20241015 07u Bijlage 12 bij motivering Verkenend bodemonderzoek
Tekst van het document
Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Slakweg te Gronsveld MA220140.R01.V1.1 1 maart 2023
Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Slakweg te Gronsveld MA220140.R01.V1.1 1 maart 2023
Opdrachtgever Laudy Vastgoedontwikkeling B.V. Irenelaan 8 6133 BG Sittard
+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen
Geonius.nl Functie
Naam
Projectleider milieu
Johan Zoer
Collegiale toets
Björn Scheepers
MA220140.R01.V1.1
Paraaf
2 van 34
Inhoud 1
Inleiding .......................................................................5
2
Achtergrondinformatie .......................................... 6
2.1 Algemeen
6
2.2 Situering onderzoekslocatie
6
2.3 Historie
6
2.4 Vergunningen
7
2.5 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie
8
2.6 PFAS
11
2.7 Ontplofbare oorlogsresten (OO)
11
2.8 Archeologie
11
2.9 Terreininspectie/interview
11
2.9.1 Terreininspectie.............................................................................................................................................. 11 2.9.2 Interview eigenaar c.q. gebruiker .............................................................................................................12 2.10 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie
12
2.10.2 Fundatie en onderliggende bodem ........................................................................................................13 2.10.3 Asbest in bodem/puin ................................................................................................................................14
3
Veldwerk en analyses............................................15
3.1 Onderzoeksprogramma
15
3.2 Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters
15
3.3 Veldwerk verkennend bodemonderzoek
16
3.4 Bodemprofiel
16
3.5 Veldwerk verkennend asbestonderzoek
16
4
Analyseresultaten.................................................. 20
4.1 Toetsingskader
20
4.1.1 Wet bodembescherming .............................................................................................................................. 20 4.1.2 Besluit en Regeling bodemkwaliteit ....................................................................................................... 20 4.1.3 Asbest in bodem/puin.................................................................................................................................. 20 4.1.4 Asfalt.................................................................................................................................................................. 20 4.1.5 Veiligheidsmaatregelen CROW 400..........................................................................................................21
5
Asfalt .......................................................................... 22
5.1 Veldwerk
22
5.1.1 Dikte asfalt........................................................................................................................................................ 22 5.2 Analyseresultaten
22
5.3 Interpretatie
23
6
Fundatie en grond.................................................. 24
6.1 Milieuhygiënische analyses
24
6.1.1 Voetnoten analysecertificaten .................................................................................................................. 28
MA220140.R01.V1.1
3 van 34
6.1.2 Asbest ................................................................................................................................................................ 29
7
Aanvullend onderzoek ......................................... 30
8
Conclusies en aanbevelingen ............................ 32
8.1 Conclusies
32
8.1.1 Verontreinigingssituatie ............................................................................................................................. 32 8.1.2 Overig terrein .................................................................................................................................................. 33 8.1.3 Voormalige tanks........................................................................................................................................... 33 8.1.4 Asbest in bodem/bouwstof/recyclinggranulaat ................................................................................. 33 8.1.5 Asfalt .................................................................................................................................................................. 33 8.2 Aanbevelingen
33
Bijlagen Bijlage 1 Topografische overzichtskaart Bijlage 2 Foto’s locatie en proefgaten Bijlage 3 Boorstaten incl. legenda Bijlage 4 Analysecertificaten Bijlage 5 Toetsing Wet bodembescherming Bijlage 6 Toetsing Besluit bodemkwaliteit Bijlage 7 Overzicht bronnen vooronderzoek Bijlage 8 Situatietekening Bijlage 9.1 Situatietekening Fugro Milieu consult B.V., K-6258/110, d.d. 18-12-1996 Bijlage 9.2 Situatietekening L.M.I. B.V., F 175, d.d. 12-03-1992 Bijlage 9.3 Situatietekening Antea Group, 0469459.197, d.d. 17-06-2021
MA220140.R01.V1.1
4 van 34
1 Inleiding Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van Laudy Vastgoedontwikkeling B.V. een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Slakweg te Gronsveld. Aanleiding voor dit verkennend en aanvullend bodemonderzoek vormt de bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie (tuincentrum naar woningen). In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. In het kader van de voorgenomen werkzaamheden wordt de milieuhygiënische kwaliteit van het asfalt, het funderingsmateriaal en eventueel de grond of het grondwater bepaald. Doel van het verkennend en aanvullend bodemonderzoek omvat diverse punten, te weten: Beoordelen of in het kader van de Wet bodembescherming mogelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Beoordelen of uitkomend (bodem)materiaal voor hergebruik in aanmerking komt, onder de voorwaarden van hergebruik (Besluit bodemkwaliteit en eventueel civieltechnisch). Bepalen of het vrijkomend asfalt teerhoudend is. Bepalen van de voorlopige veiligheidsklassen voor de uitvoering van de werkzaamheden in het kader van de Arbo-wetgeving (CROW 400). Beoordelen of het uitkomend (bodem)materiaal verdacht is op de aanwezigheid van asbest.
Onderhavig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017), de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017), de NEN 5897+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016). Geonius is gecertificeerd voor SIKB protocol 2001, 2002, 2003 en 2018 behorende bij Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” (BRL SIKB 2000). Het procescertificaat van Geonius Milieu B.V. en het bijbehorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium (of de opdrachtgever). Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN-ENISO 9001:2015, NEN-EN-ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3. Geonius Milieu B.V. streeft naar het uitvoeren van een representatief onderzoek.
Het onderzoek is echter steekproefsgewijs uitgevoerd door middel van het uitvoeren van een volgens de norm voorgeschreven aantal boringen en het laten analyseren van grond(meng)monsters op een standaard analysepakket. Eventueel niet getraceerde (punt)bronnen van verontreinigingen kunnen derhalve niet worden uitgesloten. Geonius Milieu B.V. verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of onderhavige locatie en daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in KwaliBo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer). In onderhavig rapport worden de resultaten van het vooronderzoek, de gehanteerde onderzoeksopzet, de uitgevoerde veldwerkzaamheden en de resultaten van het analytisch onderzoek beschreven. Tot slot worden de resultaten getoetst aan de referentiewaarden en worden conclusies, en eventueel aanbevelingen, geformuleerd.
MA220140.R01.V1.1
5 van 34
2 Achtergrondinformatie
2.1 Algemeen
Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform de NEN 5725 verricht. De hierbij gehanteerde bronnen zijn opgenomen in bijlage 7. De resultaten van het vooronderzoek zijn in onderstaande paragrafen opgenomen.
2.2 Situering onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft een tuincentrum gelegen aan de Rijksweg 6 en omliggende percelen die aan het tuincentrum en de Slakweg te Gronsveld liggen. In Tabel 2.1 zijn enkele gegevens betreffende de onderzoekslocatie weergegeven. De regionale ligging is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 8 is een situatietekening met daarop de ligging van de locatie opgenomen. Foto’s van de locatie zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 2.1: overzicht topografische gegevens onderzoekslocatie Algemene en topografische gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie
Circa 14.200 m2
Maaiveldhoogte
Circa 54 m + NAP
X-coördinaat, Y-coördinaat
X: 179.026, Y: 314.056
2.3 Historie Op basis van de geraadpleegde historische kaarten blijkt dat de onderzoekslocatie voor het eerst zichtbaar is op topografische kaarten van 1850. Hierop is bebouwing ten oosten van het tuincentrum al weergeven. De rest van de locatie is in gebruik als boomgaard en landbouwgrond. Op dit kaartmateriaal zijn de Rijksweg, de Slakweg en in de omgeving gelegen wegen ook zichtbaar. Op de kaart van 1937 is de bebouwing ter plekke van de onderzoekslocatie uitgebreid naar de Rijksweg. In circa 1959 wordt de bebouwing ter plekke van de onderzoekslocatie verder uitgebreid richting het noorden. De rest van de locatie is nog dan nog enkel in gebruik als landbouwgrond. Het grootste gedeelte van de landbouwgrond ter plekke van de onderzoekslocatie wordt op de kaart vanaf 1989 gebruikt voor het kweken van planten. Tot 1999 zijn geen veranderingen zichtbaar op de topografische kaart. Echter op de kaart van 1999 zijn ten westen van het woonhuis enkele opstallen (waaronder een kas) zichtbaar en het overig deel van de onderzoekslocatie heeft weer de gebruiksfunctie landbouw gekregen. Deze opstallen worden gebruikt voor de kweek en verkoop van planten. In deze opstal is tevens een dieseltank en opslagkasten voor bestrijdingsmiddelen gesitueerd. Nabij het woonhuis, aan de westzijde, is ook een dieseltank en dieselpomp gesitueerd.
De woning op huisnummer 3 lijkt begin jaren `90 te zijn gebouwd. Momenteel bestaat de onderzoekslocatie uit een openbare weg Slakweg, een woonhuis (huisnummer 6) met aangrenzende kas met winkel en huisnummer 3 met tuin. Op het terrein zijn ook een aantal parkeerplaatsen aanwezig. De eerdergenoemde tanks zijn niet meer aanwezig. Enkele uitsneden van historisch kaartmateriaal zijn opgenomen in onderstaande Figuur 2.1.
MA220140.R01.V1.1
6 van 34
[1850]
[1945]
[1980]
[2021]
Figuur 2.1: uitsneden historische kaarten
2.4 Vergunningen In de archieven van de provincie Limburg zijn voor de onderzoekslocatie de volgende gegevens bekend omtrent: voormalige Hinderwet, Wet milieubeheer, Bouwvergunningen c.q. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), sloopvergunningen; archief BOOT (Besluit Opslaan Ondergrondse Tanks). In Tabel 2.2 staan de resultaten van het archiefonderzoek vermeld. Tabel 2.2: overzicht vergunningen die ter beschikking zijn gesteld Hinderwet, Wet milieubeheer, bouw- en sloopvergunningen Dossiernummer, datum vergunning
Omschrijving
-, 03-08-1993
Hinderwetvergunning, brandstoffendetailhandel
-, 02-12-1993
Besluit opslag propaan Hinderwet
Nr. 428, 25-01-1994
Wet milieubeheer, in werking hebben van een kwekerij
-, 07-10-2003
Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, in- en verkoop en opslag
-, 01-01-2008
Activiteitenbesluit milieubeheer, in- en verkoop en opslag van bloemen, planten en
van bloemen, planten en bijbehorende artikelen
bijbehorende artikelen
MA220140.R01.V1.1
7 van 34
Ondergrondse/bovengrondse tanks Inhoud tank
Product
Locatie
Periode
Onderzoeksgegevens
2.300 l
Diesel (bovengronds)
Noordelijke hoek van de
Onbekend
Niet verontreinigd o.b.v.
Berging/Opslag 2.300 l
Diesel (bovengronds)
onderzoek uit 1996
Zuidoostelijke hoekwoning
Onbekend tot voor
Niet verontreinigd o.b.v.
met huisnummer 6
1996
onderzoek uit 1996. Tank was destijds al verwijderd
3.000 l
Propaangas
Niet bekend
1993 - Onbekend
Geen
2.5 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie In Tabel 2.3 staat de bodemopbouw, geohydrologie, gegevens Bodemkwaliteitskaart/Nota bodembeheer en een samenvatting van de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken op en nabij de onderzoekslocatie vermeld. Tabel 2.3: overzicht bodemopbouw, geohydrologie en -kwaliteit Bodemopbouw Diepte in m-mv
Hydrogeologische eenheid
Lithologie
[0 - 8]
Formatie van Boxtel, Laagpakket van Schimmert,
Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit leem en
eerste kleiige eenheid.
een spoor klei, fijn en midden zand.
Formatie van Beegden, eerste tot en met derde
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof
zandige eenheid.
zand, grind en midden zand, met weinig zandige klei
[8 - 10]
en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken. [> 10]
Formatie van Gulpen, kalksteeneenheid.
Kalksteen eenheid, bestaande uit kalksteen met ingeschakelde vuursteenbanken.
Geohydrologische gegevens Hoogte freatisch grondwater
Circa 45,7 m + NAP / Circa 8,3 m-mv
Stromingsrichting grondwater
Westelijk
Ligging van oppervlaktewater op en/of nabij de locatie
Nee
Het voorkomen van brak of zout grondwater
Nee
Ligging binnen een grondwaterbeschermingsgebied
Ja, beschermingsgebied Nationaal Landschap ZL.
Aanwezigheid van grondwateronttrekkingen op de locatie of in de omgeving
Nee
Aanwezigheid van breukstelsels op of nabij de locatie
Nee
Bodemkwaliteitskaart / Nota bodembeheer Kenmerk, datum
Omschrijving
Lievense CSO, kenmerk 16M1131, d.d.
Actualisatie bodemkwaliteitskaart regio Heuvelland
22 feb 2017 Bodemfunctieklasse
Bovengrond (0-0,5 m-mv): “Wonen overig voor 1970” en “Overig buitengebied” Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): “Eijsden wonen overig, industrie en na 1970” en “Buitengebied”
Ontgravingsklasse
Bovengrond (0-0,5 m-mv): Industrie en Landbouw/natuur Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): Landbouw/natuur
Bodemonderzoeken ter plaatse van onderzoekslocatie Auteur, kenmerk, datum
Omschrijving
-, LI190300159, d.d. 31-08-2022
Evaluatie Tijdelijk uitplaatsen Slakweg te Gronsveld
MA220140.R01.V1.1
8 van 34
De locatie betreft de Slakweg te Gronsveld met perceelnummer A, 3213.
De grond die ontgraven is tijdens de aanleg van kabels en leidingen is allemaal afgevoerd naar een erkende verwerker. De sleuven zijn opgevuld met vulzand met kwaliteitsklasse <AW2000 en straatzand met een kwaliteitsklasse <AW2000.
Tijdens de sanering is geprobeerd om een deel van het tracé uit te voeren middels een gestuurde boring. Toen dit vanwege grondslag niet lukte, is alsnog het hele tracé gegraven zoals was aangegeven in de BUS-melding. Grond tussen boring B002 en 102 van het onderzoek Antea Group, 0469459.197, d.d. 17-06-2021, zie boorplan in bijlage 9.3, afgevoerd vanwege civieltechnische redenen. Antea Group, 0469459.197, d.d. 17-
Verkennend bodemonderzoek Köbbesweg 1 te Maastricht
06-2021 Aanleiding van het onderzoek zijn werkzaamheden aan kabels en leidingen.
Ter plekke van de Slakweg zijn twee boringen geplaatst tot 1,3 m-mv, zie bijlage 9.3. Het maaiveld van deze boringen is verhard met klinkers. Onder de klinkers wordt een laag zand waargenomen tot 0,25 á 0,40 m-mv. Deze zandlaag is matig steen- of betonhoudend en boring B001 bevat nog sporen kolen en baksteen. Onder de zandlaag wordt tot 0,9 m-mv een leemlaag waargenomen die bijmengingen bevat van kolengruis (sporen), kolen (sporen), baksteen (sporen) en/of stenen (zwak).
Analytisch is ter plaatse van B001 en B002 de interventiewaarde van nikkel en/of zink in de bovengrond (0,15-0,50 m-mv) overschreden. Ter plaatse van B002 wordt tevens de interventiewaarde van nikkel en zink in de ondergrond (0,50-0,90 m-mv) overschreden. Daarnaast zijn lichte tot matige verontreinigingen aan enkele zware metalen, PCB, PAK en minerale olie aangetoond in zowel de boven- en ondergrond ter plekke van deze boringen.
Asbest is zowel zintuigelijk als analytisch niet aangetoond. De grond is geanalyseerd op PFAS: de bovengrond voldoet aan de toepassingsnormen voor “wonen/industrie” en de ondergrond aan de toepassingsnormen “Landbouw/natuur”. Antea Group, 416466.35, d.d. 19-06-
Verkennend bodemonderzoek Slakweg te Gronsveld
2017 Aanleiding van het onderzoek zijn de voorgenomen werkzaamheden aan de gasleiding.
Hiervoor zijn acht boringen op de Slakweg geplaatst. Zintuiglijk zijn er geen bijmengingen waargenomen.
In de bovengrond (0,07-0,50 m-mv) is een sterke verontreiniging aangetoond van zink. Tevens zijn lichte verontreinigingen van kobalt, nikkel en lood aangetoond. In de ondergrond (0,50-1,00 m-mv) zijn lichte verontreinigingen van zink, kobalt, en nikkel aangetoond.
Visueel is er geen asbest aangetroffen en analytisch heeft geen asbestonderzoek plaatsgevonden.
MA220140.R01.V1.1
9 van 34
Fugro Milieu consult B.V., K-6258/110,
Nulsituatie bodemonderzoek Tuincentrum aan de Rijksweg 6 te Gronsveld
d.d. 18 december 1996 Aanleiding van het onderzoek is het verplicht gestelde bodemonderzoek in het kader van de handhaving milieuwetgeving van de op 3 augustus 1993.
In totaal zijn zeven boringen geplaatst met een maximale diepte van 2,5 m-mv. Deze boringen zijn geplaatst nabij de (voormalige) bovengrondse dieseltanks, machineloods en de schuur voor de tractor. Zie bijlage 9.1 voor het boorplan.
Het maaiveld ter plekke van de boringen is grotendeels verhard met klinkers en beton. Onder de klinkers bevindt zich een visueel schone zandlaag van 10 cm, hieronder wordt grotendeels alleen leemgrond waargenomen. De bovengrond is plaatselijk zwak puinhoudend en in de ondergrond is geen visuele verontreiniging aangetroffen.
Ter plekke van de dieselopslagtank met lekbak is een ondefinieerbare geur waargenomen.
Analytisch is geen verontreiniging aangetoond van minerale olie in zowel de boven- als ondergrond. Bodemonderzoeken in directe omgeving onderzoekslocatie Auteur, kenmerk, datum
Omschrijving
L.M.I. B.V.,: F 175, d.d.: 12 maart 1992
Betreffende onderzoek ligt ten noorden van de huidige onderzoekslocatie
Indicatieve bodemonderzoeken op twee locaties aan de Maastrichterweg; Sectie A; nr. 3210 en nr. 3153 in de gemeente Eijsden.
Aanleiding van het onderzoek is de herbestemming van de onderzoekslocatie.
Boringen 1 t/m 3 liggen in de nabijheid van de onderzoekslocatie, zie bijlage 9.2. Deze boringen hebben een maximale diepte van 1,5 m-mv.
Het maaiveld van de boringen is verhard met tegels. Onder de tegels wordt een 10 cm dikke visueel schone zandlaag waargenomen. Onder de zandlaag bevindt zich tot de geboorde diepte een leemlaag. Deze leemlaag bevat sporen kolen, sintels en puinresten. Het grondwaterpeil is lager dan 5,0 m-mv. Grondwateronderzoek heeft niet plaatsgevonden.
In de grond van de boringen 1 t/m 3 is alleen een lichte verontreiniging van benzo(a)pryeen gemeten. Deze verontreiniging is echter zo gering dat ervan uit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaar bestaat tegen een bestemmingswijziging, in dit geval woningbouw. M&A Milieuadviesbureau BV., 213-
Onderzoek is uitgevoerd ten zuiden/zuidoostelijk van de onderzoekslocatie
GSI-vo-v1, d.d.: 11 april 2013 Verkennend bodemonderzoek Slakweg ong. Gronsveld
Aanleiding van het onderzoek is de geplande nieuwbouw ter plekke van het kadastraal perceel gemeente Gronsveld, sectie B, perceelnummer 3912.
MA220140.R01.V1.1
10 van 34
In totaal zijn vier boringen verricht, verdeeld over de onderzoekslocatie. Eén van deze boringen is doorgezet tot 2 m-mv, de rest is tot 0,50 m-mv gezet. Grondwater is niet aangetroffen binnen 5,0 m-mv.
Zintuiglijk werden geen afwijkingen in samenstelling, geur en / of kleur geconstateerd.
Vervolgens zijn twee mengmonsters geanalyseerd. Hieruit blijkt dat zowel de boven- als ondergrond niet verontreinigd is.
Op de locatie is in het verleden is ter plekke van de Slakweg een sterke verontreiniging aangetoond van nikkel en zink. Deze verontreiniging is ter plekke van het kabel en leidingtracé gesaneerd. Ter plekke van het tuincentrum is in het verleden één bodemonderzoek uitgevoerd en is enkel op minerale olie geanalyseerd ten behoeve van onderzoek naar opslagtanks. Hieruit blijkt de bodem ter plekke van het tuincentrum niet verontreinigd met minerale olie. In de omgeving is in het verleden enkel een lichte verontreiniging aangetoond van PAK.
2.6 PFAS In opdracht van Provincie Limburg is een historisch onderzoek uitgevoerd naar specifieke PFAS-verdachte locaties binnen de gehele provincie. Hierbij is een inventarisatie gemaakt op basis van UBI-codes. Onderhavige onderzoekslocatie komt in deze inventarisatie niet naar boven. Onderhavige onderzoekslocatie is derhalve geen verdachte locatie (puntbron) voor PFAS. Op aangeven van de opdrachtgever is de locatie niet aanvullend onderzocht op PFAS.
2.7 Ontplofbare oorlogsresten (OO) De onderzoekslocatie is niet gelegen in een gebied dat verdacht is voor “ontplofbare oorlogsresten”.
2.8 Archeologie Uit de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart van de gemeente Eijsden-Margraten blijkt dat de onderzoekslocatie gelegen is in een gebied waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt.
2.9 Terreininspectie/interview 2.9.1 Terreininspectie Op 21 december 2022 en 24 januari 2023 is door respectievelijk de heer M. Witteveen en de heer M.J.W. Damen een terreininspectie uitgevoerd. Ten tijde van de terreininspectie bestaat de onderzoekslocatie uit een woonhuis met aangrenzende kwekerij met winkel. Het gedeelte van de kwekerij is verhard met asfalt en klinkers. Een gedeelte van de onderzoekslocatie is overdekt met glastuinbouw. Op het terrein is ook een aantal parkeerplaatsen aanwezig die verhard zijn met klinkers en asfalt. De openbare weg is verhard met asfalt. Het terrein aan de zuidzijde van de Slakweg betreft een woning met sier- en moestuin.
MA220140.R01.V1.1
11 van 34
Tijdens de inspectie zijn geen tanks of bijbehorende voorzieningen waargenomen. Tijdens de terreininspectie is verder het gehele terrein visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn op onderhavige onderzoekslocatie waargenomen in de vorm van plaatmateriaal.
2.9.2 Interview eigenaar c.q. gebruiker Door de terreineigenaar/terreingebruiker, -exploitant wordt aangegeven dat potentiële bodembelastende activiteit op de locatie bekend zijn die niet voorkomen in de (opgevraagde) historische informatie. Het betreft een zinkput aan de oostelijke zijde van het woonhuis met het adres Rijksweg 6 te Gronsveld. Deze zinkput bevindt zich vlak naast boring 025a welke te zien is op de situatietekening in bijlage 8 (op aangeven van de opdrachtgever ligt de zinkput tussen huisnummer 4 en boring 025a).
2.10 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 2.10.1 Asfalt Om de hergebruikmogelijkheden van het asfalt vast te stellen, dient te worden vastgesteld of het asfalt teerhoudend is. Hiertoe wordt het PAK-gehalte van het asfalt bepaald en getoetst aan de maximale samenstellingswaarde uit het Besluit bodemkwaliteit. Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens CROW publicatie 210 (Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt, juni 2015) en BRL 9320 (Bitumineus gebonden mengsels). In deze richtlijnen zijn eisen aangegeven voor de acceptatie van asfaltgranulaat. Op basis van historisch vooronderzoek en een visuele inspectie van het te frezen/op te breken weggedeelte worden eventueel te onderscheiden vakken aangegeven. Naast het “gewone” wegvak dient rekening gehouden te worden met “bijzondere weggedeelten” vakken zoals bushaltes, opstelvakken, reparatievakken, naden, etc. In onderstaande Tabel 2.4 is het minimumaantal boringen per onderzoeksvak aangegeven. Tabel 2.4: minimumaantal boringen per onderzoeksvak Situatie
Minimum aantal boringen per onderzoeksvak
Asfalt dat geheel of gedeeltelijk vóór 1995 is aangelegd Onderzoeksvak < 100 m2
1
Onderzoeksvak < 500 m
2
2
2
1 per (gedeelte van) elke 500 m2 +1 extra per onderzoeksvak
Asfalt dat volledig na 1994 is aangelegd (het werk wordt beschouwd als één onderzoeksvak) Onderzoeksvak < 1.000 m2 1.000 m
2
2 1 boring per (gedeelte van) elke 1.000 m2 +1 extra per onderzoeksvak ) is een verminderde onderzoeksinspanning van toepassing.
2
Bij het plaatsen van de boringen dient volgens CROW publicatie 210 rekening te worden gehouden met onderstaande zaken: Als het vak een rijstrook betreft moet de helft van de kernen in de rijsporen en de andere helft buiten de rijsporen worden geboord. Het boren van de asfaltkernen wordt uitgevoerd met een boor met een diameter van minstens 100 millimeter. De asfaltboringen moeten worden doorgezet tot minstens 10 centimeter onder de opgegeven onderzoeksdiepte, maar bij voorkeur tot de onderzijde van het asfalt.
MA220140.R01.V1.1
12 van 34
De locatie van de asfaltkernen moet worden vastgesteld (bij voorkeur in x- en y-coördinaten) én worden vastgelegd ten opzichte van vaste referentiepunten met een afwijking van maximaal 20 centimeter. In onderstaande Tabel 2.5 is het minimum te analyseren asfaltanalyses volgens CROW publicatie 210 en BRL 9320, d.d. 24 april 2009, weergegeven. Tabel 2.5: analysestrategie asfalt Hoeveelheid vrijkomend potentieel teervrij asfalt per onderzoeksvak
Minimum aantal analyses
Gehele werk na 1994 aangelegd èn in de PAK- detectorproef
0 analyses
0 -25 ton (alleen indien hele werk < 25 ton)
0 analyses
0-200 ton
1 analyse
200-1.000 ton
2 analyses
1.000-2.000 ton
3 analyses
Elke 2.000 ton meer
1 analyse extra
Op de kernen is een laagdiktebepaling proef (RAW 77.1) en PAK-detectorproef (RAW 77.2) uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken is in eerste instantie bepaald of sprake is van voldoende homogeen asfalt. Indien dit niet het geval is dienen mogelijk aanvullende kernboringen en laagdiktebepalingen en PAKdetectorproeven worden uitgevoerd. Vervolgens dienen PAK in asfalt analyses te worden ingezet om de samenstellingswaarden te bepalen. Conform de CROW publicatie 210 dient bij het samenstellen van de mengmonsters met de volgende zaken rekening te worden gehouden: Monsters mogen worden samengesteld uit ten hoogste 3 verschillende lagen, als deze in één keer kunnen worden gefreesd. Per monster mag materiaal van maximaal 3 verschillende boorkernen gebruikt worden. De dikte van het asfaltpakket dat in één (meng)monster mag worden verzameld (totaal van de 3 kernen) bedraagt maximaal 20 centimeter. Als meerdere boorkernen in een onderzoeksvak overeenkomstige lagen bevatten, hoeven niet alle boorkernen bemonsterd te worden. Wel moet asfalt uit de verschillende lagen in het monster aanwezig zijn. Het asfalt ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie is aangelegd voor 1995. Er wordt uitgegaan van drie wegvakken: een parkeerplaats, verharding in het tuincentrum en de rijbaan Slakweg.
Vak 1: rijbaan Slakweg (350 m2); Vak 2: parkeerplaatsen tuincentrum (990 m2); Vak 3: verharding in het tuincentrum (ca. 400 m2).
2.10.2 Fundatie en onderliggende bodem Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie, in de bovengrond, verdacht is voor bodemverontreiniging. Voor de ondergrond geldt dat deze onverdacht is voor bodemverontreiniging. Voor de bovengrond geldt de onderzoeksstrategie voor een “verdachte locatie, diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming” (VED-HE-NL). Gezien het historisch gebruik van de locatie (kwekerij) wordt de bovengrond tevens onderzocht op bestrijdingsmiddelen (OCB, organische chloorhoudende bestrijdingsmiddelen).
MA220140.R01.V1.1
13 van 34
Ter plaatse van de voormalige tanks worden boringen 015 en 027 uitgevoerd. Dit ter verificatie van het in 1996 uitgevoerde bodemonderzoek. Ter plaatse van de uitgevoerde sanering voor de aanleg van kabel- en leidingwerk zijn graafwerkzaamheden uitgevoerd ter plaatse van de Slakweg. Omwille van veiligheidsredenen is niet in de nabijheid van deze sleuf gegraven. Voor de ondergrond geldt de strategie ”onverdacht niet lijnvormig” (ONV-NL) is van toepassing op locaties waarvoor geen belastende bronnen/activiteiten zijn te verwachten op basis van het vooronderzoek.
2.10.3 Asbest in bodem/puin Op de locatie is sprake van een potentieel asbestverdachte locatie. Het betreft een locatie met verschillende verhardingen zoals parkeerterrein, wegen, wandel en toegangspaden, waar in het fundatiemateriaal mogelijk uit asbestverdachte bodemvreemde bijmengingen bestaat. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie met betrekking tot asbest in bodem de hypothese “verdacht” van toepassing is. Het verkennend asbestonderzoek ter plaatse van de aanwezige afgedekte fundatielaag/fundatielagen vindt plaats volgens de strategie voor “afgedekte funderingslagen voor kleinschalige locaties” uit de NEN 5897. Daar waar geen funderingslaag aanwezig is, is onderzoeksstrategie voor een “verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming” (VED-HE) uit de NEN 5707 van toepassing. Het verkennend onderzoek naar asbest in bodem/puin wordt uitgevoerd volgens de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017) dan wel de NEN 5897+C2 (Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat, december 2017).
MA220140.R01.V1.1
14 van 34
3 Veldwerk en analyses
3.1 Onderzoeksprogramma
In onderstaande Tabel 3.1 is het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek samengevat. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma bodem- en asbestonderzoek (Deel)locatie en Oppervlakte Veldwerk strategie (m2) Asfaltonderzoek (CROW210) BG: VED-HE-NL ca. 14.200 10 x asfaltkern OG: ONV-NL (waarvan ca. 1.740 m2 asfalt)
Asbestonderzoek VED-HE/ kleinschalig afgedekte fund.lagen 1) 2)
ca. 14.200
Bodem/ fundering 21 x 0,5 m-mv 2 x 1,0 m-mv 6 x 2,0 m-mv 2 x peilbuis1)
Analyses2) Grond Bovengrond: 6 x standaardpakket 7 x OCB’s 5 x metalen pakket 3 x PAK 4 x zink 5 x minerale olie Ondergrond: 4 x standaardpakket
Asfalt 10 x PAK-marker test (RAW 77.2) + laagdikte-bepaling (RAW 77.1) 6 x PAK in asfalt (DLC) 1 x PAK ondergrond
26 x proefgaten tot 0,5 m in de verdachte laag of onderzijde verdachte laag/fundatiemateriaal
6 x asbest in grond (NEN 5898) 1 x asbest in plaatmateriaal (NEN 5896) Op basis van geohydrologische gegevens is bekend dat binnen 5,0 m-mv geen grondwater wordt aangetroffen. Grondwateronderzoek is volgens de NEN 5740 in een dergelijke situatie niet noodzakelijk. De peilbuis is vervangen door een diepe boring tot 5,0 m-mv. Standaardpakket (landbodem en grond): organisch stof en lutum 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) som-PCB’s, som-PAK’s (10) en minerale olie
De chemische analyses van de grond(meng)monsters zijn conform AS3000 uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam, gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 en AS3000-erkend. De analyses op de stofgroep PFAS zijn eveneens uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam. De puin- en grond(meng)monsters ten behoeve van het asbestonderzoek zijn geanalyseerd op asbest conform NEN 5898. De (meng)monsters hebben een geschat drooggewicht van minimaal 10 kg voor grond en minimaal 25 kg voor puin.
3.2 Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Naar aanleiding van het zintuiglijk onderzoek zijn conform de gevolgde strategie uit de NEN 5740 drieëntwintig grond(meng)monsters uit de opgeboorde grond samengesteld. Gerelateerd aan de zintuiglijke waarnemingen dan wel analyseresultaten zijn de volgende wijzigingen en/of bijzonderheden te melden: Op basis van de analyseresultaten van mengmonster BG001, BG002 en BG004 zijn de individuele monsters van dit mengmonsters separaat geanalyseerd. De monsters in BG001 zijn geanalyseerd op de parameter metalen, de monsters in BG002 op de parameters metalen, OCB en PAK en de monsters in BG004 op de parameter zink.
MA220140.R01.V1.1
15 van 34
De grond(meng)monsters zijn onderzocht op het standaardpakket landbodem en grond uit de NEN 5740 en zware metalen, OCB, PAK en zink. In Tabel 6.1 (hoofdstuk 4) is een overzicht gegeven hoe de grond(meng)monsters zijn samengesteld. Tevens is van elk grond(meng)monster het globale bodemprofiel, de zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde chemische analyses vermeld. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven.
3.3 Veldwerk verkennend bodemonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 14 tot en met 21 december 2022 en op 24 en 25 januari 2023, voor zover van toepassing, conform BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) en het daarbij behorend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, 1 februari 2018). De veldmedewerkers die de werkzaamheden hebben uitgevoerd, de heer M. Witteveen en de heer M.W.J. Damen, zijn in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer B.M.D.M. Houben en de heer J. Beugels. Een tekening met de ligging van de uitgevoerde boringen is toegevoegd als bijlage 8. Het mechanisch veldwerk is conform BRL SIKB 2100 en de daarbij behorend protocol 2101 (Mechanisch boren versie 4.0, 1 februari 2018) uitgevoerd. Er hebben geen kritieke afwijkingen op de beoordelingsrichtlijn plaatsgevonden.
3.4 Bodemprofiel Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden is het bodemmateriaal beoordeeld op kleur, textuur, bijmenging(en) en eventuele bijzonderheden. De boorstaten zijn als bijlage 3 zijn toegevoegd. Uit de terreininspectie blijkt dat het maaiveld grotendeels verhard is met klinkers, asfalt en tegels. Plaatselijk is het maaiveld onverhard en begroeid met bosschage en gras of braakliggend. De bodem kan globaal als volgt worden omschreven. Vanaf het maaiveld wordt afwisselend zand of leem aangetroffen en in de diepere ondergrond grind. Plaatselijk komen lagen repac, silex en/of asfalt voor op met name het terrein van het tuincentrum. Verder zijn in de bovengrond bijmengingen waargenomen van asfalt (sporen tot matig), baksteen (sporen tot sterk), slakken (sporen tot zwak), kolen (sporen tot zwak), beton (sporen), aardewerk (sporen), sintels (sporen tot matig). In de ondergrond zijn plaatselijk ook bodemvreemde bijmengingen waargenomen van sintels (zwak tot matig), baksteen (sporen tot matig) en kolen (sporen tot zwak). Nabij proefgat 022 is asbestverdacht materiaal aangetroffen op het maaiveld alsmede in de grove bodemfractie van proefgat 009. Tijdens de veldwerkzaamheden is een oliewatertest verricht ter plaatse van boringen 015 en 027 waarbij geen reactie heeft plaatsgevonden.
Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen.
3.5 Veldwerk verkennend asbestonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 14 tot en met 21 december 2022 en op 24 en 25 januari 2023. De coördinerend veldmedewerkers, de heer M. Witteveen en de heer M.W.J. Damen zijn in dit kader geregistreerd
MA220140.R01.V1.1
16 van 34
bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer B.M.D.M. Houben en de heer J. Beugels. Voor asbestonderzoek geldt dat bij meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal protocol 2018 niet van toepassing is en het asbestonderzoek niet onder het BRL SIKB 2000 certificaat kan worden uitgevoerd. Voor onderhavig onderzoek is dat deels het geval. Tijdens het veldwerk waren de omstandigheden als volgt: Droog (neerslag <10 mm). Helder (zicht >50 m). Bedekking maaiveld: 90% (asfalt, tegels, klinkers, begroeiing/vegetatie). Toplaag: leem/zand/puingranulaat/silex, droog en vast. De inspectie-efficiëntie van de maaiveldinspectie wordt geschat op circa 10%. Vermeld wordt dat de maaiveldinspectie niet conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018) heeft kunnen plaatsvinden. Bij een inspectieefficiëntie lager dan 50% is de waarde van een maaiveldinspectie namelijk onvoldoende om het verdachte gebied in te perken en een kwantitatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de toplaag. De maaiveldinspectie kan derhalve ook niet dienen om de onderzoekstrategie (eventueel) bij te stellen.
Naar aanleiding van de maaiveldinspectie is op het maaiveld (boven op de vegetatie) plaatselijk asbestverdacht materiaal (1 stuk golfplaat) aangetroffen. Naar deze locatie is proefgat 022 verplaatst. Op basis van de opgestelde strategie zijn proefgaten gemaakt (minimaal 30*30 centimeter) tot maximaal 0,5 m in de verdachte laag of tot in de ongeroerde ondergrond (maximaal tot 2,0 m-maaiveld). In Tabel 3.2 is een beschrijving gegeven van de verschillende proefgaten. Tabel 3.2: resultaten veldwerk proefgaten Proefgat
Onderzocht
Bodemomschrijving
traject
Afmetingen
Bodemvreemd
Asbest
Mengmonster
(cm)
materiaal (%)
aangetroffen
fijne fractie
(cm-mv) 001
8-35
Zand, sporen silex, zwak asfalt
Rond 35cm
<5%
Nee
-
002
11-61
Zand, zwak stenen, sporen
Rond 35cm
<10%
Nee
ASB003
Rond 35cm
<2%
Nee
ASB001
Rond 35cm
<5%
Nee
ASB001
Rond 35cm
5%
Nee
ASB003
silex, matig asfalt 003
6-56
Zand, sporen baksteen, zwak stenen, sporen silex
004
6-20
Zand, sporen baksteen, sporen slakken, matig silex, brokken leem, sporen asfalt
005
6-50
Zand, matig grindig, sporen asfalt
006
6-20
Volledig repac
30 x 30
>80
Nee
-
007
0-50
Leem
30 x 30
0%
Nee
-
008
0-40
Leem, sporen grind
30 x 30
0%
Nee
-
MA220140.R01.V1.1
17 van 34
Proefgat
Onderzocht
Bodemomschrijving
traject
Afmetingen
Bodemvreemd
Asbest
Mengmonster
(cm)
materiaal (%)
aangetroffen
fijne fractie
30 x 30
>80%
ja,
ASB005
(cm-mv) 009
0-15
Volledig repac
1
stuk
golfplaat (ca. 14 g.) 010
0-50
Leem, sporen grind
30 x 30
0%
Nee
-
011
0-50
Leem, sporen grind, sporen
30 x 30
<2%
Nee
ASB002
013
7-20
volledig repac
30 x 30
>80%
Nee
ASB004
014
10-55
Zand, sporen kolen, sporen
30 x 30
<5%
Nee
ASB001
30 x 30
<5%
Nee
ASB002
Rond 35cm
<2%
Nee
ASB002
30 x 30
<2%
Nee
-
30 x 30
<5%
Nee
ASB002
Rond 35cm
<5%
Nee
ASB002
30 x 30
<1%
Nee
022-NEN2
30 x 30
Ca. 10%
Nee
ASB001
kolen, sporen baksteen
beton,
sporen
baksteen,
sporen kalksteen 016
30-58
Leem,
sporen
aardewerk,
sporen grind, sporen baksteen, sporen kolen 017
10-54
Leem, sporen beton, sporen grind, sporen roest
018
0-50
Leem, sporen grind, sporen kolen, sporen sintels
020
0-50
Leem, sporen grind, sporen baksteen, sporen aardewerk, sporen glas
021
2-52
Leem, sporen grind, sporen kolen,
sporen
baksteen,
sporen silex 022
0-50
Leem, sporen grind, sporen beton
025
15-50
Zand, zwak grindig, sporen beton, sporen baksteen, zwak slakhoudend
026
0-50
Leem
30 x 30
0%
Nee
-
027
25-50
Leem, zwak grindhoudend,
30 x 30
0%
Nee
-
zwak silexhoudend 028
8-50
volledig silex
30 x 30
0%
Nee
-
029
0-30
Leem, sporen grind
30 x 30
0%
Nee
-
030
0-50
Leem, sporen grind
30 x 30
0%
Nee
-
031
0-50
Leem, sporen grind
30 x 30
0%
Nee
-
Tijdens de visuele inspectie zijn enkele foto’s gemaakt, die zijn toegevoegd in bijlage 2. De uit de proefgaten en boringen vrijgekomen grond en materiaal is voor inspectie gezeefd (maaswijdte zeef 20 mm). De grove fractie van de uitgekomen grond en materiaal is visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen.
MA220140.R01.V1.1
18 van 34
Met uitzondering van de grove bodemfractie van proefgat 009 is in het opgegraven materiaal van alle proefgaten is in de grove fractie géén asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Het asbestverdacht materiaal van proefgat 009 is bemonsterd voor een analyse op asbest volgens NEN 5896. In Tabel 6.2 zijn de analyseresultaten van dit plaatmateriaal opgenomen. Vervolgens zijn van de grond 6 mengmonsters samengesteld ten behoeve van de microscopische analyse van de fijne fractie conform NEN 5898. De mengmonsters zijn samengesteld op basis van de meest verdachte gaten. De fijne fractie van proefgat 022 is separaat geanalyseerd wegens het aantreffen van asbestverdacht plaatmateriaal op het maaiveld van dit proefgat, alsmede de fijne fractie van proefgat 009 vanwege het voorkomen van asbestverdacht materiaal in de grove bodemfractie.
MA220140.R01.V1.1
19 van 34
4 Analyseresultaten
4.1 Toetsingskader
4.1.1 Wet bodembescherming De analyseresultaten zijn getoetst aan de interventiewaarden (I) voor grond uit de Circulaire bodemsanering 2013 en de achtergrondwaarden (AW) voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (behorende bij het Besluit bodemkwaliteit). De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. De “tussenwaarde” (in onderhavig rapport aangeduid als T) betreft het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde/streefwaarde en de interventiewaarde, maar maakt geen onderdeel meer uit van de toetsing die noodzakelijk is vanuit de Circulaire Bodemsanering en Besluit Bodemkwaliteit, maar fungeert in onderhavig rapport als triggerwaarde waarboven het vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging bestaat en nader onderzoek wordt aanbevolen.
In de navolgende paragrafen wordt de aangetroffen verontreinigingssituatie aangeduid met de termen licht, matig en/of sterk waaraan de volgende definities zijn gegeven: Licht verontreinigd: betreft gehalten tussen de achtergrondwaarde en de “tussenwaarde” (gemiddelde van achtergrond- en interventiewaarde). Matig verontreinigd: betreft gehalten tussen de “tussen”- en interventiewaarde. Sterk verontreinigd: betreft gehalten die de interventiewaarden overschrijden.
4.1.2 Besluit en Regeling bodemkwaliteit In het geval van bodem c.q. grond zijn de analyseresultaten (indicatief) getoetst aan de maximale waarden behorende bij de diverse functieklassen zoals vermeld in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. De plaatselijk op PAK geanalyseerde asfaltlaag is indicatief getoetst aan de samenstellingswaarde zoals vermeld in bijlag A van de Regeling bodemkwaliteit.
4.1.3 Asbest in bodem/puin De resultaten van het asbestonderzoek zijn getoetst aan de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering 2013 (versie 1 juli 2013), dan wel aan de maximale samenstellingswaarden voor niet vormgegeven bouwstoffen uit het Besluit en Regeling bodemkwaliteit. In zowel de Circulaire, als het Besluit en Regeling, wordt als interventiewaarde een gehalte van 100 mg/kgds gehanteerd. Het gehalte asbest wordt berekend uit het gewogen serpentijnasbestgehalte vermeerderd met 10 maal het amfiboolgehalte.
4.1.4 Asfalt Indien het asfalt een PAK-10 gehalte bevat van minder dan 75 mg/kgds wordt dit geclassificeerd als nietteerhoudend en dan kan dit warm in asfaltmengsels worden herverwerkt. Indien het asfalt een PAK-10 gehalte heeft van meer dan 75 mg/kgds wordt dit geclassificeerd als teerhoudend en mag het asfalt niet worden hergebruikt. Daarnaast is het asfalt getoetst middels PAK-marker testen.
MA220140.R01.V1.1
20 van 34
4.1.5 Veiligheidsmaatregelen CROW 400 Bij eventuele graafwerkzaamheden dient rekening gehouden worden met de veiligheidsvoorschriften en Arbowetgeving voor grondwerk en bodemsanering. Indien een veiligheidsklasse van toepassing is dient de aannemer vóór aanvang van het werk een (beknopt) V&G-plan uitvoeringsfase op te stellen, welke onderdeel uit kan maken van het veiligheidsplan voor het gehele civiele werk. Het bepalen van de veiligheidsklassen heeft plaatsgevonden conform de CROW Publicatie 400 (werken in of met verontreinigde grond), de 2e gewijzigde druk: december 2017. Bij het bepalen van de veiligheidsklasse zijn de hoogst verkregen waarden van de geanalyseerde parameters gehanteerd. Ten aanzien van de berekeningen wordt vermeld dat het een indicatie geeft van de betreffende gezondheidsrisico's. Bij werkzaamheden waarbij mogelijke blootstelling aan toxische stoffen mogelijk is wordt geadviseerd contact op te nemen met een deskundige zoals omschreven in module 5 “eisen aan de deskundigheid” van CROW-publicatie 400, 2e gewijzigde druk, december 2017. De aannemer is verantwoordelijk voor de veiligheidsmaatregelen die hij bij de werkzaamheden voor zijn personeel doorvoert.
MA220140.R01.V1.1
21 van 34
5 Asfalt
5.1 Veldwerk
De asfaltkernen zijn voorzien van een barcode en verstuurd naar het laboratorium van SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam. Het gat in het asfalt is gedicht met koud asfalt. De ligging van de kernen is conform CROW publicatie 210 met een nauwkeurigheid van 20 centimeter vastgelegd. De locaties van de asfaltboringen zijn aangegeven op de situatietekening die als bijlage 8 is toegevoegd.
5.1.1 Dikte asfalt Het asfalt ter plaatse heeft een dikte variërend van circa 4,5 tot 10,8 centimeter. Met een oppervlakte van circa 1.640 m2 en een gemiddelde dikte van 5,8 centimeter bedraagt de hoeveelheid vrijkomend asfalt circa 100 m3 (circa 250 ton).
5.2 Analyseresultaten Op basis van de PAK-markertesten is bepaald van welke delen van de asfaltkern(en) analytische bepaling van de teerhoudendheid zinvol is. Gezien de opbouw en uitslagen van de PAK-marker testen zijn vervolgens, rekening houdend met het tonnage en de aanwezige asfaltvakken, vijf PAK-analyses uitgevoerd (voor een toelichting zie Tabel 5.1). De resultaten van de PAK-marker en/of analyses PAK in asfalt zijn opgenomen in Tabel 5.2. Tabel 5.1: PAK-markertest en PAK-analyses Analysepakket en -parameter Omschrijving PAK-markertest
Als bij een PAK-markertest een verkleuring ontstaat (++) is het asfalt teerhoudend. Indien geen verkleuring ontstaat (--) betekent dit niet automatisch dat het asfalt niet-teerhoudend is. Dit omdat de PAK marker pas verkleurt boven een PAK-gehalte van circa 250 mg/kg, terwijl de bovengrens voor niet-teerhoudend asfalt 75 mg/kg bedraagt. Daarom kunnen op basis van interpretatie van de PAKmarker geen uitspraken worden gedaan over de teerhoudendheid in het gebied tussen 75 mg/kg en circa 250 mg/kg. Uitsluitsel vindt plaats op basis van PAK-analyses. PAK-DLC
PAK-analyses
De certificaten van de laagdiktebepaling en de PAK-markertest zijn bijgevoegd als bijlage 4. De certificaten van de PAK in asfaltbepaling zijn eveneens bijgevoegd als bijlage 4. Tabel 5.2: resultaten PAK-markertesten en PAK-analyses Kern
Laagdikte-opbouw en PAK-marker
PAK-analyse
Laagdikte
PAK-
Mengmonster
marker
nummer
Opbouw
(mm)
Toetsing Fluorescentie2)
Conclusie3)
Indicatief advies Bbk4)
Ja
Teerhoudend
Niet herbruikbaar*
Nee
Niet teerhoudend
Herbruikbaar
(traject in mm) Wegvak 1: gem. dikte 9,55 cm, opp. 350 m²; ca. 85 ton 001
0-10
OB
++
10-83
DAB 0-16
--
ASF1 (30-83mm)
vanaf 30 mm 002
0-7
OB
++
7-52
GAB 0-16
--
52-108
GAB 0-16
--
ASF5 (27-108mm)
Ja
Teerhoudend
Niet herbruikbaar
Nee
Niet teerhoudend
Herbruikbaar
Nee
vanaf 27 mm
Wegvak 2: gem. dikte 5,8 cm, opp. 990 m²; ca. 150 ton 003
0-53
GAB 0-16
--
ASF2 (0-53mm)
Nee
Niet teerhoudend
Herbruikbaar
004
0-56
GAB 0-16
--
ASF2 (0-56mm)
Nee
Niet teerhoudend
Herbruikbaar
MA220140.R01.V1.1
22 van 34
005
0-64
GAB 0-16
--
Nee
Niet teerhoudend
Herbruikbaar**
006
0-54
DAB 0-8
--
Kern006
Nee
Niet teerhoudend
Herbruikbaar
013
0-60
GAB 0-16
--
ASF2 (0-60mm)
Nee
Niet teerhoudend
Herbruikbaar
AK3
0-57
GAB 0-16
--
ASF4 (0-57mm)
Nee
Niet teerhoudend
Herbruikbaar
Wegvak 3: gem. dikte 4,5 cm, opp. 400 m²; vol. 45 ton AK1
0-45
DAB 0-8
--
ASF3 (0-45mm)
Nee
Niet teerhoudend
Herbruikbaar
AK2
0-45
DAB 0-8
--
ASF3 (0-45mm)
Nee
Niet teerhoudend
Herbruikbaar
1)
PAK-marker: ++
PAK-gehalte is hoger dan 250 mg/kg ds -> asfalt is teerhoudend
PAK-marker: --
PAK-gehalte is lager dan 250 mg/kg ds -> asfalt is mogelijk teervrij, uitsluitsel via PAK-analyse
Fluorescentie
Als het resultaat "fluorescentie" is betekent dit dat er fluorescentie is waargenomen, hetgeen duidt op een
2)
teerverdacht monster waarvan op basis van de RAW 2015 (proef 77.3) mag worden aangenomen dat het PAK10 gehalte > 50 ppm is. Indien het resultaat "geen fluorescentie" is betekent dit dat er geen fluorescentie is waargenomen, hetgeen duidt op een teervrij monster waarvan op basis van de RAW 2015 (proef 77.3) mag worden aangenomen dat het PAK10 gehalte <= 50 ppm is. 3)
Conclusie
De analytische bepaling geeft de doorslag bij het bepalen van de teerhoudendheid indien de indicatieve bepaling en de analytische bepaling tegenstrijdig zijn.
4)
Indicatief advies
Indien het asfalt een PAK(10)gehalte bevat van minder dan 75 mg/kg ds wordt dit geclassificeerd als niet-
Bbk
teerhoudend en dan kan dit warm in asfaltmengsels worden herverwerkt. Indien het asfalt een PAK(10)-gehalte heeft van meer dan 75 mg/kg ds wordt dit geclassificeerd als teerhoudend en mag het asfalt niet worden hergebruikt.
*
Niet herbruikbaar, conclusie deels gebaseerd op analyses andere kern in hetzelfde wegvak en hetzelfde type laag OF niet rendabel geacht om te frezen.
**
Conclusie gebaseerd op analyses andere kern in hetzelfde wegvak en hetzelfde type laag
5.3 Interpretatie Uit de PAK-marker testen en PAK DLC-analyses van de kernen ter plaatse van wegvak 1, oostelijke gedeelte van de Slakweg, (kernen 001 en 002) blijkt dat het gehele aanwezige asfaltpakket deels als teerhoudend aangemerkt kan worden. Uit de PAK-marker testen alsmede de chemische analyses van de kernen ter plaatse van wegvak 2 en 3, westelijke gedeelte Slakweg, parkeerplaats en paden tuincentrum, (kernen 003 t/m 006, 013, AK1 en AK3) blijkt dat het aanwezige asfaltpakket als niet teerhoudend aangemerkt kan worden. Het teervrije asfalt kan warm in asfaltmengsels worden herverwerkt dan wel worden afgevoerd naar een erkend verwerker als niet teerhoudend asfalt. Het teerhoudend asfalt dient te worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Indien het (gebroken) asfalt zal worden hergebruikt als een niet-vormgegeven bouwstof (b.v. fundatiemateriaal) is onderhavig onderzoek ontoereikend en dient een partijkeuring niet-vormgegeven bouwstof uitgevoerd te worden.
MA220140.R01.V1.1
23 van 34
6 Fundatie en grond
6.1 Milieuhygiënische analyses
Voor zware metalen en organische verbindingen dient een correctie plaats te vinden op basis van het gemeten lutum- en/of organisch stofgehalte in de bodem. Op basis van de gemeten gehalten aan lutum en organische stof worden de gerapporteerde gehalten omgerekende naar standaard bodem (10% organisch stof en 25% lutum). In Tabel 6.1 zijn alleen de onderzochte parameters vermeld waarvan de gehalten de achtergrondwaarden overschrijden. De toetsing van alle parameters is opgenomen als bijlage 5. Tabel 6.1: getoetste analyseresultaten grond(meng)monsters in mg/kgds Analyse-
Boring
monster BG001
Traject
Textuur
Visuele waarneming
(m -mv)
Analyse
> AW
GSSD
pakket
Toets
Toets
Wbb
Bbk
*
NT
Basishygiëne
MWI
Basishygiëne
NT
Basishygiëne
NT
Basishygiëne
001
0,08 - 0,35
Zand
sp. silex, zw. asfalth.
St.pakket
Cadmium
0,69
002
0,11 - 0,61
Zand
zw. steenh., sp. silex, ma.
+OCB
Kobalt
201
***
Koper
73
*
Lood
55
*
Nikkel
280
***
Zink
2.882
***
PAK-10
7,66
*
PCB-7
204,85
*
DDD (som)
24,5
*
Minerale olie
550
*
asfalth.
CROW 400
Uitsplitsing BG001 op metalenpakket en minerale olie 001-
001
0,08 - 0,35
Zand
sp. silex, zw. asfalth.
NEN1
002-
002
0,11 - 0,61
Zand
NEN1
BG002
004
0,06 - 0,20
Zand
Metalen
Kobalt
28
*
pakket,
Koper
50
*
minerale
Nikkel
50
*
olie
Zink
711
**
Minerale olie
200
*
Kobalt
82
*
minerale
Koper
43
*
olie
Lood
88
*
Nikkel
119
***
Zink
1.486
***
Minerale olie
350
*
zw. steenh., sp. silex, ma.
Metalen
asfalth.
pakket,
sp. baksteen, sp. slakken,
St.pakket
Barium
2.020
***
ma. silexh., br. leem, sp.
+OCB
Cadmium
4,1
*
sp. kolen, sp. beton, sp.
Kobalt
191
***
baksteen, sp. kalksteen
Koper
128
**
sp. beton, sp. baksteen, zw.
Kwik
0,17
*
Lood
399
**
Nikkel
306
***
Zink
12.900
***
asfalt 014
025
0,10 - 0,55
0,15 - 0,50
Zand
Zand
slakh.
MA220140.R01.V1.1
24 van 34
Analyse-
Boring
monster
Traject
Textuur
Visuele waarneming
(m -mv)
Analyse
> AW
GSSD
pakket
Toets
Toets
Wbb
Bbk
PAK-10
32,93
**
PCB-7
109,54
*
Hexachloorbenzeen
20,0
*
Heptachloor
20,0
*
Heptachloorepoxide
40,0
*
DDE (som)
7018
***
DDD (som)
1036
*
DDT (som)
3.448,6
***
alfa-Endosulfan
20,0
*
40,0
*
alfa-HCH
20,0
*
beta-HCH
20,0
*
gamma-HCH
20,0
*
Som Drins
60,0
*
Som OCB (21)
11.802,1
*
Minerale olie
2.000
*
CROW 400
(HCB)
Chloordaan
(cis
+
trans)
Uitsplitsing BG002 op metalen pakket, OCB, PAK en minerale olie 004-
004
0,06 - 0,20
Zand
NEN1
sp. baksteen, sp. slakken,
Metalen
Cadmium
2,0
*
ma. silexh., br. leem, sp.
pakket,
Kobalt
100
*
asfalt
OCB, PAK,
Koper
45
*
minerale
Lood
74
*
olie
Nikkel
132
***
Zink
1.290
***
PAK-10
127,25
***
Hexachloorbenzeen
9,4
*
9,4
*
NT
Oranje vluchtig
(HCB) Heptachloor Heptachloorepoxide
18,83
*
alfa-Endosulfan
9,4
*
18,83
*
alfa-HCH
9,4
*
beta-HCH
9,4
*
gamma-HCH
9,4
*
Som Drins
28,24
*
Minerale olie
3.103
**
Chloordaan
(cis
+
trans)
014-
014
0,10 - 0,55
Zand
NEN2
MA220140.R01.V1.1
sp. kolen, sp. beton, sp.
Metalen
Cadmium
0,77
*
baksteen, sp. kalksteen
pakket,
Kobalt
86
*
OCB, PAK,
Nikkel
114
***
minerale
Zink
212
*
olie
DDE (som)
152,9
*
DDD (som)
35,4
*
25 van 34
NT
Basishygiëne
Analyse-
Boring
monster 025-
Traject
Textuur
Visuele waarneming
(m -mv) 025
0,15 - 0,50
Analyse
> AW
GSSD
pakket Zand
NEN2
sp. beton, sp. baksteen, zw.
Metalen
slakh.
pakket,
Toets
Toets
Wbb
Bbk NT
Barium
4.650
***
OCB, PAK,
Cadmium
8,4
**
minerale
Kobalt
91
*
olie
Koper
244
***
Kwik
0,26
*
Lood
374
**
Molybdeen
2,7
*
Nikkel
187
***
Zink
46.862
***
PAK-10
5,01
*
Hexachloorbenzeen
11,5
*
Heptachloor
11,5
*
Heptachloorepoxide
22,96
*
DDE (som)
9.056
***
DDD (som)
1.320
*
DDT (som)
4.176
***
alfa-Endosulfan
11,5
*
22,96
*
alfa-HCH
11,5
*
beta-HCH
11,5
*
gamma-HCH
11,5
*
Som Drins
34,44
*
CROW 400
Rood, niet
vluchtig
(HCB)
Chloordaan
(cis
+
trans)
BG003
016
0,30 - 0,58
Som OCB (21)
14.724,20
*
sp. aardewerk, sp. grind, sp.
St.pakket
Cadmium
1,09
*
baksteen, sp. kolen
+OCB
Zink
203
*
DDE (som)
329,1
*
sp. grind, sp. kolen, sp.
DDD (som)
24,3
*
baksteen, sp. silex
Som OCB (21)
564,8
*
Cadmium
0,97
*
Lood
59
*
sp. grind, sp. baksteen, sp.
Zink
588
**
aardewerk, sp. glas
DDE (som)
128,9
*
Leem
sp. grind, sp. beton
Som Drins
120,5
*
Leem
sp. grind, sp. kolen, sp.
Zink
Geen
-
Zink
Geen
-
Leem
018
0,00 - 0,50
Leem
021
0,02 - 0,52
Leem
sp. grind, sp. kolen, sp.
MWI
Basishygiëne
MWI
Basishygiëne
-
AW
Basishygiëne
-
AW
Basishygiëne
sintels
BG004
011
017
0,00 - 0,50
0,10 - 0,54
Leem
Leem
sp. grind, sp. kolen, sp.
St.pakket
baksteen
+OCB
sp. beton, sp. grind, sp. roest
020
022
0,00 - 0,50
0,00 - 0,50
Leem
Uitsplitsing BG004 op zink 011-
011
0,00 - 0,50
NEN1 017-
baksteen 017
0,10 - 0,54
Leem
NEN2
sp. beton, sp. grind, sp. roest
MA220140.R01.V1.1
26 van 34
Analyse-
Boring
monster 020-
Traject
Textuur
Analyse
(m -mv)
> AW
GSSD
pakket
020
0,00 - 0,50
Leem
sp. grind, sp. baksteen, sp.
022
0,00 - 0,50
Leem
sp. grind, sp. beton
025a
0,15 - 0,65
Zand
ma.
NEN1 022-
Visuele waarneming
Toets
Toets
Wbb
Bbk
CROW 400
Zink
Zink
288
*
MWI
Basishygiëne
Zink
Zink
1.690
***
NT
Basishygiëne
St.pakket
Barium
6.980
***
NT
Rood, niet
Cadmium
7,6
**
Kobalt
109
**
Koper
248
***
Lood
299
**
Nikkel
286
***
Zink
61.695
***
PAK-10
42,56
***
Minerale olie
250
*
St.pakket
Cadmium
0,89
*
+OCB
Zink
158
*
PAK
PAK-10
78
aardewerk, sp. glas
NEN1 BG005
sintelh.,
ma.
baksteenh., zw. koolh.
BG006
007
0,00 - 0,50
Leem
010
0,00 - 0,50
Leem
sporen grind
029
0,00 - 0,30
Leem
sporen
grind,
vluchtig
AW
Basishygiëne
NVB
#1
resten
wortels
ASF_OG
031
0,00 - 0,50
Leem
sporen grind
004N
0,50 - 1,0
-
Vol. asfalt
NT OG001
025a
0,65 - 1,15
Leem
ma. baksteenh., zw. koolh.,
St.pakket
Kobalt
16,3
*
kalksteenh., sp. sintels
Nikkel
43
*
ma. baksteenh., zw. koolh.,
Zink
406
*
St.pakket
Geen
-
St.pakket
Kobalt
18,8
MWI
Basishygiëne
AW
Basishygiëne
MWI
Basishygiëne
AW
Basishygiëne
zw.
1,15 - 1,40
Leem
zw. kalksteenh., sp. sintels OG002
004N
1,00 - 1,50
Leem
012N
2,00 - 2,50
Leem
4,00 - 4,50
Leem
sp. roest
015
1,00 - 1,50
Leem
geen olie-water reactie
024 bij
1,50 - 2,00
Leem
025N
1,30 - 1,80
Leem
027N
2,00 - 2,50
Leem
geen olie-water reactie
3,00 - 3,50
Leem
geen olie-water reactie
2,00 - 2,50
Leem
4,50 - 5,00
Leem
3,50 - 4,00
Grind
geen olie-water reactie
4,00 - 4,50
Grind
geen olie-water reactie
Koper
74
*
4,50 - 5,00
Grind
geen olie-water reactie
Nikkel
53
*
0,90 - 1,40
Leem
1,40 - 1,90
Leem
1,90 - 2,00
Leem
0,80 - 1,00
Leem
ak2
AK1 5m milieu
OG003
OG004
027N
008
029
MA220140.R01.V1.1
St.pakket
27 van 34
*
Analysemonster
Boring
Traject
Textuur
Visuele waarneming
(m -mv)
Analyse
> AW
pakket
1,00 - 1,50
Leem
1,50 - 2,00
Leem
GSSD
Toets
Toets
Wbb
Bbk
CROW 400
Verklaring gebruikte afkortingen Wbb : Wet bodembescherming st. pakket : standaardpakket AW : achtergrondwaarde 2000 sp. : sporen T : “tussenwaarde” zw. : zwak I : interventiewaarde ma. : matig GSSD : gestandaardiseerde meetwaarde (gehalte) st. : sterk Bbk : Besluit bodemkwaliteit (indicatief) uit. : uiterst AW : voldoet indicatief aan klasse “achtergrondwaarde” vol. : volledig MWW : voldoet indicatief aan klasse “wonen” re. : resten MWI : voldoet indicatief aan klasse “industrie” br. : brokken NT : indicatief “niet toepasbaar” lg. : laagjes NVB : niet vormgegeven bouwstof -h. : -houdend Verklaring der tekens * : groter dan AW en kleiner of gelijk aan T Gehalte : gemeten gehalten in mg/kgds PCB in µg/kg ** : groter dan T en kleiner of gelijk aan I *** : groter dan I : geen waarde vastgesteld Conform CROW400 dient stofvorming voorkomen te worden, aandacht besteden aan hoge pH-waarde van de bouwstoffen en #1 mogelijk aanvullende maatregelen te bepalen door veiligheidskundige (bv. handschoenen, overall, veiligheidsschoenen, etc.).
Naar aanleiding van de aangetroffen sterke verontreinigingen met metalen, PAK en/of OCB heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden, zie hoofdstuk 7.
6.1.1 Voetnoten analysecertificaten De benoemde voetnoten/disclaimers die zowel hieronder als in de certificaten staan, achten we niet kritiek of van invloed op de conclusies in dit rapport. Mengmonster BG005: op het certificaat met kenmerk 13793875 staat opgemerkt dat componenten aanwezig zijn die tijdens de analyse van naftaleen een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot. Mengmonsters BG002: op het analysecertificaat met kenmerk 13790347 staat opgemerkt dat de rapportagegrens is verhoogd van de analyses van PCB en enkele OCB’s i.v.m. noodzakelijke verdunning. 001-NEN1, 002-NEN1 en 004-NEN1: op het analysecertificaat met kenmerk 13796555 staat benoemd dat in betreffende monsters componenten na C40 zijn aangetroffen. Deze zijn niet van invloed op het gerapporteerde resultaat. 004-NEN1 en 025-NEN2: op het analysecertificaat met kenmerk 13796555 staat opgemerkt dat de rapportagegrens is verhoogd van de analyses enkele OCB’s i.v.m. noodzakelijke verdunning. Voor de analyses van de individuele monsters op de parameters PAK en minerale olie is de conserveringstermijn overschreden aangezien de oorspronkelijk genomen bodemmonsters nogmaals geanalyseerd zijn.
Gezien het verkregen resultaat en het chemisch karakter van de individuele PAK-componenten en de minerale olie (weinig vluchtige componenten) betreft deze voetnoot op het certificaat geen kritieke afwijking en is het resultaat voldoende representatief.
MA220140.R01.V1.1
28 van 34
6.1.2 Asbest Het monster van de grove fractie van proefgat 009 is onderzocht op de aanwezigheid van asbest conform de NEN 5896. In Tabel 6.2 zijn de resultaten van de analysemonsters van de grove fractie (>20 mm) weergegeven. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven. Tabel 6.2: overzicht resultaten voor de monsters van de grove fractie (>20mm) Verzamel-
Monster-
Gewicht
Soort
Schatting
monster
omschrijving
(gram)
asbest
gewichtspercentage
Hechtgebonden
Gewogen gewicht (gram)
(% m/m) 009-plaat
golfplaat
14,1228
Chrysotiel
10-15
Ja
1,8
Crocidoliet
2-5
Ja
5,0
De (meng)monsters van de fijne fractie zijn onderzocht op de aanwezigheid van asbest conform NEN 5898. In Tabel 6.3 is een overzicht gegeven van het totale gehalte aan asbest per proefgat/mengmonster. Het gewogen gehalte aan asbest in de fijne fractie is gecorrigeerd in relatie tot het totale monstergehalte. Het totale gehalte asbest per proefgat/mengmonster bestaat uit het totale gewogen gehalte aan asbest in de grove fractie opgeteld met het gecorrigeerde gehalte gewogen asbest in de fijne fractie. Opgemerkt wordt dat geen correctie heeft plaatsgevonden indien de detectiegrens niet wordt overschreden, of wanneer geen sprake is van een grove fractie. In bijlage 4 zijn ook de analyseresultaten weergegeven. Tabel 6.3: overzicht totaal gehalte asbest per proefgat of mengmonster in mg/kgds (Meng)monster
Proefgat
fijne fractie ASB001
ASB002
ASB003
Traject
Gewogen gehalte
Gecorrigeerd gewogen gehalte
Totaal gehalte gewogen
(cm mv)
grove fractie (mg/kgds)
fijne fractie (mg/kgds)
asbest (mg/kgds)
-
<2
<2
-
<2
<2
-
<2
<2
003
6-56
004
6-20
014
10-55
025
15-50
011
0-50
016
30-58
017
10-54
020
0-50
021
2-52
002
11-61
005
6-50
ASB004
013
7-20
-
<2
<2
ASB005
009
0-15