20241015 07m Bijlage 4 bij motivering Quickscan Natuurbescherming
Tekst van het document
Planburo B E. Peeters 28 februari 2023 418.03.23 J. Boer W. van Zadelhoff
IJsselburcht 3 6825 BS Arnhem 026-7851440 www.nladviseurs.nl info@nladviseurs.nl Copyright: Alle rechten voorbehouden. Voor vermenigvuldiging van , of zinsneden en afbeeldingen uit deze rapportage gelieve contact opnemen met NLadviseurs
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Aanleiding en doel Opdrachtgever Ligging en kenmerken plangebied Geplande werkzaamheden Kwaliteitsborging Leeswijzer
pag. 8 pag. 8 pag. 8 pag. 8 pag. 8 pag. 9
2.1 2.2 2.3
Literatuuronderzoek Soortbescherming Gebiedsbescherming
pag. 12 pag. 12 pag. 12
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9
Inleiding Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Vogels Amfibieën Reptielen Vaatplanten Vissen Overige soortengroepen
pag. 15 pag. 15 pag. 17 pag. 22 pag. 24 pag. 25 pag. 26 pag. 26 pag. 26
4.1 4.2 4.3 4.4
Inleiding Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Houtopstanden
pag. 29 pag. 29 pag. 29 pag. 29
5.1 5.2
Overzicht van de aanbevelingen Aanbevelingen
pag. 34 pag. 35
Planten- beschermde soorten
3.10 andere soorten/ HR
-
-
Vleermuizen verblijfplaatsen
HR
Gebouwbewonende vleermuizen
Nader onderzoek naar verblijven van vleermuizen bij de woning
Vleermuizen - vliegroutes
HR
-
-
Vleermuizen essentieel foerageergebied
HR
-
-
Zoogdieren leefgebied/ voortplantingslocatie
3.10 andere soorten
Eekhoorn
Opstellen ecologisch werkprotocol en verwijderen beide aanwezige eekhoornnesten binnen vrijgestelde periode (maart t/m april of juli t/m november).
Zoogdieren leefgebied/ voortplantingslocatie
3.10 andere soorten
Steenmarter
Opstellen werkprotocol en uitvoeren van alle werkzaamheden binnen de vrijgestelde periode (15 augustus t/m februari) of uitvoeren nader onderzoek en beperkt werken binnen de kwetsbare periode, buiten de verstoringsafstand
Zoogdieren leefgebied/ voortplantingslocatie
3.10 andere soorten
Grote bosmuis
Aanvragen ontheffing
Zoogdieren
3.10 andere soorten
Mogelijk
Zorgplicht opvolgen
Vogels jaarrond beschermde nesten
VR
Verscheidende
Nader onderzoek roestplek kerkuil
Vogels algemene broedvogels
VR
Verscheidende
Uitvoeren werkzaamheden bij en rondom groen buiten broedperiode
Amfibieën beschermde soorten
3.10 andere soorten
Alpenwatersalamander
Nader onderzoek
vrijgestelde soorten
Amfibieën vrijgestelde soorten
3.10 andere soorten
Verscheidende
Zorgplicht opvolgen
Reptielen beschermde soorten
3.10 andere soorten/ HR
-
-
Vissen beschermde soorten
HR
-
-
Vissen algemene soorten
3.10 andere soorten
-
-
Overige beschermde soorten beschermde soorten
3.10 andere soorten/ HR
-
-
-
-
Mogelijk negatieve effecten Natura 2000gebied
Aerius-berekening
Natuurnetwerk Nederland
-
-
Kapvergunning
-
-
Natura 2000 doelsoorten/habitattypen Natura 2000 stikstof
HR: Habitatrichtlijn VR: Vogelrichtlijn DS: Doelsoorten
In opdracht van Planburo B heeft adviesbureau NLadviseurs een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd bij het tuincentrum gelegen in Gronsveld. De initiatiefnemer is hier voornemens op de locatie nieuwbouw te realiseren. De ingreep is getoetst aan de Wet natuurbescherming, op de onderdelen
een kort onderzoek op basis van een beknopt bronnenonderzoek en een veldbezoek, waarbij een deskundige inschatting wordt gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Naast de soortbescherming is een beoordeling gemaakt van de gebiedsbescherming. In dat kader is een inschatting gemaakt van de mogelijke ecologische gevolgen van de voorgenomen ingreep ten aanzien van Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland.
Ingenieursbureau Planburo B is de opdrachtgever voor het project. De ontwikkeling wordt uitgevoerd door Laudy Vastgoedontwikkeling.
Het plangebied ligt in het zuidwestelijke deel van provincie Limburg. Het terrein is circa 1 hectare. Het tuincentrum ligt aan de rand van Gronsveld. Ten zuiden bevindt zich een woonwijk, maar in de omgeving bevinden zich ook boomgaarden, akkers en enkele kleine bosschages. Op circa 800 meter liggen voor Limburg typische hellingbossen, zoals het Savelsbos.
De geplande ruimtelijke ontwikkelingen bestaan uit: Sanering terrein Kap bomen Verwijderen groen Realiseren circa 50 nieuwbouw woningen
Het voormalige tuincentrum wordt gesaneerd m.u.v. de woning aan Rijksweg 6, deze woning blijft binnen de huidige planning behouden maar wordt gerenoveerd. Op het terrein worden circa 50 woningen gerealiseerd, o.a. sociale huurwoningen, starterswoningen, twee onder één kap, appartementen en vrijstaande woningen.
De quickscan is uitgevoerd door André Geelhoed en gerapporteerd door Jorina Boer, beiden ecoloog bij NLadviseurs. Ecoloog Wesley van Zadelhoff heeft de rapportage gecontroleerd. Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden, is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeenten, provincies en collegaonderzoekers vindt plaats op regelmatige basis.
In deze rapportage is achtereenvolgens beschreven welke methodiek is toegepast tijdens het onderzoek (H2), de resultaten en mogelijke effecten opgedaan uit het literatuur en veldonderzoek (H3 en 4) en als laatste zijn de conclusies en aanbevelingen beschreven (H5) .
Voor het bronnenonderzoek is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidings-gegevens van soorten uit beschermde soortgroepen. Verder is gebruik gemaakt van gegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna, geraadpleegd op 2 februari 2023 (www.ndff.nl). De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens. De toetsing is een effectbepaling en beoordeling op basis van de huidige en mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren, de functie en habitatkwaliteit van het plangebied en de directe omgeving voor deze soorten in relatie tot de voorgenomen ingreep.
De quickscan is de eerste stap in het proces om de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op het gebied van beschermde dier- en plantsoorten te onderzoeken. De aanwezigheid van beschermde soorten in en rond het plangebied en de geschiktheid van het
plangebied voor deze soorten is door middel van een eenmalig veldbezoek onderzocht. Op 3 februari 2023 is door ecoloog A. Geelhoed de quickscan in het veld uitgevoerd. Doel van dit veldbezoek is om een indruk te krijgen van het aanwezige habitat en de geschiktheid ervan te beoordelen voor de mogelijk voorkomende beschermde soorten. Het locatiebezoek is onder zonnige omstandigheden uitgevoerd bij een temperatuur van 6 °C, W 1bft. Tijdens de quickscan wordt het gehele plangebied, en de directe omgeving, verkend. Op basis daarvan wordt het mogelijk voorkomen van beschermde dier- en plantsoorten beoordeeld op geschiktheid, waarbij gekeken wordt naar habitateisen voor de soorten of naar directe waarnemingen van beschermde soorten. Bij deze toetsing van het terrein worden de geplande werkzaamheden als leidraad genomen. Getoetst is of de geplande werkzaamheden de Wet natuurbescherming (mogelijk) overtreden.
Afhankelijk van de resultaten is het noodzakelijk om de aan of afwezigheid van beschermde soorten door middel van aanvullend onderzoek aan te tonen of uit te sluiten.
Om een conclusie te trekken op de invloed van gebiedsbescherming is met bureauonderzoek onderzocht of het gebied onderdeel is van Natuurnetwerk Nederland en/of Natura 2000-gebied. Daarnaast is de aanwezigheid van Natura 2000-gebieden in de nabije omgeving van het plangebied onderzocht. Hiermee kan de mogelijke externe invloed van de voorgenomen werkzaamheden op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld.
Figuur 3.1: Deel van de te behouden woning op het
Figuur 3.2: Deel van de kwekerij.
Figuur 3.3: Op het terrein is een loods aanwezig.
Figuur 3.5: Grasveld binnen het plangebied aan de
Figuur 3.6: Aan de noordzijde van het plangebied
noordwestzijde.
staat een bosschage.
terrein aan Rijksweg 6.
Figuur 3.4: Impressie van een deel van de kwekerij.
De Wet natuurbescherming is opgedeeld in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit hoofdstuk beschrijft het (mogelijke) voorkomen van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van het project op deze soorten. Het voorkomen en de mogelijke effecten is per soortgroep beschreven.
Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd vanuit de Europese Habitatrichtlijn. Geschikte verblijfplaatsen zijn vaak beperkt beschikbaar. Door sloop, renovatie en bomenkap zijn de laatste decennia veel potentiële verblijfplaatsen verdwenen. Niet alleen verblijfplaatsen, maar ook lineair doorlopende landschapselementen waarlangs vleermuizen zich verplaatsen tussen slaapplek en foerageergebied (zogenaamde vliegroutes) en belangrijk foerageergebied zijn, zijn beschermd. Uit de omgeving van het plangebied zijn vanuit NDFF-waarnemingen bekend van: baardvleermuis, Bechsteins vleermuis,
Brandts vleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ingekorven vleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, vale vleermuis en watervleermuis. Het grootste deel van de vleermuizen is waargenomen in het Savelsbos.
De meeste in Nederland voorkomende vleermuissoorten worden voornamelijk in gebouwen en holtes en scheuren in bomen aangetroffen. Een voorwaarde is dat er geschikte, toegankelijke ruimtes voor vleermuizen aanwezig zijn. Tijdens het locatiebezoek is de houtopstand gecontroleerd op aanwezigheid van mogelijkheden voor verblijven. Alle bomen binnen het plangebied zijn uitgebreid onderzocht. Slechts bij één boom zijn holtes aangetroffen. De holtes waren relatief groot, vermoedelijk gemaakt door groene specht. De holtes liepen niet door naar boven. Twee van de drie holtes waren op ooghoogte aanwezig. Bovendien is de boom bekleed met klimop waardoor hij
slecht toegankelijk is voor vleermuizen. Vleermuisverblijven in bomen worden niet verwacht binnen het plangebied. Er staan enkele gebouwen in het plangebied. De loods en de kassen zijn ongeschikt voor vleermuizen. De loods is aan één zijde open waardoor er te veel lichtinval en tocht is voor vleermuizen, net zoals de kassen. Bovendien ontbreekt een spouw en zijn beide gebouwen van glad materiaal gemaakt waardoor deze niet toegankelijk zijn voor vleermuizen. De woning op nummer 6 heeft op enkele plekken potentie voor verblijven van vleermuizen. Het hoofdgebouw (aangegeven in groen in figuur 3.1) is ongeschikt voor vleermuizen, de pannen liggen direct op de panlatten. Ook is er te veel lichtinval voor vleermuizen door vele loszittende dakpannen. Bij het gehele gebouw ontbreekt een spouwmuur. De twee aanliggende gedeeltes van de woning (aangegeven in blauw in figuur 3.1) hebben ruimte tussen het dakbeschot en de pannen. Vleermuizen kunnen hier komen via losliggende pannen en kieren. De zolder is daarbij ook geschikt voor soorten gebonden
aan meer open ruimtes, zoals de gewone grootoorvleermuis. Vleermuissporen zijn niet aangetroffen tijdens het bezoek. Het gebouw heeft geen spouw en is slechts minimaal geschikt voor vleermuizen. Bij de twee aangelegen gebouwen is door het geschikte pannendak en de zolder het voorkomen van vleermuizen echter niet geheel uit te sluiten.
De geplande werkzaamheden hebben mogelijk negatief effect op vaste rust of verblijfplaatsen van vleermuizen in het gebied. Het aanwezige pand, dat gepland staat om te slopen, biedt mogelijkheden voor vaste rust- en verblijfplaatsen van dwergvleermuizen, gewone grootoorvleermuizen en mogelijk ander vleermuizen. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen dienen nader te worden onderzocht in het bestaande bedrijfspand. Wetsovertredingen ten aanzien van de Wnb artikel 3.5 lid 4 dienen nader te worden onderzocht conform het vleermuisprotocol 2021.
Het plangebied is matig geschikt als foerageergebied voor vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis. Het gehele plangebied is circa één hectare. Het gebied is hiermee niet groot genoeg om vleermuizen van essentieel foerageergebied te voorzien. In de directe omgeving is ook voldoende alternatief van gelijke waarde aanwezig. Ten noorden liggen enkele bosschages en volkstuinen, langs de A2 liggen enkele bomenrijen en lagere struiken. Lijnvormige elementen, die gebruikt kunnen worden als vliegroute, zijn niet direct aanwezig in het plangebied. De opstand is geen duidelijke verbinding tussen leefgebieden van vleermuizen (lees: foerageer-en verblijfplaats). Het is van belang om vanuit de algemene zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, negatieve effecten op niet essentieel foerageergebied te voorkomen. Met name moet hierbij gedacht
Gewone grootoorvleermuis
worden aan effecten van licht tijdens de bouwfase. Licht van (bouw)lampen tussen zonsondergang en zonsopkomst moet zoveel mogelijk worden beperkt. Wanneer er lampen worden gebruikt worden deze niet gericht op boomkronen, wateren, struiken of andere locaties kansrijk voor vleermuizen om te foerageren.
bekend van grondgebonden zoogdieren binnen de NDFF in een afstand van ca. 5 kilometer. Zo zijn een aantal beschermde soorten op enige afstand van het plangebied waargenomen, namelijk bever, bunzing, das, eekhoorn, egel, eikelmuis, grote bosmuis, haas, hamster, hermelijn, konijn, ree, steenmarter, vos, wezel, wild zwijn en diverse algemene muizensoorten.
De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatief effect op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, delen van de woning aan nummer 60 is geschikt. Voor aanvang van de werkzaamheden aan de woning zal eerst nader onderzoek moeten worden uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021 naar de functie van het gebouw voor vleermuizen.
De bever, hamster en eikelmuis zijn allen Europees beschermd onder de Habitatrichtlijn (art. 3.5). De overige soorten zijn nationaal beschermd onder het waarbij voor de soorten bunzing, egel, haas, konijn, ree, vos, wezel en alle algemene muizensoorten een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen. De steenmarter en de eekhoorn zijn in provincie Limburg deels vrijgesteld, buiten de kwetsbare periode van de soort.
worden hier bedoeld alle zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Dit zijn knaagdieren, haasachtigen, insecteneters en marterachtigen. In de omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen
In één van de bomen zijn ten tijde van het bezoek twee bosmuizen aangetroffen in één van de boomholtes (figuur 3.1). Het is niet uitgesloten dat het hier grote bosmuis betreft. De soort wordt regelmatig
waargenomen in het nabijgelegen Savelsbos, maar ook op circa 600 m afstand (ten zuidwesten) is de soort gemeld in tuinen. Onderscheid tussen de algemeen voorkomende bosmuis (welke is vrijgesteld) en de grote bosmuis (geen vrijstelling) is zeer lastig te bepalen. Navraag aan expert Matthijs Smaal van Buro Smaal Zoogdieronderzoek bood uitsluitsel basis van de kangoeroe-oren, de naar beneden gerichte neus en sterke demarcatielijn gaat het hier zeker om grote geschikt voor de soort, maar voorkomen is niet uitgesloten. Oud loofbos met een
Figuur 3.1: Grote bosmuis in een boomholte binnen het plangebied.
beperkte kruidlaag, maar met een dichte struiklaag, behoren tot zijn belangrijkste habitat. De grote bosmuis kan ook voorkomen in tuinen, zeker wanneer er zoals in het plangebied vele rommelhoekjes en voldoende struiklagen aanwezig zijn. Verwacht wordt dat het plangebied onderdeel is van leefgebied van de grote bosmuis. De verwachting is dat het niet gaat om een kerngebied, zoals het dichtbijgelegen Savelsbos waar de soort veelvuldig wordt waargenomen. De eikelmuis komt eveneens voor in het Savelsbos en is met name gebonden aan kalkrijke hellingbossen. Ook kunnen zij voorkomen in tuinen, boomgaarden en kleinschalig agrarisch landschap. Voorwaarde is echter dat er voldoende verbonden hagen en heggen aanwezig zijn waardoor zij zich veilig kunnen verplaatsen. Deze elementen zijn aanwezig, maar in onvoldoende dichtheid (minimaal 1 tot maximaal 16,5 hectare aaneengesloten). Ook staan deze niet direct in verbinding met andere elementen rondom het plangebied. De locatie ligt, door afwezigheid van deze elementen, geïsoleerd. Op basis
van deze kenmerken wordt de eikelmuis niet verwacht voor te komen binnen het plangebied. De hamster zijn habitat bestaat voornamelijk uit landbouwteelt zoals luzerne en rode klaver op leem- en lössbodems, sporadisch kan hij ook in tuinen voorkomen. In opdracht van de provincie wordt de soort jaarlijks geïnventariseerd door inventariseren van burchten en gezenderde dieren, zo ook in de omgeving van het plangebied. De hamster is nooit waargenomen in het plangebied, de eerste waarnemingen liggen op 1,4 km afstand in noordelijke richting. De soort is weinig mobiel. Door de hoge mate waarin de soort wordt gemonitord en het feit dat het plangebied suboptimaal is wordt niet verwacht dat de soort voorkomt in het plangebied. Voor de bever is geen geschikt habitat aanwezig. De das is talrijk rondom het Savelsbos en is circa 150 m ten noorden overstekend waargenomen bij de Rijksweg. Binnen het plangebied is geen geschikt leefgebied. Burchten, wissels of sporen
(uitwerpselen, pootafdrukken of krabsporen) zijn niet aangetroffen. Essentiële onderdelen voor de das zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Op diverse plekken op de zolder van de woning waren vraatsporen en gebruikssporen aanwezig van de steenmarter. Er zijn zowel verse als oude uitwerpselen aangetroffen. De rommelige zolder is een uitstekend verblijf voor de steenmarter. Het omliggende terrein, met vele rommelhoekjes en groen maar ook de verdere omgeving met zowel groen als bebouwing is bij uitstek geschikt als
Figuur 3.2: Verse uitwerpselen van de steenmarter op zolder. Hij eindigt in een spitse lange punt , typerend voor de soort.
foerageerhabitat voor de opportunistische steenmarter. In het verleden zijn (minimaal) drie steenmarters aangetroffen op zolder door de bewoner. Op de zolder van de woning heeft de steenmarter zijn verblijf, naar verwachting één van meerdere verblijven. Gezien de locatie, de vele aanwezige sporen en de gemelde waarneming van de bewoner gaat het hoogstwaarschijnlijk om een kraamlocatie. Alhoewel hij hoofdzakelijk een bosbewoner is verblijft de zeer gelijkende boommarter sporadisch ook in gebouwen. Voor de boommarter geldt geen vrijstelling in Limburg. De locatie ligt echter buiten het huidige verspreidingsgebied van de boommarter, ook in het Savelsbos waar
Figuur 3.3: Eekhoornnest binnen het plangebied.
regelmatig wordt uitgevoerd, is de boommarter nog nooit waargenomen. Het is uitgesloten dat het een verblijf van een boommarter betreft.
ruimtelijke ontwikkelingen, de verbodsbepalingen zijn niet van toepassing. Wel dient altijd de algemene zorgplicht in acht te worden genomen.
Er zijn twee nesten van de eekhoorn aangetroffen, waarvan één binnen het plangebied en één direct aangrenzend aan het territorium. De eekhoorn zelf is tijdens het veldbezoek ook waargenomen in de omgeving van beide nesten. Het nest buiten het plangebied was erg vervallen en was op moment van bezoek niet recentelijk gebruikt. Gezien de grootte gaat het bij beide nesten vermoedelijk om een reservenest, niet een hoofd- of kraamnest.
Aanwezigheid van de grote bosmuis binnen het plangebied wordt verwacht, de soort is aangetroffen in een boom in het plangebied. Door de werkzaamheden gaat mogelijk leefgebied en verblijfplaatsen verloren. Ook is er kans dat dieren worden gedood tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Onderzoek naar de grote bosmuis, om bijvoorbeeld te bepalen wat de geschatte populatiegrootte is, wordt doorgaans uitgevoerd door inloopvallen. Deze methode kan echter mogelijk negatieve effecten hebben op de grote bosmuizen en de meerwaarde is slechts beperkt. Op basis van biotoopbepaling kan een schatting worden gemaakt van de aantallen aanwezige grote bosmuizen. Voor de grote bosmuis moet een ontheffing wet natuurbescherming worden aangevraagd voor het vernietigen van verblijfplaatsen en verdwijnen van leefgebied.
Binnen het plangebied worden verder kleine, algemene zoogdiersoorten zoals de egel, diverse spitsmuizen en muizen verwacht. Alle drie de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) komen binnen een straal van 5 km voor. Met name bunzing en wezel kunnen voorkomen binnen het plangebied, ook verblijven zijn niet uitgesloten. Voor deze bovengenoemde soorten geldt een provinciale vrijstelling bij
In de schuur binnen het plangebied is een verblijfplaats van de steenmarter vastgesteld, mogelijk een kraamlocatie. De steenmarter is beschermd conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming maar is deels vrijgesteld binnen provincie Limburg. Binnen de periode 15 augustus t/m februari is de soort vrijgesteld tijdens ruimtelijke ontwikkelingen, binnen deze periode mogen verblijfplaatsen worden aangetast en mag verstoring plaatsvinden. De algemene zorgplicht is echter altijd van kracht. Renovatie van de woning zullen naar alle waarschijnlijk zorgen voor het aantasten en verstoring van het verblijf. De renovatie van de woning dient binnen de vrijgestelde periode plaats te vinden onder ecologische begeleiding. De tuin die komt te verdwijnen behoort naar verwachting tot foerageergebied van de steenmarter. In de directe omgeving is echter nog zeer geschikt alternatief aanwezig en de ruigtes, bosschages en tuinen in de omgeving blijven beschikbaar. Het leefgebied van een steenmarter is doorgaans 80 tot 700
hectare, het overgrote deel van zijn territorium blijft geschikt om te foerageren. Het is niet uitgesloten dat het bouwrijp maken(saneren) van het omliggende terrein en het realiseren van de nieuwbouw verstoring zal opleveren voor de steenmarter. In het bijzonder wanneer er sprake is van een voortplantingslocatie. Sanering van het terrein en realiseren van nieuwbouw dient bij voorkeur ook buiten de niet-vrijgestelde periode te worden uitgevoerd. Als alternatief kan het verblijf binnen de vrijgestelde periode vóór de start van de werkzaamheden ongeschikt (ontoegankelijk) worden gemaakt voor de steenmarter. Dit kan alleen wanneer voorkomen van de kerkuil en vleermuizen al is uitgesloten zodat eventuele verblijfplaatsen voor deze soorten niet voortijdig worden dichtgezet. Steenmarters zijn echter zeer vindingrijk en hebben maar kleine openingen (5 cm of meer) nodig voor toegang tot een woning, waardoor de zolder ongeschikt maken mogelijk een lastige en arbeidsintensieve klus zal worden. Werken buiten de kwetsbare periode en eventueel beperkt werken binnen de kwetsbare
periode heeft daarom ook in eerste instantie de voorkeur. Binnen deze periode wordt een verstoringsafstand bepaald afhankelijk van de uit te voeren werkzaamheden. De verstoringsafstand is afhankelijk van de functie van het verblijf. Wanneer werken buiten de vrijgestelde periode niet te voorkomen is, wordt nader onderzoek door middel van cameravallen binnen de voortplantingsperiode (februari t/m medio augustus) moet bepalen welke functie het verblijf vervult voor de steenmarter. Hierdoor kunnen mitigerende maatregelen meer gericht worden toegepast. Ongeacht of een ontheffing benodigd is zullen de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd onder ecologische begeleiding en moet een werkprotocol worden opgesteld. Er bevindt zich één nest van de eekhoorn binnen het plangebied en één nest direct naast het plangebied. Het nest binnen het plangebied zal door de werkzaamheden naar verwachting verloren gaan. Ook foerageergebied gaat verloren. In de directe
omgeving is voldoende alternatief aanwezig, er bevinden zich enkele losse aangrenzende bosschages. Binnen een straal van 200 meter bevinden zich enkele grotere aaneengesloten delen bos, er blijft voldoende leefgebied beschikbaar. De eekhoorn is vrijgesteld van maart t/m april en van juli t/m november. Wanneer de kap van de bomen binnen deze periode wordt uitgevoerd is geen ontheffing nodig. Voor werkzaamheden bij en rondom het nest buiten de vrijgestelde periode is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig. Geadviseerd wordt de boom met het nest voorafgaand aan de werkzaamheden te kappen zodat tijdens de niet vrijgestelde periode niet rekening hoeft te worden gehouden met eventuele verstoringsafstand. Dit geldt ook voor het 2e nest aangrenzend aan het plangebied, deze dient bij voorkeur vóór aanvang van de werkzaamheden en binnen de vrijgestelde periode verwijderd te worden. Wanneer het niet mogelijk is het nest aangrenzend aan het plangebied te verwijderen wordt geadviseerd alsnog nader onderzoek te doen om te bepalen of het nest nog actief in
gebruik is. Ongeacht of een ontheffing benodigd is zullen de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd onder ecologische begeleiding en moet een werkprotocol worden opgesteld. Ook dient de zorgplicht artikel 1.11 te allen tijde in acht te worden genomen. Dieren die tijdens werkzaamheden worden waargenomen dienen in de gelegenheid te worden gebracht zichzelf in veiligheid te kunnen brengen of daarbij te worden geholpen. Aandacht dient hierbij met name besteed te worden aan soorten die zijn vrijgesteld maar wel verwacht worden in het plangebied: egel, kleine marters (met name wezel en bunzing) en diverse muizensoorten.
Steenmarter
Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Van een aantal vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd, dus ook buiten het broedseizoen. Het gaat bijvoorbeeld om soorten die niet zelf hun nest bouwen, maar voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van menselijke bebouwing, soorten die jarenlang dezelfde locatie gebruiken of soorten waarvan het nest ook buiten de broedperiode gebruikt wordt. Andere onderdelen van de leefomgeving die van belang zijn voor het functioneren van een jaarrond beschermde nestplaats zijn eveneens beschermd. Denk hierbij aan jachtgebied van uilen en roofvogels of schuil- en slaapplekken van huismussen in struiken. Van de overige inheemse vogelsoorten is het nest beschermd zolang dit voor voortplantingsdoeleinden in gebruik is. In de NDFF zijn uit de omgeving enkele waarnemingen bekend van soorten met jaarrond beschermde nesten. De waargenomen soorten betreffen boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, kerkuil,
ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk en sperwer.
Binnen het plangebied zijn de aanwezige bomen op het terrein en in de directe omgeving uitgebreid onderzocht op aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten met mogelijk jaarrond beschermde status aangetroffen. Aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van roofvogels of uilen in bomen is uitgesloten. In één boom zijn spechtengaten aangetroffen, van groene specht (of mogelijk grote bonte specht), in dezelfde boom waarin de grote bosmuis is aangetroffen. Aan de woning (Rijksweg 6) hangen ook enkele nestkasten waar mogelijk soorten zoals koolmees of pimpelmees gebruik van maken. Beide soorten spechten, de koolmees en pimpelmees vallen onder categorie 5 welke onder zwaarwegende redenen een jaarrond beschermde status hebben. In de directe omgeving is ruim voldoende alternatief aanwezig. De boom kan, wanneer het nest niet actief in gebruik is, worden gekapt. Mits de benodigde stappen voor de grote bosmuis zijn ondernomen.
Figuur 3.4: Aanwezige kerkuilkast binnen de woning inclusief krijtstrepen bij de opening onder de kast.
Bij de schuur van de woning (Rijksweg 6) zijn diverse krijtstrepen gevonden bij de ronde openingen aan de voor- en achterzijde en op diverse balken binnen de schuur. Ook is er een kerkuilennestkast aanwezig in de schuur. Volgens de huidige bewoner is de kerkuil sporadisch aanwezig, maar is er nog nooit een broedpoging gedaan. De nestkast wordt jaarlijks gecontroleerd door de heemkundevereniging Grueles. Zij hebben de laatste 20-25 jaar de aanwezige nestkast elk jaar onderzocht. In de uilenkast in de schuur is nog nooit indicatie of sporen aangetroffen dat de kast is gebruikt door kerkuilen. Mogelijk verhindert de aanwezigheid van de
steenmarter op dezelfde zolder een succesvolle broedpoging. Gezien de aangetroffen sporen (krijtstrepen) is het te verwachten dat de schuur wel als incidentele roestlocatie dient voor de kerkuil. De huismus en gierzwaluw zijn beide gebouwbewonend en hebben een jaarrond beschermd nest (categorie 2). De woning is ongeschikt voor beide soorten. Een groot deel van de woning heeft geen dakbeschot. Bij het gedeelte waar dakbeschot aanwezig is, is de ruimte onder de dakpannen niet hoog genoeg om te nestelen. Daarnaast zijn er geen overhangende kantpannen bij de gevels waar gierzwaluwen dikwijls nesten en voldoende uitvliegruimte hebben (minstens 3 meter) vanaf het nest. Er is een dakoverstek, er zijn geen ruimtes of openingen groot genoeg voor vogels. Een groot deel van de woning is door de aanwezige bomen grotendeels beschaduwd en de bewoner heeft nog nooit huismussen of gierzwaluwen bij zijn woning opgemerkt. Voorkomen van beide soorten wordt niet verwacht.
Naast de jaarrond beschermde nesten zijn de nesten van algemeen voorkomende broedvogels beschermd. Deze bescherming beperkt zich tot het broedseizoen en zolang vogels aan het broeden zijn. Het veldbezoek vond ver buiten het broedseizoen plaats, waardoor geen nesten zijn waargenomen. Het is echter aannemelijk dat tijdens het broedseizoen meerdere algemeen voorkomende broedvogels de locatie als nestgelegenheid gaan gebruiken, met name in de bomen, struiken en nestkasten bij de woning.
Binnen het plangebied is zeer waarschijnlijk een roestlocatie van de kerkuil aanwezig. Een voortplantingslocatie is niet te verwachten op basis van eerdere onderzoeken en aanwezigheid van de steenmarter op de zolder. De renovatie van de woning zal naar verwachting zorgen dat het verblijf van de kerkuil verdwijnt of niet meer functioneel is. Ook verstoring door de omringende werkzaamheden wordt verwacht. Nader onderzoek is niet
Kerkuil
noodzakelijk om uitsluitsel te geven over de functie van de verblijfplaats als roestplek. Verblijfplaatsen van overige vogels met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht binnen het plangebied door het ontbreken van geschikte verblijfplaatsen. Gezien de beperkte oppervlakte, voldoende alternatieven in de omgeving en ligging van het plangebied, is het plangebied met zekerheid ook geen onderdeel van een essentieel leefgebied van vogels met jaarrond beschermde nesten. De werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op algemene broedvogels. Door de werkzaamheden kunnen broedvogels worden beschadigd, vernield of verstoord worden. Actieve nesten mogen nooit worden verwijderd of verstoord worden. Kapwerkzaamheden en verwijdering van het groen wordt uitgevoerd buiten het broedseizoen. Hier wordt doorgaans maart t/m augustus voor aangehouden maar eerdere of latere broedgevallen zijn nooit uitgesloten.
Geadviseerd wordt vóór aanvang van de nieuwbouw al het aanwezige groen, de bomen en de nestkasten te verwijderen zodat verstoring van werk tijdens de broedperiode is uitgesloten. Wanneer werken rondom het groen en de nestkasten binnen het reguliere broedseizoen niet voorkomen moet vóór aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcontrole worden uitgevoerd door een ecoloog. Bij aanwezigheid van een nest wordt een geschikte zone rondom het nest ingesteld waarin niet gewerkt mag worden. Werkzaamheden worden pas hervat wanneer de jongen het nest hebben verlaten.
Europees beschermd onder de Habitatrichtlijn. De Alpenwatersalamander is beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad, meerkikker en kleine watersalamander zijn vrijgesteld binnen provincie Limburg. Op het terrein is een vijver aanwezig. Het is niet uitgesloten dat de Alpenwatersalamander zich hier voortplant. De Alpenwatersalamander heeft niet veel nodig als voortplantingswater, visvrije wateren met afgevallen bladeren voor het afzetten van eieren is voldoende. De directe omgeving rondom de vijver is zeer geschikt als overwinteringshabitat met bladeren,
In de omgeving van het plangebied zijn in NDFF- waarnemingen bekend van Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, geelbuikvuurpad, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, rugstreeppad en vroedmeesterpad. De geelbuikvuurpad, kamsalamander, rugstreeppad en vroedmeesterpad zijn
Figuur 3.5: De aanwezige vijver in het plangebied.
muizenholen, een struiklaag en puin. Voorkomen van deze soort is niet uitgesloten. Zowel de rugstreeppad als de geelbuikvuurpad zijn pionierssoorten die een voorkeur hebben voor tijdelijke en ondiepe wateren. De kamsalamander heeft sterk ontwikkelde onderwatervegetatie nodig voor de eileg, welke niet aanwezig is. De vroedmeesterpad leeft grotendeels op het land en komt voor bij hellingbossen, graften met steen-, zand- en mergelgroeven. De soort heeft een voorkeur voor bodemreliëf met stenige ondergrond en afwezigheid van strooisel. De kamsalamander, rugstreeppad, vroedmeesterpad en geelbuikvuurpad worden niet verwacht binnen de planlocatie vanwege ontbreken van geschikt leefgebied.
De voorgenomen ingrepen hebben mogelijk effect op voortplantingswater van de Alpenwatersalamander. Wanneer er sprake is van voortplantingswater wordt de directe omgeving door de Alpenwatersalamander
als overwinteringsgebied gebruikt. Aantasting van het leefgebied en mogelijk doding van de soort door de werkzaamheden is niet uitgesloten. Nader onderzoek moet uitwijzen of de soort inderdaad voorkomt binnen het plangebied.
Binnen de NDFF zijn waarnemingen bekend van de hazelworm en levendbarende hagedis. Beide soorten zijn beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming maar binnen bepaalde vastgestelde perioden vrijgesteld binnen provincie Limburg. De hazelworm is een soort die voornamelijk bij heideterreinen voorkomt en bosranden. De levendbarende hagedis komt vooral voor bij heideterreinen, open bossen, hoogveen en ruige graslanden. Beide soorten worden waargenomen bij het Savelsbos. Op basis van habitatseisen worden de soorten niet verwacht voor te komen op het terrein.
Alpenwatersalamander
Leefgebied van beschermde reptielen wordt niet verwacht. Negatieve effecten door de werkzaamheden op reptielen is uitgesloten.
Binnen de NDFF zijn een aantal waarnemingen bekend van grote leeuwenklauw, ruw parelzaad en bergnachtorchis. Binnen het aanwezige habitat in het plangebied worden geen beschermde planten verwacht. Beschermde plantensoorten zijn doorgaans erg kritisch ten opzichte van hun standplaats. De grote leeuwenklauw komt voor op kalkhoudende grond op open en zonnige terreinen evenals ruw parelzaad. Voedselarme kalkrijke bij loofbossen en bosranden vormen het habitat van de bergnachtorchis. Geschikt habitat voor deze beschermde planten is niet aanwezig, het is uitgesloten dat zij voorkomen binnen het plangebied.
Aanwezigheid van beschermde plantensoorten wordt in het plangebied uitgesloten. Het plangebied is ongeschikt voor beschermde vaatplanten op basis van bodem en habitat. Negatieve effecten op beschermde vaatplanten zijn dan ook uitgesloten.
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen beschermde vissen waargenomen. Door afwezigheid van geschikt oppervlaktewater in het plangebied is het uitgesloten dat vissen in het gebied aanwezig zijn.
Negatieve effecten op vissen is uitgesloten door de afwezigheid van beschermde soorten in de directe omgeving en de afwezigheid oppervlaktewater binnen de invloedsfeer van de planvoornemens.
In de NDFF zijn in de omgeving (0-1km) waarnemingen bekend van het vliegend hert welke beschermd is onder de Habitatrichtlijn. Het vliegend hert is een soort van bosrijke gebieden die voornamelijk van rottend hout, met name van eiken, voor de voortplanting. Deze elementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Overige beschermde weekdieren of ongewervelden worden niet verwacht.
Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aangetroffen voor beschermde weekdieren of ongewervelden. Negatieve effecten op deze soorten is uitgesloten.
Duizendblad
Figuur 3.6: Resultaten van de quickscan.
De Wet natuurbescherming maakt onderscheidt tussen soort- en gebiedsbescherming. Bij het onderdeel aanwezigheid van beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000gebieden en overige onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), en de beoordeling of er van het voornemen een (in)direct effect uitgaat, behandeld. Is er sprake van een mogelijk negatief effect, dan is planaanpassing en/of nader onderzoek nodig.
De onderzoekslocatie is slechts 770 meter verwijderd van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het Savelsbos (figuur 4.1). Effecten door trillingen, licht of geluid op het Natura 2000-gebied is op deze afstand uitgesloten. Vanaf november 2022 geldt er geen vrijstelling meer voor stikstofeffecten tijdens de bouwfase. Tijdens de bouwfase is er door inzet van mobiele werktuigen, aanen afvoer van materialen en vervoersbewegingen van personeel sprake van een tijdelijke toename van stikstofemissie van het plangebied.
Ook tijdens de gebruiksfase is mogelijk sprake van een toename in stikstofdepositie door bijvoorbeeld het gebruik van de woningen, toename van gebruik van vervoersmiddelen. Binnen het Savelsbos zijn enkele stikstofgevoelige habitats aanwezig. Het is niet uitgesloten dat de werkzaamheden leiden tot een toename in stikstofdepositie.
De voorgenomen ontwikkelingen leiden mogelijk tot wetsovertredingen ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Een Aeriusberekening moet uitwijzen of er sprake is van een negatieve stikstofeffecten op het Natura 2000-gebied.
Er is geen Natuurnetwerk Nederland gebied aanwezig binnen of rondom het plangebied (figuur 4.2). Voorgenomen ingrepen dienen, indien binnen het plangebied aanwezig, getoetst te incipe. Indien voorgenomen werkzaamheden significant negatieve gevolgen hebben voor de kernkwaliteiten of ontwikkelings-doelen van het deelgebied, kunnen deze alleen plaatsvinden indien de nadelige gevolgen
worden gemitigeerd en de resterende schade gecompenseerd. Gezien de voorgenomen ontwikkelingen, is een negatief extern effect op kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van NNN uitgesloten.
Het plangebied vormt geen onderdeel van NNN. Aangezien geen externe werking van toepassing is voor gebieden met deze beschermde status kunnen negatieve effecten bij voorbaat worden uitgesloten. -toets is niet aan de orde.
Het projectgebied bevindt zich buiten de grenzen van de bebouwde kom. De te kappen bomen zijn tezamen minder dan 10 are waardoor deze niet onder beschermde houtopstanden vallen. Een melding bij provincie Limburg is niet nodig.
Figuur 4.1: Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied.
Figuur 4.2: NNN-gebieden in de omgeving van het plangebied.
Planten beschermde planten
HR/ 3.10 andere soorten
Nee
Geen
Geen
Vleermuizen verblijfplaatsen
HR
Mogelijk
Mogelijk
Zie 5.2
Vleermuizen - vliegroutes
HR
Nee
Geen
Geen
Vleermuizen essentieel foerageergebied
HR
Nee
Geen
Geen
Vleermuizen lichtverstoring
HR
Mogelijk
Mogelijk
Zie 5.2
Zoogdieren - habitatrichtlijn
HR
Nee
Geen
Geen
Zoogdieren andere soorten
3.10 andere soorten
Zeker
Zeker
Zie 5.2
3.10 andere soorten (vrijgesteld)
Zeker
Zeker
Zie 5.2
Vogels jaarrond beschermde nesten
VR
Mogelijk
Mogelijk
Zie 5.2
Vogels algemene broedvogels
VR
Mogelijk
Mogelijk
Zie 5.2
Amfibieën beschermde soorten
HR/ 3.10 andere soorten
Mogelijk
Mogelijk
Zie 5.2
Amfibieën vrijgestelde soorten
3.10 andere soorten (vrijgesteld)
Zeker
Mogelijk
Zie 5.2
Reptielen beschermde soorten
HR/ 3.10 andere soorten
Nee
Geen
Geen
Overige beschermde soorten beschermde soorten
HR/3.10 andere soorten
Nee
Geen
Geen
Zoogdieren vrijgestelde soorten
Natura 2000 doelsoorten/habitattypen
Nee
Geen
Geen
Mogelijk
Mogelijk
Zie 5.2.
Natuurnetwerk Nederland
Nee
Geen
Geen
Meldingsplicht bij de provincie
Nee
Geen
Geen
Natura 2000 stikstof
HR: Habitatrichtlijn VR: Vogelrichtlijn
niet meer verlichting dan nodig. Het gebouw (Rijksweg 6) is geschikt voor vleermuizen. Voorafgaand aan werkzaamheden aan de woning dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. Hiervoor dient het vleermuisprotocol van 2021 te worden gehanteerd om aan- of afwezigheid te bepalen. Nader onderzoek wordt uitgevoerd door avondbezoeken met een batdetector. Tussen medio mei en eind oktober worden 5 bezoeken afgelegd. Verder dient vanuit de zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming onnodige lichtverstoring van niet-essentieel foerageergebied voorkomen te worden. Dit kan door tijdens de aanleg- en gebruiksfase uitstraling van eventuele bouwlampen, buitenverlichting en straatverlichting naar boven te voorkomen. Gebruik bijvoorbeeld afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3
Er is een verblijf van de grote bosmuis aangetroffen. Omdat bestaande onderzoeksmethoden niet direct een meerwaarde opleveren wordt geadviseerd direct een ontheffing aan te vragen voor de soort. Er is één verblijf van de steenmarter aanwezig binnen het plangebied. Renovatie van de woning dient plaats te vinden binnen de vrijgestelde periode van de soort, tussen 15 augustus en februari. Sanering van het terrein en realisatie van de nieuwbouw zorgen mogelijk voor verstoring van de steenmarter. Bij voorkeur dienen al deze werkzaamheden binnen de vrijgestelde periode te worden uitgevoerd. Wanneer dit niet mogelijk is zal onder strikte ecologische begeleiding kan beperkt worden gewerkt binnen voortplantingsperiode (maart t/m 15 augustus). Hierin wordt rondom het verblijf een
verstoringsafstand ingesteld. Verstorende werkzaamheden binnen de beschermingszone worden buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd. De verstoringsafstand is afhankelijk van duur en intensiteit van de werkzaamheden maar ook van de functie van het verblijf. Wanneer beperkt gewerkt wordt binnen de niet-vrijgestelde periode wordt nader onderzoek d.m.v. augustus gedurende 6 weken geadviseerd. Het onderzoek moet uitwijzen of het om een kraamlocatie gaat op de zolder. Verdere maatregelen kunnen hierop worden aangepast. Ook kansrijke toegangen worden geplaatst om te bepalen welke openingen worden gebruikt. Er dient in alle situaties vooraf een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld waarin wordt vastgesteld hoe zorgvuldig te handelen omtrent de steenmarter.
Er zijn twee nesten van de eekhoorn aanwezig, één binnen de grenzen van het plangebied en één nest aangrenzend aan het plangebied. Geadviseerd wordt de boom binnen het plangebied met het eekhoornnest vóór aanvang van de werkzaamheden en binnen de vrijgestelde periode (maart t/m april of juli t/m november) te kappen. Voor het eekhoornnest aangrenzend aan het plangebied moet rekening gehouden worden met verstoring door werkzaamheden tijdens de niet vrijgestelde periode. Wanneer verstorende werkzaamheden niet buiten deze vrijgestelde periode (mei t/m juni of december t/m februari) kunnen plaatsvinden wordt geadviseerd om in eerste instantie het nest te verwijderen vóór aanvang van de werkzaamheden (maar binnen de vrijgestelde periode). Wanneer dit niet mogelijk is zal nader onderzoek moeten uitwijzen of het nest nog actief in gebruik is. Werkzaamheden worden uitgevoerd onder ecologische begeleiding en er
wordt een werkprotocol opgesteld waarin wordt vastgelegd hoe aantoonbaar zorgvuldig te handelen omtrent de verblijfplaatsen van de eekhoorn.
Het plangebied is zeer geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdieren zoals rosse woelmuis, egel en huisspitsmuis. In een ecologisch werkprotocol dient opgenomen te worden hoe hier mee omgegaan wordt tijdens de werkzaamheden.
Mogelijk is voortplantingshabitat van de Alpenwatersalamander aanwezig. Nader onderzoek moet uitwijzen of inderdaad sprake is van voortplantingswater. Het onderzoek wordt uitgevoerd door 2x tijdens de geschikte periode (maart t/m augustus) te scheppen.
Binnen het plangebied is winter en zomerhabitat voor algemeen voorkomende amfibieën aangetroffen. Om aan de zorgplicht te voldoen dient in een ecologisch werkprotocol te worden vastgelegd hoe met deze soorten wordt omgegaan voorafgaand en tijdens de werkzaamheden. De maatregelen zullen moeten worden vormgegeven naar aanleiding van de resultaten uit het eerder behandelde onderzoek naar Alpenwatersalamander.
Tijdens het onderzoek zijn mogelijk sporen van de kerkuil aangetroffen. Jaarlijks onderzoek bij het bestaande nestkast door de lokale werkgroep heeft nooit nestlocaties aangetoond, mogelijk mede door aanwezigheid van de steenmarter op de zolder. Nader onderzoek moet uitwijzen of er sprake is van een mogelijke roestplek op de zolder. Onderzoek wordt uitgevoerd door drie gerichte nachtelijke bezoeken tussen februari en augustus.
Tijdens het broedseizoen kunnen nesten van algemene broedvogels in te verwijderen bomen, nestkasten, struiken en opgaande begroeiing worden verstoord, beschadigd of vernield worden. Voer werkzaamheden die kunnen leiden tot het vernielen of verstoren van nesten buiten het broedseizoen uit of neem tijdig maatregelen om broedgevallen binnen invloedssfeer van verstorende werkzaamheden te voorkomen, bijvoorbeeld door opgaande beplanting binnen invloedssfeer van de werkzaamheden sterk terug te snoeien. Hier valt het wilgenstruweel onder. Het broedseizoen is geen vaste periode maar voor de meeste soorten is de periode maart - augustus een goede indicatie. Eerdere of latere broedgevallen zijn niet uitgesloten, met name van duiven. Bezette nesten zijn altijd beschermd, ongeacht de soort of periode. Tijdens het broedseizoen kunnen mogelijk verstorende werkzaamheden
uitsluitend worden uitgevoerd nadat een ecologisch deskundige heeft vastgesteld dat er geen bezette nesten aanwezig zijn. Zo nodig worden werkzaamheden uitgesteld of maatregelen getroffen om verstoring of vernieling van nesten te voorkomen, bijvoorbeeld met het instellen van een zone rondom het nest totdat de jongen het nest verlaten hebben.
Het plangebied bevindt zich op bijna 800m van Natura 2000-gebied het Savelsbos. Negatieve effecten door stikstofdepositie is niet uitgesloten, een AERIUS-berekening moet uitwijzen of hier inderdaad sprake van is.
Ten aanzien van álle dieren en planten (beschermd of niet beschermd), geldt de de Wet natuurbescherming. Met name geldt dit voor algemene soorten zoogdieren en amfibieën, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en
fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden en dat er te worden; Worden er tijdens de werkzaamheden toch beschermde soorten aangetroffen, leg dan het werk tijdelijk stil en neem contact op een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige en bevoegd gezag moet in dat geval duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan.
NDFF open database
Kennisdocumenten BIJ12 NDFF verspreidingsatlas, www.verspreidingsatlas.nl Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortenbescherming, Provincie Noord-Brabant : PDOK: luchtfoto Provincie Noord-Holland (Natura 2000-gebieden, NNN en GO) OpenStreetMap
De juridische bescherming van de Nederlandse natuur is in hoofdlijn geregeld via twee sporen. Hierbij zijn het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de soort- en gebiedsbescherming, die per 1 januari 2017 zijn geregeld onder de Wet natuurbescherming (Wnb), de belangrijke kaders. De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Deze nieuwe wet beoogt de bescherming van in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving waarbij onderscheidt wordt gemaakt in soort- en gebiedsbescherming. In onderstaande paragrafen is een globale toelichting gegeven op de achtergrond van deze nationale wetgeving waaraan voorgenomen ruimtelijke plannen en ingrepen worden getoetst.
De Wet natuurbescherming gaat uit van de
zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Indien specifieke maatregelen dienen te worden uitgevoerd, zal dit in onderhavig rapport worden toegelicht.
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden planten, behorende tot een beschermde inheemse plantensoort, te beschadigen of te plukken. Beschermde inheemse dieren mogen niet worden gedood, verstoord, verwond, gevangen en bemachtigd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen
verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden (zie tabel 2, bijlage 1). Voor de nationaal beschermde soorten heeft elke provincie een lijst opgesteld met soorten die in desbetreffende provincie zijn vrijgesteld
In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora- en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora- en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (art. 10). Hierdoor was de Flora- en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daarbij is het echter van belang te realiseren dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen:
Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of
Alle broedvogels in Nederland zijn gedurende het broedseizoen beschermd (art. 3.1 Wnb) en in sommige gevallen ook buiten die periode. Hierbij wordt door het bevoegd gezag onderscheid gemaakt tussen soorten uit de beschermingscategorie 1 t/m 4: jaarrond beschermde nesten (verblijfplaatsen van vogels die hun voortplantingsplaats het hele jaar of meerdere jaren achtereen gebruiken), categorie 5: niet-jaarrond beschermde vogelnesten (verblijfplaatsen van vogels die regelmatig naar hun verblijf terugkeren en over voldoende flexibiliteit beschikken en nieuw nest maken dat alleen in het broedseizoen beschermd is). Naar gelang de beschermingsstatus van het nest dienen maatregelen te worden getroffen om de functie van de nestlocatie te behouden
Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor dier- en plantensoorten kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn-gebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied in het kader van het Natuurnetwerk Nederland. Anders dan bij gebieds- en soortbescherming is de status van het NNN niet verankerd in de natuurwetgeving, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd
gezag (provincies). Voor NNN-gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de natuurdoelen. Voor ruimtelijke ingrepen in of nabij het NNN
Het hoofdstuk over houtopstanden in de Wet natuurbescherming is van toepassing op alle bossen en houtopstanden groter dan 10 are (1.000 m2) of, in geval van rijbeplantingen, meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. Er wordt gesproken van een bos als de bomen elkaar duidelijkbeïnvloeden. Als richtlijn voor de definitie van bos wordt een bedekkingspercentage van 60% gehanteerd. Het te kappen bos moet gecompenseerd worden, waardoor een meerwaarde voor natuur en landschap ontstaat Het deel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is niet van toepassing op:
Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; Houtopstanden op erven of in tuinen; Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; Kweekgoed; Uit populieren of wilgen bestaande: o 1. wegbeplantingen; o 2. Beplantingen langs waterwegen, en o 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; Het dunnen van een houtopstand; Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante
stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Om de natuur in Nederland weer tot een goed functionerend ecologisch netwerk te maken, wordt het Natuurnetwerk Nederland (de voormalige EHS; Ecologische hoofdstructuur) begrensd en aangelegd, als netwerk van bestaande en nieuwe natuur. Het beleidskader voor het aanwijzen (begrenzen) en beschermen van het NNN is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken van het NNN, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. Het NNN beschermingsregime is opgebouwd uit verschillende elementen die zijn opgenomen in de Spelregels NNN. Dit -regime, met als sluitstuk
natuurcompensatie, de maatwerkinstrumenten NNN saldobenadering en herbegrenzen NNN.
Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in -regime. Dat wil zeggen dat ontwikkelingen in het NNN die significante gevolgen hebben voor de kenmerken en waarden van het NNN alleen kunnen worden toegestaan als er sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieve oplossingen zijn. Indien een afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de - regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.