CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20250218 10 BP Moerslag Bijlage 1.9 Archeologisch onderzoek

* Raadsvergaderingen 18 februari 2025, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Bestemmingsplan NSW-Landgoed Moerslag 32 Sint Geertruid9.885 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ArcheoPro Archeologisch rapport Nr. 23075 Moerslag 32, Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek

Concept versie 14-08-2023

Augustus 2023

ArcheoPro

ArcheoPro Archeologisch rapport Nr. 23075 Moerslag 32, Sint Geertruid Gemeente Eijsden-Margraten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O); Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Colofon Opdrachtgever Projectcode Bestandsnaam Versie Status Archis melding (zaaknummer) Bevoegde overheid Deskundige namens de bevoegde overheid Opslagplaats documentatie ISSN Auteur(s) Projectleider Projectmedewerkers Onderaannemers Autorisatie

Uitgegeven door ArcheoPro © Copyright 2023 ArcheoPro, Eijsden ArcheoPro Sint Jozefstraat 45 NL 6245 LL Eijsden Nederland

Tel : 0(0 31) 43 3672586 www.archeopro.nl

Kamer van Koophandel Limburg: 14117581 e-mail: info@archeopro.nl

www.ArcheoPro.nl

Inhoudsopgave SAMENVATTING ........................................................................................................................................ 4 1. INLEIDING ............................................................................................................................................... 5

2. BUREAUONDERZOEK ........................................................................................................................ 12

3. VELDONDERZOEK .............................................................................................................................. 38

4. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

(VS07) ............................................................................. 44

5. LITERATUUR EN BRONNEN ............................................................................................................ 46

www.ArcheoPro.nl

Samenvatting

off site

www.ArcheoPro.nl

1. Inleiding

Figuur 1: De ligging van het plangebied (rood omlijnd) op de moderne topogra�ische kaart1 met daaromheen de cirkel die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft.

www.ArcheoPro.nl

1.1 Algemeen Opdrachtgever Contactpersoon opdrachtgever Datum uitvoering bureaustudie Datum uitvoering veldwerk Archis onderzoeksmelding Onderzoekskader

andgoed Moerslag, Moerslag 32, 6265 NC Sint Geertruid

Bevoegd gezag Deskundige namens de bevoegde overheid Adviseur bevoegde overheid Bewaarplaats vondsten Bewaarplaats documentatie

1.2 Locatiegegevens

(LS02)

Provincie Gemeente Plaats Adres Globale ligging Hoekcoördinaten plangebied (bounding box) Kadastrale ligging Oppervlakte plangebied Eigendom Grondgebruik Hoogteligging Klic nummer Bepaling locaties

www.ArcheoPro.nl

Figuur 2: Het plangebied op de kadasterkaart 2

www.ArcheoPro.nl

1.3 Huidige situatie

(LS01)

Figuur 3: Luchtfoto van 2021 met daarop rood omlijnd het plangebied.3

1.4 Aard van de ingreep (LS01) Aard ingreep

Wijze fundering

Onderkeldering Diepte bodemverstoring Verwachte wijziging GW-stand Toekomstige ligging boven- en ondergrondse infrastructuur Toekomstige ligging verharding

www.ArcheoPro.nl

Figuur 4: Nieuwe situatie van het planvoornemen.4 De geplande vakantieverblijven (natuurlofts) en het zwembad zijn geel gemarkeerd. De blauwe lijn markeert het totale bestemmingsgebied “Landgoed Moerslag”.

Figuur 5: Te onderzoeken deelgebieden ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging.5

www.ArcheoPro.nl

1.5 Onderzoek en vraagstelling (LS01)

1.6 Beleid en randvoorwaarden

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 11

In Nederland dient het vaststellen van de archeologische waarde van een plangebied te gebeuren op grond van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1). Gemeenten kunnen hierop aanvullende uitvoeringskaders vaststellen. De gemeente EijsdenMargraten heeft geen aanvullende uitvoeringskaders voor het uitvoeren van archeologisch vooronderzoek. Dit onderzoek is dus gebaseerd op de algemene criteria die in de KNA staan geformuleerd. Op basis van het bestemmingsplan geldt conform artikel 28.3.3 tevens dat de werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 28.3.1 toelaatbaar zijn indien de ter plaatse van de aangeduide 'archeologische waarden' aanwezige oudheidkundige sporen niet dan in geringe mate worden of kunnen worden aangetast.

Figuur 6: Het plangebied (rode contourlijn) op de bestemmingsplankaart met daarop aangeduid het gebied met een dubbelbestemming waarde-archeologie ten zuiden van de oranje lijn (gebaseerd op de IKAW) zoals vermeld in het Bestemmingsplan Buitengebied Margraten 2009.8

8 Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 12

2. Bureauonderzoek 2.1 Methode en bronnen Het bureauonderzoek wordt uitgevoerd conform de KNA 4.1, protocol 4002. Tijdens het bureauonderzoek wordt door de bestudering van de beschikbare bronnen, kennis vergaard omtrent de bodem en geologie van het onderzoeksgebied en de in en rondom het plangebied aanwezige bekende en te verwachten archeologische waarden. Op basis hiervan wordt op het schaalniveau van het plangebied een locatie specifiek verwachtingsmodel geformuleerd. Dit model kan gedetailleerder zijn dan de verwachtingsmodellen (trefkansen) zoals deze op de gemeentelijke verwachtingskaarten worden gepresenteerd. Eventueel worden ook lokale deskundigen geraadpleegd. Aan de hand van de resultaten van het bureauonderzoek kan de beste aanpak voor het veldonderzoek worden bepaald. Het veldonderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen c.q. nader te detailleren. Het bureauonderzoek kent de volgende onderdelen: • Afbakenen plan- en onderzoeksgebied en vaststellen consequenties van mogelijk toekomstig gebruik; • Aanmelden onderzoek bij Archis; • Beschrijven huidig gebruik; • Beschrijven historische situatie en mogelijke verstoringen; • Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden in de ondergrond; • Beschrijven bekende archeologische en aardwetenschappelijke waarden; • Opstellen gespecificeerde verwachting; • Opstellen rapport bureauonderzoek.

Hierbij zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) • Archeologische MonumentenKaart (AMK) • ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) • Atlas van topografische kaarten Nederland 1955-1965, 1:50.000 • Bodemkaart van Nederland 1:50.000 • Kaartbijlagen De geschiedenis van het Zuid-Limburgse cultuurlandschap • Gemeente Eijsden-Margraten, Archeologische beleidskaart • Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 • Geologische kaart 1:50.000 • Grote historische atlas van Nederland 1:50.000 1838-1857 (Deel Zuid) • Grote historische topografische atlas van Nederland, provincie Limburg 1:25.000 18941926 • Kaart Archeologie in Nederland • Kadastrale minuutplan met aanwijzende tafels, 1830 Bovenstaande bronnen zijn gebruikt omdat deze relevante informatie bevatten over de historische en/of archeologische en/of aardkundige achtergrond van het plangebied. De informatie uit deze bronnen wordt gebruikt voor het opstellen van de gespecificeerde verwachting. Niet opgenomen bronnen hebben geen relevante informatie opgeleverd en zijn verder niet beschreven.

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 13

De kaart Archeologie in Nederland is een combinatie van de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Hierop zijn bekende behoudenswaardige archeologische terreinen verzameld, gecombineerd met de trefkans (hoog, middelhoog, laag) op archeologische resten. Sinds 2014 wordt de AMK niet meer bijgehouden door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). De huidige AMK kan dan ook beschouwd worden als een statisch bestand. De IKAW bevat een vlakdekkende en landsdekkende classificatie van de trefkans op archeologische resten. Deze trefkans is gebaseerd op een kwantitatieve analyse en op archeologisch inhoudelijke kennis van het bodemarchief. De kaart geeft een globaal beeld van de trefkans op archeologische resten in de bodem en onder water. Deze trefkans wordt per gebied van 50 bij 50 meter aangegeven met een van de categorieën: ‘hoge', ‘middelhoge', ‘lage' of ‘zeer lage' trefkans, dan wel: ‘niet gekarteerd'. Deze laatste categorie geeft aan van welke gebieden tijdens het maken van deze versie van de IKAW geen bodemkundige of geologische gegevens beschikbaar waren. Het gaat hier vooral om bebouwde gebieden.

2.2 Geo(morfo)logie en bodem (LS04) Het plangebied ligt binnen het Zuid-Limburgse lössgebied op de uiterst zuidwestelijke rand van het plateau van Margraten, (figuur 7). Het Zuid-Limburgse lössgebied wordt geo(morfo)logisch gekenmerkt door een terrassenlandschap dat is ontstaan door zowel tektoniek als klimaatsveranderingen. Door tektonische opheffing van het Limburg Blok sneed de rivier de Maas zich steeds dieper in het landschap in. Daarnaast zorgden klimaatsveranderingen voor een opeenvolgende sequentie van insnijding (tijdens interglacialen) en accumulatie (tijdens glacialen). Deze afwisseling zorgde samen met de tektonische opheffing voor het ontstaan van karakteristieke terrassenlandschap. De terrassen bestaan uit tientallen meters dikke grove rivierafzettingen (grind en grof zand) van de Maas die behoren tot de Formatie van Beegden. ‘ De diepere ondergrond bestaat uit mariene kalksteenafzettingen behorend tot de formaties van Gulpen Maastricht uit het Laat-Krijt. De kalksteen wordt veelal afgedekt door een (al dan niet vuursteenhoudende) verweringsleem (kleefaarde) uit het Tertiair (Paleogeen/Neogeen). Aan het einde van het Weichseliën, met name in het Laat Pleniglaciaal (circa 29.000 - 15.700 BP) en het Jonge Dryas (circa 12.745 - 11.755 BP) heerste er een poolklimaat in Nederland. Hierdoor ontbrak vegetatie waardoor op grote schaal verstuiving kon optreden.

Vanuit het Noordzeebekken en de brede rivierbeddingen van Maas en Rijn werd dekzand en löss(leem) meegevoerd. Löss bestaat overwegend uit silt. Siltdeeltjes zijn dermate klein (< 62 micrometer) dat deze door de wind in suspensie kunnen worden gehouden en over vrijwel onbeperkte afstand kunnen worden verplaatst. De lösslaag in Limburg varieert in dikte van één tot twintig meter. De afzettingen behoren tot het Laagpakket van Schimmert, onderdeel van de Formatie van Boxtel. Door periglaciale en antropogene erosie kan de huidige dikte van het pleistocene lösspakket sterk variëren.9 Plaatselijk kunnen in sedimentvallen oudere lössafzettingen uit vroegere fasen van het Weichselien en uit eerdere ijstijden, het Elsterien of Saalien voorkomen.

9 De Mulder 2003, Verhoeven 2007, Jongmans 2013, Kuyl 1980, Mucher 1986, Weerts e.a. 2003,

Zonneveld 1981, Vleeshouwer en Damoiseaux 1990, Raczynski-Henk e.a. 2018 Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 14

Figuur 7: Hoogtekaart van Zuid-Limburg. De rode stip geeft de ligging van het plangebied weer.10 Volgens de geologische oppervlaktekaart van Zuid-Limburg (figuur 10) ligt het plangebied volledig binnen een zone die bestaat uit lössleemafzettingen behorend tot het laagpakket van Schimmert, formatie van Boxtel. Naast de primaire, eolische lössafzettingen uit de koudefasen van het Pleistoceen, kunnen binnen deze zone ook secundaire, antropogene lössafzettingen uit het Holoceen, het zogenaamde colluvium, voorkomen. Deze zijn niet als zodanig apart aangeduid. Secundaire colluviale löss onderscheidt zicht van primaire eolische löss door de aanwezigheid van een zeer fijne sedimentaire gelaagdheid (< 2 mm), een relatief slappe structuur en het veelal voorkomen van donkere humuslaagjes en overige al dan niet antropogene insluitsels zoals grind, kalkbrokjes, steenkool, baksteen en aardewerk. Lösscolluvium is altijd kalkloos tenzij er ook erosieproducten afkomstig van andere kalksteenhoudende formaties in zitten. Een tweede belangrijk onderscheid tussen de primaire eolische löss uit het Weichselien en het jongere, Laat-Holocene colluvium zijn bodemvormingkenmerken. In de oorspronkelijke eolische löss op de plateaus, zijn gedurende het holoceen zogenaamde leembrikgronden ontstaan met een kenmerkende lutumrijke B-horizont.

In de door erosie gevormde secundaire löss op de hellingen en in de dalen worden polder- en ooivaaggronden zonder een duidelijke B-horizont aangetroffen.

10 Bron ondergrond: www.ahn.nl

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 15

De onderliggende Maasterrasafzettingen behoren tot het terras van Sint Geertruid 2 (figuur 11). Deze Maasafzettingen zijn gevormd in het Midden-Pleistoceen tijdens het Bavelien (circa 800.000 jaar geleden). Het Bavelien is een super-etage in het Pleistoceen bestaande uit twee koude (glaciale) en twee warme (interglaciale) fasen. Door helling- en dalbodemerosie zijn de voornoemde Maasterrasafzettingen plaatselijk verdwenen. Dit geldt ook voor het plangebied waar volgens de kaart met Maasafzettingen binnen het (noord)westelijke deel geen Maasafzettingen meer aanwezig zijn. Binnen het noordelijke deel van onderzoeksgebied dagzomen ter plaatse van de steile hellingen van het Eijsderbos door de erosie van de löss Maasafzettingen en Gulpense kalksteen. Deze kunnen zijn afgedekt door hellingerosiemateriaal dat is opgebouwd uit hellingafwaarts getransporteerd(e) leem, zand en grind en door tertiaire verweringsleem (kleefaarde). Het grootschalige reliëf van het plateau van Margraten wordt vooral bepaald door de restanten van de hooggelegen Maasterrassen, de later gevormde lösshellingen en de vele beek- en droogdalen. De niet permanent watervoerende dalen oftewel droogdalen zijn in hun huidige verschijningsvorm ontstaan onder periglaciale omstandigheden gedurende vooral de tweede helft van de laatste ijstijd (het Midden- en Laat-Weichselien).

Ze zijn nog verder verdiept dan wel weer met sedimenten opgevuld onder invloed van ontbossing en de daarmee gepaard gaande bodemerosie gedurende het Laat-Holoceen. De beek- en droogdalen kunnen vaak een asymetrisch dwarsprofiel vertonen. Dit geldt in het bijzonder voor het dal ten noorden van het plangebied waar er sprake is van een steile noordwand met het Eijsderbos en een meer flauwe zuidwand waar Moerslag op ligt. Het ontstaan van een dergelijk profiel wordt veelal toegeschreven een verschillen in microklimaat tussen de noord- en de zuidhelling gedurende de koude fasen van het Pleistoceen (figuur 8).

Figuur 8: De vorming van een asymetrisch droogdal in een permafrostgebied.11 Volgens de geomorfologische kaart van Nederland ligt het plangebied (zowel het oostelijke als westelijke deel) op een afbraakwand (figuur 12, legenda-eenheid 17A41yl). Minder steile dalhellingen zijn aangeduid als lösswanden (figuur 12, legenda-eenheid 11A51). Deze dalhellingen vormen de overgang tussen een met löss bedekt tussenterras van de pleistocene Maas. (figuur 12, legenda-eenheid 8E41l) ten zuiden van het plangebied en een relatief groot en diep ingesneden droogdal ten noorden van het plangebied aan de voet van het Eijsderbos (figuur 12, legenda-eenheid 46R21ydl). De afstand tot het droogdal bedraagt 11 Bron: https://www.geologievannederland.nl/landschap/landschapsvormen/droog-dal

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 16

circa 500 meter. Het geheel van droogdalbodem en bijbehorende afbraakwanden vormt een asymetrisch dalsysteem met een steile noordhelling, zoals schematisch weergegeven in figuur 8. Het dalsysteem bestaat buiten de afbraakwanden en tussenterrasresten uit een samenhangend complex van droogdalen die overtollig regen- en smeltwater richting Maas afvoer(d)en. Tussen het westelijke en oostelijke deel van het plangebied bevindt zich één van dergelijke kleinere droogdalen dat in noordwestelijke richting afwatert. (figuur 12, legenda-eenheid 36R21ydl). Aan de west- en oostzijde van het plangebied bevinden zich enkele korte holle wegen. Op de uitsnede uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, figuur 13) is de geomorfologische ligging van het plangebied goed te zien. Het plangebied ligt op een noordwaarts aflopende dalhelling. Afbraakwanden worden omschreven als steile, matig korte hellingen. Volgens de bodemkaart van Nederland ligt het oostelijke deel van het plangebied grotendeels in een zone met hellingklasse B (zwak hellend, 2-5%), overgaand in hellingklase D (sterk hellend, 8-16%). Voor het westelijke deelgebied geldt eveneens een overgang van hellingklasse B naar D. Een reliëfanalyse met behulp van het AHN toont aan dat het oostelijke deelgebied zwak tot matig hellend is met een gemiddeld hellingpercentage van 5,2%.

De zuidelijke helft van het oostelijke deelgebied is zwak hellend met een gemiddeld hellingpercentage van 4,2% en de noordelijke helft is matig tot sterk hellend met een gemiddeld hellingpercentage van 7,8%. Ter plaatse van het droogdal tussen de beide deelgebieden bevindt zich centrle in de dalbodem een diep ingesneden erosiegeul met steile wanden. Het betreft een zogenaamde grubbe waarvan het ontstaan waarschijnlijk teruggaat tot de grootschalige ontginningen van de lössplateaus in de volle middeleeuwen in de 11e tot en met de 13e eeuw. Het plangebied ligt deels in een zone met bergbrikgronden en deels met ooivaaggronden in siltige leem in situ (figuur 14, legenda-eenheden BLb6 en Ld6). Bergbrikgronden zijn onthoofde leembrikbodems met een A(p)-Bt-BC-C profielopbouw. De leembrikgronden worden gekenmerkt door de als gevolg van lutum- en ijzeraanrijking relatief vaste roodbruine B-horizont aan of direct onder het maaiveld. De E-horizont en vaak ook een deel van B-horizont, ontbreekt. De aanwezigheid van dit type bodems wijst er op dat er versnelde bodemerosie heeft plaatsgevonden. Ooivaaggronden in siltige leem in situ zijn dusdanig sterk geërodeerde bodems dat de oorspronkelijke E- en B-horizont volledig zijn verdwenen en de A-horizont direct overgaat in de C-horizont. De aanwezigheid van dergelijke bodems impliceert dat circa 80 cm bodemmateriaal is geërodeerd.

Op de lösswanden en in de droogdalen kan verspoeld lösssediment (colluvium) voorkomen. In hellingcolluvium uit het Laat-Holoceen zijn geen brikgronden met de typische roodbruine, kleirijke Bt-horizonten ontstaan maar komen ooivaag- en poldervaaggronden met een AC-profiel voor.

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 17

2.3 Referentieprofiel Brikgronden worden gekenmerkt door de aanwezigheid van een ‘briklaag’, die op minder dan 80 cm –mv begint. Een briklaag is een veelal roodbruine laag waarin door de inspoeling van lutum een textuur-B oftewel Bt-horizont is ontstaan. Deze laag is vrij stug ten opzichte van de bovenliggende A- en E-horizonten. Om als briklaag te kwalificeren dient de lutum-inspoelingshorizont tenminste 15 cm dik te zijn en minimaal 8% lutum te bevatten. De maximaal waargenomen dikte bedraagt ruim 60 cm. Brikgronden komen voor in oude rivierkleigronden maar vooral in de Zuid Limburgse lössgronden. Radebrikgronden zijn droge (xeromorfe) brikgronden die vooral voorkomen op de hooggelegen, vlakkere plateaus. Door de uitspoeling van lutum en ijzeroxiden is de E-horizont veelal lichter van kleur en ook minde stug. Wanneer door erosie de toplaag is verdwenen en de briklaag aan of nabij het maaiveld ligt, spreekt men van een bergbrikgrond. In radebrikgronden begint de briklaag op 40 tot 50 cm –mv. Komen in de briklaag onder invloed van periodiek meer grondwater duidelijke gleyverschijnselen voor (roestvlekken), dan spreekt men van daalbrikgronden.

Figuur 9: Voorbeeld van een radebrikgrond onder bouwland in löss bij St. Geertruid. N 50˚77’ 22’’ / E 005˚44’36’’. (foto: R. Paulussen).

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 18

Figuur 10: Uitsnede uit de geologische oppervlaktekaart van Zuid-Limburg. 12 Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied weer. lössleem

Maasterrasafzettingen / hellingafzettingen

kalksteen Krijt Formatie van Gulpen

beekdalafzettingen

12 Bron: RGD 1988

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 19

Figuur 11: Uitsnede uit de geologische kaart. 13 Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied weer.

13 Bron: Stichting voor Bodemkartering, Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Wageningen, 1968

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 20

Figuur 12: Uitsnede uit de geomorfologische kaart. 14 Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied weer.

14 Bron: Universiteit Wageningen, 2017

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 21

Figuur 13: Uitsnede uit het Actueel Hoogtebestand Nederland. 15 Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied weer.

15 Bron: Rijkswaterstaat, Servicedesk Data, AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland), Delft

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 22

Figuur 14: Uitsnede uit de bodemkaart met daarin rood omlijnd het plangebied met daaromheen de cirkel die de buitengrens van het onderzoeksgebied aangeeft. Voor uitleg van de codes, zie hoofdstuk 2.2 16

16 Bron: Universiteit Wageningen, 2017

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

2.4 Archeologie

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 23

(LS01/LS04)

Volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW 3.0; figuur 15) ligt het plangebied deels in een zone met een lage kans op het aantreffen van archeologische resten en deels in een zone met een hoge kans. Het verwachtingsmodel van de IKAW gaat enkel uit van uitgangspunten voor bewoning en heeft met name de bodemkaart gebruikt als selectiecriterium. De gemeentelijke beleidskaart is van recentere datum dan de IKAW en heeft bijkomende waarderingscriteria. De gemeentelijke beleidskaart met verwachtingswaarden is niet alleen maar gericht op bewoningscomplexen, maar spreekt een verwachting van eender welke vorm van land(schaps)gebruik uit. Belangrijk selectiecriterium is het actuele reliëf (geomorfologie, hellingsgraad17) en bijbehorende landschappelijke gradiëntzones en de potentiële aanwezigheid van oppervlaktewater in beek- en droogdalen. Daarbij wordt ook een onderscheidt gemaakt tussen diepe dalen met een aangrenzende hoge verwachtingswaarde en ondiepe (droog)dalen met een middelhoge verwachtingswaarde voor de aangrenzende gradiëntzones. De kanttekening die bij dit model moet worden geplaatst is dat de huidige ondiepe dalen relatief recent als gevolg van colluviatie opgevuld kunnen zijn met erosiemateriaal en dus op enig moment in het verleden een hogere vestigings- en landgebruikswaarde kunnen hebben gehad.

Aan kapen, dat wil zeggen de uitgesproken landtongen waarvan we weten dat die vanwege het uitzicht favoriet waren als vestigingsplek voor kampementen van jager-verzamelaars, is eveneens een hoge archeologische verwachting toegekend.18 De dalen (dalbodems) zelf hebben overwegend een lage of middelhoge verwachtingswaarde gekregen. Opgemerkt dient te worden dat bij het toekennen van een lage verwachtingswaarde aan (ondiepe) dalen, geen rekening wordt gehouden met zowel het reeds genoemde paleoreliëf alsook de aanwezigheid van archeologische relevante (proxy)data. Met name het onderzoek naar een middenpaleolithische vindplaats bij Amstenrade op de plek van een klein en zeer ondiep droogdal binnen een relatief hoog gelegen dalhoofdbekken, heeft aangetoond dat dergelijke kleine dalen een significante archeologische verwachtingswaarde kunnen hebben. De gemeentelijke beleidskaart (figuur 16) plaatst het plangebied volledig in een zone met een middelhoge archeologische verwachting c.q. een specifieke archeologische verwachting.19 Deze archeologische verwachting geldt voor vindplaatsen van zowel jagerverzamelaars als landbouwers. Het droogdal dat het oostelijke deel van het plangebied scheidt van het westelijke deel heeft een lage archeologische verwachtingswaarde. Het plangebied ligt niet binnen een archeologisch terrein.

Binnen het onderzoeksgebied liggen drie AMK-terreinen, waarvan twee op circa 1 kilometer afstand langs de noordelijke rand van het plangebied. AMK terrein 16393 betreft de historische kern van Moerslag en ligt circa 370 meter ten noordoosten van het plangebied. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19e-eeuwse en vroeg 20e-eeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en

17 Uitgangspunt is geweest dat voor hellingen vanaf de hellingklasse C met een hellingpercentage van

meer dan 5% de erosiekans dusdanig groot is geweest en dat deze hellingen dermate onaantrekkelijk zijn geweest voor bewoning, dat hiervoor een lage verwachting geldt. 18 Verhoeven en Moonen 2012, p. 8 19 Raczinsky et. al. 2018 Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 24

waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Een vergelijkbaar AMK-terrein met nummer 16392 ligt circa 1038 meter ten oosten van het plangebied. Het betreft de historische kern van Libeek. Ongeveer 1000 meter ten noorden van het plangebied ligt AMK-terrein 11238. Het betreft een terrein met sporen van bewoning en/of grondstofbewerking (vuursteenvindplaats) uit het neolithicum. Aan het oppervlak liggen vrij veel vuurstenen artefacten, voornamelijk uit het neolithicum. Het monument omvat onder meer een 'schone' midden-neolithische vondstconcentratie (diameter ca 50 m) met afval van macrolithische klingproductie (waarneming 232052). Binnen dit terrein zijn meerdere waarnemingen gedaan. De serie individuele waarnemingen die hier langs de bovenrand van het Eijsderbos op de kaap van Sint Geertruid zijn gedaan betreffen voornamelijk vuursteenartefacten uit het paleo- en neolithicum, waaronder een schoenleesbijl uit het vroeg-neolithucum A (waarneming 2964303100). Een groot deel hiervan is verricht tijdens het archeologisch onderzoek van de omgeving van het aangrenzende prehistorisch vuursteenmijnveld van Rijckholt-St Geetruid.20 Een deel van het neolithisch vondstmateriaal wordt aan de Michelsbergcultuur toegeschreven.

Binnen of in de directe omgeving van het plangebied (< 500 m) zijn geen in Archis geregistreerde waarnemingen/vondsten gedaan en zijn evenmin onderzoeken gedaan.

20 Schreurs en de Kort 2018, Deeben et. al. 2013

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 25

Figuur 15: Kaart met Archis vondstlocaties. 21 Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied weer. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ARCHIS III (Archeologisch Informatie Systeem), http://archis.cultureelerfgoed.nl 21

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 26

Figuur 16: Kaart met Archisonderzoeksmeldingen. 22 Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied weer. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ARCHIS III (Archeologisch Informatie Systeem), http://archis.cultureelerfgoed.nl 22

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 27

Figuur 17: Uitsnede uit de gemeentelijke beleidskaart. 23 Het plangebied is rood omlijnd en de cirkel geeft de buitengrens van het onderzoeksgebied weer. 23 Bron: Gemeente Eijsden-Margraten, https://www.eijsden-margraten.nl/data/downloadables

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

2.5 Informatie amateurarcheologen

(LS01/LS04)

2.6 Historie (LS03)

Moerselo

24

én enkele boerderij 25

Figuur 18: Uitsnede uit de Tranchotkaart van 1805. 26 Het plangebied is rood omlijnd.

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 29

was in gebruik als akker en behoorde tot het Moerslag Veld. Het toponiem “Veld” in het Zuid-Limburgse lössgebied duidt op een open bouwlandcomplex op de plateaus en flauwe hellingen. Rondom de nederzettingen lagen huisweides met heggen en boomgaarden. Het oostelijke deel van het plangebied wordt al rond 1900 van het westelijke deel gescheiden door een grubbe. Grubben zijn relatief smalle en diepe erosiegeulen, veelal in een droogdal. Vaak zijn grubben in gebruik (geweest) als verbindingsroute tussen dal en plateau. De ouderdom van de grubben is onbekend. Aannemelijk is dat ze zijn ontstaan tijdens de grootschalige plateauontginningen in de volle middeleeuwen (11e-13e eeuw). Figuur 19 toont de kadastrale kaart uit 1832. Het plangebied is ook op dat oment nog onbebouwd en in gebruik als akker. Pal ten zuiden van het plangebied loopt de weg van Eijsden naar Libeek met een aftakking naar Moerslag. Het toenmalige verkavelingspatroon is beduidend kleinschaliger dan heden ten dage. De grubbe wordt aangeduid als “Komme Grub”. Dwars door het oostelijke deel van het plangebied loopt een noord-zuid georiënteerd pad. De 19e eeuwse perceelscheiding waarlangs dit pad liep is nog heden ten dage aanwezig en wordt gemarkeerd door een haag en een lage talud (figuren 20 en 21).

Figuur 19: Uitsnede uit de kadastrale kaart uit 1832 27 Figuur 22 toont uitsneden van historisch-topografische kaarten met de contouren van het plangebied uit 1845, 1924, 1959 en 2016. Hieruit blijkt dat de U-vormige boerderij pas voor het eerst wordt weergegeven op het kaartblad uit 1925. Op dat moment had er reeds een transformatie van akkers naar weilanden met fruitboomgaarden plaatsgevonden. Het oostelijke deel van het plangebied is pas rond 2000 weer omgezet in een akker; het

27 Bron: Kadaster Topografische Dienst, Emmen 2008

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 30

oostelijke deel is altijd boomgaard (op enig moment deels in combinatie met camping) gebleven.

Figuur 20: Zicht in noordelijke richting op de oorspronkelijke perceelscheiding met pad zoals aangeduid op de kadastrale kaart uit 1832. De haag staat op de perceelscheiding.28

Figuur 21: Zicht in oostelijke richting dwars op de oorspronkelijke perceelscheiding zoals aangeduid op de kadastrale kaart uit 1832. De haag staat op de perceelscheiding met lage talud. Zichtbaar aan de voet van de haag is een oorspronkelijke kunstmatige overbrugging van de talud tussen de beide percelen.29 28 Opname 7 aug. 2023 29 Opname 7 aug. 2023

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 31

Figuur 22: Uitsneden uit de topografische kaarten uit achtereenvolgens: 1845, 1924, 1959 en 2016. 30 Het plangebied is telkens rood omlijnd. Volgens de kaart met historische relicten (figuur 22a) ligt het plangebied in sedert 1830 een weinig veranderd deel van het Zuid-Limburgse landschap juist ten zuiden van de oude kern van Moerslag. Het wegenstelsel rondom het plangebied heeft grotendeels een middeleeuwse ouderdom. In en rondom het plangebied liggen geen historische landschapsrelicten, uitgezonderd enkele graften en hoogstam fruitboomgaarden. Graften nabij het westelijke deel van het plangebied zijn tussentijds al weer verdwenen.

30 Bron: Kadaster Topografische Dienst

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 32

Figuur 23a: Uitsnede uit de kaart met historische relicten in Zuid-Limburg. 31Het plangebied is rood omlijnd.

31 Bron: Renes 1988

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 33

Figuur 23b: Legenda van de kaart met historische relicten Zuid-Limburg.32

32 Bron: Renes 1988

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

2.7 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 34

(LS05)

Specifieke ligging Het plangebied ligt binnen het zuidwestelijke deel van het plateau van Margraten, op een afbraakwand met een lössbedekking die overgang vormt tussen een plateaurestant aan de zuidzijde en een diep ingesneden droogdal aan de noordzijde. Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden, gescheiden door een kleiner droogdal met grubbe. De oorspronkelijke bodem bestaat volgens de bodemkaart uit (geërodeerde) leembrikgronden en ooivaaggronden in primaire lössleem. Historisch gezien, ligt het plangebied in een agrarisch gebied met akkers en huisweiden en boomgaarden, nabij de historische kern van Moerslag. Verwachte perioden (datering) en complextypen Bekende gegevens In de omgeving van het plangebied zijn op de afbraakwand met lössbedekking tot op heden geen archeologische vondsten en waarnemingen gedaan. Verwachting voor het plangebied Op basis van de landschappelijke context van het plangebied kunnen ter plaatse van het plangebied archeologisch resten uit alle periodes worden aangetroffen. Deze resten kunnen op hoofdlijnen worden onderverdeeld in nederzettingen, grafvelden en off site fenomenen.

Vanwege de directe nabijheid van een droogdal waarvan omvang en oorspronkelijke diepte nog onbekend zijn in combinatie met een slechts zwak tot matig hellend hellingprofiel binnen het grootste deel van het plangebied, geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. Deze verwachting kan als volgt worden gespecificeerd: -

hoog voor resten van nederzettingen en begravingen vanaf het laat paleolithicum t/m de Romeinse tijd; middelhoog voor resten van randactiviteiten en off site activiteiten uit het neolithicum t/m de Romeinse tijd; hoog voor resten van randactiviteiten en off site activiteiten uit volle middeleeuwen t/m de nieuwe tijd; laag voor resten van nederzettingen en begravingen uit middeleeuwen en nieuwe tijd.

Uiterlijke kenmerken Vuursteenvindplaatsen uit het paleo- of mesolithicum zullen bestaan uit vondststrooiingen van voornamelijk vuursteen en houtskool met eventuele ondiepe sporen van met name haarden en/of kuilen. Eventuele nederzettingsresten uit het paleo- of mesolithicum kunnen zowel bestaan uit basisnederzettingen met een oppervlakte tussen 200 en 1.000 m² of van kleine tijdelijke kampementjes met zeer geringe afmetingen die nauwelijks meer zijn dan de neerslag van een enkele (jacht)activiteit of een kortstondig kamp. De omvang hiervan kan beperkt zijn tot enkele (tientallen) vierkante meters. Nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de Romeinse tijd kunnen zich manifesteren als concentraties van vondstmateriaal (met name vuursteen, aardewerk, bouwmateriaal bestaande uit natuursteen, baksteen of verbrande leem en houtskool) of als spoorvullingen van voormalige afvalkuilen, paalkuilen, grachten, greppels, water- en/of beerputten, fundamenten, uitbraaksporen e.d.

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 35

Off site fenomenen kunnen in principe overal voorkomen. Ze manifesteren zich vooral in de directe nabijheid van nederzettingen. Bij afwezigheid van gekende vindplaatsen is de verwachting voor deze complexen middelhoog. Zodra een vindplaats gedetecteerd wordt, verandert de verwachting voor deze complexen in hoog. Off site verschijnselen uit alle perioden vanaf het neolithicum tot en met de nieuwe tijd kunnen bijvoorbeeld bestaan uit opgevulde greppels, wegen, bruggen, perceelsscheidingen, resten van celtic field systemen, grensstenen, ploegsporen, afgedekte karrensporen, , e.d. Daarnaast kunnen uit deze periode tevens graven of grafvelden voorkomen. Deze kunnen bestaan uit inhumatieresten alsook uit crematieresten, en zullen (soms) vergezeld gaan van grafgiften (aardewerk, vuursteen, metaal, …), ommuringen, rituele landschappen, etc. Diepteligging en stratigrafie In de lössregio kunnen archeologische resten op meerdere niveaus in de bodem aangetroffen worden: 1. direct onder de moderne bouwvoor in de E- of de top van de Bt-horizont; 2. in dan wel onder het colluvium; 3. dieper in de in situ pleistocene löss. Indien er geen colluviale afdekking heeft plaatsgevonden worden archeologische resten verwacht in één laag in de top van het bodemprofiel direct onder de Ap-horizont.

Indien er sprake is van een afdekkende laag, dan kunnen er minimaal twee archeologische niveaus voorkomen; onder de moderne bouwvoor en in dan wel direct onder de afdekkende laag. In de pleistocene löss kunnen op variabele diepte oudere en bodemhorizonten zoals de Nagelbeek- en de Roccourt-bodem voorkomen. Deze paleobodems hebben een hoge verwachting voor resten uit het vroeg- en midden-paleolithicum. Mogelijke verstoringen plangebied (incl. gaafheid en conservering) Door het gebruik als agrarisch gebied (akker- en/of graslanden, boomgaarden), kan bodemverstoring zijn opgetreden wat kan geleid hebben tot het (deels) verloren gaan van archeologische sporen en/of resten. Met name voor artefactvindplaatsen (zoals vindplaatsen uit de vroege prehistorie) kan agrarisch gebruik leiden tot een verminderde conservering. De geldt in het bijzonder voor de zone rondom de huidige boerderij. Naast directe antropogene verstoringen kan ook bodemerosie tot een aantasting van de gaafheid en conservering van eventuele archeologische resten hebben geleid. Dit geldt met name voor matig hellende en steilere terreinen (hellingpercentage > 5%) die als akker in gebruik zijn (geweest) c.q. ter plaatse van ooivaaggronden in löss in situ. Anderzijds kan bodemerosie in het droog- en/of beekdal hebben geleid tot afzetting van colluvium.

Deze afzetting kan in de loop der tijd gefaseerd hebben plaatsgevonden waardoor binnen een colluviumpakket vaak meerdere subeenheden kunnen worden onderscheiden met tussenliggend laagvlakken, vegetatielagen en/of bodems die een periode van nonsedimentatie markeren. Door een colluviale afdekking kunnen eventuele archeologische resten beschermd zijn geweest tegen meer recente bodemverstoring en daardoor beter geconserveerd zijn. Tevens hebben colluviale afzettingen als bijzondere dataset een intrinsieke geoarcheologische informatiewaarde doordat ze een gedetailleerd beeld kunnen geven van de landgebruikprocessen op de hoger gelegen dalhelling.33 Eventuele dierlijke of menselijke resten of andere organische resten boven de grondwaterstand zullen slecht geconserveerd zijn. Anorganische resten (aardewerk, vuursteen, e.d.) zijn doorgaans goed bewaard. In verkoolde staat zullen ook organische resten doorgaans goed bewaard zijn. 33 Paulussen 2013

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 36

2.8 Onderzoeksstrategie (LS05) Doel van het inventariserend booronderzoek verkennende fase is om vast te stellen hoe de bodem is opgebouwd, in hoeverre deze nog intact is en of hierin behoudenswaardige archeologische resten aanwezig (kunnen) zijn. Daarbij dient met name te worden nagegaan of de oorspronkelijke bodem bestaat uit een primaire eolische löss met een leembrikgrond, of deze nog aanwezig is en hoe dik de betreffende briklaag (Bt-horizont) nog is, dan wel dat er sprake is van colluviale afzettingen, al dan niet met een onderliggende leembrikgrond. Uitgegaan wordt van een minimale boordichtheid van vijf boringen per hectare. Een dergelijke boordichtheid voldoet om de bodemopbouw doelmatig en betrouwbaar te karakteriseren en een eventuele grootschalige verstoring nader vast te stellen.

Figuur 24: Zuidelijk deel van het plangebied ter plaatse van boorpunt 9. Zicht in westelijke richting met op de achtergrond de overgang naar het aangrenzende droogdal met grubbe.34 Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek zal worden aangegeven welk type bodems binnen het plangebied voorkomen, in hoeverre de bodem door (sub)recente grondwerkzaamheden zoals diepploegen, afgravingen en/of egalisaties is verstoord, hoe dik een eventuele colluviale afzetting is, wordt het verwachtingsmodel eventueel aangepast en zal worden aangegeven in een hoeverre (karterend) vervolgonderzoek naar archeologische indicatoren, materiële resten en sporen wenselijk en zinvol is en welk type onderzoek hiervoor het meest geschikt is. Binnen het plangebied zijn in totaal elf boorpunten regelmatig verdeeld over de onverharde terreindelen met een onderlinge afstand van 40 meter (figuur 24). Hierdoor wordt binnen het 1,55 hectare grote plangebied een boordichtheid bereikt van ruim zeven boringen per hectare. De boringen worden minimaal tot 1 m –mv c.q. tot in de BC- of C-horizont verricht om een duidelijk beeld van de bodemopbouw te krijgen met een maximum van 3,0 m –mv indien er sprake is van jong antropogeen colluvium. Bij het aantreffen van een E- en/of EBhorizont kan eveneens worden uitgegaan van een intacte leembrikgrond (radebrikgrond). 34 Opnamedatum 7 aug. 2023

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 37

De boringen worden handmatig uitgevoerd met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Van alle boorpunten wordt de NAP-hoogte bepaald door middel van het AHN of een waterpas. De AHN-hoogtedata hebben in principe een nauwkeurigheid van  5 cm. De boorlocaties (RD-coördinaten) worden in het veld vastgesteld met behulp van een GPS. De boorprofielen worden beschreven op basis van de ASB 5.2.

Figuur 25: Plangebied met de geplande elf boorpunten.

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 38

3. Veldonderzoek 3.1 Verrichte werkzaamheden (VS03) Positie boringen: Gebruikt boormateriaal: Totaal aantal boringen: Boorgrid: Boordichtheid: Geboorde diepte: Inmeten boorlocaties: Boorbeschrijving:

regelmatige verdeling over het plangebied (figuur 32). Edelmanboor met een diameter van 7 cm. 11 40 * 40 m 7 boringen per hectare 0,5-1,2 m –mv GPS Archeologische Standaard Boorbeschrijving (ASB 5.2)

Inspectie bodemontsluitingen en/of oppervlaktekartering: In verband met de begroeiing en verharding van het plangebied was geen oppervlaktekartering mogelijk. Evenmin waren bodemontsluitingen aanwezig die geïnspecteerd konden worden op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De ligging van de boorpunten is weergegeven op de boorpuntenkaart. De resultaten van het booronderzoek zijn opgesomd in bijlage 6. Alle boringen zijn geplaatst op de vooraf geplande boorlocaties. Boring 5 is ondanks meermaals verplaatsen vroegtijdig gestuit op puin.

3.2 Resultaten en interpretatie booronderzoek

(VS03)

Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat de oorspronkelijke bodem binnen het plangebied grotendeels uit primaire lössafzettingen bestaat. Jonge, antropogene colluviale afzettingen zijn nergens in de boorprofielen (eenduidig) aangetroffen De primaire lössafzettingen zijn binnen het gehele plangebied vastgesteld, grotendeels vanaf het maaiveldniveau, deels onder een (sub)recent opgebrachte bodemlaag (boringen 4 en 6). De oorspronkelijke C-horizont (moedermateriaal) van de lössafzettingen bestaat uit geelbruine, kalkloze leemsedimenten zonder duidelijke macrogelaagdheid, die zijn geïnterpreteerd als een glaciale eolische löss uit de laatste fase van het Weichselien (LaatPleniglaciaal en Laat-Glaciaal). De eenheid behoort lithostratigrafisch tot het laagpakket van Schimmert (formatie van Boxtel). Deze jongste lössafzetting wordt veelal aangeduid als Bovenste Löss.35 In vergelijking met de oudere Middelste Löss uit het Vroeg- en MiddenPleniglaciaal is deze onder zeer droge en extreem koude omstandigheden afgezet vanaf circa 20.000 BP. De basis wordt gemarkeerd door de Nagelbeekhorizont (voorheen Kesseltbodem) die gekenmerkt wordt door een gecryoturbeerde zone en een veelal lichtgrijze verkleuring.

Vooralsnog worden er in lösstratigrafische analyses geen jongere paleobodems onderscheiden, hoewel er tijdens onderzoek in jonge lössafzettingen op het Graetheideplateau in Sittard-Geleen wel paleobodems uit het Laat-Glaciaal (Allerodinterstadiaal) lijken te zijn vastgesteld.36 Deze zouden kunnen correleren met de bekende Usselobodem in noordelijke dekzandeenheden. De C-horizont is vastgesteld in de boringen 1, 8 en 9. 35 Kuyl 1980, Jongmans e.a. 2013 36 Van Hoof, van Wijk en van der Linde 2013. Tijdens recent onderzoek door Transect i.s.m. ArcheoPro is

ten noorden van de Bergerweg opnieuw een jonge paleobodem in de löss op circa 1,5 m –mv vastgesteld. Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 39

De primaire C-löss bestaat uit geelbruine, kalkloze leemsedimenten zonder duidelijke macrogelaagdheid, die zijn geïnterpreteerd als een glaciale eolische löss uit de laatste fase van het Weichselien (Laat-Pleniglaciaal en Laat-Glaciaal). De eenheid behoort lithostratigrafisch tot het laagpakket van Schimmert (formatie van Boxtel). Deze jongste lössafzetting wordt veelal aangeduid als Bovenste Löss.37 In vergelijking met de oudere Middelste Löss uit het Vroeg- en Midden-Pleniglaciaal is deze onder zeer droge en extreem koude omstandigheden afgezet vanaf circa 20.000 BP. De basis wordt gemarkeerd door de Nagelbeekhorizont (voorheen Kesseltbodem) die gekenmerkt wordt door een gecryoturbeerde zone en een veelal lichtgrijze verkleuring. Vooralsnog worden er in lösstratigrafische beschrijvingen geen jongere paleobodems onderscheiden, hoewel er tijdens onderzoek in jonge lössafzettingen op het Graetheideplateau in Sittard-Geleen wel paleobodems uit het Laat-Glaciaal (Allerod-interstadiaal) lijken te zijn vastgesteld.38 Deze zouden kunnen correleren met de bekende Usselobodem in noordelijke dekzandeenheden. Ter plaatse van de boringen 4 en 6 wordt de primaire löss afgedekt door een (sub)recent opgebracht bodempakket met een dikte die varieert van 40 tot 70 cm. Het aanbrengen van een ophoogpakket wordt bevestigd door de opdrachtgever.

In het recente verleden is op de rand van het droogdal de hele noord-zuid strook langs de westgrens van de camping opgehoogd. Bodemkundig is er binnen het plangebied in de lösseenheid één hoofdprofieltype aangetroffen, namelijk een leembrikgrond. De leembrikgronden kunnen worden onderscheiden in radebrik- en bergbrikgronden. Dit zijn holocene bodems die zich in de top van de primaire, eolische löss hebben gevormd. Kenmerkend is de relatief stugge Bthorizont met veelal een geleidelijke overgang naar de BC-horizont die de overgang markeert naar de C-horizont. De dikt van de Bt-horizont bedraagt regulier circa 60 cm en is een maat voor de mate van bodemerosie die heeft plaatsgevonden. De E(B)-horizont is binnen moderne akkergebieden vaak opgenomen in de bouwvoor. Binnen het plangebied zijn met uitzondering van boring 5 overal leembrikronden vastgesteld. De dikte van de Bt-horizont varieert van 30 tot 60 cm. Binnen het oostelijke deel van het plangebied is de Bt-horizont overwegend 60 cm dik. Binnen het westelijke deel varieert deze van 50 tot 30 cm. Het profielverloop binnen het westelijke deelgebied hangt direct samen met het hellingprofiel dat in noordwaartse richting geleidelijk steiler wordt (van 4,2 naar 7,8 procent) en daardoor meer onderhevig zal zijn geweest aan (versnelde) bodemerosie.

Binnen het oostelijke deelgebied lijkt de bodemerosie minder intensief te zijn geweest. Alleen ter plaatse van boring 9 is vanwege de aanwezigheid van een E-horizont eenduidig sprake van een radebrikgrond. In de overige boringen zijn het formeel bergbrikgronden, hoewel de aanwezigheid van een EB-horizont aantoont dat bodemerosie nagenoeg niet heeft plaatsgevonden. Plaatselijk is de top van de Bt-horizont geroerd, getuige de aanwezigheid van puin- en steenkooldeeltjes (boringen 3, 7 en 11). Een bijzondere waarneming betreft de aanwezigheid van een zeer fijne sedimentaire gelaagdheid en humeuze insluitsels in de Bt- en C-horizont van boring 8. De gecombineerde aanwezigheid hiervan duidt normaliter op laat-holoceen colluvium. Door de combinatie met een leembrikgrond zou hier sprake kunnen zijn van relatief oud colluvium uit het Midden37 Kuyl 1980, Jongmans e.a. 2013 38 Van Hoof, van Wijk en van der Linde 2013. Tijdens recent onderzoek door Transect ten noorden van de

Bergerweg is opnieuw een jonge paleobodem in de löss op circa 1,5 m –mv vastgesteld. Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 40

Holoceen dat nadien bodemvorming inclusief het ontstaan van een Bt-horizont heeft ondergaan. In de betreffende Bt-horizont is een klein, hoekig fragment (Valkenburger) vuursteen aangetroffen waarvan het ontstaan door microdebitage niet zondermeer kan worden uitgesloten. Figuur 26: Microfragment vuursteen afkomstig uit de Bt-horizont van boring 8.

Pre-Weichelien afzettingen zijn tijdens het booronderzoek niet waargenomen.

Figuur 27: Foto van boring 6, uitgelegd van links naar rechts.

Figuur 28: Foto van boring 7, uitgelegd van links naar rechts.

Figuur 29: Foto van boring 10, uitgelegd van links naar rechts.

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 41

Figuur 30: Boorprofielen 1 t/m 3 (westelijk deelgebied)

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 42

Figuur 31: Boorprofielen 4 t/m 11 (oostelijk deelgebied)

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 43

Figuur 32: Plangebied met boorpunten en dikte Bt-horizont.

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

4. Conclusies en aanbevelingen

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 44

(VS07)

4.1. Conclusies In augustus 2023 is door ArcheoPro een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd met betrekking tot het plangebied Landgoed Moerslag te Sint Geertruid in de gemeente EijsdenMargraten. Het archeologisch onderzoek betrof een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) middels elf verkennende handboringen tot wisselende diepte en een bureaustudie. De centrale vraagstelling van het bureauonderzoek luidt: welke archeologische verwachting en/of waarde kenmerkt het plangebied? De centrale vraagstelling van het inventariserend veldonderzoek verkennende fase luidt: Kan op basis van de resultaten van het IVO-O verkennende fase door middel van grondboringen de gespecificeerde archeologische verwachting en/of waarde worden bijgesteld? Het plangebied ligt binnen het zuidwestelijke deel van het plateau van Margraten, op een afbraakwand met een lössbedekking die overgang vormt tussen een plateaurestant aan de zuidzijde en een diep ingesneden droogdal aan de noordzijde. Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden, gescheiden door een kleiner droogdal met grubbe. De oorspronkelijke bodem bestaat volgens de bodemkaart uit (geërodeerde) leembrikgronden en ooivaaggronden in primaire lössleem. Historisch gezien, ligt het plangebied in een agrarisch gebied met akkers en huisweiden en boomgaarden, nabij de historische kern van Moerslag.

Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor nederzettings- en/of grafresten uit alle perioden vanaf het laat-paleolithicum tot en met de Romeinse tijd en een (middel) hoge verwachting voor off site resten uit alle perioden, met uitzondering van de noordelijke helft van het westelijke deelgebied. Middels het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat de oorspronkelijke bodem uit een primaire lössleem uit het Laat-Pleistoceen bestaat (formatie van Boxtel, laagpakket van Schimmert) met mogelijk lokaal oud colluvium uit het Midden-Holoceen. In de top van de löss heeft zich een holocene leembrikgrond ontwikkeld. Binnen het oostelijke deelgebied is de oorspronkelijke bodem nog nagenoeg intact. Binnen het westelijke deelgebied is het zuidelijke en centrale deel nog grotendeels intact maar is het noordelijke deel sterk geërodeerd. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek dient de (middel)hoge verwachting voor het plangebied te worden behouden, uitgezonderd de noordelijke helft van het westelijke deelgebied.

4.1. Selectieadvies Geadviseerd wordt om voor het plangebied uitgezonderd de noordelijke helft van het westelijke deelgebied een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek kan worden verricht middels proefsleuven dan wel middels een begeleiding van de vereiste graafwerkzaamheden ten behoeve van de bouw van de vakantiewoningen en het zwembad. Voorafgaand aan het besluit kan worden onderzocht in hoeverre de vereiste bodemingrepen tot een significante verstoring van eventuele archeologische resten leiden. Indien de mate van verstoring zeer gering is, kan worden overwogen om geen vervolgonderzoek uit te laten

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 45

voeren uitgaande van het principe van “archeologiebehoudend bouwen”. Dit heeft wel als gevolg dat de archeologische dubbelbestemming van toepassing blijft en additionele graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm –mv niet zijn toegestaan. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11 en de gemeente Eijsden-Margraten.

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 46

5. Literatuur en bronnen Literatuur Bakker, H. de en J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie. De hogere niveaus. Wageningen. Berg, G, M.W. van den, 1996. Fluvial sequences of the Maas. A 10 Ma record of neotectonics and climate change at various time scales. Wageningen Berkel, G. van & K. Samplonius, 2006. Nederlandse plaatsnamen, herkomst en historie. Bunnik, F.P.M., 1999. Vegetationsgeschichte der Lößbörden schwisssen Rhein und Maas von der Bronzezeit bis in die frühe Neuzeit. PhD-thesis universiteit Utrecht. Deeben, J., J. van Doesburg, A.G. Jong, J. Kleijne en J.W. de Kort, 2013. Het archeologisch onderzoek in de omgeving van het prehistorische vuursteenmijnveld te Rijckholt - St. Geertruid. De resultaten van 2010. Rapportage Archeologische Monumentenzorg 218 Felder, w.m. en P.W. Bosch, 1989. Geologische kaart van Zuid-Limburg en omgeving. Afzettingen van de Maas. RGD Haarlem. Hoof, L.G.L. van, I.M. van Wijk en C.M. van der Linde, 2013. Zwervende erven op de löss? Onderzoek van een nederzetting uit de vroege ijzertijd en van sporen uit de Stein-groep te Hof van Limburg (gemeente Sittard-Geleen). Archol rapport 33. Jongmans, A.G., M.W. van den Berg, M.P.W. Sonneveld, G.J.W.C. Peek, M.W. van den Berg & R.M. van Saparoea 2013. Landschappen van Nederland: geologie, bodem en landgebruik. Wageningen. Kuyl, O.S., 1980.

Toelichting bij de Geologische kaart van Nederland 1: 50.000, blad Heerlen (62W oostelijke helft, 620 westelijke helft). Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Moor, J. de, 2006. Human impact on Holocene catchment development and fluvial processes – the Geul River catchment, SE Netherlands. Ph.D. thesis Vrije Universiteit, Amsterdam Mucher, H.J., 1986. Aspects of loess and loess-derived slope deposits: an experimental and micromorphological aproach. Amsterdam. Mulder, E.F.J de e.a. (red.), 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten Raczynski-Henk, Y., R. Paulussen, B. Weekers-Hendrikx & R. Machiels, 2018: Wie sjoeën oos Limburg waor. Een openluchtvindplaats uit het Midden-Paleolithicum in het tracé van de Buitenring Parkstad Limburg. Proefsleuvenonderzoek en een archeologische opgraving. Amersfoort (ADC rapport 4482). Renes, J., 1988. De geschiedenis van het Zuid-Limburgse cultuurlandschap, Maastricht.

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 47

Van den Berg, M.W., 1989. Toelichting op kaartblad 59-62, geomorfologische kaart Nederland, 1:50.000. Staring Centrum, Rijks Geologische Dienst, Wageningen. Schreurs. J. & J.W. de Kort (red.), 2018. Archeologisch onderzoek in de omgeving van het prehistorische vuursteenmijnveld te Rijckholt – St. Geertruid. De resultaten van 2011, 2012 en 2013. Rapportage Archeologische Monumentenzorg 250. Van den Berg, M.W., 1996. Fluvial Sequences of the Maas: A 10 ma Record of Neotectonics and Climate Change at Various Time-Scales. PhD dissertation, Landbouwuniversiteit Wageningen, Wageningen, the Netherlands. Vleeshouwers, J.J. en J.H. Damoiseaux. 1990. Toelichting op de bodemkaart van Nederland, blad 61-62 West en oost Maastricht-Heerlen. Staring Centrum, Wageningen

Bronnen Grote historische Provincie Atlas van Nederland; deel 4 Zuid-Nederland 1838-1857 1:50.000. Topografische dienst Wolters Noordhoff Groningen 1990 Grote historische topografische Provincie Atlas Limburg; 1894-1926 1:25.000. Nieuwland Tilburg 2006 Grote topografische atlas van Nederland 1:50.000 Deel 4 Zuid-Nederland. Topografische dienst. Wolters Noordhoff Groningen 1997 Kadaster Topografische Dienst, Top25Raster, Top10Vector, GBKN kaarten, Emmen 2008 Luchtfoto, http://maps.google.nl Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, IKAW 3.0 (Indicatieve kaart Archeologische Waarden), Amersfoort. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, AMK (Archeologische monumentenkaart), Amersfoort. Rijkswaterstaat, Servicedesk Data, AHN (Actueel Hoogtebestand Nederland), Delft. Stichting voor Bodemkartering, Bodemkaart van Nederland 1:50.000. Wageningen, 1968. Stichting voor Bodemkartering: Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000, Staring Centrum, Wageningen, 1989 Stichting voor Bodemkartering, Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Wageningen, 1968. Tranchot en v. Muffling, Kartenaufnahme der Rheinlande 1803-1820 Twaalf provinciën 2007. Atlas van topografische kaarten. Nederland 1955-1965. Uitgeverij twaalf provinciën. Landsmeer.

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 48

Digitale bronnen Ruimtelijke plannen http://www.ruimtelijkeplannen.nl Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed - Archis III http://archis.cultureelerfgoed.nl Luchtfoto, http://www.pdok.nl

Versie: 14-08-2023

www.ArcheoPro.nl

Archeologisch onderzoek Moerslag 32, Sint Geertruid, Gemeente Eijsden-Margraten.

ArcheoPro Rapport, 23075, Pagina 49

6. Bijlagen Bijlage 1: Verklarende woordenlijst Verklarende woordenlijst AHN Actueel Hoogtebestand Nederland AMK Archeologische Monumentenkaart ASB Archeologische Standaard Boorbeschrijving Archis Archeologisch Informatie Systeem BP Before Present (present=1950) GIS Geografische Informatie Systemen GPS Global Positioning System IKAW Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden IVO Inventariserend VeldOnderzoek KLIC Kabels en Leidingen Informatie Centrum KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie -mv Onder maaiveld NAP Normaal Amsterdams Peil PVA Plan van Aanpak PVE Programma van Eisen RCE Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed SBB Standaard Boor Beschrijvingsmethode SIKB Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=3b56aa15-b0c9-477f-a412-ad5836abd4f7