20230530 06b Bijlage - IHP Eijsden-Margraten NW.pdf
Tekst van het document
Gemeenten ontvangen via het gemeentefonds bekostiging voor onderwijshuisvesting. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het aanvragen voor de voorziening in de huisvesting (binnen de vastgestelde procedures). Schoolbestuur is in principe bouwheer voor de realisatie. De gemeente stelt bouwrijpe grond en middelen beschikbaar, maar gaat in principe niet zelf aan de slag. Indien schoolbestuur het bouwheerschap niet wenst, dient er een andere partij te worden gezocht, of ligt dit bij de gemeente. De gemeente heeft tevens de bekostigingsverantwoordelijkheid voor realisatie, instandhouding en exploitatie van gymnastiekvoorzieningen (lokaal bewegingsonderwijs). Wanneer een school gebruik maakt van een gemeentelijke sportvoorziening, dient de gemeente de accommodatie om niet in gebruik te geven voor het vastgestelde aantal klokuren. Het financieel risico van de exploitatie ligt bij de gemeente. Indien de gymnastiekvoorziening, na realisatie door de gemeente, eigendom is van het schoolbestuur, ontvangt deze voor het genormeerde aantal klokuren een vastgestelde vergoeding. Resterende kosten voor exploitatie en instandhouding kunnen via medegebruik opgevangen worden. In het amendement dat in februari 2020 aangenomen is door de Tweede Kamer, worden scholen verplicht per groep minimaal twee uur per week bewegingsonderwijs te geven (dit was tweemaal 0,75 uur).
Er staan geen klokuren of lesuren in het amendement en daarover zijn ook geen afspraken c.q. bepalingen aangepast. De KVLO gaat er daarom vooralsnog van uit dat de huidige afspraken c.q. bepalingen met betrekking tot de bekostiging en gemeentelijke facilitering van de accommodatie blijven gelden (artikel 117 WPO). Investeren in huisvesting ten behoeve van kinderopvang (kinderdagopvang, peuteropvang, buitenschoolse opvang) valt niet onder de zorgplicht van de gemeente en is daarmee ook geen onderdeel van de verordening. Organisaties voor kinderopvang worden op andere wijze gefinancierd en dienen zelf te investeren in hun huisvesting of een passende huur te betalen voor de huisvesting waar zij gebruik van maken. Maatschappelijke vraagstukken Onderwijshuisvesting dient bij nieuwbouw te voldoen aan de wettelijke bouweisen (bouwbesluit). Aan bestaande onderwijsgebouwen stelt de wetgever slechts beperkte wettelijke eisen. Belangrijkste voorwaarde is dat gebruik als schoolgebouw vergunbaar is en dat dus aan minimale eisen met betrekking tot gezondheid en veiligheid wordt voldaan. Dat is te begrijpen, omdat gebouwen en mogelijk losmaakbare materialen/elementen een levens- en gebruiksduur hebben van vele jaren (minimaal 40 jaar, gebouwniveau). Inhoudelijke veranderingen in het onderwijs kunnen aanleiding zijn voor gemeente en schoolbestuur om deze accommodaties onder de loep te nemen.
8
(Vervangende) nieuwbouw, uitbreiding, (gedeeltelijk) in gebruik nemen van bestaand gebouw, verplaatsing van bestaande noodlokalen, terrein voor het realiseren van voorgaande voorzieningen. Inrichting met onderwijsleerpakket en/of meubilair (mits niet eerder bekostigd). Medegebruik ander onderwijsgebouw.
DMS 23020142
44
Tegelijkertijd vragen maatschappelijke ontwikkelingen als klimaat, circulariteit, energieneutraliteit, Frisse Scholen en duurzaamheid aandacht bij zowel nieuwbouw als bestaande bouw. Deze ontwikkelingen vinden stap voor stap ook hun plek in bouwregelgeving. PO Raad, VO Raad, VNG en Rijk werken samen aan het verbeteren van het wettelijke kader. Momenteel ligt wetgeving voor die de schoolbesturen en gemeente meer gezamenlijke en gelijkwaardige verantwoordelijkheid geeft in de voorzieningen voor de huisvesting. Belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel is een wettelijk kader rondom renovatie, waarbij renovatie als levensduurverlenging van tenminste 25 jaar een volwaardig alternatief wordt voor nieuwbouw. De uitdaging voor gemeenten is om intussen keuzes te maken die daar soms op vooruit lopen. Een beter gebouw leidt tot een hogere kwaliteit van het onderwijs (door betere verblijfscondities) en een efficiëntere exploitatie voor het schoolgebouw (waardoor meer geld beschikbaar blijft voor onderwijs). Maar grotere huisvestelijke ambities leiden ook tot een hogere investering. Elke aanscherping van kwaliteitsafspraken voor nieuwbouw kost geld; de bouwkosten worden immers hoger. Belangrijke maatschappelijk ontwikkelingen zijn: •
Energie en CO2-neutraliteit De wetgever ontwikkelt beleid op weg naar energie-efficiëntie. De eerste stap naar deze verduurzaming werd gezet in het Energieakkoord uit 2013. Daarna zijn op wereldschaal in Parijs afspraken gemaakt en deze worden via klimaattafels in publiek-private samenwerking tussen overheid, instellingen, bedrijven en burgers vertaald naar concrete doelstellingen en een praktische aanpak voor Nederland: het Klimaatakkoord. Dit heeft consequenties voor zowel nieuwbouw in de vorm van verscherpte bouweisen als een verplichte aanpak van bestaand vastgoed met als doel het bereiken van CO2-neutraliteit in 2050. Inmiddels is het verplicht om bij nieuwbouw gasloos en bijna energie neutraal (BENG) te bouwen. Vanaf 2030 worden de eisen voor nieuwe gebouwen opgeschroefd naar volledig emissievrij (ENG). Bestaande gebouwen moeten vanaf 2030 voldoen aan minimaal energielabel E. Dat geldt ook voor onderwijshuisvesting (utiliteitsbouw). Er is een routekaart PO en VO ontwikkeld met te nemen stappen voor verduurzaming van schoolgebouwen.
•
Frisse Scholen en Kwaliteitskader Onderwijshuisvesting Kwaliteit van onderwijshuisvesting is van invloed op de prestaties van de leerlingen en het onderwijzend personeel. Het waarborgfonds & Kenniscentrum Ruimte-OK heeft in overleg met de PO-Raad en de VNG het Kwaliteitskader Onderwijshuisvesting ontwikkeld, waarin gebouwen worden beoordeeld op verschillende aspecten op de thema’s Beleving, Gebruik en Techniek. Het laat ook zien waar deze basiskwaliteit uitstijgt boven de wettelijke minimumeisen uit het Bouwbesluit. Het Waarborgfonds Kinderopvang heeft een soortgelijk kader opgesteld voor de kinderopvang: Kwaliteitskader Huisvesting Kinderopvang. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft als onderdeel van het programma Energiebesparing in de Gebouwde Omgeving van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een Programma van Eisen opgesteld met minimale eisen voor een goed binnenmilieu en een lage energierekening; PvE Frisse Scholen. Frisse Scholen is een kwaliteitskader, waarmee wetgever, gemeenten en onderwijs streven naar verbetering van de kwaliteit van zowel nieuwbouw als ook bestaande scholen, gericht op de verbetering van de verblijfsaspecten Energie, Lucht, Temperatuur, Licht en Geluid.
DMS 23020142
45
Voor alle thema’s zijn prestatie-eisen voor drie kwaliteitsniveaus omschreven; C, B en A. Op de thema’s energie en lucht dient bij nieuwbouw minimaal voldaan te worden aan klasse B, om te kunnen voldoen aan het Bouwbesluit. Gemeente, schoolbestuur en kindpartners zoeken samen op lokaal niveau een balans in de ambities en investeringen in gebouwkwaliteit. •
Duurzaamheid Onderwijshuisvesting moet de gebruiksfunctie duurzaam ondersteunen. Daarbij zijn neutraliteit in energiegebruik alsmede kwaliteit en hergebruik van materialen voor de hand liggende thema’s. Maar daarnaast moet ook aandacht zijn voor de continuïteit van geschiktheid van een schoolgebouw. Goede, relevante schoolgebouwen kunnen het onderwijs, en vooral de te verwachten veranderingen daarin, op lange termijn faciliteren. Gemeenten, schoolbesturen en kindpartners moeten ook vanuit dat inhoudelijke perspectief samen beoordelen of investeren in onderwijsgebouwen zinvol is met een blik, die verder gaat dan vandaag en morgen.
•
Circulaire economie Een transitie naar een circulaire economie is gaande, waarin hergebruik van materialen en grondstoffen en gebruik van hernieuwbare grondstoffen de uitgangspunten zijn. Door toekomstgericht relevante schoolgebouwen te realiseren wordt ingespeeld op de doelstellingen voor het Rijksbrede programma Nederland Circulair in 2050. Gemeenten, schoolbesturen en kindpartners moeten beslissen of desbetreffende toekomstgerichte investeringen passen bij de onderwijs- gebouwen en visie.
Een eerlijke balans De taakverdeling tussen gemeente en schoolbesturen voor adequate huisvesting kan problemen opleveren. Partijen hebben immers niet altijd gelijke belangen. Gemeente heeft er baat bij als het schoolbestuur een gebouw goed exploiteert en lang actief onderhoudt tot bij voorkeur zelfs na het einde van de gebruiksduur. Schoolbestuur ziet graag dat een gemeente proactief (vroeg) investeert in nieuwbouw van een efficiënt te exploiteren gebouw. De eerder geschetste maatschappelijke ontwikkelingen maken het gecompliceerder om tot afspraken te komen binnen het bestaande wettelijk kader. Daarbij zijn verschillende thema’s relevant: •
De discussie over duurzaamheid heeft een nieuwe dimensie gekregen door de snel scherper wordende eisen met betrekking tot energiegebruik. Vanuit duurzaamheidseisen wordt het onderscheid tussen exploitatie/onderhoud en investering minder relevant. Om die reden wordt het voorstel gedaan om renovatie, naast nieuwbouw c.q. opwaardering tot nieuwbouwvoorwaarden van een bestaand gebouw, een onderdeel van het voorzieningenpakket te laten worden (met als uitgangspunt dat dit leidt tot een levensduurverlenging van tenminste 25 jaar).
•
Het wordt relevanter dat vanuit Total Cost of Ownership een verband wordt gelegd tussen investeringen vanuit wettelijke zorgplicht en onderhoudsplannen van schoolbesturen op de middellange en lange termijn. Onderhoudsgelden kunnen dan immers samengevoegd worden met investeringsmiddelen om tot efficiënte maatregelen te komen.
•
Om dit te verbinden kan het helpen als schoolbesturen ruimte krijgen om mee te investeren in huisvesting vanuit hun materiële instandhoudingsvergoeding. Tot nu is dat ingewikkeld en slechts beperkt toegestaan voor het Voortgezet Onderwijs; enkel voor co-investeren in maatregelen, die in exploitatie terug verdiend kunnen worden. Voor het Primair Onderwijs en (Voortgezet) Speciaal Onderwijs zijn de beperkingen stringenter en uitbreiding van de mogelijkheden behoort tot de aan het Rijk aangereikte voorstellen voor een wetsaanpassing van PO Raad, VO Raad en VNG.
•
Een heldere en bindende planning op de middellange en lange termijn (tot 20 jaar) is noodzakelijk. Het is daarom waarschijnlijk dat het instrument Integrale Huisvestingsplanning (IHP) een wettelijke verankering krijgt en voor elke gemeente een verplichting wordt. Ook de procedures ten aanzien van jaarlijkse aanvragen dienen daarbij aangepast te worden aan de nieuwe werkelijkheid.
DMS 23020142
46
Goede financiële randvoorwaarden Bouwprijzen veranderen over tijd en ook op dit moment vindt een sterke ontwikkeling plaats. Deze volgt op een eerdere correctie na de recessie van 2008. De huidige prijsstijgingen worden ingegeven door verschillende omstandigheden. De laatste jaren zijn capaciteitsproblemen ontstaan in bouwmaterialen. Ook nemen de kosten van energie sterk toe en ook door stijgende personeelskosten stijgen de bouwkosten met tientallen procenten. Dit wordt versterkt door de toenemende kwaliteitseisen voor duurzaamheidsvragen, soms vooruitlopend op wettelijke verankering. Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG) is een verplichting, vooruitlopend op ENG en (zelfs) klimaatneutraliteit. In het verlengde van COVID is ook de aandacht voor binnenklimaat en luchtverversing sterk toegenomen. Gemeenten hanteren doorgaans normbedragen in hun verordening voor nieuwbouw en uitbreiding. De VNG stelt jaarlijks deze normbedragen vast als advies aan gemeenten. De normen gaan uit van ‘sober en doelmatig bouwen’ en zijn gebaseerd op het bouwbesluit. Gemeente kunnen dan in overleg met schoolbesturen, een balans zoeken op een hoger kwaliteitsniveau op basis van de beschikbare financiële ruimte. Daarbij zijn verschillende aandachtspunten relevant: •
Betaalbaarheid in relatie tot opgave: Toegekende bouwbudgetten in de uitvoeringsplanning moeten leiden tot uitvoerbare plannen. Dit vraagt van gemeente en schoolbesturen om in goed overleg een balans te zoeken tussen het toekennen van voorzieningen in het kader van zorgplicht en de soms beperkte financiële ruimte van de gemeente.
•
Kwaliteitsvoorwaarden: Hogere eisen vertalen zich in een hogere bouwprijs. De kwaliteitseisen zullen de komende jaren verder toenemen vanwege stappen in de richting van energieneutraliteit. Extra eisen leiden vaak tot grotere prijsstijgingen en later vlakken die dan af. Er moet daarom gestreefd worden naar een balans tussen kwaliteitseisen en het beschikbaar te stellen bouwbudget.
•
Eigen bijdrage van schoolbesturen: Schoolbesturen in het Voortgezet Onderwijs mogen vanuit Total Cost of Ownership (TCO)benadering mee-investeren in nieuwbouw of renovatie van een school als deze extra investeringen (in duurzaamheid) binnen een aanvaardbare tijd kunnen worden terugverdiend. De verwachting is dat deze mogelijkheden worden uitgebreid naar het Primair en (Voortgezet) Speciaal Onderwijs.
•
Lokale marktomstandigheden: De VNG baseert de normbedragen op een algemeen beeld van de prijsontwikkeling in de bouw. In verschillende delen van het land gelden vaak andere voorwaarden en het is aan een gemeente zelf om daar in IHP of verordening keuzes in te maken.
•
Continuïteit: Bouwprijzen kunnen binnen korte termijn sterk fluctueren. Met het oog op de te verwachten veranderingen in eisen de komende tijd, lijkt het voor de hand te liggen om in IHP en verordening afspraken te maken over hoe met prijsstijgingen kan worden omgegaan. Dit met het oog op de langjarige realiseerbaarheid van een gedragen, vast te stellen uitvoeringsprogramma.
DMS 23020142
47
Bijlage 4. Ateliersessie Strategische thema’s Aan de hand van een brede ateliersessie en een verdiepende bijeenkomst is een gezamenlijk perspectief ontwikkeld op thema’s die waardevol worden geacht voor kansrijk opgroeien binnen de gemeente. Dit vormt tevens een eerste aanzet voor de inhoudelijke lokale educatie (ontwikkel)agenda (LEA) voor de jeugd, door partners verder uit te werken.
DMS 23020142
48
DMS 23020142
49
DMS 23020142
50
DMS 23020142
51
KVK 12345678 BTW NL00 1234567 B12 IBAN NL00 BANK 1234 5678 9090
RO groep +31 43 350 00 50 info@rogroep.nl