20250218 10 BP Moerslag Bijlage 1.14 Verkennend natuurwaardenonderzoek
Tekst van het document
SODQ
9HUNHQQHQGQDWXXUZDDUGHQRQGHU]RHNYRRU Landgoed Moerslag
RSGUDFKWJHYHU GDWXP
PDDUW
SURMHFWQXPPHU
1/(0
Landgoed Moerslag Verkennend natuurwaardenonderzoek
projectnummer: NL LA-22.05.01
OLGYDQ1HWZHUN*URHQH%XUHDXV
projectleider adviseur ecologie Maastricht, 23 maart 2023
bioloog
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
3
Inhoudsopgave Inhoudsopgave _______________________________________________________________ 3 1
Inleiding ________________________________________________________________ 4 1.1
Aanleiding en doelstelling _______________________________________________ 4
1.2
Opzet van de rapportage ________________________________________________ 4
1.3
Beschrijving van de voorgenomen ingreep__________________________________ 5
1.4
Beschrijving van het onderzoeksgebied ____________________________________ 5
2
Methode ________________________________________________________________ 8
3
Natuurwaarden ___________________________________________________________ 9
4
5
3.1
Flora _______________________________________________________________ 9
3.2
Fauna _____________________________________________________________ 10
3.3
Conclusies op basis van veld- en literatuuronderzoek ________________________ 15
Globale effectbeoordeling i.r.t. de Wet natuurbescherming ________________________ 16 4.1
Vaatplanten – Grote leeuwenklauw ______________________________________ 16
4.2
Zoogdieren - vleermuizen _____________________________________________ 16
4.3
Zoogdieren – Das ____________________________________________________ 17
4.4
Zoogdieren – Eekhoorn, Steenmarter & Grote bosmuis ______________________ 18
4.5
Zoogdieren – overige soorten __________________________________________ 18
4.6
Vogels zonder jaarrond beschermd nest ___________________________________ 19
4.7
Vogels met jaarrond beschermd nest______________________________________ 19
4.8
Reptielen - Hazelworm _______________________________________________ 20
4.9
Overige ongewervelden - Vliegend hert __________________________________ 20
Maatregelen, vervolgtraject en conclusie ______________________________________ 21 5.1
Maatregelen en vervolgtraject ___________________________________________ 21
5.2
Afweging realiseerbaarheid voorgenomen ingreep ___________________________ 22
Literatuurlijst________________________________________________________________ 23 Bijlage 1: Wet natuurbescherming _______________________________________________ 24
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doelstelling
4
Aanleiding is voornemens zijn Landgoed Moerslag uit te breiden, deels te bebossen en het kampeergedeelte deels om te zetten in natuurlofts. Ten behoeve van deze ambitie is het noodzakelijk om na te gaan of hierbij wettelijk beschermde flora en fauna in het geding zijn of aanwezige natuurwaarden een positieve bijdrage kunnen leveren aan de voorgenomen plannen. Om die reden heeft bureau VERBEEK landschapsarchitectuur / ecologie / stedelijk ontwerp in opdracht van de heer Ubaghs een verkennend natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Voorliggende rapportage is hiervan het resultaat. Het onderzoeksgebied is afgebeeld in figuur 1.
Figuur 1: Het onderzoeksgebied (rood omlijnd) gelegen aan weerszijden van de Hagenweg in Moerslag (bron kaart: limburg.nl).
Doelstelling Voorliggend onderzoeksrapport heeft tot doel invulling te geven aan de vanuit wetgeving gestelde verplichting onderzoek te verrichten naar de mogelijke effecten van de voorgestane ingreep op beschermde natuurwaarden. Op basis van een globale effectbeoordeling wordt ook nagegaan in hoeverre de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1) en dan specifiek H3 ‘Soorten’ de voorgenomen ingreep in de weg staat. Tevens worden algemene aanbevelingen gedaan voor de uitvoering van de werkzaamheden conform de geldende kaders vanuit natuurbescherming.
1.2
Opzet van de rapportage
In de navolgende paragrafen wordt allereerst ingegaan op de voorgenomen ingreep en op de huidige verschijningsvorm van het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 2 “Methode” beschrijft de ten behoeve van dit onderzoek aangewende onderzoeksmethodiek. In hoofdstuk 3 “Natuurwaarden” worden de bevindingen uit de diverse onderzoeken weergegeven. Hoofdstuk 4 “Globale effectbeoordeling i.r.t. de Wet natuurbescherming” beschrijft de te verwachten effecten van de ©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
5
voorgenomen ingreep op de (mogelijk) in het onderzoeksgebied aanwezige beschermde natuurwaarden. In hoofdstuk 5 “Maatregelen, vervolgtraject en conclusie” zijn de geconstateerde effecten vertaald in te nemen maatregelen en zo nodig een te doorlopen vervolgtraject. Dit hoofdstuk sluit af met de constatering of de voorgenomen ingreep opweegt tegen de aanwezige natuurwaarden en de te doorlopen procedure om de ingreep mogelijk te maken.
1.3
Beschrijving van de voorgenomen ingreep
Zie hiervoor het los bijgevoegde landschapsplan.
1.4
Beschrijving van het onderzoeksgebied
Het onderzoeksgebied wordt gevormd door het terrein van Landgoed Moerslag. De tussenliggende Hagenweg en de Kromme grub zijn voor de volledigheid van het beeld van (mogelijk) aanwezige natuurwaarden in het onderzoek meegenomen. Een luchtfoto met de begrenzing van het onderzoeksgebied is opgenomen in figuur 3. Het onderzoeksgebied heeft een oppervlakte van circa 20,1 ha.
Figuur 3: Luchtfoto van het onderzoeksgebied, rood omlijnd. (bron luchtfoto: Google maps)
De RD-coördinaten van het zwaartepunt van het onderzoeksgebied zijn X = 180,860 en Y = 310,590. Het onderzoeksgebied ligt daarmee grotendeels in de oostelijke helft van kilometerhok 180-310 waarbij circa een derde deel in het aangrenzend gelegen kilometerhok 181-310 ligt. Het onderzoeksgebied is gelegen in een licht glooiend Zuid Limburgs plateaulandschap. Het is gesitueerd op de rand van het Plateau van Margraten en loopt in loopt in noordwestelijke richting licht af in de richting van een droogdal, de Herkenradergrub. In de zuidoosthoek van het onderzoeksgebied, min of meer op het hoogste punt, ligt een voormalige boerenhoeve (zie figuur 4) die momenteel wordt omgeven door een kleinschalige camping (zie figuur 5) en een vijftal ©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
6
vakantiewoningen (zie figuur 6). De camping, die door de aanwezigheid van talrijke hoogstambomen tussen de standplaatsen het karakter heeft van een hoogstamboomgaard, wordt aan de zuid- en westzijde begrensd door hoogstamboomgaarden (zie figuur 7). Dit alles wordt omgeven en doorsneden door meidoornhagen, wat het geheel een kleinschalig karakter geeft. Verder omvat het onderzoeksgebied een aantal betrekkelijke grootschalige akkers en graslanden (zie figuur 8 en 9), in oost-west richting doorsneden door een veldweg (de Hagenweg; zie figuur 10) en in zuidoost-noordwestelijk door een geheel met bos begroeide grub (zie figuur 11).
Figuur 4: De voormalige boerenhoeve, vanaf de weg Moerslag in zuidwestelijke richting gezien.
Figuur 5: Impressie van het campingterrein, met verspreid staande hoogstambomen.
Figuur 6: De vijf vakantiewoningen, gezien vanuit noordelijke richting.
Figuur 7: Impressie van de hoogstamboomgaarden, met op de achtergrond de voormalige boerenhoeve.
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
7
Figuur 8: Impressie van de akker in het westelijk deel van het onderzoeksgebied, vanaf de Hagenweg in noordelijke richting gezien.
Figuur 9: Impressie van het grasland aan de zuidzijde van de Hagenweg.
Figuur 10: De Hagenweg, vanaf de Delweg in westelijke richting gezien.
Figuur 11: Impressie van de beboste grub in het centrale deel van het onderzoeksgebied.
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
2
8
Methode
In het kader van dit verkennend natuurwaardenonderzoek heeft een bureaustudie plaatsgevonden waarbij gekeken is naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten flora en fauna in het onderzoeksgebied. Hiertoe zijn de waarnemingsgegevens in de NDFF1 (periode 1 januari 2013 heden) en waar nodig overige beschikbare verspreidingsgegevens van flora en fauna (natuurgegevenswebsite van de Provincie Limburg2, andere via internet vrij toegankelijke verspreidingsgegevens3 en eventueel verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen) geraadpleegd om na te gaan welke beschermde planten- en diersoorten voorkomen in de omgeving van de onderzoeklocatie. Een overzicht van de geraadpleegde bronnen is weergegeven in de literatuurlijst. Naast de bureaustudie is op 3 maart 2023 een veldbezoek gebracht aan het onderzoeksgebied. Hierbij is bijzondere aandacht besteed aan de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten (met uitzondering van de soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud) en de geschiktheid van het terrein voor deze soorten. Op basis van in het onderzoeksgebied aanwezige terreinkenmerken en de ecologie van de soorten is tenslotte een inschatting gemaakt welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten momenteel duurzaam in het onderzoeksgebied voor kunnen komen.
1 2 3
www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul www.natuurgegevensprovincielimburg.nl www.vogelatlas.nl
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
3
9
Natuurwaarden
Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden in het onderzoeksgebied zijn waarnemingen van 10 soortgroepen beschikbaar. Deze soortgroepen zijn vaatplanten, mossen, zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en overige ongewervelde dieren. In de teksten wordt conform de Wet natuurbescherming onderscheid gemaakt in beschermde (artikel 3.10: Andere soorten) en streng beschermde (artikelen 3.1 en 3.5: respectievelijk Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) soorten. Een beknopte uitleg van de Wet natuurbescherming is opgenomen in bijlage 1.
3.1
Flora
3.1.1
Vaatplanten
Volgens waarnemingsgegevens in de NDFF zijn in het uurhok waarin het onderzoeksgebied is gelegen in de periode 2013-2023 zes wettelijk beschermde plantensoorten waargenomen, namelijk Bergnachtorchis (180 waarnemingen), Bokkenorchis (1), Grote leeuwenklauw (5), Muurbloem (2), Ruw parelzaad (5) en Schubvaren (136). Geen van deze waarnemingen heeft betrekking op de twee kilometerhokken waarin het onderzoeksgebied is gelegen. Bij de provinciale vegetatiekartering in 2015 zijn in de betreffende kilometerhokken evenmin beschermde plantensoorten aangetroffen. In het onderzoeksgebied vormen akkerranden, standplaatsen op de camping en andere schaars begroeide plekken geschikte standplaatsen voor de in Zuid-Limburg wijd verbreide Grote leeuwenklauw, en de aanwezigheid van deze soort kan daarom niet met zekerheid worden uitgesloten. Bergnachtorchis, Bokkenorchis, Muurbloem, Ruw parelzaad en Schubvaren zijn door het ontbreken van geschikte standplaatsen niet in het onderzoeksgebied te verwachten. Andere wettelijk beschermde plantensoorten zijn op grond van hun verspreiding en ecologie evenmin in het onderzoeksgebied te verwachten. Conclusie: In het onderzoeksgebied kan de aanwezigheid van de Grote leeuwenklauw niet met zekerheid worden uitgesloten; andere wettelijk beschermde soorten vaatplanten komen in het onderzoeksgebied niet voor. 3.1.2
Mossen
Volgens waarnemingsgegevens in de NDFF zijn in de periode 2013-2023 geen wettelijk beschermde mos-soorten waargenomen in het uurhok waarin het onderzoeksgebied is gelegen. Op grond van hun ecologie en verspreiding kan de aanwezigheid van wettelijk beschermde mossoorten in het onderzoeksgebied uitgesloten worden geacht. Conclusie: In het onderzoeksgebied komen geen wettelijk beschermde mos-soorten voor.
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
3.2
Fauna
3.2.1
Zoogdieren
10
Vleermuizen Volgens waarnemingsgegevens in de NDFF zijn in het uurhok waarin het onderzoeksgebied is gelegen in de periode 2013-2023 maar liefst 14 vleermuissoorten waargenomen (alle vleermuizen zijn streng beschermd). Dit betreft de volgende soorten: Baardvleermuis (16 waarnemingen), Bechsteins vleermuis (3), Bosvleermuis (4), Franjestaart (5), Gewone dwergvleermuis (609), Gewone grootoorvleermuis (22), Ingekorven vleermuis (1), Kleine dwergvleermuis (3), Laatvlieger (37), Meervleermuis (6), Rosse vleermuis (11), Ruige dwergvleermuis (3), Vale vleermuis (3) en Watervleermuis (19). Vier soorten zijn ook waargenomen in de twee kilometerhokken waarin het onderzoeksgebied is gelegen, namelijk Bosvleermuis (3 waarnemingen), Gewone dwergvleermuis (85), Laatvlieger (1) en Rosse vleermuis (7). Van elk van deze soorten zijn één of enkele waarnemingen voorhanden die verricht zijn boven de nabijgelegen wegen Moerslag en/of Libeek. Uit bovenstaande waarnemingen mag worden afgeleid dat het onderzoeksgebied deel uitmaakt van het leefgebied van Bosvleermuis, Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger en Rosse vleermuis, waarbij de Gewone dwergvleermuis in de omgeving de meest voorkomende soort is. Daarnaast kan de aanwezigheid van een of enkele andere vleermuissoorten niet met zekerheid worden uitgesloten.
Er valt in elk geval te rekenen met een functionaliteit als foerageergebied voor deze soorten, wellicht ook de aanwezigheid van vliegroutes. De voormalige boerenhoeve lijkt daarnaast geschikt als verblijfplaats voor de gebouw bewonende Gewone dwergvleermuis. In hoeverre in de beboste grub voor boom bewonende vleermuizen geschikte holle bomen voorkomen is niet zeker, maar de aanwezigheid daarvan kan in elk geval niet met zekerheid worden uitgesloten. Conclusie: In het onderzoeksgebied kan de aanwezigheid van Bosvleermuis, Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis en één of enkele andere vleermuissoorten niet met zekerheid worden uitgesloten. Overige zoogdieren Tijdens het veldbezoek is in het onderzoeksgebied de aanwezigheid van twee wettelijk beschermde zoogdiersoorten vastgesteld, namelijk Das (beschermde soort) en Eekhoorn (beschermde soort, maar met een gedeeltelijke provinciale vrijstelling).
Van de Das zijn talrijke sporen aangetroffen: een grote burcht bevindt zich in een talud van de beboste grub (coördinaten: 180.852-310.668; zie figuur 12); enkele pijpen van deze burcht reiken tot in de aangrenzend gelegen akker (coördinaten: 180.840-310.657; zie figuur 13); meer westelijk in deze grub zijn enkele kleinere burchten aanwezig (coördinaten: 180.639-310.689, 180.709-310.697 en 180.596-310.666); tenslotte zijn in het gehele gebied wissels aangetroffen, met name in de grub, in de hoogstamboomgaarden en zelfs op het terrein van de camping. Van de Eekhoorn is een nest gevonden in het meest oostelijk deel van de beboste grub (coördinaten: 180.977-310.576).
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
Figuur 12: De grote Dassenburcht in de beboste grub.
11
Figuur 13: Enkele pijpen van de Dassenburcht in de beboste grub reiken tot in de aangrenzend gelegen akker.
Figuur 14: Verspreidingskaart van de bij het verkennend veldbezoek en op de luchtfoto aangetroffen hoofdburcht (rode stippen), bijburchten (oranje stippen) en indicaties van enkele wissels (pijlen) van de Das en het aangetroffen Eekhoornnest (gele stip).
Volgens waarnemingsgegevens in de NDFF is in het uurhok waarin het onderzoeksgebied is gelegen in de periode 2013-2023, naast een groot aantal algemene soorten waarvoor in Limburg een provinciale vrijstelling bestaat, de aanwezigheid van zes wettelijk beschermde zoogdiersoorten vastgesteld. Dit betreft de volgende soorten: Das (1601 waarnemingen; beschermd), Eekhoorn (249; beschermd, maar met gedeeltelijke provinciale vrijstelling), Eikelmuis (9; beschermd), Grote bosmuis (14; beschermd), Steenmarter (85; beschermd, maar met gedeeltelijke provinciale ©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
12
vrijstelling) en Wild zwijn (214; beschermd, maar hier geldt nulstandbeheer). Al deze soorten zijn ook waargenomen in de twee kilometerhokken waarin het onderzoeksgebied is gelegen (Das - 77 waarnemingen; Eekhoorn - 11; Eikelmuis - 2; Grote bosmuis - 2; Steenmarter - 5; Wild zwijn 5). Das en Eekhoorn zijn ook enkele malen binnen de begrenzing van het onderzoeksgebied vastgesteld: beide soorten in de beboste grub, maar de Das ook éénmaal op het campingterrein en éénmaal als verkeersslachtoffer op de weg Moerslag. Uit bovenstaande gegevens blijkt dat het onderzoeksgebied (of delen daarvan) deel uitmaakt van het leefgebied van Das en Eekhoorn. Daarnaast lijkt geschikt leefgebied aanwezig voor Grote bosmuis, Steenmarter en Wild zwijn en de aanwezigheid van deze soorten kan derhalve niet met zekerheid worden uitgesloten. Het leefgebied van de Eikelmuis in de omgeving is goed gekend en reikt niet tot in het onderzoeksgebied. De aanwezigheid van andere wettelijk beschermde grondgebonden zoogdiersoorten kan op grond van hun ecologie en verspreiding eveneens worden uitgesloten. Conclusie: In het onderzoeksgebied kan de aanwezigheid van Das, Eekhoorn, Grote bosmuis, Steenmarter en Wild zwijn niet met zekerheid worden uitgesloten. Andere wettelijk beschermde grondgebonden zoogdiersoorten komen in het onderzoeksgebied niet voor. 3.2.2
Vogels
Tijdens het veldbezoek zijn in het onderzoeksgebied 14 vogelsoorten waargenomen (alle inheemse vogelsoorten zijn streng beschermd). Het betreft de volgende soorten: Boomklever, Buizerd, Ekster, Gaai, Groene specht, Houtduif, Huismus, Koolmees, Kramsvogel, Merel, Roodborst, Spreeuw, Winterkoning, en Zwarte kraai. Met uitzondering van de Kramsvogel zijn dit allemaal in Nederland en Limburg algemeen voorkomende broedvogelsoorten. Voor elk van deze soorten is geschikt broedbiotoop aanwezig in het onderzoeksgebied en er kan worden aangenomen dat ze in of rond het onderzoeksgebied tot broeden komen. Van één soort zijn de nesten jaarrond beschermd, namelijk van de Huismus. Tijdens het provinciaal broedvogelonderzoek in 2022 zijn in de twee kilometerhokken waarin het onderzoeksgebied is gelegen 39 broedvogelsoorten aangetroffen Van zes soorten zijn de nesten jaarrond beschermd, namelijk van Boerenzwaluw, Bosuil, Gierzwaluw, Huismus, Rode wouw en Torenvalk. Ten aanzien van soorten met jaarrond beschermde nesten of nestplaatsen zijn volgens gegevens op www.vogelatlas.nl in het uurhok waarin het onderzoeksgebied is gelegen in de periode 2013-2015 nog zes andere broedvogelsoorten aangetroffen. Dit betreft de volgende soorten: Havik, Huiszwaluw, Kerkuil, Ransuil, Steenuil en Wespendief.
Volgens gegevens in de NDFF zijn, met uitzondering van de Kerkuil, al deze soorten in de periode 2013-2023 meerdere keren waargenomen in de twee kilometerhokken waarin het onderzoeksgebied is gelegen, maar uitsluitend van de Bosuil, Huismus, Ransuil, Rode wouw, Steenuil en Torenvalk zijn waarnemingen voorhanden die wijzen op de aanwezigheid een territorium. De Huismus is ook enkele malen waargenomen op het terrein van de camping. In samenhang met de directe omgeving vormt het onderzoeksgebied een geschikt leefgebied voor een groot aantal vogelsoorten, met name diverse soorten bosvogels en soorten van het agrarisch gebied. Ten aanzien van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten kan worden gesteld dat de voormalige boerenhoeve geschikte nestlocaties gevat voor in de in gebouwen nestelende Boerenzwaluw, Huismus, Huiszwaluw, Kerkuil en Steenuil, terwijl in de beboste grub moet worden gerekend met de mogelijke aanwezigheid van de Bosuil. De aanwezigheid van nesten van Havik, Ransuil, Rode Wouw, Torenvalk en Wespendief kon tijdens het veldbezoek worden ©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
13
uitgesloten, terwijl de in het buitengebied gelegen voormalige boerenhoeve geen geschikte nestlocatie vormt voor de Gierzwaluw. De aanwezigheid van andere broedvogels met jaarrond beschermde nesten kan op grond van hun ecologie en verspreiding eveneens worden uitgesloten. Conclusie: Het onderzoeksgebied vormt een geschikt broedgebied voor meerdere vogelsoorten. De aanwezigheid van - jaarrond beschermde - nesten van Boerenzwaluw, Bosuil, Huismus, Huiszwaluw, Kerkuil en Steenuil kan niet met zekerheid worden uitgesloten. 3.2.3
Amfibieën, reptielen, vissen
Amfibieën Volgens waarnemingsgegevens in de NDFF is in het uurhok waarin het onderzoeksgebied is gelegen in de periode 2013-2023 de aanwezigheid van drie wettelijk beschermde amfibieënsoorten vastgesteld. Dit betreft de volgende soorten: Alpenwatersalamander (108 waarnemingen; beschermde soort), Geelbuikvuurpad (205; streng beschermd) en Vroedmeesterpad (219; streng beschermd). Geen van deze soorten is waargenomen in de twee kilometerhokken waarin het onderzoeksgebied is gelegen. Door het ontbreken van poelen of anderszins natte plekken vormt het onderzoeksgebied geen aantrekkelijk leefgebied voor amfibieën. Door het ontbreken van vochtige of natte biotopen zijn Alpenwatersalamander, Geelbuikvuurpad, Vroedmeesterpad of eventueel andere wettelijk beschermde amfibieënsoorten niet in het onderzoeksgebied te verwachten. Conclusie: In het onderzoeksgebied komen geen wettelijk beschermde amfibieënsoorten voor. Reptielen Volgens waarnemingsgegevens in de NDFF is in het uurhok waarin het onderzoeksgebied is gelegen in de periode 2013-2023 de aanwezigheid van twee wettelijk beschermde reptielensoorten vastgesteld, namelijk Hazelworm (204 waarnemingen; beschermd, maar met een gedeeltelijke provinciale vrijstelling) en Levendbarende hagedis (13; maar met een gedeeltelijke provinciale vrijstelling).
Beide soorten zijn ook waargenomen in de twee kilometerhokken waarin het onderzoeksgebied is gelegen (Hazelworm - 10 waarnemingen; Levendbarende hagedis - 37). Geen van deze waarnemingen heeft betrekking op het onderzoeksgebied. De beboste grub in het centrum van het onderzoeksgebied lijkt een geschikt leefgebied voor de Hazelworm zodat de aanwezigheid van deze soort niet met zekerheid kan worden uitgesloten. De Levendbarende hagedis daarentegen valt door de beperkte geschiktheid voor deze soort en de afstand tot bekend leefgebied in de omgeving niet in het onderzoeksgebied te verwachten. De aanwezigheid van andere wettelijk beschermde reptielensoorten kan op grond van hun ecologie en verspreiding eveneens worden uitgesloten. Conclusie: In het onderzoeksgebied kan de aanwezigheid van de Hazelworm niet met zekerheid worden uitgesloten. Andere wettelijk beschermde reptielensoorten komen in het onderzoekgebied niet voor. Vissen Door het ontbreken van open water is de aanwezigheid van vissen in het onderzoeksgebied uitgesloten.
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
14
Conclusie In het onderzoeksgebied komen geen wettelijk beschermde vissoorten voor. 3.2.4
Dagvlinders, Libellen en overige ongewervelde diersoorten
Dagvlinders Volgens waarnemingsgegevens in de NDFF is in het uurhok waarin het onderzoeksgebied is gelegen in de periode 2013-2023 de aanwezigheid van vier wettelijk beschermde dagvlindersoorten vastgesteld. Dit betreft de volgende soorten: Grote parelmoervlinder (1 waarneming), Grote vos (5), Grote weerschijnvlinder (3), Iepenpage (3) en Veldparelmoervlinder (1). Geen van deze waarnemingen heeft betrekking op de twee kilometerhokken waarin het onderzoeksgebied is gelegen. Grote vos, Grote weerschijnvlinder, Iepenpage en Veldparelmoervlinder zijn door het ontbreken van geschikt leefgebied niet in het onderzoeksgebied te verwachten. De aanwezigheid van andere wettelijk beschermde dagvlindersoorten kan op grond van hun ecologie en verspreiding eveneens worden uitgesloten. Conclusie: In het onderzoeksgebied komen geen wettelijk beschermde dagvlindersoorten voor. Libellen Door het ontbreken van open water of vochtige biotopen is het onderzoeksgebied niet geschikt als leefgebied voor libellen. Een duurzame aanwezigheid van wettelijk beschermde libellensoorten in het onderzoeksgebied is derhalve uitgesloten. Conclusie In het onderzoeksgebied komen geen wettelijk beschermde libellensoorten voor.
Overige ongewervelde soortgroepen Van de ‘overige ongewervelde soortgroepen’ (haften, nachtvlinders, kevers, kreeftachtigen, weekdieren) is volgens waarnemingsgegevens in de NDFF in de periode 2012-2022 twee wettelijk beschermde soorten vastgesteld in het uurhok waarin het onderzoeksgebied is gelegen, namelijk de Teunisbloempijlstaart (7 waarnemingen; streng beschermd) en het Vliegend hert (77; beschermd). Beide soorten zijn eenmaal waargenomen in de twee kilometerhokken waarin het onderzoeksgebied is gelegen. In de beboste grub lijkt sprake van een geschikt leefgebied voor het Vliegend hert, zodat de aanwezigheid van deze soort hier niet met zekerheid kan worden uitgesloten. De Teunisbloempijlstaart daarentegen is door het ontbreken van geschikt leefgebied niet in het onderzoeksgebied te verwachten. De aanwezigheid van andere wettelijk beschermde vertegenwoordigers van deze ‘overige ongewervelde soortgroepen’ in het onderzoeksgebied kan op grond van hun ecologie en verspreiding eveneens worden uitgesloten. Conclusie: In het onderzoeksgebied kan de aanwezigheid van het Vliegend hert niet met zekerheid worden uitgesloten. Andere wettelijk beschermde vertegenwoordigers van de ‘overige ongewervelde soortgroepen’ komen in het onderzoeksgebied niet voor.
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
3.3
15
Conclusies op basis van veld- en literatuuronderzoek
Aan de hand van de resultaten van het veldbezoek en de gegevens uit de geraadpleegde literatuur is een aantal conclusies getrokken aangaande het voorkomen van beschermde flora en fauna in het onderzoeksgebied. 1. Tijdens het veldbezoek zijn in het onderzoeksgebied geen uitzonderlijke natuurwaarden aangetroffen. Landschappelijk gezien vormen de beboste grub en de door heggen omgeven hoogstamboomgaarden rond de voormalige boerenhoeve waardevolle elementen. 2. Ten aanzien van wettelijk beschermde flora en fauna moet in het onderzoeksgebied worden gerekend met de aanwezigheid van Das, Eekhoorn en diverse broedvogelsoorten (waaronder mogelijk soorten met jaarrond beschermde nesten - Boerenzwaluw, Bosuil, Huismus, Huiszwaluw, Kerkuil, Steenuil). Daarnaast kan de aanwezigheid in het onderzoeksgebied van Grote leeuwenklauw, Bosvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, een of enkele andere vleermuissoorten, Grote bosmuis, Steemarter, Hazelworm en Vliegend hert niet met zekerheid worden uitgesloten. 3. Wettelijk beschermde soorten mossen, amfibieën, vissen, dagvlinders en libellen komen in het onderzoeksgebied niet voor. De effecten van de voorgenomen ingreep op de (mogelijk) aanwezige (streng) beschermde diersoorten is nader besproken in hoofdstuk 4. Voor de overige soorten geldt slechts de algemene zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1).
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
4
16
Globale effectbeoordeling i.r.t. de Wet natuurbescherming
Op basis van de conclusies uit hoofdstuk 3 kan worden gesteld, dat bij de voorgenomen ingreep slechts rekening gehouden dient te worden met de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten uit de soortgroepen vaatplanten, zoogdieren, broedvogels en reptielen. Voor deze soortgroepen is in dit hoofdstuk op globale wijze beschreven of de voorgenomen ingreep leidt tot overtreding van verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming.
4.1
Vaatplanten – Grote leeuwenklauw
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Grote leeuwenklauw (beschermd) in zijn natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Tijdens het verkennend veldbezoek is geconstateerd dat geschikte groeiplaatsen voor de soort aanwezig zijn. Als gevolg van de voorgenomen ingreep is de kans aanwezig dat een of meerdere van deze groeiplaatsen wijzigen of verdwijnen. Maatregelen zijn daarom noodzakelijk om te voldoen aan de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Conclusie: Negatieve effecten op groeiplaatsen van Grote Leeuwenklauw zijn op basis van het verkennend natuurwaardenonderzoek niet uit te sluiten. Vervolgstappen zijn noodzakelijk. De voorgenomen ingreep biedt kansen voor het behoud van een mogelijk aanwezige populatie.
4.2
Zoogdieren - vleermuizen
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om vleermuizen (streng beschermd) opzettelijk te verstoren (door het verwijderen van de geleiding op de vliegroute), te doden (door het slopen van bijvoorbeeld bebouwing met bewoonde vaste verblijfplaatsen) of de verblijfplaats te vernielen of te beschadigen (door het rooien van holtebomen, of het ondermijnen van de functionaliteit van een verblijfplaats door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Vaste verblijfplaatsen In de Kromme grub staan mogelijk holtebomen die een geschikte verblijfplaats vormen voor boom bewonende vleermuissoorten. Deze grub is geen onderdeel van het projectgebied, zodat uitgegaan mag worden van het behoud van de huidige bosvegetatie. Negatieve effecten op vaste verblijfplaatsen van boom bewonende soorten worden daarom niet verwacht. De voorgenomen ingreep voorziet niet in aanpassingen aan de bebouwing in het onderzoeksgebied. Daarom zijn geen negatieve effecten te verwachten op eventueel aanwezige verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuissoorten. Van een overdaad aan buitenverlichting is op dit moment geen sprake. De voorgenomen ingreep voorziet niet in een bijzondere wijziging op dit vlak.
Er is weliswaar een vijftal natuurlofts voorzien ten westen van de Kromme grub, gezien het uitgangspunt van natuurbeleving vanuit deze lofts wordt slechts de minimaal noodzakelijk buitenverlichting aangebracht. Dit heeft een minimale invloed op de omgeving, zodat van een negatief effect op het voorkomen van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen geen sprake is. Foerageergebied en migratieroutes Het onderzoeksgebied vormt mogelijk onderdeel van het foerageergebied van in de omgeving verblijvende vleermuizen. Ook speelt de opgaande beplanting mogelijk een rol in de geleiding van ©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
17
vleermuizen onderweg tussen verblijfplaats en foerageergebied. De groenstructuur van de Kromme grub, op en om de huidige camping blijven echter (grotendeels) overeind. Ook wordt nieuwe aanplant van fruitbomen en bos gedaan, zodat van een ingreep in essentieel leefgebied geen sprake is. Daarnaast biedt de aanplant op termijn een uitbreiding van de foerageermogelijkheden. Van overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is zodoende geen sprake. De aanwezigheid van foeragerende vleermuizen beidt daarnaast een meerwaarde voor de natuurbeleving in de avonduren. Ook houden ze met hun foerageergedrag het aandeel Muggen en andere plaag insecten voor de campinggasten in toom. Conclusie: De voorgenomen ingreep leidt niet tot negatieve effecten op het voorkomen van vleermuizen. De aanwezigheid van vleermuizen heeft een positief effect op de beleving van de natuur op het landgoed.
4.3
Zoogdieren – Das
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Dassen en Wilde zwijnen (beschermd) opzettelijk te doden of te vangen (in dit kader niet relevant) of vaste voortplantingen rustplaatsen van de soort te vernielen of te beschadigen (door het rooien van beplantingen, of het ondermijnen van de functionaliteit ervan). Het onderzoeksgebied maakt een centraal onderdeel uit van het leefgebied van een dassenclan die zijn hoofdburcht in de rand van de Kromme grub heeft. Deze dassenclan gebruikt de ruime omgeving om te foerageren. Gezien het reguliere agrarisch gebruik van de grote akker ten zuiden van de hoofdburcht zal een deel van de dassenpijpen jaarlijks opnieuw (open)gegraven worden door de Das. De omvang van de burcht en bijburchten duidt erop dat de Das zich hier prima thuis voelt. De voorgenomen ingreep houdt rekening met de burchtlocaties en de aanwezigheid van geschikt foerageergebied. De huidige akker biedt slechts een klein deel van het jaar geschikt foerageergebied, wat ook direct verklaart waarom de wissels doorlopen tot ruim buiten het onderzoeksgebied. Door het creëren van een afwisseling tussen graslanden, hoogstamboomgaarden en bosaanplant ontstaat meer diversiteit in voedselaanbod in de nabijheid van de hoofdburcht, wat gunstig is voor de dassenclan.
De grote akker bij de hoofdburcht dient daarbij niet geheel verbosd te worden; een afwisseling van bosvlakken en semi-open corridors met gras en mantel- en zoomvegetaties heeft de voorkeur om zo bij te dragen aan een divers voedselaanbod. Vanwege de ligging van een bijburcht middenin en burchtlocaties direct langs de rand van de akker dient bij de uitvoering van de voorgenomen ingreep de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. De aanwezigheid van de Das binnen het landgoed vormt een meerwaarde voor de natuurbeleving door de gasten van de natuurlofts. De aanwezigheid van de dassenburcht maakt de kans namelijk redelijk groot dat de soort kan worden waargenomen in de avonduren. Voor de aanlegfase van de voorgenomen ingreep is het noodzakelijk rekening te houden met de gevoelige periode van de soort (de periode dat de jongen geboren worden en nog niet zelfstandig zijn). Verstoring dient in deze periode te allen tijden voorkomen te worden. Het treffen van maatregelen is daarom wenselijk om zo overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming te voorkomen. Conclusie De voorgenomen ingreep leidt in potentie tot een verbetering van de foerageermogelijkheden van de dassenclan in de Kromme grub. In de aanlegfase dient verstoring van de Das voorkomen te worden. Het treffen van maatregelen is daarom noodzakelijk. ©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
4.4
18
Zoogdieren – Eekhoorn, Steenmarter & Grote bosmuis
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Eekhoorns, Steenmarters en Grote bosmuizen (alle beschermd) opzettelijk te doden of te vangen of vaste voortplanting- en rustplaatsen van de soort te vernielen of te beschadigen (door het rooien van nestbomen, of het ondermijnen van de functionaliteit van een verblijfplaats door in te grijpen in essentiële delen van het leefgebied). Conform de provinciale omgevingsverordening bestaat voor de Eekhoorn en Steenmarter met betrekking tot het vangen van exemplaren en het vernielen of beschadigen van rust- en voortplantingsplaatsen een vrijstelling. Deze vrijstelling geldt voor Eekhoorn van 1 maart tot en met 30 april en van 1 juli tot en met 30 november en voor Steenmarter van 15 augustus tot en met februari. In de Kromme grub is bij het veldbezoek één eekhoornnest aangetroffen. Een nader inventarisatie zal waarschijnlijk nog meer nestlocaties opleveren. Naar verwachting is minimaal 1 territorium van de soort aanwezig. Aangezien de Kromme grub buiten de ingreep op Landgoed Moerslag blijft, bestaat geen reden om aan te nemen dat negatieve effecten ontstaan op het voorkomen van de soort. De bosaanplant die voorzien is op een deel van het landgoed vormt op termijn een uitbreiding van het leefgebied. Daarnaast draagt de aanwezigheid van Eekhoorn sterk bij aan de natuurbeleving op het landgoed.
De Steenmarter zal vooral foeragerend kunnen worden aangetroffen in het onderzoeksgebied. De voorgenomen ingreep leidt weliswaar tot een wijziging van de inrichting van het leefgebied, maar leidt niet tot negatieve effecten op het voorkomen van de soort. Van een potentiële overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming is voor deze soort geen sprake. Door het ontstaan van nieuwe bosranden ontstaat juist een uitbreiding van het jachtgebied voor de soort . De Grote bosmuis is net als de Eekhoorn alleen te verwachten in de Kromme grub. Aangezien deze structuur behouden blijft bestaat geen reden om ervan uit te gaan dat negatieve effecten optreden als gevolg van de voorgenomen ingreep. Daarnaast zal de soort op termijn profiteren van de bosaanplant, die als uitbreiding van het leefgebied van deze soort kan worden beschouwd. Conclusie: Negatieve effecten van de voorgenomen ingreep op het voorkomen van Eekhoorn, Steenmarter en Grote bosmuis op Landgoed Moerslag zijn niet te verwachten. Voor deze soorten is daarom slechts de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming van toepassing. De aanwezigheid van vooral Eekhoorn levert daarnaast een positieve bijdrage aan de natuurbeleving op het Landgoed.
4.5
Zoogdieren – overige soorten
Voor de overige aanwezige en mogelijk aanwezige soorten levert de voorgenomen ontwikkeling op Landgoed Moerslag geen negatief effect. Wild zwijn komt hier mogelijk voor, maar kent hier een nulstandbeheer, zodat wat betreft de voorgenomen ingreep geen rekening met de soort gehouden hoeft te worden. In potentie zijn positieve effecten te verwachten naar aanleiding van de ingreep. Zo ontstaat een uitbreiding van potentiële dagrustplaatsen voor reewild wat gunstig is vanwege het intensieve gebruik van het Savelsbos door recreanten. Dit levert een positieve bijdrage aan de natuurbeleving op het landgoed. Daarnaast kan, wanneer rekening wordt gehouden met het creëren van mantel- en zoomovergangen, een optimaal leefgebied worden gecreëerd voor Eikelmuis. Deze bijzonder zeldzame soort die in Limburg onder de actieve (subsidiabele) soortenbescherming valt is nu ©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
19
weliswaar nog niet aanwezig in of direct om het onderzoeksgebied (de grens van het leefgebied ligt direct westelijk van camping De Bosrand), door het aanbieden van nieuw leefgebied krijgt de soort de kans zijn leefgebied uit te breiden, wat voor deze soort broodnodig is.
4.6
Vogels zonder jaarrond beschermd nest
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om vogels (alle inheemse soorten streng beschermd) opzettelijk te doden of te vangen (door het rooien van een nestboom in het broedseizoen), nesten of eieren te vernielen of te beschadigen (door het rooien van de betreffende boom, of het ondermijnen van de functionaliteit van de nesten door het broeden te verstoren met werkzaamheden in de directe omgeving), of vogels opzettelijk te verstoren (door een ingreep te doen die het leefgebied verstoort, aantast of ongeschikt maakt). Dit laatste geldt overigens niet, indien de gunstige staat van instandhouding van de populatie er niet onder te lijden heeft. Veruit de meeste vogelsoorten bouwen jaarlijks een nieuw nest. Daarom is van verstoring of vernieling alleen sprake gedurende het broedseizoen, als het nest daadwerkelijk in gebruik is. Door bij uitvoering van de voorgenomen ingreep rekening te houden met het broedseizoen, wordt overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming voorkomen. De voorgenomen ingreep leidt op termijn tot potenties voor vogelsoorten van bossen en bosranden en levert zo een bijdrage aan de duurzame instandhouding van deze populaties. Conclusie: Door rekening te houden met het broedseizoen kan overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming worden voorkomen.
De voorgenomen ontwikkeling van Landgoed Moerslag leidt tot een geleidelijke wijziging in de aan te treffen broedvogelpopulatie, wat interessante beelden op kan leveren voor de gasten van het landgoed.
4.7
Vogels met jaarrond beschermd nest
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om vogels (alle inheemse soorten streng beschermd) opzettelijk te doden of te vangen (door het rooien van een nestboom in het broedseizoen), nesten of eieren te vernielen of te beschadigen (door het rooien van de betreffende boom, of het ondermijnen van de functionaliteit van de nesten door het broeden te verstoren met werkzaamheden in de directe omgeving), of vogels opzettelijk te verstoren (door een ingreep te doen die het leefgebied verstoort, aantast of ongeschikt maakt). Dit laatste geldt overigens niet, indien de gunstige staat van instandhouding van de populatie er niet onder te lijden heeft. Van de mogelijk aan te treffen vogelsoorten hebben Boerenzwaluw, Bosuil, Huismus, Huiszwaluw, Kerkuil en Steenuil een jaarrond beschermd nest. Aangezien de gebouwen op het landgoed ongewijzigd blijven, zijn geen negatieve effecten te verwachten op de gebouw bewonende soorten met jaarrond beschermd nest, te weten Boerenzwaluw, Huismus, Huiszwaluw, Kerkuil en Steenuil. Bosuil broedt mogelijk in de Kromme grub. De voorgenomen ingreep leidt niet tot negatieve effecten op het leefgebied van de soort. De bosaanplant kan juist tot een uitbreiding van het leefgebied leiden. Daarnaast levert de aanwezigheid van uilen op het landgoed tot een positieve bijdrage aan de natuurbeleving.
Van de voorgenomen ontwikkeling op het landgoed profiteert ook de Steenuil. Deze soort heeft baat bij een kleinschalig ingericht landschap met hoogstamfruitbomen, knotbomen en hagen. Conclusie: Door rekening te houden met het broedseizoen kan overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming worden voorkomen. ©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
4.8
20
Reptielen - Hazelworm
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Hazelwormen opzettelijk te doden of te vangen (door het vergraven van de bodem) of vaste voortplanting- en rustplaatsen van de soort te vernielen of te beschadigen (door het verwijderen van de strooisellaag en zonplekken). Conform de provinciale omgevingsverordening bestaat voor de Hazelworm met betrekking tot het vangen van exemplaren en het vernielen of beschadigen van rust- en voortplantingsplaatsen een vrijstelling. Deze vrijstelling geldt van juli tot en met september (Hazelworm). De Kromme grub is mogelijk onderdeel van het leefgebied van Hazelworm. Aangezien deze buiten de ingreep blijft, is het niet te verwachten dat een negatief effect optreedt op de in de grub aanwezige populatie Hazelwormen. De aanplant van bos en het daarmee creëren van nieuwe randlengtes maakt het landgoed interessant als potentieel nieuw leefgebied voor de Hazelworm. Het ligt in de lijn der verwachten dat de soort er na enkele jaren waargenomen kan worden. Conclusie: De voorgenomen ingreep heeft geen negatieve gevolgen voor de Hazelworm. De voorgenomen ingreep heeft naar verwachting tot gevolg dat het leefgebied van de soort wordt uitgebreid.
4.9
Overige ongewervelden - Vliegend hert
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden om Vliegend hert (beschermd) opzettelijk te doden of te vangen (met bijvoorbeeld vallen) of vaste voortplanting- en rustplaatsen van de soort te vernielen of te beschadigen (door het opruimen van dood en vermolmd hout). De Kromme grub vormt potentieel of actueel leefgebied van het Vliegend hert. In de overige delen van het onderzoeksgebied is de soort niet te verwachten. De voorgenomen ingreep levert daarom geen negatief effect op het voorkomen van de soort. De voorgenomen aanplant van bos levert mogelijk op lange termijn nieuw leefgebied op voor de soort, aangezien het Vliegend hert vooral afhankelijk is van dood hout dat is aangetast met witrot. De aanleg van speciale broedstoven voor het Vliegend hert kan een positieve bijdrage leveren aan de natuurbeleving op het landgoed. In Limburg valt deze soort onder de actieve (subsidiabele) soortenbescherming. Conclusie: Op basis van de voorgenomen ontwikkeling is geen overtreding van verboden uit de Wet natuurbescherming te verwachten. Het aanleggen van broedstoven voor de soort kan een positieve bijdrage leveren aan het uitbreiden van het leefgebied.
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
5
21
Maatregelen, vervolgtraject en conclusie
Voor een aantal in hoofdstuk 4 behandelde soorten en soortgroepen zijn maatregelen nodig om te kunnen voldoen aan de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 1). De omvang van de te nemen maatregelen en het ermee samenhangende vervolgtraject zijn van belang bij de afweging van de keuze voor natuurbehoud of uitvoering voorgenomen ingreep. In onderstaande paragrafen zijn allereerst de te nemen maatregelen per soortgroep voorgesteld. Vervolgens is toegelicht hoe het vervolgtraject eruitziet. Als laatste is de voorgenomen ingreep afgezet tegen de complexiteit van het vervolgtraject en zijn conclusies getrokken ten aanzien van de haalbaarheid en de realiteit van de voorgenomen ingreep als het gaat om de te beschermen natuurwaarden in het onderzoeksgebied.
5.1
Maatregelen en vervolgtraject
Vaatplanten – Grote leeuwenklauw • De potentiële groeiplaatsen van de eenjarige soort Grote leeuwenklauw worden in de voorgenomen ingreep zoveel als mogelijk ontzien. • Worden potentiële groeiplaatsen (ruderale terreindelen, bermen, akkers) geraakt door de werkzaamheden, dan vindt een nadere controle plaats op aanwezigheid van de soort door een ecologisch deskundige. • Op basis van de bevindingen van de ecologisch deskundige kan al dan niet ongewijzigd verder gewerkt worden. Wordt de soort aangetroffen, dan zal eerst bekeken worden of de groeiplaats ontzien kan worden. Is dit niet het geval dan wordt de soort behouden voor het landgoed door na de zaadzetting (na augustus) de toplaag in depot te stellen om die nadien weer te verwerken in het terrein (of direct te verwerken op een vergelijkbaar terreingedeelte). • Ingrepen in de groeiplaats van de soort kunnen alleen worden uitgevoerd op basis van een ontheffing Wet natuurbescherming. Zoogdieren - vleermuizen • Het verlichtingsniveau van het landgoed dient net als nu minimaal te blijven, zodat van verstoring door verlichting geen sprake is voor deze streng beschermde soortgroep.
Zoogdieren - Das • Aangezien de burchtlocaties van de dassenclan zich concentreren aan de zuidkant van de Kromme grub dienen de werkzaamheden in dit deel van het Landgoed uitgevoerd te worden buiten de gevoelige periode van de soort, ofwel buiten de periode december tot en met juni. • Voor de bosaanplant dient daarom de plantperiode in het najaar benut te worden. Deze periode leidt tot de minste verstoring voor de dassenclan. • De grote akker kan niet geheel bebost worden, omdat het preferente leefgebied rondom de burcht te zeer beïnvloedt. Het behouden van afwisseling tussen openheid en beslotenheid draagt bij aan het creëren van een divers voedselaanbod voor de Das. • Voorafgaand aan de aanplant vindt een controleronde plaats door een ecologisch deskundige om te bepalen welke burchten op dat moment actief in gebruik zijn door de Das, om zo te bepalen op welke plekken aanplant achterwege dient te blijven en/of op handkracht dient te worden uitgevoerd. De resultaten wordt besproken met de groenaannemer die daar vervolgens naar handelt. • Aangezien de burchtlocaties deels in en onder de akker zijn gelegen, dient in een straal van 20 meter rondom de ingangen van de verschillende burchten aanplant met handkracht, dus niet machinaal, te gebeuren om zo het risico op instortingen in de burcht zo klein mogelijk te ©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
• • • •
22
houden. Om grens tussen handmatige en machinale aanplant in het veld helder te maken wordt een tijdelijk lint gespannen, dan direct na afloop van de plantwerkzaamheden weer wordt verwijderd. Aanlegwerkzaamheden worden overdag uitgevoerd, zodat verstoring door activiteiten op het moment dat de Das actief wordt, achterwege blijven. Het benutten van werkverlichting is niet toegestaan. De ingangen van de verschillende burchtlocaties en de wissels blijven ten allen tijden vrij van obstakels. Ook dienen eventueel op het landgoed aan te brengen rasters passeerbaar te blijven voor de Das. Door op voornoemde wijze te handen blijft de functionaliteit van de verschillende burchten en het preferent leefgebied overeind. Daarmee wordt voldaan aan de vereisten vanuit de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Mits voornoemde werkwijze gevolgd wordt, ontstaat geen noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming.
Vogels zonder jaarrond beschermde nesten • De werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden, globaal dus buiten de periode tussen 15 maart en 15 juli. • Afhankelijk van het weer kunnen in het vroege voorjaar en de zomer al of nog vogelsoorten tot broeden komen. In deze periode is het wenselijk om uiterlijk twee weken voor de werkzaamheden een ecologische schouw uit te voeren naar de aanwezigheid van broedgevallen. Worden broedgevallen aangetroffen, dan dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden tot de jongen zijn uitgevlogen. Maatregelen met een positief effect op het voorkomen van natuurwaarden • De aanplant van bos en dan vooral het creëren van lengtes mantel- en zoomvegetatie heeft een positieve uitwerking op het in potentie voorkomen van soorten als Ree, Wild kat, Grote bosmuis, Eikelmuis, Hazelworm en vogels van jonge bossen en bosranden, zoals Grauwe klauwier (ook een soort van de actieve soortenbescherming van de provincie Limburg); • De aanplant het hoogstamfruitboomgaarden heeft een positief effect op het leefgebied van bijvoorbeeld Das en Steenuil; • Door de aanleg van enkele broedstoven voor het Vliegend hert aan de zuidrand van de Kromme grub wordt een bijdrage geleverd aan het vergroten van het potentiële leefgebied van de soort.
5.2
Afweging realiseerbaarheid voorgenomen ingreep
Op basis van de maatregelen en vervolgstappen uit voorgaande paragraaf kan het volgende geconcludeerd worden: • De voorgenomen ontwikkeling op Landgoed Moerslag heeft in beginsel geen negatief effect op het voorkomen van wettelijk beschermde flora en fauna. De Wet natuurbescherming vormt zodoende geen belemmering voor de voorgenomen ingreep. • Wel dienen in de aanlegfase de hierboven in 5.1 benoemde maatregelen uitgevoerd te worden om te kunnen voldoen aan de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming.
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
23
Literatuurlijst BIJ12, 2017. Kennisdocument Das, Meles meles, versie 1.0. BIJ12, Utrecht. Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal Blad nr. 5634. Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée, 2008. Europese natuur in Nederland. Soorten van de Habitatrichtlijn. Tweede sterk herziene druk. KNNV Uitgeverij, Zeist. Provincie Limburg, 2022. Limburgs Natuurprogramma 2023-2030, Voor mens en dier. Provincie Limburg, Maastricht. www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (verspreidingsgegevens vaatplanten en broedvogels; laatst geraadpleegd 1 maart 2023) www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul (verspreidingsgegevens flora en fauna; laatst geraadpleegd 16 maart 2023) www.vogelatlas.nl (verspreidingsgegevens broedvogels met jaarrond beschermde nesten op uurhok basis; laatst geraadpleegd 1 maart 2023)
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
24
Bijlage 1: Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet vervangen. Daarmee is een integraal en vereenvoudigd wettelijk kader voor het behoud van de biologische diversiteit en een duurzaam gebruik van bestanddelen daarvan gevormd, mede ter uitvoering van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden van de biologische diversiteit • Het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies.
B1.1 De algemene zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van Natura2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Hiertoe is in de wet een algemene zorgplicht opgenomen (artikel 1.11). Deze zorgplicht houdt in dat handelingen die nadelig zijn, of waarvan eenieder redelijkerwijs kan vermoeden dat ze nadelig zijn, achterwege blijven, dan wel maatregelen worden getroffen om die gevolgen te voorkomen en voor zover dat niet mogelijk is die gevolgen zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan gemaakt.
B1.2 Bescherming Natura2000-gebieden De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura2000-gebieden, de aanwijzing en begrenzing daarvan. Een aanwijzingsbesluit omvat in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden voor vogelsoorten voor zover nodig ter uitvoering van de Europese Vogelrichtlijn en/of de natuurlijke habitats van soorten voor zover nodig ter uitvoering van de Europese Habitatrichtlijn. Gedeputeerde Staten stellen voor het betreffende gebied een beheerplan op waarin, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de nodige instandhoudingsmaatregelen en de beoogde resultaten staan geformuleerd. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura2000gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van de soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Dit geldt zowel voor initiatieven binnen de begrenzing van een Natura2000-gebied als voor initiatieven buiten een Natura2000-gebied maar met een externe werking in dat Natura2000-gebied. Ten behoeve van de vergunningverlening dient initiatiefnemer een passende beoordeling uit te voeren van de gevolgen van het initiatief voor het Natura2000-gebied.
Vergunning wordt slechts verleend indien de zekerheid is verkregen dat het initiatief de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien de vereiste zekerheid niet kan worden verkregen, dan kan vergunning worden verleend indien voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: ©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
25
1. Er zijn geen alternatieven; 2. Het initiatief is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. De nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura2000 bewaard blijft. Voor prioritaire habitattypen geldt in afwijking van punt 2 dat een project nodig is vanwege: 4. Argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten, of 5. Andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie.
B1.3 Soortbescherming - soorten Europese Vogelrichtlijn Op basis van de Wet natuurbescherming zijn alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop de Vogelrichtlijn van toepassing is streng beschermd. In de voorliggende rapportage zijn de betreffende soorten aangeduid als zijnde streng beschermd. Het is verboden: • opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • eieren van vogels te rapen of onder zich te hebben; • vogels opzettelijk te storen; • Het voorgaande verbod is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Gedeputeerde staten is bevoegd ontheffing te verlenen van de hiervoor benoemde verboden ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Daarbij dient voldaan te zijn aan de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; 2. Zij is nodig a. In het belang van volksgezondheid en openbare veiligheid; b. In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; c.
Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; d. Ter bescherming van flora en fauna; e. Voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of f. Om te vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. 3. De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
26
B1.4 Soortbescherming - soorten Europese Habitatrichtlijn De Habitatrichtlijn heeft tot doel bij te dragen aan het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het verdrag betrekking heeft. De in deze richtlijnen benoemde soorten uit deze categorie zijn in deze rapportage aangeduid als zijnde streng beschermd. Nota bene: Een deel van de vogelsoorten valt als gevolg van de Europese richtlijnen en verdragen zowel onder de bescherming van artikel 3.1 als artikel 3.5 uit de Wet natuurbescherming. Het is verboden • In het wild levende dieren van soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • Dieren opzettelijk te verstoren; • Eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • De voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; • Planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
• De soorten als bedoeld in het voorgaande punt en het eerste punt onder zich te hebben of te vervoeren, tenzij de bedoelde planten en dieren aantoonbaar zijn gefokt of gekweekt. Gedeputeerde staten is bevoegd ontheffing te verlenen van de hiervoor benoemde verboden ten aanzien van planten en dieren van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren. Daarbij dient voldaan te zijn aan de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; 2. Zij is nodig a. In het belang van de bescherming van de wilde flora en fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; b. Ter voorkoming van ernstige schade aan vooral gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; c. In het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten; d. Voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of e.
Om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soorten te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. 3. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
©
verkennend natuurwaardenonderzoek landgoed moerslag
27
B1.5 Soortbescherming - andere soorten Naast de soorten die beschermd zijn op grond van de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Habitatrichtlijn is op nationaal niveau een aanvullende lijst vastgesteld van diersoorten en plantensoorten die eveneens beschermd zijn op basis van de Wet natuurbescherming. In de voorliggende rapportage zijn de betreffende soorten aangeduid als zijnde beschermd. In analogie van het beschermingsregime voor soorten uit de Europese Habitatrichtlijn is het verboden om: • De betreffende diersoorten opzettelijk te doden of te vangen; • Vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de betreffende diersoorten te beschadigen of te vernielen, of • De betreffende plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De eerste twee punten zijn niet van toepassing op Bosmuis, Huisspitsmuis en Veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen bevinden of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. In aanvulling op de ontheffingsgronden voor soorten uit de Habitatrichtlijn is Gedeputeerde staten voor de onder dit beschermingsregime vallende diersoorten en plantensoorten bevoegd om tevens op grond van onderstaande redenen ontheffing te verlenen: f.