20230214 07b Toelichting Bredeweg 29-29a te Banholt.pdf
Tekst van het document
Dit vanwege de ligging van de Harmoniezaal aan de Bredeweg 25 te Banholt een de geluidsuitstraling daarvan vanwege de activiteiten binnen en de verkeersbewegingen van en naar de zaal. In het uitgevoerde akoestisch onderzoek is het aspect industrielawaai meegenomen. 5.3.2
Verricht akoestisch onderzoek
De rapportage van het ten behoeve van voorliggende planontwikkeling uitgevoerde akoestische is bijgevoegd als Bijlage 5. Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan: De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer over de Bredeweg overschrijdt enkel op de oostelijke gevel van de 'markante woning' nabij de entree de voorkeursgrenswaarde (48 dB) met 3 dB. De maximale ontheffingswaarde (53 dB) wordt niet overschreden. Overdrachts- en/of bronmaatregelen stuiten op stedenbouwkundige en financiële bezwaren. Er dient een hogere waarde (51 dB) te worden verleend; De maximale gecumuleerde waarde, die wordt bepaald door de Bredeweg , bedraagt 56 dB waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'redelijk' en daarmee van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB in de nieuwe woningen gewaarborgd; Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient weliswaar in het kader van de te verlenen omgevingsvergunning een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel van de 'markante woning' nabij de entree. 5.3.3 Conclusie geluid Gelet op de uitkomsten van het uitgevoerde akoestische onderzoek vormt het aspect geluid (van externe komaf) geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.
Wel dient voor de 'markante woning' een hogere grenswaarde te worden verleend, en in het kader van de voor deze woning te verlenen omgevingsvergunning een nader onderzoek naar de geluidwering te worden verricht.
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
37
5.4
Milieuzonering
5.4.1 Algemeen Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. 5.4.2 Bestaande bedrijvigheid De meest nabijgelegen bestaande bedrijvigheid is de Harmoniezaal Amicitia, gelegen aan de Bredeweg 25 te Banholt. In paragraaf 2.1 van de rapportage van het akoestische onderzoek bijgevoegd alls Bijlage 5 is tevens ingegaan op het aspect industrielawaai vanwege de aanwezigheid van de harmoniezaal. Daaruit blijkt dat de nieuwe woningen de activiteiten van de harmoniezaal niet inperken. Andersom is geconcludeerd dat voor wat betreft het aspect geluid/industrielawaai een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in en rond de nieuwe woningen gewaarborgd is.
Voor het overige is in de nabijheid van onderhavig plangebied geen sprake van bedrijvigheid die van invloed is op het woningbouwplan en vice versa. Zo is tevens geen sprake van de aanwezigheid van bedrijven met een geurcontour die reikt tot over voorliggend plangebied (zie tevens de figuur in paragraaf 2.3.1). Ook voor wat betreft het aspect geur is ter plaatse van de nieuwe woningen binnen onderhavig plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5.4.3 Spuitzones Contact met chemische gewasbeschermingsmiddelen is slecht voor de gezondheid van de mens. Dit contact kan plaatsvinden via opname door de huid dan wel inademing. Teneinde te voorkomen dat een dergelijk contact kan plaatsvinden, is het wenselijk om een zekere afstand in acht te nemen tussen boomgaarden en woonpercelen. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een risicozone voor woon- en verblijfsgebieden aangehouden van 50 meter vanaf de perceelsgrens. Aan de west- en noordzijde van onderhavig plangebied zijn agrarische bestemde gronden met bestaande laagstamboomgaarden aanwezig. Aan de oost- en zuidzijde van het plangebied is sprake van voor agrarisch bestemde gronden alwaar het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, inclusief 1e herziening' de aanplant en exploitatie van een boomgaard niet in de weg staat.
Spuitvrije zone Voor wat betreft de om het plangebied voor agrarisch bestemde gronden is - voor zover gelegen binnen een zone van 50 meter ten opzichte van de nieuwe bestemming 'Wonen' - een spuitvrije zone opgenomen. Met de betreffende grondeigenaren zijn afspraken gemaakt over het onbespoten houden van bestaande en/of toekomstige fruitboomgaarden. De spuitvrije zone is planologisch verankerd in de planregels van voorliggend bestemmingsplan. Binnen deze zone is het gebruik van (chemische) gewasbeschermingsmiddelen opgenomen onder het ‘verboden gebruik’.
38
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
5.4.4 Conclusie milieuzonering Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1 Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. 5.5.2 Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht.
Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM1 0) of stikstofdioxide (NO2 ). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM1 0 als NO2 . Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Voorliggend plan voorziet in slecht 5 woningen. NIBM-tool InfoMil Ook leidt het plan niet tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat (uitgaande van het realisatiejaar van voorliggend plan in 2023) tot 2.080 extra voertuigenbewegingen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. Het gemiddeld aantal verkeersbewegingen per woning per etmaal bedraagt circa 10 bewegingen.
In casu is sprake van een totale verkeersgeneratie van circa 50 bewegingen per werkdagetmaat, hetgeen ruimshoots minder is dat het hiervoor aangehaalde aantal bewegingen.
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
39
5.5.3 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Het besluit is voor onderhavige planontwikkeling niet van toepassing. 5.5.4 Conclusie luchtkwaliteit Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
5.6
Externe veiligheid
Bij onderhavige planontwikkeling is sprake van het realiseren van één extra zogenaamd (beperkt) kwetsbaar object in het kader van externe veiligheid. Zodoende wordt hierna het beleid omtrent externe veiligheid beschouwd en wordt een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. 5.6.1 Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek.
In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf. Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden.
40
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
5.6.2 Risicovollebronnen Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige (beperkt) kwetsbaar object mogelijke externe veiligheidsrisico's, is de Risicokaart Limburg geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen, en risicovolle inrichtingen.
Risicokaart Limburg met aanduiding plangebied
Risicovolleinrichtingen (Bevi) Sinds 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht, op basis waarvan overheden verplicht zijn afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied is geen sprake van een risicovolle inrichting. Transportroutes (Bevt) In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) worden normwaarden gegeven voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Overeenkomstig het Bevt hoeft geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op minder dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, dient een berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van de) hoogte van het groepsrisico. Binnen een straal van 1 kilometer rondom het plangebied is geen sprake van een transportroute. Transportleidingen gevaarlijke stoffen (Bevb) Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan, op grond waarvan de bouw van een kwetsbaar object bij een
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
41
buisleiding wordt toegelaten: wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten ofwel binnen de PR-contour is de bouw van een kwetsbaar object niet toegestaan; wordt tevens het groepsrisico in het invloedgebied van de buisleiding verantwoord (invloedsgebied: het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is). Op circa 600 meter ten oosten van onderhavig plangebied is een ondergrondse buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) gelegen. In het Uitvoeringsbeleid externe veiligheid van de gemeente Eijsden-Margraten, zoals vastgesteld op 17 december 2019 wordt ten aanzien van deze DPO-leiding het volgende aangegeven. Het beteft een 10 inch vloeistofleiding (vanuit Noorbeek naar Margraten), waardoor brandbare vloeistoffen getransporteerd worden en geschikt is voor het vervoer van K2 en K3 producten. Hoofdzakelijk wordt kerosine door de buisleiding getransporteerd. Incidenteel vindt het transport van gasolie door de leiding plaats. De leiding staat momenteel op een lichts stikstof druk (0,5 bar). Defensie wil deze leiding in de toekomst niet meer gebruiken. De plaatsgebondenrisicocontour ligt op de leiding.
In een brief van 19 augutsus 2011 van het Ministerie van Defensie (kenmerk corsa 2011024820, ingekomen 22-8-2011) is aangegeven dat er geen knelpunten binnen de gemeente zijn ten aanzien van het groepsrisico. De leiding heeft een belemmeringenstrook van 5 meter, binnen deze strook mag niet gebouwd. Gelet op de afstand van onderhavig plangebied ten opzichte van de leiding zijn er geen belemmeringen. 5.6.3 Conclusie externe veiligheid Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico's in het kader van externe veiligheid. Daarbij mag worden aangenomen dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is; geen sprake is van woningbouw voor zorgbehoevenden of minder validen. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
42
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
Hoofdstuk 6
Overige ruimtelijke aspecten
Naast de diverse milieutechnische aspecten, zoals uiteengezet in Hoofdstuk 5, dient tevens te worden gekeken naar de overige ruimtelijke aspecten. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.
6.1
Archeologie en cultuurhistorie
6.1.1 Archeologie Archeologische waarden zijn bij wet beschermd (Erfgoedwet). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Voor (gemeentelijke) bestemmingsplannen betekent dit concreet het volgende: de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en monumenten; in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een vergunningenstelsel worden opgenomen. Zowel de aanvrager van een vergunning, waarbij bodemverstoring plaats vindt, kunnen langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Zo nodig kunnen aan dergelijke vergunningen regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden en monumenten. Op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009, inclusief 1e herziening’ is ter plekke van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ van toepassing. De gemeente Eijsden-Margraten beschikt voorts over de Erfgoedverordening gemeente Eijsden-Margraten 2013' en archeologische verwachtingenkaart.
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
43
Uitsnede archeologische verwachtingenkaart met aanduiding plangebied
Blijkens die kaart is ter plekke van het plangebied sprake van een gebied met een lage verwachting (trefkans), categorie 6. In deze gebieden dient bij bodemverstoringen dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld én met een groter oppervlak dan 25.000 m² archeologisch onderzoek te worden verricht. Voorliggend totaal plangebied is kleiner dan het hiervoor genoemde oppervlak. Een archeologisch onderzoek ten behoeve van onderhavige planontwikkeling behoeft dan ook niet te worden verricht. Middels voorliggend bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' opgenomen waarbij is voorgeschreven dat bij nieuwe bodemverstoring dieper dan 40 centimeter en met een groter oppervlak dan 2.500 m² archeologisch onderzoek dient te worden verricht. 6.1.2 Cultuurhistorie Ter plekke van het plangebie is geen sprake van cultuurhistorische waarden. Zo is de aanwezig bebouwing niet (Rijks)monumentaal danwel als beeldbepalend pand of object aangeweze in het facetbestemmingsplan 'Paraplu bestemmingsplan beeldbepalende panden en objecten Eijsden-Margraten'. 6.1.3 Conclusie archeologie en cultuurhistorie Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
44
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
6.2
Kabels en leidingen
6.2.1 Boven- en/of ondergrondse leidingen Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. 6.2.2 Nutsvoorzieningen De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen. 6.2.3 Conclusie kabels en leidingen Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.
6.3
Verkeer en parkeren
Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) verkeerskundige gevolgen alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 6.3.1 Ontsluiting en verkeersstructuur De bestaande ontsluiting in oostelijke richting op de Bredeweg, buiten de bebouwde komgrens, komt te vervallen. Wel blijft ter plekke en toegang tot het agrarische perceel met landschappelijke aanplant/inpassing aanwezig. Voor de ontsluiting van de nieuw te realiseren woningen wordt voorzien in een nieuwe ontsluiting in zuidelijke richting op de Bredeweg. Zoals in paragraaf 2.2 aangegeven is dit de enige mogelijke ontsluiting van onderhavig plangebied. Deze wordt gerealiseerd binnen de bebouwde kom van Banholt (Wegenverkeerswet). De nieuwe woningen worden rondom een centrale ontsluitingslus ('cul de sac') binnen het plangebied gesitueerd. Op grond van het facetbestemmingsplan 'Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten' en de daarbij opgenomen kaarten stedelijkheidsgraad is het plangebied gelegen in een niet-stedelijk gebied. Gelet op de te hanteren normen voor vrijstaande koopwoningen in niet-stedelijk gebied in het buitengebied dient rekening te worden gehouden met een verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal (mvt/etm). In totaal impliceert voorliggende planontwikkeling daarmee een verkeersgeneratie van 39 tot 43 mvt/etm.
Ten opzichte van de bestaand vergunde situatie is in de nieuwe situatie enkel sprake van licht verkeer, terwijl bij de agrarische bedrijfsbestemming ook sprake is van zwaarverkeer. De verkeersgeneratie als gevolg van voorliggende planontwikkeling is beperkt waarvoor problemen in de verkeersdoorstroming, -afwikkeling, en -veiligheid niet behoeven te worden verwacht. 6.3.2 Parkeren Op grond van het facetbestemmingsplan 'Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten' en de daarbij opgenomen kaarten stedelijkheidsgraad is het plangebied gelegen in een niet-stedelijk gebied. Gelet op de te hanteren parkeernormen voor vrijstaande koopwoningen in niet-stedelijk gebied in het buitengebied geldt een minimale parkeernorm van 2,0 en maximale parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen per woning. Gelet op de grootte van de afzonderlijke woningbouwkavels is deze ruimschoots afdoende om te kunnen voldoen aan de parkeerbehoefte op eigen terrein binnen de woonbestemming. De parkeernormen op grond van het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten' worden in voorliggend bestemmingsplan overgenomen.
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
45
6.3.3 Conclusie verkeer & parkeren Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
6.4
Waterhuishouding
6.4.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationaal waterplan is het (strategische) waterbeleid van het Rijk vastgelegd. De hoofdlijnen van het Nationaal waterplan luiden als volgt (artikel 4.1, lid 2 Waterwet): a. b. c. d.
een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen; een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn; een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid; een visie op de gewenste ontwikkelingen in verband met de voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen en waterschaarste, voor een periode van ten minste veertig jaren mede in verband met de verwachte klimaatveranderingen.
Het Nationaal waterplan kent een looptijd van 2016 tot 2021 en vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. 6.4.2 Provinciaalbeleid De provincie Limburg kent als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.
6.4.3 Watertoets Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap. Om te bepalen of een plan aan het watertoetsloket moet worden voorgelegd, is de 'digitale watertoets' ontwikkeld. Door middel van het intekenen van het plangebied en het beantwoorden van vragen wordt bepaald welke procedure van toepassing is. Raadpleging van de digitale watertoets leert dat onderhavig plangebied enkel is gelegen in een het grondwaterbeschermingsgebied.
46
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
Uitsnede kaart watertoets 6.4.4 Afhandeling afval- en hemelwater Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de nieuw te realiseren woningen binnen het plangebied zal worden afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zonodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Hemelwater (dak)verhardingen Het streven is om bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak af te koppelen van de gemeentelijke riolering. Daarbij is het streven om alles zoveel mogelijk klimaat adaptief aan te leggen. Indien sprake is van nieuwbouw op grond van voorliggend bestemmingsplan dient op basis van de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg per 1 april 2019 een te realiseren hemelwatervoorziening te worden gedimensioneerd op een extreme bui van met een neerslaghoeveelheid van 80 millimeter in 2 uur, met een noodoverlaat. Het opgevangen hemelwater dient binnen de eigen perceelsgrenzen te worden afgehandeld. Zo kan het hemelwater worden benut voor hergebruik, bijvoorbeeld middels een grijswatercircuit. Overtollig hemelwater dient op eigen terrein te kunnen worden gebufferd om vervolgens in de bodem te infiltreren.
Gelet op de grootte van het plangebied en de omvang van de afzonderlijke woningbouwkavels is afdoende ruimte beschikbaar om op eigen terrein te kunnen voldoen aan vorenstaande. Het voorzien in een adequate hemelwaterberging is middels voorwaardelijke verplichting in voorliggend bestemmingsplan verankerd. Het hemelwater dat valt op de ontsluitingslus en cul de sac zal worden opgevangen in een infiltratiegreppel langs de ontsluiting, om ter plekke te kunnen infiltreren.
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
47
Opvang schoon hemelwater Enkel schoon hemelwater mag worden opgevangen, waaraan geen verontreinigde stoffen worden toegevoegd. Uitloging bij infiltratie kan worden voorkómen door alleen schoon hemelwater te infiltreren. Een infiltratievoorziening kan in dat opzicht tevens dienst doen als bodempassage, waarmee gezorgd wordt dat het hemelwater wordt ontdaan van (diffuse) verontreinigingen alvorens het infiltreert. Voorkomen van wateroverlast Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, kan bij nieuwbouw worden voorkomen dat geen water in te realiseren gebouwen kan vloeien. Ditzelfde geldt voor het kunnen voorkomen van wateroverlast voor derden worden. 6.4.5 Conclusie Gelet op vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
6.5
Natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. 6.5.1 Natuurnetwerk Blijkens de kaart ‘Natuur’ van zoals opgenomen in de Omgevingsverordening is onderhavig plangebied niet gelegen binnen een onderdeel van het ‘Natuurnetwerk’ (NNN).
Uitsnede kaart 'Natuur' met aanduiding plangebied
48
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
6.5.2 Kernkwaliteiten In de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt ten aanzien van het beschermingsgebied ‘Nationaal Landschap Zuid-Limburg’ voorgeschreven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in deze gebieden – waarvan in casu sprake is – een beschrijving bevat van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. In het landschapplan (zie paragraaf 6.5.6) wordt ingegaan op de kernkwaliteiten in relatie tot voorliggende planontwikkeling en op welke wijze deze kwaliteiten zijn benut in het kader van de landschappelijke inpassing van het plan. Van een onevenredige aantasting van de kernkwaliteiten is geen sprake. 6.5.3 Natura2000 Natura2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd door de biodiversiteit te behouden. Natura2000 gebieden worden beschermd door de ‘Wet Natuurbescherming’.
In mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Deze beslissing heeft consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen welke een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben. Het PAS mag immers niet meer gebruikt worden als basis voor toestemmingverlening voor activiteiten en plannen die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Met inachtneming van deze problematiek heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een ‘Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden’ geïntroduceerd. In dit rapport wordt aangegeven dat ook bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden beoordeeld of de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Tevens wordt (bijvoorbeeld) aangegeven dat woningbouwplannen (ook kleinschalige woningbouwplannen) kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied.
Deze toename van de stikstofdepositie kan het gevolg zijn van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase (bijvoorbeeld als gevolg van de aanvoer van bouwmaterialen naar en grondverzet op de bouwplaats). Het gebruik van de woningen (de gebruiksfase) kan ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie. Deze toename kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van het gebruik van gas en het autoverkeer van bewoners en bezoekers van de woningen. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan, dient een voortoets te worden uitgevoerd. In een voortoets moet de vraag beantwoord worden of op grond van objectieve gegevens op voorhand kan worden uitgesloten dat een plan of project op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Of er sprake is van significant negatieve effecten hangt onder andere af van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden en de vraag welke gevolgen de toename van de stikstofdepositie heeft voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen. Onderhavig plangebied is gelegen op meer dan 2,5 kilometer gelegen ten opzichte van Natura 2000-gebieden.
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
49
Ligging projectgebied t.o.v. Natura2000 gebieden
Ten behoeve van onderhavige planontwikkeling is een stikstofonderzoek uitgevoerd. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Op grond van dat onderzoek is gebleken dat zowel in de realisatie- als de gebruiksfase géén sprake is van stikstofdepositie op stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. De depositie is nergens hoger dan 0,00 mol potentieel zuur/ha/jaar. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van N2000 gebieden ten gevolge van stikstof kunnen met zekerheid worden uitgesloten. 6.5.4 Kleinschaligelandschapselementen Ter plekke van onderhavig plangebied is op grond van het bestemmingsplan 'Buitengbied 2009, inclusief 1e herziening' de dubbelbestemming 'Waarde - Landschapselement' van toepassing. Aan deze dubbelbestemming is een kaart 'kleinschalige landschapselementen' gehecht. Het doel van de dubbelbestemming is om de kleinschalige elementen te behouden danwel te versterken.
Uitsnede kaart kleinschalige landschapselementen ter plekke van plangebied
50
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
Uit de kaart blijkt dat ter plekke van de gewenste woningbouw geen sprake is van kleinschalige landschapselementen die een planologische bescherming genieten. Wel is sprake van een een aantal hagen op de percelen binnen het plangebied alwaar de spuitvrije zone wordt vastgelegd, alsook is aan de zuidoostelijke zijde op de grens met de Bredeweg een steilrand/talud aanwezig. Als gevolg van voorliggende planontwikkeling is een nieuwe insnijding in de steilrand/talud onvermijdelijk vanwege het realiseren van een nieuwe ontsluiting op de Bredeweg. Om verschillende redenen (zie tevens paragraaf 2.2) is een ontsluiting op een andere plek van ter plekke van het bestaande talud niet wenselijk gebleken. Als gevolg van de nieuwe onsluiting zal een beperkt stuk van het westelijke deel van het talud aan de Bredeweg worden ingesneden en daarmee komen te vervallen. Daar tegenover staat dat het totale plangebied wordt voorzien in nieuwe aanplant met een nieuwe hagenstructuur en versterking van bestaand struweel perceelgreznen met overstaanders. De dubbelbestemming 'Waarde - Landschapselement' wordt in voorliggend bestemmingsplan overgenomen overeenkomstig de regeling in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, inclusief 1e herziening'. 6.5.5 Houtopstand Aan de zuidzijde van de bestaande varkensstal is een bestaande houtopstand aanwezig.
Deze houtopstand is aangeplant in het kader van de bouw van de stal en door de jaren heen doorgeschoten tot een robuuste houtsingel. Op de interactieve bomenkaart waardevolle en monumentale bomen van de gemeente Eijsden-Margraten is de houtsingel als monumentaal bestempeld. Weliswaar is in augustus 2019 door de gemeente Eijsden-Margraten omgevingsvergunning verleend voor het kappen van onderhavige houtopstand. Zulks in verband met het de toen voorgenomen bouw van vergroting van een agrarische opslagloods.
Interactieve bomenkaart waardevolle en monumentale bomen met aanduiding plangebied
Aan vergunningverlening door de gemeente heeft de volgende overweging ten grondslag gelegen: '[...] De aanvrager heeft een landschappelijk inpassingplan ter compensatie voorgesteld. Deze landschappelijke inpassing is afdoende indien de groenstrook aan de west- en zuidzijde van de nieuw te bouwen loods wordt aangeplant zoals voorgesteld. In eerder overleg met aanvrager en adviseur is aangegeven dat de vrijkomende grond gebruikt kan worden als grondwal t.b.v. de groenstrook, zo is het gebouw meer aan het zicht onttrokken en staat het groen al wat hoger (dit ter compensatie voor de nu nog te kappen houtwal die vanuit noordelijke richting ook het landschappelijk beeld verfraaid).
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
51
Aan de noordzijde is helaas geen ruimte op eigen terrein beschikbaar om nieuw groen aan te planten. De groenaanplant (boomgaard) op het belende perceel is nu afdoende. Aan de oostkant wordt een hoogstamfruitboomgaard aangeplant welke in combinatie met de nog op te richten woning ook de kopgevel van de nieuwe loods aan het zicht onttrekt. Als extra landschappelijk verfraaiing wordt in de naastgelegen weide (west/ zuidwestkant) de gevel van de gemeentelijke accommodatie (harmonie zaal) aan het zicht onttrokken met inheems struweel en een 1e orde boom geplant. Met de aanplant wordt het zicht op de kerktoren vanaf de rijweg tevens benadrukt en het doorzicht over de weide blijft eveneens behouden.' Bij de nu voorliggende planontwikkeling wordt - gelet op de landschappelijke inpassing - voorzien in een vergelijkbare compensatie zoals bij vergunningverlening in 2019 omschreven. Zo wordt ook nu voorzien in een hoogstamboomgaard aan de oostzijde, aanplant nabij de noordgevel van de harmoniezaal, het benadrukken van he tzicht op de kerktoren vanaf de rijweg, en verdere landschappelijke verfraaiing. Behoudens vergunningverlening door de gemeente is in juni 2021 voor de kap van de houtopstand tevens een melding als bedoeld in artikel 4.2 Wet natuurbescherming (Wnb) ingediend bij de provincie Limburg.
In verband met deze kapmelding geldt in beginsel een herplantplicht binnen 3 jaar na velling van de houtopstand. Deze herplantplicht is echter niet van toepassing voor het vellen van houtopstanden binnen de zogenaamde 'bebouwde boskomgrenzen'. Momenteel zijn door de gemeente geen bebouwde komgrenzen in het kader van de Wnb vastgesteld. De vaststelling van de bebouwde komgrenzen is in voorbereiding. Dat betekent dat de Wnb overal van toepassing is en het vellen van de houtopstand compensatieplichtig is. De provincie is bevoegd gezag vanuit de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van herplanting op andere grond, indien de herplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels. 6.5.6 Landschapsplan In het kader van voorliggende planontwikkeling is een landschapsplan vervaardigd. Het volledige plan is bijgevoegd als Bijlage 7.
52
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
Uitsnede landschapsplan
Het landschapsplan voorziet in diverse beplantingselementen ter inpassing en kwaliteitsverbetering van het plangebied. Voorzien wordt in de aanplant van hagen, een hoogstamboomgaard, hooiland met bloem- en kruidenrijke vegetatie, boomgroepen met markante bomen, en versterking van het bestaande struweel langs de Hondsrugweg. Bij de nieuwe aanplant wordt rekening gehouden met zichtlijnen op o.a. de dorpskern Banholt komende vanuit Reijmerstok. De gemeentelijke kwaliteitscommissie heeft positief geadviseerd over het landschapsplan. De daadwerkelijke uitvoering en instandhouding van het wordt middels een voorwaardelijke verplichting in voorliggend bestemmingsplan geborgd. 6.5.7 Flora en fauna Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb)in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In deze wet zijn de onderdelen uit de Europese Habitatrichtlijn en onder meer de Vogelrichtlijn, die de bescherming van soorten betreft, geïmplementeerd. De wet biedt ook het kader voor de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten die geen bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Er gelden een aantal verboden ter bescherming van beschermde dier- en plantensoorten.
Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Gelet op de terreingesteldheid ter plekke van het plangebied, de aanwezige en te slopen bebouwing, en de te kappen begroeiing is een quickscan flora en fauna verricht. De rapportage van deze quickscan is bijgevoegd als Bijlage 8. Op grond van de quickscan zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan: Voor wat betreft Natura2000 wordt in de quickscan verwezen naar uit te voeren stikstofberekeningen. In paragraaf 6.5.3 is ingegaan op betreffende stikstofberekeningen waaruit is gebleken dat er geen sprake is van negatieve effecten; Het plangebied is gelegen buiten het Natuurnetwerk waardoor in dat verband geen vervolgstappen noodzakelijk zijn; Het plangebied is leefgebied van beschermde broedvogels.
Indien werkzaamheden (vellen van bomen en/of het rooien van struweel) plaats vindt buiten het broedseizoen (1 maart - 15 juli) behoeft geen ontheefing te worden aangevraagd; Te allen tijde geldt de algemene zorgplicht ex artikel 1.11 Wnb; Bij het onverhoopt toch aantreffen van beschermde planten- of diersoorten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden waarvoor geen vrijstelling geldt, dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd en dient contact opgenomen te worden met een ecoloog om benodigde vervolgstappen te bespreken; 6.5.8 Conclusie natuurbescherming Gelet op vorenstaande uiteenzetting, alsook hiermee rekening houdend, vormt het aspect natuurbescherming geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling.
6.6
Duurzaamheid
Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
53
(levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. Inmiddels is een convenant Duurzaam Bouwen door diverse partijen ondertekend, waarbij partijen zich verplichten de duurzaamheidmaatregelen uit de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen, uit te voeren. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag zal door de gemeente op de duurzaamheidaspecten worden getoetst.
54
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
7.1
Grondexploitatie
7.1.1 Algemeen Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel 'Grondexploitatie'. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van den openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden. 7.1.2 Exploitatieplan Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).
Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden: het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd; het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden; het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden; het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen; het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel. De gemeente Eijsden-Margraten heeft met initiatiefnemer een (privaatrechtelijke) anterieure overeenkomst gesloten. Het verhaal van kosten is hierdoor anderszins verzekerd.
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
55
7.2
Planschade
Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan. In de met de gemeente Eijsden-Margraten gesloten (privaatrechtelijke) anterieure overeenkomst is tevens het verhaal van planschade opgenomen. Eventuele tegemoetkomingen in planschade zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
56
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
Hoofdstuk 8
Planstukken
Het bestemmingsplan 'Bredeweg 29-29a te Banholt' van de gemeente Eijsden-Margraten bestaat uit voorliggende toelichting, regels en een verbeelding.
8.1
Algemeen
Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, worden met de inwerkingtreding van de Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket 'RO Standaarden 2012' ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Vergelijkbaarheid van bestemmings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) op drie manieren gerealiseerd: er is een begrippenkader gegeven dat in de plannen toegepast moet worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lijsten van bestemmingshoofdgroepen met mogelijke gebruiksdoelen, dubbelbestemmingen, aanduidingen, indeling van regels etc. Voor het hanteren van het begrippenkader is geen specifieke software vereist; er is een verplichte 'analoge verbeelding' voorgeschreven, hetgeen inhoudt de manier waarop het plan op papieren kaarten moet worden getoond. Er zijn dwingende regels inzake de opmaak van het plan.
Voor het opmaken van plannen is in de praktijk speciale software benodigd; er is een verplichte 'digitale verbeelding' voorgeschreven, waarmee wordt gedoeld op het tonen van het plan in een digitale omgeving (website). Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.
8.2
Toelichting, regels en verbeelding
Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven. 8.2.1 Toelichting De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan. 8.2.2 Regels Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld, waarbij opgemerkt dient te worden dat niet elk bestemmingsplan alle elementen van navolgende opbouw bevat:
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
57
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Bestemmingen Voorlopige bestemmingen Uit te werken bestemmingen Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingssregels Algemene wijzigingsregels Verwezelijking in de naaste toekomst Algemene procedureregels Overige regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel De regels van de verschillende bestemmingen worden als volgt opgebouwd, waarbij eveneens geldt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid Vorenstaande gestandaardiseerde opbouw is gehanteerd bij het opstellen van de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan. Hierbij zijn de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009, inclusief 1e herziening' als uitgangspunt genomen. 8.2.3 Verbeelding De 'vroegere' plankaart wordt in het kader van het huidige planologische regime aangeduid als 'verbeelding'.
Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie-/maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven. De verbeelding met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan is diigitaal raadpleegbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl. De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.
58
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
8.2.4 Toelichting juridische regeling Voor het plangebied wordt middels voorliggend bestemmingsplan ter plekke van de vijf nieuwe bouwkavels de bestemming 'Wonen' vastgelegd. De bouwvlakken zijn overeenkomstig de situering van de woningen in het beeldkwaliteitsplan opgenomen. Om de gewenste situering van de nieuwe woningen rondom de 'cul-de-sac' te waarborgen, is middels een specifieke bouwaanduiding voor 4 van de 5 kavels (behoudens de 'markante woning') voorgeschreven dat de bebouwing op maximaal 10 meter afstand van de zuidelijke grens van het bouwvlak mag worden gesitueerd. Het bouwvlak op de verbeelding is in dit geval groter dan de toegestane bouwoppervlakte van de hoofdgebouwen. Dit is opgenomen om flexibiliteit te behouden voor de (nog te ontwerpen) nieuwbouwwoningen. De maximale bouwoppervlakte van de hoofdgebouwen is opgenomen in artikel 5.2.2 van de regels. Bijgebouwen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan tot een maximum oppervlak van 150 m². Voor de meest zuidelijke woning aan de entree van Banholt zijn geen vrijstaande bijgebouwen toegestaan. Voor deze woning is wel een grotere bouwmassa voor het hoofdgebouw opgenomen. Op deze wijze krijgt de markante ligging van deze woning een publiekrechtelijke vertaling. De bouwregels van de bestemming 'Wonen' zijn in lijn met de bepalingen in het beeldkwaliteitplan.
Dit beeldkwaliteitplan gaat onderdeel uitmaken van de gemeentelijke Welstandsnota. Op deze wijze is de gewenste beeldkwaliteit ter plekke van het plangebied verankerd. De ontsluiting van de vijf nieuwe bouwkavels rondom een 'cul de sac' wordt bestemd voor 'Verkeer'. Binnen deze verkeersbestemming is ruimte gereserveerd voor het kunnen realiseren van waterhuishoudkundige voorzieningen. Ten laatste is voor de overige gronden binnen het plangebied de bestemming 'Agrarisch' van toepassing. Ter plekke van deze gronden is tevens de aanduiding 'spuitvrije zone' opgenomen waarbinnen een verbod is opgenomen om gebruik te maken van chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten op het goed woon- en leefklimaat. Naast de diverse hoofdbestemming is een drietal dubbelbestemmingen overeenkomstig het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009, inclusief 1e herziening' overgenomen. Dit betreft de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 6', 'Waarde - Landschapselement', en 'Waterstaat - Erosie'. Ook is de gebiedsaanduiding 'overige - zone hoogstamboomgaarden' overeenkomstig overgenomen.
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
59
60
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
Hoofdstuk 9 procedure 9.1
Vooroverleg, inspraak en formele
Inleiding
De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerp bestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
9.2
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg plegen andere betrokken overheden en overheidsdiensten (wettelijke adviseurs). Daarbij moet worden gedacht aan naburige gemeenten, het waterschap, en de diensten van het Rijk en de provincie. Overleg met het waterschap is altijd verplicht, terwijl het tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoort om te beoordelen of overleg met de desbetreffende diensten van het Rijk en de provincie nodig is. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van overeenkomstige toepassing. De bedoeling van dit vooroverleg is voornamelijk om de opstellers van het plan tijdig de mogelijkheid te geven het plan desgewenst aan opmerkingen van andere overheden aan te passen. Voorliggend bestemmingsplan is voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure voorgelegd aan het Waterschap Limburg en de provincie Limburg. Het waterschap heeft op 16 mei 2022 kenbaar gemaakt dat het plan akkoord is. De provincie heeft in haar reactie op 21 juni 2022 geadviseerd om in overweging te nemen om de sloop van de bestaande varkensstal en het intrekken van de bestaande vergunningen voor de opslagloods en bedrijfswoning als voorwaardelijke verplichting bij de woonbestemming in de regels van het plan op te nemen.
Dit om de balans in kwaliteitsverbetering te kunnen garanderen. Tevens heeft de provincie aangegeven dat in de toelichting van het plan de uitkomst van de regionale afstemming op grond van de SVWZL dient te worden opgenomen. Aan de opmerkingen van de provincie is in voorliggend bestemmingsplan tegemoet gekomen.
9.3
Inspraak
Ingevolge artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in voornoemd artikel bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan, waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12, lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht en langs elektronische weg. De gemeente Eijsden-Margraten beschikt over een inspraakverordening. Op basis van die verordening behoeft voor voorliggende planontwikkeling geen inspraakprocedure te worden doorlopen.
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt
61
9.4
Formele procedure
9.4.1 Algemeen De wettelijke (formele) bestemmingsplanprocedure, die circa 26 weken in beslag neemt, bestaat uit navolgende stappen: 1. 2.
3. 4. 5.
6. 7.
Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan. Ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan met alle bijbehorende stukken gedurende 6 weken. Tevens wordt de bekendmaking toegezonden aan Gedeputeerde Staten, belanghebbenden en betrokken Rijksdiensten. Gedurende de termijn van ter inzage legging kan een ieder zienswijzen naar voren brengen. Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken. Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door ter inzage legging met voorafgaande kennisgeving en toezending van het besluit tot vaststelling aan Gedeputeerde Staten en betrokken Rijksdiensten, Waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling. Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden. Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.4.2
Zienswijzen
Het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan heeft vanaf donderdag 15 september 2022 tot en met woensdag 26 oktober 2022 voor zienswijzen ter visie gelegen. Gedurende deze termijn zijn drie zienswijzen ingekomen. De beantwoording van deze zienswijzen is opgenomen in de 'Nota van zienswijzen bestemmingsplan Bredeweg 29-29a te Banholt', opgenomen als Bijlage 9. Voor de inhoud van de beantwoording en de in het voorliggende bestemmingsplan doorgevoerde wijzigingen wordt verwezen naar deze nota van zienswijzen.
62
bestemmingsplanBredeweg 29-29a te Banholt