mergel, stenen en/of rotsen binnen deze percelen aanwezig, waardoor deze ongeschikt zijn voor berggamander, blaasvaren, bruinrode wespenorchis, echte gamander, muurbloem, pijlscheefkelk, schubvaren, stijve wolfsmelk, trosgamander Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest 16

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

Conclusie

Het plangebied biedt mogelijk een groeiplaats voor de volgende beschermde plantensoorten: akkerdoornzaad (alle percelen) en grote bosaardbei (perceel 276).

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat Bureauonderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van algemene broedvogels zoals appelvink, braamsluiper, groenling, houtduif en zwarte roodstaart bekend (NDFF). Veldbezoek Binnen het plangebied liggen bomen van verschillende grootten, struiken en hoge grassen. Deze zijn geschikt als verblijfplaats voor broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten. Broedvogels met jaarrond beschermd nest Bureauonderzoek Binnen het plangebied zijn waarnemingen van In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van boerenzwaluw, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, oehoe, ooievaar, roek, steenuil, torenvalk en een aantal categorie 4 soorten (blauwe reiger, buizerd, grauwe klauwier, ijsvogel, kramsvogel, ringmus, roerdomp, sperwer en visdief). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn waarnemingen gedaan van huismussen in de wijk ten oosten van het plangebied. Andere vogels met jaarrond beschermde nesten en nesten zijn niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Het plangebied is ongeschikt voor huismus, gierzwaluw en boerenzwaluw om te nesten omdat er geen bebouwing in het plangebied staat. Wel kan het plangebied fungeren als foerageergebied. Met name kan perceel 276 een functie hebben voor de huismus echter zijn er voldoende alternatieven in de wijk waar deze soort mogelijk haar nesten heeft.

Voor de gierzwaluw en boerenzwaluw is zal het plangebied geen grote rol invullen als foerageergebied met als rede dat deze soort hoog in de lucht foerageren en de geplande ingreep grondgebonden woningen betreft. Daarnaast zijn er voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig in de directe omgeving. Door de afwezigheid van (stromend) water, zijn roerdomp grote gele kwikstaart en ijsvogel uitgesloten in het plangebied. Het plangebied is ongeschikt voor buizerd havik en oehoe om zich te vestigen omdat de bomen in percelen 108, 109 en 110 te weinig beschutting bieden. Hetzelfde geldt voor de bosschage in perceel 276 die te klein is en daarmee te weinig beschutting biedt voor deze soorten. De waarnemingen van ooievaar in het plangebied betreffen enkel overvliegende individuen. Daarnaast maakt deze soort in Nederland bijna uitsluitend gebruik van kunstmatige nestgelegenheden. Deze zijn afwezig in het plangebied. Om deze rede kan de ooievaar redelijkerwijs worden uitgesloten. De sperwer neemt genoegen met kleinere bosschages dan de buizerd. Hierdoor is bosschage in perceel 276 is geschikt voor de sperwer om te nesten. De open structuur rondom perceel 276 is geschikt als foerageergebied voor deze soort. Nu heeft het verdwijnen van percelen 108, 109 en 110 geen invloed op de staat van instandhouding omdat er voldoende alternatief foerageergebied aanwezig is.

Ook kan deze soort foerageren in bossen op grotere afstand van hun nest. Dit maakt het Savelsbos een geschikt foerageergebied voor deze soort. De bomen in het plangebied zijn ongeschikt voor roek omdat ze te kleine zijn (109 en 110), individuele bomen betreffen (108). In perceel 276 zijn de bomen groot genoeg en staan er voldoende bij elkaar om een roekenkolonie te kunnen huishouden. Tijdens het veldbezoek is geen kolonie, laat staan losse nesten waargenomen. Omdat roeken een categorie 1 soort zijn en hun nesten jaarrond gebruiken is door de afwezigheid van nesten de roek redelijkerwijs uitgesloten. Het plangebied is niet ongeschikt voor een solitair reigerpaar om te broeden. Dit gebeurt echter zelden. Ook zijn grote wateren dicht bij genoeg om bereikbaar te zijn voor deze soort mocht deze hier broeden. Echter zijn er dichter bij die wateren geschikte nestplakken beschikbaar in de vorm van de Eijsder beemden. Hierdoor kan de reiger redelijkerwijs worden uitgesloten in het 17

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

Conclusie Voorkomen van broedvogel zonder jaarrond beschermde nesten is niet uitgesloten.

Het voorkomen van nesten van sperwer, steenuil, torenvalk, grauwe klauwier en kramsvogel is niet uitgesloten in het plangebied. Daarnaast biedt het plangebied geen essentiële foerageergebieden voor vogels met jaarrond beschermde nesten.

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat plangebied als broeder. Daarnaast is er geen open water in het plangebied waardoor deze ook niet als foerageergebied voor de reiger kan functioneren.

Conclusie

De waarnemingen van steenuil betreffen een nest op afstand van het plangebied. Dit betekent dat het plangebied momenteel geen nestlocatie betreft maar mogelijk fungeert als foerageergebied. Nu is het plangebied niet uniek in vergelijking met haar directe omgeving en zullen er voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig zijn. Wel is het zo dat jonge steenuilen zich vestigen en een nest bouwen op afstanden kleiner dan 10 km van hun geboorteplaats. Daarom is de kans op vestiging van deze soort in het plangebied niet uitgesloten. De torenvalk broedt in kleine bosjes en solitaire bomen omgeven door graslanden en akkers. Dit maakt percelen 108 en 276 geschikt als broedlocatie voor deze soort en kunnen nesten niet uitgesloten worden. In percelen 109 en 110 zijn de bomen te klein om deze functie in te kunnen vullen. Daarnaast is het plangebied geschikt als foerageergebied voor torenvalk. Door de open structuur van percelen 108, 109 en 110. Echter is er voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving waardoor de staat van instandhouding niet in geding komt. De bosschage in perceel 276 is geschikt voor grauwe klauwier door de struiken die hierin aanwezig zijn. Dit maakt de bosschage geschikt als nestlocatie. De vrijstaande bomen in percelen 108, 109 en 110 zijn geschikt als uitzichtpunt tijdens het foerageren. Hierdoor kan de grauwe klauwier niet worden uitgesloten.

De kramsvogel broedt in een landschap dat afwisselt tussen vochtige graslanden en boomgroepen. Dit maakt perceel 276 geschikt als nestlocatie voor deze soort door de aanwezige boompartij en lage mate aan verstoring. Verder zijn de graslanden rondom het plangebied geschikt als foerageergebied voor de kramsvogel. Dit is combinatie met de waarnemingen van individuen zorgt ervoor dat nesten en leefgebied van deze soort niet uitgesloten kunnen worden. Percelen 108, 109 en 110 zijn ongeschikt voor nesten maar kunnen wel onderdeel uitmaken van het foerageergebied. De ringmus broedt in kleinschalig natuurlandschap met bouwland en dorpen. Het zijn holenbroeders die ook gebruiken van nestkasten. Deze zijn beide niet aanwezig in het plangebied waardoor nesten van ringmus zijn uitgesloten. Mogelijk biedt het plangebied een foerageergebied voor deze soort. Deze eet zaden en insecten. Nu zijn er in de directe omgeving van het plangebied voldoende alternatieven met vergelijkbare foerageergebieden en heeft de ingreep geen invloed op de staat van instandhouding. De waarnemingen van visdief betroffen enkel overvliegende individuen. Nu zijn er gevallen bekend dat de visdief in het binnenland broedt echter doet deze soort dat in een nestkuil in grind op de grond. Aangezien percelen 108, 109 en 110 begraasd worden en er geen grind aanwezig is, wordt deze soort hierin uitgesloten.

Ook in perceel 276 kan deze soort uitgesloten worden omdat ook hier geen grind aanwezig is en het gras met regelmaat gemaaid wordt. Grondgebonden zoogdieren Bureauonderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bever, das, eikelmuis, grote bosmuis, steenmarter, vos, wild zwijn en vrijgestelde soorten. (NDFF). Daarnaast ligt het plangebied in het verspreidingsgebied van eekhoorn en hamster (korenwolf). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is een konijn waargenomen in perceel 276. Binnen het plangebied en de directe omgeving hiervan ontbreken oppervlaktewateren waardoor de bever uitgesloten is. Daarnaast zijn er geen geschikte locaties voor het maken van burchten voor das en vos. Wat eikelmuis betreft, ontbreken geschikte verbindingen met de enige nabijgelegen populatie (Savelsbos) waardoor deze soort is uitgesloten. De vegetatie en beschutting van de bosschage in perceel 276 is geschikt voor grote bosmuis. Verblijfplaatsen van steenmarter* zijn niet uitgesloten door takkenril op de projectgrens. Ook is er voldoende voedsel door de hoeveelheid fruitbomen en de composthoop (voedselresten van 18

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

Het plangebied biedt mogelijk een functie voor grote bosmuis, steenmarter en rode eekhoorn.

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat menselijke consumptie). Voor wild zwijn is het plangebied ongeschikt omdat er geen loofbos is. Wel kan bosschage in perceel 276 functioneren als verblijfplaats voor rode eekhoorn*. De hamster (korenwolf) is binnen het plangebied uitgesloten door een afwezigheid graanvelden.

Conclusie

*Deze soorten zijn tijdelijk vrijgesteld in provincie Limburg. Vleermuizen Bureauonderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de brandts vleermuis, bechsteins vleermuis, bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF). Daarnaast ligt het plangebied in het verspreidingsgebied van baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, meervleermuis, ruige dwergvleermuis en vale vleermuis (verspreidingsatlas) Veldbezoek De bomen in het plangebied hebben geen holten. Hierdoor zijn verblijfplaatsen binnen het plangebied uitgesloten. De panden in de directe omgeving van het plangebied zijn echter wel geschikt als verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten waaronder de dwergvleermuizen, gewone grootoorvleermuis en de laatvlieger. Deze kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied, echter betreft dit geen essentiële functie door de aanwezigheid van vergelijkbare percelen in de directe omgeving aan de noord- en oostkant van het plangebied. Ook omvat het plangebied geen functionele lijnvormige elementen waardoor deze functie is uitgesloten. Reptielen Bureauonderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van hazelworm en muurhagedis (NDFF).

Daarnaast ligt het plangebied in het verspreidingsgebied van gladde slang, en levendbarende hagedis (verspreidingsatlas). Veldbezoek Mogelijk kan de dichtere vegetatie in perceel 276 een verblijfplaats bieden voor hazelworm, echter heeft deze soort grotere oppervlakten bos en hei nodig waarvan in het plangebied geen sprake is en het plangebied niet aan grenst. Daarom wordt de hazelworm uitgesloten binnen het plangebied. Daarnaast is de vegetatie binnen het plangebied is ongeschikt voor levendbarende hagedis en gladde slang Ook is het plangebied ongeschikt voor muurhagedis door het ontbreken van stenige plekken. Amfibieën Bureauonderzoek In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de alpenwatersalamander, rugstreeppad, vroedmeesterpad en algemene soorten (NDFF). Daarnaast ligt het plangebied in het verspreidingsgebied van de geelbuikvuurpad en kamsalamander (verspreidingsatlas). Veldbezoek In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn geen oppervlaktewateren aanwezig, geschikt voor beschermde amfibieën. Het voorkomen van beschermde amfibieënsoorten is hiermee uitgesloten, evenals de aanwezigheid van winterbiotoop voor deze soorten. Vissen Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vissen in en in de directe omgeving van het plangebied.

Door de afwezigheid van geschikte wateren in en rondom het plangebied is het voorkomen van beschermde vissen uitgesloten. Ongewervelden Bureauonderzoek 19

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

Verblijfplaatsen en andere essentiële functies voor vleermuizen zijn uitgesloten binnen het plangebied.

Het voorkomen van beschermde reptielen in het plangebied is uitgesloten.

Het voorkomen van beschermde amfibieën in het plangebied is uitgesloten.

Het voorkomen van beschermde vissen in het plangebied is uitgesloten.

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bruin dikkopje, grote vos, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage, veldparelmoervlinder, teunisbloempijlstaart, bosbeekjuffer en vliegend hert (NDFF). Daarnaast ligt het plangebied in het verspreidingsgebied van gevlekte witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel, grote weerschijnvlinder, iepenpage, zilveren maan en beekrombout (verspreidingsatlas). Veldbezoek Grote vos, veldparelmoervlinder, teunisbloempijlstaart zijn niet uitgesloten binnen het plangebied omdat de waardplanten van deze soorten aanwezig zijn of in dit habitat kunnen voorkomen. Aanwezige waardplanten betreffen smalle weegbree en zoete kers waardplanten die mogelijk voorkomen zijn ereprijs, knoopkruid en teunisbloem. Bruin dikkopje, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage, grote weerschijnvlinder, iepenpage en zilveren maan zijn uitgesloten omdat het plangebied ongeschikt is voor hun waardplanten. Verder zijn de beschermde libellen uitgesloten door de afwezigheid van water in het plangebied en de directe omgeving hiervan. Ook is vliegend hert uitgesloten door de afwezigheid van liggend eikenhout met witschimmel.

5.3

Conclusie Het plangebied biedt een mogelijk voortplantingsplaatsen voor grote vos, veldparelmoervlinder, en teunisbloempijlstaart.

Effectbeschrijving

In Tabel 2 is per soortgroep voor de te verwachten soorten, op basis van de conclusie in de vorige paragraaf, een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van het voornemen zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Tabel 2. Effectbeschrijving per soortgroep op basis van voorkomen en voornemen. Soortgroep Mogelijke effecten

Toetsing vereist?

Flora

Akkerdoornzaad en grote bosaardbei Bij het uitvoeren van de werkzaamheden worden mogelijke groeiplaatsen vernield of individuen beschadigd of vernield. Na de werkzaamheden is het plangebied minder, of ongeschikt voor de beschermde plantensoorten.

Ja

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest

Nesten/verblijfplaatsen Bij het uitvoeren van werkzaamheden in het broedseizoen worden mogelijk broedende vogels verstoord en nestplaatsen en/of eieren van broedvogels zonder jaarrond beschermd nest vernield of beschadigd. Foerageergebied Bij het uitvoeren van werkzaamheden vindt mogelijk verstoring en/of aantasting van foerageergebieden plaats. Voor de duur van de werkzaamheden is het plangebied minder geschikt als foerageergebied. Door voldoende alternatieve foerageergebieden in de directe omgeving is er geen sprake van effecten als gevolg van verlies van foerageergebied. Na uitvoering van de werkzaamheden is het plangebied minder geschikt of ongeschikt als foerageergebied. Echter liggen er vergelijkbare percelen in de directe omgeving

Nesten/verblijfplaatsen: ja

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten

Sperwer, steenuil, torenvalk, grauwe klauwier en kramsvogel Bij het uitvoeren van werkzaamheden in het broedseizoen worden mogelijk broedende vogels verstoord en/of eieren van broedvogels met jaarrond beschermd nest vernield. Bij alle werkzaamheden kunnen nestplaatsen vernield of beschadigd raken ongeacht het moment van uitvoeren. Daarnaast is het plangebied na de ingreep niet meer geschikt als nestlocatie voor deze soorten door het verdwijnen van bomen en stuiken.

Nesten/verblijfplaatsen: Ja

Grondgebonden zoogdieren

Grote bosmuis, steenmarter, rode eekhoorn, en algemeen voorkomende soorten waarvoor een vrijstelling geldt De werkzaamheden leiden mogelijk tot verwonden en doden van grote bosmuis, steenmarter, rode eekhoorn en algemeen voorkomende soorten en aantasten van foerageergebieden en verblijfplaatsen als gevolg van het verwijderen van bomen en struiken en graafwerkzaamheden.

Ja

20

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

Foerageergebied: nee

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Na de werkzaamheden blijft het plangebied ongeschikt of minder geschikt voor deze soorten. Ongewervelden

Grote vos, veldparelmoervlinder en teunisbloempijlstaart De werkzaamheden leiden mogelijk tot het verwonden en doden van de grote vos, veldparelmoer-vlinder, en de teunisbloempijlstaart en het aantasten van waardplanten als gevolg van het verwijderen van vegetatie ten behoeve van de werkzaamheden. Na de werkzaamheden blijft het plangebied ongeschikt voor de grote vos, veldparelmoer-vlinder, en de teunisbloempijlstaart en hun waardplanten.

5.4

Toetsing

5.4.1

Beschermingscategorieën relevante soorten

Ja

In Tabel 3 is per soort/soortgroep opgenomen tot welke beschermingscategorie deze behoort: Tabel 3. Beschermingscategorie per soort/soortgroep.

Beschermingscategorie Vogelrichtlijnsoorten

Habitatrichtlijnsoorten Soorten van de lijst ‘Andere soorten’ waarvoor géén vrijstelling geldt Algemene soorten en soorten van de lijst ‘Andere soorten’ waarvoor een vrijstelling geldt

Soort/soortgroep • Vogels zonder jaarrond beschermde nesten. • Vogels met jaarrond beschermde nesten: sperwer, steenuil, torenvalk, grauwe klauwier en kramsvogel • N.v.t. • Akkerdoornzaad en grote bosaardbei • Grote bosmuis, steenmarter en rode eekhoorn • Grote vos, veldparelmoervlinder en teunisbloempijlstaart • Algemene grondgebonden zoogdieren

Voor de provincie Limburg geldt een vrijstelling voor de binnen het projectgebied voorkomende algemeen voorkomende soorten amfibieën en - zoogdieren, zie Bijlage A. Deze soort(groepen) zijn hieronder niet meegenomen. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, zie verder in paragraaf 5.5.

5.4.2

Toetsing

In onderstaande tabellen is per soort(groep) op basis van de effectbeschrijving in de vorige paragraaf aangegeven welke artikelen relevant zijn voor de flora- en fauna-activiteit. De definitie van een flora- en fauna-activiteit is “activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten” en is derhalve van toepassing op dit initiatief. In deze toetsing is geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze toetsing is bepaald of en zo ja, welke vervolgstappen nodig zijn. Tabel 4: Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten (art. 5.1, lid 2, onderdeel 9, Omgevingswet). Het verbod geldt voor Vogelrichtlijnsoorten voor de handelingen die in deze tabel zijn aangegeven en die mogelijk wel het gevolg zijn van het initiatief. Soort

Broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten Sperwer, steenuil, torenvalk, grauwe klauwier en kramsvogel

a

b

X

X

X

X

c

d

Als gevolg van

X

Kappen van bomen en verwijderen van vegetatie.

Kappen van bomen en verwijderen van vegetatie.

Het verbod geldt voor Vogelrichtlijnsoorten voor (art. 11.37, lid 1 Besluit activiteiten leefomgeving): a: opzettelijk doden of opzettelijk vangen; b: opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of het opzettelijk wegnemen van nesten; c: rapen en onder zich hebben van eieren; d: opzettelijk storen, tenzij het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding.

21

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

• •

Overtreding van lid 1c en 1d zijn niet van toepassing voor broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten, omdat geen eieren geraapt worden en verstoring van algemene broedvogels niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Overtreding van lid 1c is niet van toepassing voor roek en ooienvaar, omdat geen eieren opzettelijk vernield of geraapt worden en het verbod, bedoeld in het vierde lied, wel van toepassing is.

Tabel 5: Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten (art. 5.1, lid 2, onderdeel 9, Omgevingswet). Het verbod geldt voor Andere soorten voor de handelingen die in deze tabel zijn aangegeven en die mogelijk wel het gevolg zijn van het initiatief. Soort

a

b

Akkerdoornzaad en grote bosaardbei Steenmarter en rode eekhoorn

X

X

Grote bosmuis

X

X

Grote vos, veldparelmoervlinder, en teunisbloempijlstaart

X

X

c

Als gevolg van

X

Verwijderen van vegetatie. Verwijderen van vegetatie, grondwerkzaamheden, bouwwerkzaamheden. Verwijderen van vegetatie, grondwerkzaamheden, bouwwerkzaamheden. Verwijderen van waardplanten beschreven in Tabel 1.

Het is verboden om: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

• •

Lid a en lid b zijn niet van toepassing voor de planten omdat deze niet gevangen kunnen worden en ze geen voortplantingsplaatsen en rustplaatsen hebben. Lid c is niet van toepassing voor de zoogdieren en ongewervelden, omdat deze voor planten geldt.

5.5

Zorgplicht

Ten aanzien van de zorgplicht zijn in de Omgevingswet verplichtingen opgenomen. In deze paragraaf worden deze verplichtingen besproken en wordt beschreven op welke manier invulling te geven aan deze verplichtingen. De algemene zorgplicht geldt voor alle soorten, de aanvullende zorgplicht geldt voor beschermde soorten. Het is belangrijk om ook rekening te houden met vrijgestelde soorten. Algemene zorgplicht In het algemeen moet voorkomen worden dat bij het doden of vangen van een dier, dat dier onnodig leidt (art. 11.28, Besluit activiteiten leefomgeving). Hieronder is specifiek aangegeven hoe invulling is gegeven aan de verplichte aspecten voor flora- en fauna-activiteiten of andere activiteiten waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat dit leidt tot nadelige effecten ten aanzien van natuurbescherming (art. 11.27, lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving): • Neem alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om gevolgen te voorkomen. • Voor zover gevolgen niet kunnen worden voorkomen, moeten effecten zoveel mogelijk beperkt worden. • Maak gevolgen ongedaan. Wanneer een resteffect aanwezig neem compenserende maatregen zie paragraaf 4.6. • Als rest-effecten onvoldoende kunnen worden beperkt: laat de activiteit achterwege zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd.

Het is belangrijk dat het niet zo ver komt en al in eerdere stappen voldoende maatregelen worden genomen om effecten voldoende te beperken en te herstellen. Aanvullende zorgplicht flora- en fauna-activiteit Voor flora- en fauna-activiteiten gelden specifiek de volgende verplichtingen (art. 11.27, lid 2, Besluit activiteiten leefomgeving): a. Voorafgaand aan het verrichten van de activiteit moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie of in de directe nabijheid beschermde soorten of voor beschermde soorten leefgebieden of groeiplaatsen aanwezig zijn. Deze quickscan geeft aanwijzingen dat mogelijk beschermde soorten in het projectgebied aanwezig zijn. Het is noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren. In de volgende paragraaf wordt dit uitgewerkt. b. Als aanwijzingen van de aanwezig er zijn, dan moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten. Deze quickscan geeft 22

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

aanwijzingen dat mogelijk beschermde soorten in het projectgebied aanwezig zijn. Het is noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren en daaruit moet ook volgen welke effecten voorzien zijn. c. Als negatieve gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten. Deze quickscan geeft aanwijzingen dat mogelijk beschermde soorten in het projectgebied aanwezig zijn. Het is niet noodzakelijk om nader onderzoek uit te voeren. d. Alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen. De noodzaak en nadere invulling van maatregelen staan beschreven in paragraaf 5.6. e. Tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Het is belangrijk om te borgen dat maatregelen voldoende effect hebben. Bij onvoldoende kennis of twijfel kan een ecologisch adviseur worden betrokken. f. Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Het is belangrijk dat het niet zo ver komt en al in eerdere stappen voldoende maatregelen worden genomen om effecten voldoende te beperken en te herstellen.

5.6

Vervolgstappen

In deze paragraaf zijn een aantal vervolgstappen beschreven. Het gaat hierbij om soortgericht onderzoek waar mogelijk maatregelen uit volgen, mitigerende maatregelen waarvan al bekend is dat deze genomen moeten worden en zorgplichtmaatregelen. Per soort(groep) is uitgewerkt wat de functie van het plangebied (mogelijk) is. Op basis daarvan is in paragraaf 5.4 beschreven of als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden sprake is van negatieve effecten. Hieronder is per soort(groep) beschreven of deze effecten kunnen worden voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen of een ontwerpaanpassing. Indien dit niet mogelijk is, is het noodzakelijk om soortgericht onderzoek te doen. Hieruit moet blijken of het maatregelengebied een functie heeft voor de betreffende soort(groep) en of het noodzakelijk is om een ontheffing aan te vragen en maatregelen te nemen. De volgorde voor de genoemde vervolgstappen, namelijk maatregelen, ontwerpaanpassing en het uitvoeren van onderzoek, is per soort(groep) verschillend. Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest • Maatregel voor algemeen voorkomende broedvogels waarvan het nest gedurende broedperiode beschermd is: – Voer werkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven.

– Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dienen geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt te worden gemaakt en gehouden te worden, totdat de werkzaamheden zijn afgerond. • Onderzoek is bij het nemen van de maatregel niet nodig. • Omgevingsvergunning is niet mogelijk, voorgenoemde maatregel moet genomen worden. Vogels met jaarrond beschermde nesten: sperwer, torenvalk, steenuil, grauwe klauwier en kramsvogel • Maatregelen ten behoeve van vogels met jaarrond beschermde nesten gaan om het in stand houden van leefgebied. Dit is niet werkbaar door de aard van de ingreep. Onderzoek is niet te vermijden. • Onderzoek naar nesten en functioneel leefgebied. • Omgevingsvergunning: Als nesten en/of functioneel leefgebied aangetast worden. Steenmarter en eekhoorn: • Maatregel: Voer de werkzaamheden uit in de vrijgestelde perioden voor deze soorten (Bijlage A). • Indien de maatregel niet uitgevoerd kan worden dient soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. • Omgevingsvergunning: Als verblijven en/of functioneel leefgebied worden aangetast. Grote bosmuis: • Voer onderzoek uit naar voorkomen met live traps. • Omgevingsvergunning: Als leefgebied en/of leefgebied worden aangetast. Ongewervelden: grote vos, teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder 23

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

•

Maatregelen ten behoeve van ongewervelden gaat om het in stand houden van waardplanten. Dit is niet werkbaar door de aard van de ingreep. Onderzoek is niet te vermijden. Onderzoek naar waardplanten en vraatsporen Omgevingsvergunning: Bij aanwezigheid van individuen.

• •

5.7

Deelconclusie soortbescherming

Op basis van deze quickscan is de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten niet uit te sluiten in het plangebied. Niet alle overtredingen van de verbodsbepalingen zijn te voorkomen door de mitigerende maatregelen. Daarom is soortgericht onderzoek en een mogelijk daaruit voortvloeiende vergunning van de Omgevingswet noodzakelijk. Afhankelijk van of alle voorgestelde mitigerende maatregelen toegepast kunnen worden, dienen de soorten beschreven in Tabel 6 onderzocht te worden. Tabel 6. Soort(groep)en met bijbehorende onderzoeksperioden. *onderzoek naar deze soort kan vermeden worden door alle voorgestelde mitigerende maatregelen in paragraaf 5.6 uit te voeren.

Soort/soortgroep

Onderzoek naar

Periode onderzoek

Akkerdoornzaad en grote bosaardbei Sperwer en torenvalk

Voorkomen

Mei – augustus

Aantal/duur onderzoeksro nden 2

Nestplaatsen

Maart – juni

3

Steenuil

Nestplaatsen

15 feb – 15 juli

3

Grauwe klauwier

Nestplaatsen en functioneel leefgebied

3

Kramsvogel

Nestplaatsen en functioneel leefgebied

15 mei – 30 juni Mei - juli

Steenmarter*

Verblijven en functioneel leefgebied

2

Eekhoorn*

Verblijven en functioneel leefgebied

Grote bosmuis

Voorkomen met live traps

Grote vos, veldparelmoervlinder en teunisbloempijlstaart

Zoeken naar gebruik waardplanten en vraatsporen van individuen.

Maart – augustus Maart – augustus Oktober – November Juli – augustus

24

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

3

2 November 2

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

6

Conclusies

6.1

Soortbescherming

Op basis van deze quickscan is de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten niet uit te sluiten in het plangebied. Niet alle overtredingen van de verbodsbepalingen zijn te voorkomen door de mitigerende maatregelen. Daarom is soortgericht onderzoek en een mogelijk daaruit voortvloeiende vergunning van de Omgevingswet noodzakelijk. Afhankelijk van of alle voorgestelde mitigerende maatregelen toegepast kunnen worden, dienen de volgende soorten onderzocht te worden: • • • • • • • • •

Akkerdoornzaad en grote bosaardbei Sperwer en torenvalk Steenuil Grauwe klauwier Kramsvogel Steenmarter (onderzoek is te voorkomen met mitigerende maatregelen) Eekhoorn (onderzoek is te voorkomen met mitigerende maatregelen) Grote bosmuis Grote vos, veldparelmoervlinder en teunisbloempijlstaart

6.2

Gebiedsbescherming

Directe effecten op Natura-2000 gebieden van zowel de aanleg als de gebruiksfase zijn uitgesloten, vanwege de grote afstand (> 1,5 km) ten opzichte van deze gebieden Indirecte negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn niet uitgesloten. Een Aerius berekening voor zowel de aanleg als gebruiksfase is noodzakelijk om mogelijke effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de genoemde Natura 2000-gebieden vast te kunnen stellen dan wel uit te kunnen sluiten.

6.3

Natuurnetwerk Limburg

De ingreep heeft geen invloed van NNL waardoor negatieve effecten op NNL zijn uitgesloten. Verdere toetsing is aan de NNL is daarom niet nodig.

25

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

6.4

Vervolgstappen/advies

6.4.1

Soortgericht onderzoek

Ondanks genoemde te hanteren maatregelen (zie paragraaf 6.1), vindt mogelijk als gevolg van de geplande werkzaamheden wel overtreding van enkele verbodsartikelen uit Omgevingswet plaats met betrekking tot de soorten beschreven in Tabel 6 . Derhalve is het noodzakelijk – voor het verkrijgen van een eventuele vergunning Omgevingswet – om voorafgaand aan de werkzaamheden soortgericht onderzoek naar genoemde soorten uit te voeren conform de vigerende protocollen. Met dit onderzoek wordt de aan- dan wel afwezigheid van essentiële onderdelen van functioneel leefgebied van de volgende beschermde soorten: • • • • • • • • •

Akkerdoornzaad en grote bosaardbei Sperwer en torenvalk Steenuil Grauwe klauwier Kramsvogel Steenmarter (onderzoek is te voorkomen met mitigerende maatregelen) Eekhoorn (onderzoek is te voorkomen met mitigerende maatregelen) Grote bosmuis Grote vos, veldparelmoervlinder en teunisbloempijlstaart

6.4.2

Stikstofdepositieberekening

Een AERIUS-berekening dient uitgevoerd te worden voor de aanlegfase en de gebruiksfase om te bepalen of (al dan niet) sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en of het project vergunning plichtig is of niet. Deze berekeningen kunnen resulteren in aanpassingen aan de werkzaamheden om deze wel vergunbaar te maken.

26

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Bijlage A Wettelijk kader

Natura 2000-gebieden

De Omgevingswet maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen als beschermde natuurgebieden. De volgende soorten gebieden worden daarbij genoemd: • •

Natura 2000-gebieden voor het uitvoeren van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. 2 Buiten Natura 2000-gebieden kunnen met hetzelfde doel ook bijzondere nationale natuurgebieden worden aangewezen. 3 • Nationale parken. 4 In aanvulling op bovenstaande gebieden kunnen de volgende gebieden in de omgevingsverordening worden aangewezen: • Natuurnetwerk Nederland. 5 • Bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen buiten alle voorgenoemde beschermde gebieden. 6

In het kader van regelgeving rond Natura 2000-gebieden zijn met name de Omgevingswet, het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en het Besluit Activiteiten Leefomgeving van belang. In de navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de relevante delen van de wet, besluiten en regelingen gegeven.

Regels ten aanzien van de bescherming van Natura 2000-gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst Natura 2000-gebieden aan. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelen ten aanzien van de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitats en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. 7 Gedeputeerde staten - en in bepaalde gevallen het Ministerie van LNV - zijn verplicht zorg te dragen voor het treffen van instandhoudingsmaatregelen ten aanzien van de in de provincie gelegen Natura 2000-gebieden en moeten ook indien daar aanleiding voor bestaat- passende maatregelen nemen om verslechtering van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te voorkomen. 8 Daarnaast is gedeputeerde staten verantwoordelijk voor het vaststellen van een programma waarin beheer is geregeld (voorheen beheerplan) voor elk Natura 2000-gebied. 9

Beoordeling van plannen Voor alle plannen die “niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied” 10 moet voor het vaststellen van het plan een passende beoordeling worden gemaakt. 11 Hiervan kan worden afgeweken als het plan een herhaling is of voorzetting van een ander plan of project of onderdeel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens of inzichten over significante gevolgen oplevert. 12

2

art. 2.44, lid 1, Omgevingswet art. 2.44, lid 2, Omgevingswet 4 art. 2.44, lid 3, Omgevingswet 5 art. 2.44, lid 4, Omgevingswet 6 art. 2.44, lid 5, Omgevingswet 7 art. 2.44 (aanwijzing natuurgebieden en landschappen), lid 1 en 2, Omgevingswet en art. 3.58 (eisen aanwijzingsbesluit), lid 1 en 2, Besluit kwaliteit leefomgeving 8 art. 3.59 (instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen), Besluit kwaliteit leefomgeving 9 art. 3.8 (verplichte programma’s provincie), lid 3, Omgevingswet 10 Habitatrichtlijn, art. 6, lid 3. 11 art. 16.53c, lid 1, Omgevingswet 12 art. 16.53c, lid 2, Omgevingswet 3

27

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

Een plan kan alleen worden vastgesteld als uit de passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. 13 Op het moment dat wel sprake is van aantasting van natuurlijke kenmerken of geen zekerheid hierover te verkrijgen is, moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Dit is de ADC-toets 14: • Er zijn geen Alternatieve oplossingen; • Het plan is nodig vanwege Dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; • De nodige Compensatie wordt genomen gericht op het waarborgen van de samenhang van Natura 2000. Op het moment dat prioritaire habitattypen of soorten worden aangetast, dan zijn aanvullende voorwaarden van toepassing 15: • Dwingende reden van groot openbaar belang hebben uitsluitend betrekking op de menselijke gezondheid, openbare veiligheid of voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; of • Aan de Europese commissie wordt een advies gevraagd. 16 Stikstofdepositie Voor plannen moet inzicht worden gegeven in de verandering van de stikstofdepositie voor een goede ruimtelijke ordening. Het ligt voor de hand om de berekeningen te doen met de Aerius Calculator, omdat dit voor de vergunning uiteindelijk verplicht is. 17 De berekeningen worden gedaan voor zowel aanleg- en gebruiksfase waarna een haalbaarheidstoets wordt gedaan.

Houdbaarheid van gegevens In de Omgevingswet is opgenomen dat in het algemeen onderzoeksgegevens maximaal twee jaar houdbaar zijn, tenzij te onderbouwen is waarom gegevens ouder dan twee jaar nog actueel zijn. Natura 2000-activiteiten zijn echter uitgezonderd van de houdbaarheidsregel van maximaal twee jaar. 18

Soortbescherming

Algemene bescherming In het Besluit activiteiten leefomgeving is een zorgplicht ten aanzien van soorten opgenomen. In het algemeen moet voorkomen worden dat bij het doden of vangen van een dier, dat dier onnodig leidt. 19 Verder is aangegeven dat bij flora- en fauna-activiteiten of andere activiteiten waarbij redelijkerwijs vermoed kan worden dat dit leidt tot nadelige effecten ten aanzien van natuurbescherming, de volgende zaken verplicht zijn: 20 • neem alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om gevolgen te voorkomen; • voor zover gevolgen niet kunnen worden voorkomen: beperk die gevolgen zoveel mogelijk • of maak deze ongedaan; en • als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: laat de activiteit achterwege zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd. Voor flora- en fauna-activiteiten geldt specifiek het volgende 21: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie of in de directe nabijheid beschermde soorten of voor beschermde soorten leefgebieden of groeiplaatsen aanwezig zijn. b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten;

13

art. 10.24 (passende beoordeling plannen Natura 2000), lid 1, Besluit kwaliteit leefomgeving art. 10.24 (passende beoordeling plannen Natura 2000), lid 2, Besluit kwaliteit leefomgeving 15 art. 10.24 (passende beoordeling plannen Natura 2000), lid 2, Besluit kwaliteit leefomgeving 16 Verwijzing naar art. 10.6d (opvatting Europese Commissie over dwingende redenen van groot openbaar belang bij Natura 2000-gebieden), Omgevingsbesluit 17 Voor de omgevingsvergunning is vastgelegd dat dit met Aerius moet art. 4.15 (methode berekenen stikstofdepositie Natura 2000-activiteit en art. 6.15 (methode berekenen stikstofdepositie Natura 2000-activiteit), Omgevingsregeling 18 art. 16.5 (houdbaarheid onderzoeksgegevens), Omgevingswet 19 art. 11.28 (voorkomen onnodig lijden van dieren), Besluit activiteiten leefomgeving 20 art. 11.27 (specifieke zorgplicht), lid 1, Besluit activiteiten leefomgeving 21 art. 11.27 (specifieke zorgplicht), lid 2, Besluit activiteiten leefomgeving 14

28

Onze referentie: AHJMEXHXW5PJ-1768213325-103:1.0 - Datum: 21 augustus 2024 - Public

ECOLOGISCHE QUICKSCAN OMGEVINGSWET

c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor beschermde dieren, hun nesten, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor beschermde planten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Categorieën De wet onderscheidt drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Soorten vogelrichtlijn, ook wel Vogelrichtlijnsoorten genoemd (§ 11.2.2 Besluit activiteiten leefomgeving) • Soorten habitatrichtlijn, ook wel Habitatrichtlijnsoorten genoemd (§ 11.2.3 Besluit activiteiten leefomgeving) • Andere soorten (§ 11.2.4 Besluit activiteiten leefomgeving) Soorten Vogelrichtlijn Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd. 22 Soorten Habitatrichtlijn In deze categorie vallen 23: • alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: – bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, – bijlage II bij het Verdrag van Bern of; – bijlage I bij het Verdrag van Bonn; • en planten van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied zoals genoemd in: – bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; – bijlage I bij het Verdrag van Bern. Het gaat hierbij dus om meer dan alleen de soorten van de Habitatrichtlijn (namelijk ook soorten van de conventies van Bern en Bonn).

Omdat in het Besluit activiteiten leefomgeving § 11.2.3 “soorten habitatrichtlijn” in de titel heeft, wordt deze term echter wel gebruikt om deze groep van beschermde soorten aan te duiden. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen in bijlage IX onder A bij het Besluit activiteiten leefomgeving. 24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=f45e6f37-87d4-441a-aba4-3fd3f175e39f