20211011 05i BP Europapark Bijlage Archeologisch rapport .pdf
Tekst van het document
Archeologisch onderzoek Europapark 1 te Gronsveld Archeologisch bureauonderzoek en IVO‐O verkennende fase door middel van boringen Europapark 1 te Gronsveld, gemeente Eijsden‐Margraten. AA200101.R01.v0.1.ARG280 Archeologische Rapporten Geonius 280 2 maart 2021
Bron: fotoarchief Geonius
Archeologisch onderzoek Europapark 1 te Gronsveld Archeologisch bureauonderzoek en IVO‐O verkennende fase door middel van boringen Europapark 1 te Gronsveld, gemeente Eijsden‐Margraten. Documentnummer AA200101.R01.v0.1.ARG280 2 maart 2021 Bureauonderzoek en IVO‐O Archeologische Rapporten Geonius 280 ISSN 2405‐5506 Opdrachtgever Slokker Vastgoed BV Versie Concept v0.1
Auteurs N. Vlieks J.J.G. Geraeds
+31 88 130 06 00 info@geonius.nl Postbus 1097 6160 BB Geleen
Geonius.nl Autorisatie Functie
Naam
Senior KNA archeoloog Senior KNA prospector Senior KNA archeoloog bureauonderzoek
J.J.G. Geraeds
AA200101.R01.v0.1.ARG280
2 van 37
Paraaf
Administratieve gegevens Opdrachtgever:
Uitvoerder:
Bevoegde overheid: Beheer en plaats van documentatie: Landelijk registratienummer: Locatie:
NOaA archeoregio: Onderzoekskader: Onderzoeksteam: Type onderzoek: Tijdstip onderzoek:
Slokker Vastgoed BV Postbus 55 Lindenlaan 75 1271 AW Huizen Geonius Archeologie De Asselen Kuil 10 6161 RD Geleen Contactpersoon: N. Vlieks E: n.vlieks@geonius.nl T: 088‐1300600 Gemeente Eijsden‐Margraten Archief Geonius & Provinciaal depot te Heerlen 4952579100 Gemeente: Eijsden‐Margraten Plaats: Gronsveld Toponiem: Europapark 1 Centrum coördinaat: X179431.96; Y313150.42 Kaartblad: 61F Omvang plangebied: ca. 530 m2 Kadastrale gegevens: GVD 01 perceelnr. 3495 Limburgs lössgebied Omgevingsvergunning J.J.G. Geraeds (senior KNA archeoloog) N. Vlieks (archeoloog) Bureauonderzoek & IVO‐O verkennende fase door middel van boringen februari‐maart 2021
Geonius Archeologie is een onderdeel van Geonius Milieu B.V. Geonius is gecertificeerd voor de protocollen 4001 (Programma van Eisen), 4002 (Bureauonderzoek), 4003 (Inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven landbodem) van de SIKB BRL 4000 Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN‐EN‐ISO 9001:2015, NEN‐EN‐ ISO 14001:2015, VCA**2017/6.0 en CO2 Prestatieladder niveau 3.
Bronzen riemverdeler uit circa 900 na Chr. De riemverdeler of driepas is het beeldmerk van Geonius Archeologie. Een riemverdeler verbindt verschillende riemen met elkaar en draagt zodoende zorg voor één geheel. De vorm komt overeen met het logo van Geonius dat staat voor de van oorsprong drie disciplines die één organisatie vormen en zorg dragen voor de uitvoering van integrale projecten..
AA200101.R01.v0.1.ARG280
3 van 37
Samenvatting In opdracht van Slokker Vastgoed BV heeft Geonius Archeologie in februari 2021 een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied Europapark 1 te Gronsveld, gemeente Eijsden‐Margraten. Aanleiding voor het uitvoeren van het onderzoek is de aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van een appartementencomplex. Het onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO‐O) verkennende fase door middel van boringen. Het plangebied bevindt zich op een lösswand die de overgang vormt van het laaggelegen rivierdal van de Maas naar een plateauterras. Binnen het plangebied komen volgens de Bodemkaart van Nederland radebrikgronden, ontwikkeld in siltige leem, voor. In het verleden is het plangebied in gebruik geweest als boomgaard. Gedurende de jaren ’40‐’60 van de vorige eeuw is het plangebied en omliggende terrein heringericht als park en is het plangebied grotendeels bebouwd waarbij de bebouwing is voorzien van kelders (tot circa 1,5 m –mv). Bij de aanleg van het park heeft vermoedelijk aftopping en/of egalisatie plaatsgevonden. Als gevolg van deze ingrepen zal de bodem binnen het plangebied naar verwachting geroerd zijn en zullen eventueel aanwezige archeologische waarden vermoedelijk reeds verstoord of vernietigd zijn. Het plangebied bevindt zich net buiten de historische kern van Gronsveld.
Ten zuiden van het plangebied zijn een vindplaats uit het Midden‐Neolithicum en een grafveld en nederzetting uit de IJzertijd opgegraven. Aan de hand van bovenstaande gegevens is een lage archeologische verwachting voor alle perioden opgesteld, vanwege de verwachte bodemverstoringen binnen het plangebied. Uit de uitgevoerde boringen is gebleken dat de bodem buiten de bestaande bebouwing bestaat uit verstoringen tot een diepte van ca.30‐50 cm ‐mv en vervolgens pakketten verspoelde löss (colluvium), dat als relatief jong colluvium geïnterpreteerd werd op basis van steenkoolinclusies. Onder de verspoelde löss werd een afgetopte/geërodeerde C‐horizont waargenomen (ca. 155‐180 cm ‐mv). Uit het onderzoek is gebleken dat de bodem binnen het plangebied grotendeels verstoord is als gevolg van bebouwing en dat de bodem van het onbebouwde deel van het plangebied bestaat uit relatief jong colluvium met daaronder een afgetopte of geërodeerde C‐horizont. Op basis van deze gegevens worden geen archeologische waarden binnen het plangebied verwacht en wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
4 van 34 AA200101.R01.v0.1.ARG280
Inhoud 1
Inleiding ......................................................................... 7
1.1 1.2 1.3
Aanleiding en doelstelling Onderzoeksopzet en richtlijnen Beleidskader
2
Bureauonderzoek ....................................................... 11
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.5.1 2.5.2 2.6 2.7 2.7.1 2.7.2 2.7.3 2.7.4 2.8 2.8.1 2.8.2 2.8.3 2.8.4 2.9
Algemeen 11 Situering plangebied 12 Huidig gebruik 12 Toekomstige inrichting 13 Aardkundige waarden 13 Geologie & geomorfologie.................................................................................................................... 14 Bodem ........................................................................................................................................................ 15 Actueel Hoogtebestand 16 Historische situatie en mogelijke verstoringen 18 Bewoningsgeschiedenis ..................................................................................................................... 18 Historische ontwikkeling plangebied ............................................................................................ 19 Mogelijke verstoringen ....................................................................................................................... 22 Ondergrondse bouwhistorische gegevens ................................................................................... 22 Bekende archeologische waarden 22 Archeologische monumentenkaart ............................................................................................... 22 ARCHIS Waarnemingen......................................................................................................................
22 Onderzoeksmeldingen ........................................................................................................................ 24 Gemeentelijke verwachtingskaart.................................................................................................. 25 Gespecificeerde verwachting 26
3
Conclusies en aanbevelingen ................................ 31
7 7 8
3.1 Conclusies 3.2 Aanbevelingen Literatuurlijst Gebruikte bronnen Verklarende woordenlijst Gebruikte afkortingen
31 32 33 33 35 36
Bijlagen Bijlage 1 Bouwtekening voormalige bebouwing Bijlage 2 Bouwtekening nieuwbouw Bijlage 3 Boorpuntenkaart Bijlage 4 Boorprofielen Bijlage 5 Tijdtabel
AA200101.R01.v0.1.ARG280
5 van 37
Lijst van afbeeldingen Afbeelding 1: Situering plangebied 12 Afbeelding 2: Luchtfoto plangebied. 13 Afbeelding 3: Uitsnede geomorfologische kaart van Nederland. 15 Afbeelding 4: Uitsnede bodemkaart van Nederland 16 Afbeelding 5: Uitsnede AHN 17 Afbeelding 6: Hoogtezones in plangebied en omgeving 17 Afbeelding 7: Uitsnede Tranchotkaart (1806) 20 Afbeelding 8: Uitsnede Kadastrale Minuutplan (1832) 21 Afbeelding 9: Uitsnede topografische kaart 1962 21 Afbeelding 10: Overzicht AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en ARCHIS-waarnemingen 25 Afbeelding 11: Uitsnede archeologische monumenten- en verwachtingkaart voor de gemeente Eijsden-Margraten 26 Afbeelding 12: Kelders onder de voormalige bebouwing in het plangebied 30
Lijst van tabellen Tabel 1: overzicht ARCHIS-waarnemeningen Tabel 2: overzicht onderzoeksmeldingen
AA200101.R01.v0.1.ARG280
6 van 37
23 24
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Op 18‐2‐2021 is door Slokker Vastgoed BV aan Geonius Archeologie te Geleen opdracht verleend voor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voor de locatie Europapark 1 te Gronsveld in de gemeente Eijsden‐ Margraten. Aanleiding tot uitvoering van het onderzoek vormt de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van een appartementencomplex. Vanwege de ligging van het plangebied in een gebied dat volgens het vigerende bestemmingsplan gedeeltelijk een dubbelbestemming waarde archeologie heeft dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden, alvorens de omgevingsvergunning kan worden verkregen. Het archeologisch onderzoek heeft tot doel het opstellen van een gespecificeerde verwachting. Het resultaat is voorliggend rapport, op basis waarvan het bevoegd gezag een beslissing kan nemen over een eventuele vervolgstap in de AMZ (Archeologische Monumenten Zorg) cyclus.1
1.2 Onderzoeksopzet en richtlijnen Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek dat is uitgevoerd conform de SIKB BRL 4000 protocol 4002 en een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO‐O) verkennende fase door middel van boringen dat is uitgevoerd conform de SIKB BRL 4000 protocol 4003. Beide protocollen maken deel uit van de beoordelingsrichtlijn (BRL) 4000.2 De BRL 4000 is opgesteld op basis van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie versie 43 die beheerd wordt door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB).4 In navolging op hoofdstuk 1, het inleidend hoofdstuk, worden in hoofdstuk 2 de resultaten van het bureauonderzoek vermeld op basis waarvan de gespecificeerde verwachting is bepaald. In hoofdstuk 3 worden de conclusies en aanbevelingen geformuleerd.
1
Sterk vereenvoudigd kent de AMZ cyclus vier opeenvolgende en nauw samenhangende fasen. De eerste fase behelst de inventarisatie (bijv. kartering) en documentatie van archeologische waarden: waar in de bodem is wat aanwezig? In de tweede fase wordt aan de hand van een reeks heldere criteria vastgesteld welke waarde de gekarteerde resten hebben , zodat op basis van geëxpliciteerde normen vervolgens een selectie kan worden gemaakt: welke resten verdienen het behouden te worden (in of ex situ) en welke mogen ongezien verloren gaan? In de derde fase wordt het behoud vormgegeven van de gewaardeerde en geselecteerde resten: is het mogelijk om de archeologische resten in de bodem te behouden of moeten ze – bijvoorbeeld onder druk van ruimtelijke ontwikkelingen ‐ opgegraven worden? In het eerste geval moet worden vastgesteld hoe bescherming in situ (instandhouding) wordt vormgegeven, in het tweede geval hoe de opgraving moet worden uitgevoerd en uitgewerkt. In de vierde en laatste fase van de AMZ‐cyclus worden tenslotte de resultaten van het uitgevoerde onderzoek 'opgewerkt' tot nieuwe kennis over de Nederlandse geschiedenis. Deze kennis op haar beurt vormt weer de inbreng voor de eerste procesfase. 2 de BRL 4000 is op 1 juli 2018 vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) en ondergebracht bij de SIKB te Gouda.
3 Deze versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1) is op 1 juli 2018 vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie, ondergebracht bij de SIKB te Gouda. 4 www.sikb.nl
AA200101.R01.v0.1.ARG280
7 van 37
Het archeologisch onderzoek is er op gericht om de volgende onderzoeksvragen te beantwoorden: 1. Wat is bekend over de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied? 2. Wat was het historisch landgebruik van het plangebied, wat is het huidig landgebruik en wat is de verwachte invloed daarvan op de (bodem)gaafheid en mogelijk aanwezige archeologische waarden? 3. Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn over het plangebied bekend? 4. Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? 5. Wat is de invloed van de toekomstige inrichting op eventueel aanwezige archeologische waarden?
1.3 Beleidskader Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet‐ en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. Het verdrag van Valletta (Malta), beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Gemeenten hebben een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. In het vigerende bestemmingsplan “Gronsveld en Rijckholt 2013” vastgesteld op 28‐05‐2013 heeft het plangebied een dubbelbestemming “waarde archeologie 4”, waarvan de bestemmingsomschrijving (artikel 25) met bijbehorende regels hier onder weergegeven staat.5 Artikel 25
25.1
Waarde – Archeologie 4
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen.
25.2 a. b.
25.3 a.
b.
5
Bouwregels Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Op de in lid 25.1 genoemde gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; 2. een bouwwerk zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,50 meter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; 3. een bouwwerk met een oppervlakte tot ten hoogste 500 m2.
Afwijking van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 25.2 onder a met in acht neming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 25.3 onder a wordt verleend, indien:
www.ruimtelijkeplannen.nl
AA200101.R01.v0.1.ARG280
8 van 37
1.
c.
op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; 2. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 25.3 onder a kan voorts worden verleend, indien mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de ontheffing voorwaarden te verbinden gericht op: 1. het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen of; 3. het laten begeleiden van de bodemverstorende activiteit door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
25.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 25.4.1 Verbodsbepaling Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 meter, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen,mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het verlagen van het waterpeil; c. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; d. het aanleggen van ondergrondse transport‐, energie‐ of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
25.4.2
Toepassingsbereik
Het verbod, als bedoeld in lid 25.4.1 is niet van toepassing indien: a. mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; b. mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn; c. de werken een oppervlakte hebben tot ten hoogte 500 m2 of smaller zijn dan 1,5 m1; d. er reeds een verleende aanlegvergunning, ontgrondingvergunning of omgevingsvergunning is verleend; e. de werken reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan; f. de werken behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden; g. de werken ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
25.4.3
Voorwaarden aan de vergunningverlening
Voor zover mede op basis van archeologisch onderzoek bepaald is dat de in lid 25.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
AA200101.R01.v0.1.ARG280
9 van 37
b. c.
de verplichting tot het doen van opgravingen of; de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificatie.
AA200101.R01.v0.1.ARG280
10 van 37
2 Bureauonderzoek 2.1 Algemeen Het doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het bureau onderzoeksgebied, om daarmee te komen tot een gespecificeerde, archeologische verwachting van het plangebied. Met de afbakening van het bureau onderzoeksgebied wordt het gebied aangeduid, waarvan de gegevens over de historische situatie, bekende archeologische waarden en verwachtingen gebruikt gaan worden in het bureauonderzoek. Dit gebied kan groter zijn dan het plangebied. Voor onderhavig onderzoek is een straal van circa 500 m om het plangebied aangehouden als bureau onderzoeksgebied. Dit gebied sluit bodemkundig, geomorfologisch en cultuurhistorisch aan bij het plangebied zodat op een verantwoorde manier het verwachtingsmodel kan worden bepaald.
In het kader van het bureauonderzoek zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd waarvan de resultaten zijn opgenomen in onderstaande paragrafen: bepaling van het onderzoekskader (aanleiding onderzoek en begrenzing plangebied); vaststelling van het huidige en historische gebruik van het plangebied en naaste omgeving door het raadplegen van de door de opdrachtgever overgedragen gegevens; vaststelling van de toekomstige inrichting van het plangebied; bepaling van de landschappelijke (geologische en bodemkundige) kenmerken aan de hand van bestudering van de bodem‐, geologische en geomorfologische kaarten; bestudering van historische kaarten; raadpleging van literatuur en luchtfoto’s; raadpleging archief gemeente Eijsden‐Margraten & Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL); inventarisatie van gegevens uit het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) te Amersfoort; raadpleging van de gemeentelijke verwachtingskaart; vaststelling van de aan/afwezigheid van ondergrondse bouwhistorische waarden.
AA200101.R01.v0.1.ARG280
11 van 37
2.2 Situering plangebied Het plangebied ligt in het zuidoosten van Gronsveld en maakt deel uit van de gemeente Eijsden‐Margraten, provincie Limburg (afb. 1). Het plangebied staat afgebeeld op kaartblad 61F van de topografische kaart van Nederland.
Afbeelding 1: Situering plangebied. Inzet: Situering plangebied in Nederland. Bron: PDOK.
2.3 Huidig gebruik Voor de uitkomst van het bureauonderzoek en de bepaling van het (eventuele) vervolg van het voortraject (inventariserend veldonderzoek) is het van belang de huidige situatie vast te stellen. Bodemverontreiniging, gebruik, bebouwing, maar ook de aanwezigheid van bijvoorbeeld een hoogspanningsleiding kunnen de onderzoeksstrategie van vervolg activiteiten (mede) bepalen. Daarnaast kan dit mede bepalend zijn voor de archeologische verwachting. Historisch waardevolle bouwwerken die binnen het plan‐ en onderzoeksgebied liggen worden vermeld.6 Het plangebied bestaat grotendeels uit de afgebrande resten van een woning (afb. 2). Het betreft een pand dat omstreeks 1943 is gerealiseerd volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen van het kadaster. Het betrof een woonhuis waarbij het huidige Europapark was ingericht als tuin. Het terrein rondom het gebouw is grotendeels verhard. Het overige deel van het terrein is begroeid met gras of beplant met bomen en maakt onderdeel uit van een park. Het is onbekend in hoeverre de bodem geroerd is gedurende de realisatie van de huidige bebouwing, hiertoe is bij zowel de gemeente Eijsden‐Margraten als het Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) in Maastricht navraag gedaan naar de bouwtekeningen van dit pand, echter is hiervan geen bouwdossier bekend bij deze instanties.
Wel heeft de opdrachtgever een tekening van het afgebrande gebouw 6
KNA versie 4.1, Protocol 4002
AA200101.R01.v0.1.ARG280
12 van 37
kunnen verstrekken (zie bijlage 1). Tijdens een veldinspectie bleek de bebouwing binnen het plangebied onderkelderd te zijn tot minimaal 1,50 m ‐mv.
Afbeelding 2: Luchtfoto plangebied. Bron: PDOK.
2.4 Toekomstige inrichting Het mogelijk toekomstig gebruik van het onderzoeksgebied kan bepalend zijn voor het eventuele navolgende onderzoek (inventariserend veldonderzoek, fysiek beschermen of opgraven). De wijze waarop het gebied wordt ingericht, kan bijvoorbeeld betekenen dat bekende en/of verwachte archeologische waarden (deels of geheel) onaangetast (kunnen) blijven. Ook kan besloten worden de inrichting dusdanig aan te passen, dat de bekende en/of verwachte archeologische waarden alsnog (deels of geheel) onaangetast (kunnen) blijven.7 In het plangebied zal een appartementencomplex worden gerealiseerd, hierin zullen in totaal 12 appartementen voor senioren gerealiseerd worden (bijlage 2). Ten westen van het plangebied zullen 21 parkeervakken gerealiseerd worden. Het appartementencomplex zal voor ongeveer de helft onderkelderd worden (langs westelijke zijde). De diepte van het souterrain zal 3,1 m – peil bedragen, het peil bedraagt hier 66.0 m + NAP. De begane grond bevindt zich op het vastgesteld peil en het gebouw zal daarnaast drie verdiepingen krijgen.
2.5 Aardkundige waarden Kennis van de geologie, bodem en hydrologie van het onderzoeksgebied is noodzakelijk om inzicht te krijgen in de gebruiksmogelijkheden van het landschap voor de mens. Door inzicht te krijgen in deze gegevens kan het verwachtingsmodel nader worden bepaald.8
7 8
KNA versie 4.1, Protocol 4002 KNA versie 4.1, Protocol 4002
AA200101.R01.v0.1.ARG280
13 van 37
2.5.1 Geologie & geomorfologie Het heuvellandschap van Zuid‐Limburg zoals we dat nu kennen heeft zijn huidige vorm grotendeels aan de Maas te danken. Door de opheffing van het Ardennen en het Rijn‐Leisteenplateau aan het einde van het Tertiair, kwam het gedeelte van Limburg ten zuiden van de Feldbiss‐breuk hoger te liggen, terwijl het gebied ten noorden van deze breuk, de zogenaamde roerdalslenk lager kwam te liggen.9 Door deze langzame kanteling van Zuid‐Limburg verplaatste de Maas zich langzaam van oost naar werst. Dit verplaatsen gebeurde in etappes, waarbij in koude perioden de Maas een wilde vlechtende rivier was, die grindige afzettingen achter liet. Gedurende warmere perioden veranderde de Maas in een langzaam stromende meanderende rivier, met een diepe stroomgordel. In deze fase sneed de Maas zich in de bodem in, om vervolgens in de volgende koudere en warmere periodes dit proces te herhalen. Vanwege de verplaatsing van de Maas van oost naar west, ontstond zo een terrassenlandschap, waarbij de hoogste en oudste terrassen zich in het oosten bevinden en het huidige, holocene stroomdal van de Maas in het westen.
Deze terrassen zijn met name tijdens het Vroeg‐ en Laat Pleniglaciaal met eolische sedimenten afgedekt toen er als gevolg van koude en droge klimatologische omstandigheden op grote schaal verstuivingen optraden, van zand uit beek‐ en rivierbeddingen en zelfs vanuit het toen drooggevallen Noordzee bekken (respectievelijk 73.000 tot 55.000 en 28.000 tot 12.500 jaar geleden10). Zand werd onder meer in Noord‐Brabant en Noord en Midden Limburg afgezet. Als gevolg van afnemende windsnelheden in zuidoostelijke richting en het aanwezige terras reliëf kon in Zuid Limburg ook de fijnere sedimentfractie tot afzetting komen, bestaande uit zwak zandige leem met een hoog kwartsrijk silt‐gehalte en een mediane korrelgrootte van 2 tot 63 µm (löss). Het löss ligt in Zuid‐Limburg als een afdekkende deken over de terrassen. Gedurende koudere periodes, waarbij de bodem bevroren was, kon geen (smelt)water de bodem intrekken. Hierdoor zijn brede, diepe dalen, de tegenwoordige droogdalen, uitgesleten. Tijdens de vorming waren deze dalen watervoerend, maar verloren naar verloop van tijd hun watervoerende functie, waardoor als droogdalen worden anageduid. Op de overgangen van de terrassen naar deze droogdalen of lager gelegen terrassen is het löss geërodeerd en afgegleden naar beneden, waardoor er bovenaan de hellingen afbraakranden zijn ontstaan. Dit löss is onderaan de helling geaccumuleerd.
Hier vinden we de zogenoemde lösswanden ofwel het colluvium. Het plangebied ligt volgens de Maasterrassenkaart op het Terras van Eisden‐Lanklaar, dat ontstaan is vanaf het Saalien (225.000 – 130.000 BP), toen de Maas een vlechtende rivier was.11 Hierdoor ontstond een riviervlakte, waarbij grof zand en grind werd afgezet welke worden gerekend tot de Formatie van Beegden. Tijdens het Laat‐ Glaciaal werd een dun eolisch lösspakket afgezet over het Terras van Eisden‐Lanklaar wat wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een lösswand (afb. 3, kaartcode A51), welke is gevormd in het Laat‐Pleistoceen. Ten westen van het plangebied bevindt zich een rivierdalbodem (R41) en ten noorden van het plangebied ligt een tussenterras (kaartcode E42). Ten oosten van het plangebied bevinden zich een holle weg (R91), afbraakwand (A41) en een plateauterras (E41), ten noord‐ en zuidoosten van het plangebied lopen droogdalen (R21).
9
Bosch, 1981. Berendsen, 2005. 11 Staring Centrum, 1989 & Van den Berg, 1996. 10
AA200101.R01.v0.1.ARG280
14 van 37
Afbeelding 3: Uitsnede geomorfologische kaart van Nederland. Bron: PDOK.
2.5.2 Bodem Volgens de bodemkaart komen in het plangebied radebrikgronden voor, ontwikkeld in siltige leem (kaartcode BLd6, afb. 4). Het uiterst westelijke deel van het plangebied is niet op de bodemkaart gekarteerd, omdat dit de bebouwde kom van Gronsveld betreft. Radebrikgronden ontwikkeld in siltige leem worden in deze regio gekenmerkt door een ca. 30 cm dikke Ap‐horizont, bestaande uit donkerbruine, humusarme siltige leem met afgerond‐blokkige elementen. Hieronder bevindt zich een A2‐horizont, die gekenmerkt wordt door geelbruine, siltige leem met afgerond‐blokkige elementen. Op een diepte van ca. 60 cm ‐mv gaat deze over in een B21t‐ horizont, die bestaat uit donkerbruine siltige leem met ruwe prisma’s met blokkige elementen. Vervolgens wordt op ca. 80 cm ‐mv de B22t‐horizont waargenomen, die gekenmerkt wordt door bruine siltige leem met ruwe prisma’s en met blokkige elementen. Op ca. 100 cm ‐mv bevindt zich een ca. 20 cm dikke, donker geelbruine B3t‐ horizont, bestaande uit donkerbruine siltige leem met afgerond‐blokkige elementen. Onder de B3t‐horizont bevindt zich de C1‐horizont, die bestaat uit geelbruine siltige leem met een massieve structuur.12
12
Vleeshouwer & Damoiseaux, 1990, p. 76.
AA200101.R01.v0.1.ARG280
15 van 37
Afbeelding 4: Uitsnede bodemkaart van Nederland. Bron: PDOK.
2.6 Actueel Hoogtebestand Op afbeelding 5 is het AHN afgebeeld in zogenaamd maaiveld perspectief (Dynamische opmaak). Op deze uitsnede is te zien dat het plangebied op de overgang van laag naar hoog ligt (geel). Het perceel waartoe het plangebied behoort is relatief scherp begrensd op het AHN, dit zou erop kunnen duiden dat het plangebied geëgaliseerd is. De hoogte van het maaiveld varieert licht: in het zuidoosten bedraagt deze circa 67.32 m + NAP en in het noordwesten is deze ongeveer 67.07 m + NAP. Het maaiveld loopt op richting het oosten. Ten westen van het plangebied bevindt zich de rivierdalbodem van de Maas en ten oosten van het plangebied bevindt zich een plateauterras (afb. 6).
AA200101.R01.v0.1.ARG280
16 van 37
Afbeelding 5: Uitsnede AHN. Bron: ArcGIS.
Afbeelding 6: Hoogtezones in plangebied en omgeving. Bron: ArcGIS.
AA200101.R01.v0.1.ARG280
17 van 37
2.7 Historische situatie en mogelijke verstoringen Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke vaarwegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen).13
2.7.1 Bewoningsgeschiedenis De oudste menselijke activiteiten in Nederland dateren uit het paleolithicum. In het laat‐paleolithicum, mesolithicum en deels het neolithicum leefden de bewoners van jagen, verzamelen en visvangst. De jager‐ verzamelaars trokken door het landschap met name achter het wild aan. Vanuit grotere basiskampen werden jacht expedities opgezet waarbij de jagers langere tijd onderweg waren en tijdelijke kleine kampen inrichten waar ze een beperkt aantal dagen verbleven, zogenaamde extractiekampen. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat deze kampen voornamelijk worden aangetroffen in de omgeving van water op overgang van hoog en droog naar laag en nat, de zogenaamde gradiënt‐zone. In de omgeving van water was namelijk de grootste kans op het aantreffen van wild, kon eventueel worden gevist en konden vruchten worden verzameld (met name hazelaars gedijen goed in deze omgeving). Tevens voorzag het water aan de drinkwater behoefte. De meeste kans op het aantreffen van nederzettingen uit de steentijd is dan ook in de buurt van water. Landbouw en daarmee het neolithicum begon in Nederland ongeveer 5300 v. Chr. op de Zuid‐Limburgse löss gronden. De mensen waren gebonden aan vaste woonplaatsen met als gevolg dat ze het landschap gingen inrichten. Uit het Neolithicum stammen ook de oudste zichtbare landschapselementen namelijk de neolithische grafheuvels.
De boeren bewerkten kleine akkers te midden van uitgestrekte bossen waarbij het vee in een stal of binnen een omheining werd gehouden, een systeem dat tot in de bronstijd werd toegepast. Neolithische vondsten zijn geconcentreerd in de omgeving van de Maas en de belangrijkste waterlopen. Deze gebieden hebben nadien hun favoriete positie door de prehistorie en de geschiedenis heen behouden. In de ijzertijd werd een ander akkersysteem gehanteerd dat wordt aangeduid als het zogenaamde celtic fields systeem: kleine ongeveer vierkante percelen die door wallen waren omgeven. De kleine akkers werden over het algemeen kort gebruikt tot de bodem niet meer vruchtbaar was. Hierna verhuisden ze naar nieuwe locaties en herhaalden ze het proces. Gezien de akkers kort waren gebruikt, bleven de boeren slechts een aantal jaar op een locatie wonen voordat ze verder trokken. Zodoende zijn nederzettingsresten uit de ijzertijd op veel locaties gevonden. Met de komst van de Romeinen vond een ingrijpende verandering in de samenleving plaats. De belangrijkste economische ontwikkeling was de introductie van villa’s, grote agrarische bedrijven (50‐100 ha). Sommige villa’s ontwikkelden zich uit omheinde inheemse nederzettingen. Het grootste deel van de bevolking bleef wonen in traditionele boerderijen en was meer gericht op zelfvoorziening.
De omvang van nederzettingen zal net als later hebben gevarieerd van een enkele boerderij tot een dorp. Vanaf de eerste eeuw n. Chr. lijkt zich echter een concentratie van de bevolking in grotere nederzettingen te hebben voorgedaan. Buiten de woonkernen, vaak aan wegen, lagen de begraafplaatsen. De meeste villa’s zijn gevonden in een smalle strook aan weerszijden van de Maas. De grotere nederzettingen waren met elkaar verbonden door brede rechte wegen van waaruit lokale wegen richting de villa’s leiden. Een aantal plaatsen in Limburg zijn nog terug te voeren tot de Romeinse tijd. Het vertrek van de Romeinen in het begin van de 5e eeuw leidde tot een economische instorting die een eind maakte aan de villa’s. Met het vertrek van de legioenen lijkt ook een belangrijk deel van de inheemse bevolking naar zuidelijker streken te zijn geëmigreerd waarmee de bevolkingsomvang in het huidige Nederland rond de 5e en 6e eeuw een dieptepunt bereikte. Pollenanalytische gegevens wijzen op verlaten cultuurlandschap en uitbreiding van bossen. Uit deze periode zijn maar weinig nederzettingen en grafvelden ontdekt. Aanwijzingen voor
13
KNA versie 4.1, Protocol 2004
AA200101.R01.v0.1.ARG280
18 van 37
bewoningscontinuïteit tussen de Romeinse periode en de vroege Middeleeuwen concentreren zich langs de randen van het Maasdal. In de Merovingische tijd begon een langzaam herstel. De bevolking groeide weer, nederzettingen en cultuurland werden uitgebreid. Kenmerkend voor de vroege middeleeuwen is de grote dynamiek van het nederzettingspatroon, met nederzettingen die regelmatig werden verplaatst. Net als in de Romeinse tijd waren nederzettingen en begraafplaatsen ruimtelijk gescheiden. Vanaf de Karolingische periode lijkt de grootste dynamiek voorbij en kregen nederzettingen een vaste locatie. In Zuid‐Limburg was er sprake van het domaniale stelsel: een bedrijfstype waarbij het land van grootgrondbezitters werd bewerkt door onvrijen (horigen) die in ruil voor hun arbeid een stuk land kregen waarmee ze in hun onderhoud konden voorzien. Het stelsel was gebaseerd op betaling in natura. Met name door het grootgrondbezit wordt het ontstaan van de dorpen verklaard, die ontstonden in de directe omgeving van grondheerlijke centra. Ook kerkstichtingen zullen stimulerend hebben gewerkt op de dorpsvorming. In de 8e tot de 10e eeuw lijken de nederzettingen een vaste locatie te hebben gekregen en ontstonden mogelijk ook de eerste grotere agrarische dorpen en de velden14.
De grondslagen voor het huidige cultuurlandschap zijn dan ook in de vroege Middeleeuwen gelegd.15 De hoge en late Middeleeuwen (1000‐1500) zijn van groot belang geweest voor het cultuurlandschap. In de grote ontginningsperiode van de 10e tot het begin van de 14e eeuw, als gevolg van de toename van de bevolkingsomvang, werd de basis gelegd voor een belangrijk deel van het huidige cultuurlandschap. Tussen de 10de eeuw en de begin van de 14e eeuw groeide het aantal nederzettingen als ook het cultuurland. Ook ontstonden in deze periode de meeste steden. De toenemende ontginningen leidden tot een sterke inkrimping van de weidegronden waardoor een tekort ontstond aan weidegronden. Als gevolg werden de moerasbossen in de beekdalen omgezet in graslanden. De moerasbossen werden gekapt en ontwateringssloten werden gegraven. In de tweede helft van de 14e eeuw namen de ontginningen af ten gevolge van een bevolkingsdaling. In de 15e eeuw volgen dan weer nieuwe, minder grootschalige ontginningen. De nieuwe tijd (1500‐1795) was een dynamische periode waarin de bevolking groeide, het aantal nederzettingen als ook het cultuurlandschap werd uitgebreid en het bodemgebruik veranderde. Hierdoor heeft het cultuurlandschap op veel plaatsen een grote dynamiek gekend waarbij bijvoorbeeld nederzettingsvormen, kavelvormen en opgaande begroeiing in de loop der tijd ingrijpend kunnen zijn veranderd.
2.7.2 Historische ontwikkeling plangebied Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Limburg16 zijn over het plangebied de volgende gegevens bekend: zowel ten noorden als zuiden van het plangebied lopen wegen die dateren uit de periode 1810‐1955. Het plangebied ligt in een gebied dat in het verleden in gebruik is geweest als grasland met gewandverkaveling. Dit gebied is in de periode 1810‐1981 verstedelijkt. Op de Tranchotkaart (1806; afb. 7) en de Kadastrale Minuutplan (1832; afb. 8) is het plangebied onbebouwd en in gebruik als boomgaard. Deze situatie verandert niet op de historische kaarten, totdat op de topografische kaart van 1962 voor het eerst bebouwing binnen het plangebied gekarteerd wordt (afb. 9). Op deze kaart wordt rondom het plangebied voor het eerst een park gekarteerd in plaats van boomgaarden. Dit komt echter niet overeen met de werkelijkheid. De bebouwing binnen het plangebied dateert volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen van het Kadaster uit 1943. In de jaren dertig van de vorige eeuw vatte de industrieel Albert Hayen het plan op om een huis in Gronsveld te bouwen. Hij was namelijk door vererving eigenaar geworden van een grote boomgaard tussen de Voerenweg en de Rijksweg.
Voordat hij met de bouw van deze woning begon, legde 14 Er is sprake van een veld wanneer aan de volgende drie essentiële kenmerken wordt voldaan: 1; er zijn verschillende eigenaren en/of gebruikers, 2; visuele openheid en 3; het gebruik van bouwland met de nadruk op graanteelt. 15 Renes, 1999 16 http://www.limburg.nl/Beleid/Kunst_en_Cultuur/Natuurlijk_Cultuur/Cultuurhistorische_Waardenkaart
AA200101.R01.v0.1.ARG280
19 van 37
hij in de periode 1932‐1938 een tuin aan. Architect Ir. J.P. Fokker uit Den Haag werd uitgenodigd om het ontwerp van deze tuin te maken. Fokker paste veel bouwkundige elementen in de tuin toe, zoals een pergola, een zwembad, een theehuis, enz. Verder komen een zomertuin, een wintertuin, een fruittuin en een rozentuin terug in zijn ontwerp. Vanwege de Tweede Wereldoorlog werd de bouw van het huis pas in 1943 voltooid. In 1958 kocht de voormalige gemeente Gronsveld het huis en de tuin. Het huis werd uitgebreid en deed tot 1982 dienst als gemeentehuis. Na de gemeentelijke herindeling in 1981 werd het gemeentehuis verkocht en deed vervolgens dienst als restaurant. In 2014 brandde het huis volledig af. De restanten zijn nog goed zichtbaar. 17 In de opeenvolgende jaren verandert weinig binnen het plangebied en op de topografische kaart van 2001 wordt voor het eerst de vijver, gelegen ten oosten van het plangebied, gekarteerd.
Afbeelding 7: Uitsnede Tranchotkaart (1806). Bron: Tranchot & Von Müffling, 1806.
17
Routeyou.com
AA200101.R01.v0.1.ARG280
20 van 37
Afbeelding 8: Uitsnede Kadastrale Minuutplan (1832). Bron: Beeldbank RCE.
Afbeelding 9: Uitsnede topografische kaart 1962. Bron: TopoTijdreis.
AA200101.R01.v0.1.ARG280
21 van 37
2.7.3 Mogelijke verstoringen Uit de hierboven vermelde bronnen zijn aanwijzingen voor grootschalige verstoringen naar voren gekomen. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als boomgaard en vervolgens grotendeels bebouwd. Vermoedelijk zal als gevolg van deze ingrepen de bodemopbouw aanzienlijk geroerd zijn. Daarnaast lijkt aan de hand van het AHN bij de aanleg van het Europapark aftopping en/of egalisatie plaats te hebben gevonden. Bij het bodemloket zijn geen aanwijzingen voor verstorende saneringen bekend.18 In het gebied zijn enkele kabels en leidingen bekend.19 In de noordwestelijke hoek van het plangebied bevinden zich drie huisaansluitingen (twee datatransportkabels en laagspanning).
2.7.4 Ondergrondse bouwhistorische gegevens Voor de uitkomst van het bureauonderzoek en de bepaling van het (eventuele) vervolg van het voortraject (inventariserend veldonderzoek), is het van belang de bekende archeologische waarden en ondergrondse bouwhistorische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Hiertoe is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd.20 Hierbij zijn geen aanvullende gegevens verzameld.
2.8 Bekende archeologische waarden Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden te beschrijven. Kennis daaromtrent bepaalt mede de onderzoeksstrategie van vervolgactiviteiten.21
2.8.1 Archeologische monumentenkaart De AMK is een digitaal bestand van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland dat door de RCE in samenwerking met de desbetreffende provincie is opgesteld. Op de kaart staan terreinen met archeologische status aangegeven. De kaart baseert zich op gegevens uit ARCHIS. Statustoekenning vindt plaats nadat het terrein is getoetst aan een aantal door de RCE gehanteerde criteria (kwaliteit, zeldzaamheid en contextwaarde). Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een AMK terrein. In een straal van 500 meter rondom het plangebied bevindt zich één AMK‐terrein (monumentnummer 16403; afb. 10). Het betreft een terrein van hoge archeologische waarde. Het gaat hierbij om de historische dorpskern van Gronsveld, waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt op het voorkomen van archeologische waarden daterend uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.
2.8.2 ARCHIS Waarnemingen ARCHIS is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen, daterend van de Prehistorie tot de Nieuwe Tijd. In ARCHIS staat geen waarneming geregistreerd binnen de begrenzing van het plangebied. Uit de directe nabijheid van het plangebied (binnen een straal van 500 m) zijn 7 waarnemingen bekend.
18
www.bodemloket.nl KLIC‐melding 20 www.atlasleefomgeving.nl 21 KNA versie 4.1, Protocol 4002 19
AA200101.R01.v0.1.ARG280
22 van 37
Tabel 1: overzicht ARCHIS‐waarnemingen
Zaakidentificatie nr.
Afstand t.o.v. plangebied [m]
Datering
Aard van de melding
3232559100
490m ten NW
ME
Vondstmelding van een stenen fundering daterend uit de Middeleeuwen, behorend tot het Kasteel van Gronsveld. Het is onduidelijk in welke context deze vondst is gedaan.
3211441100
215 m ten ZW
NEO‐LMEA
Tijdens niet‐archeologische graafwerzaamheden zijn ter plaatse van ‘De Dieke’ één vuurstenen afslag (NEO), twee fragmenten gedraaid aardewerk (ROM & LMEA), 1 fragment handgevormd aardewerk (IJZ) en een niet nader dateerbaar fragment houtskool aangetroffen.
3123151100
340m ten NO
NEO‐VME
Tijdens een veldkartering in de omgeving van Gronsveld werden 8 fragmenten vuursteen (NEO) en 1 stenen gietmal (BRONS‐VME) aangetroffen.
4904886100
215 m ten NO
Prehistorie
Tijdens niet‐archeologische graafwerkzaamheden bij het perceel aan de Voerenweg bij het Savelsbos is één halffabrikaat voor een kleine vuurstenen bijlkling (Valkenburg vuursteen) aangetroffen.
2176879100
120 m ten Z
NEO‐IJZ
Tijdens een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd door RAAP in 2007 aan de Duijsterstraat te Gronsveld zijn vondsten en sporen aangetroffen die wijzen op een vindplaats uit de prehistorie. Vermoedelijk betreft het een nederzettingsterrein. Het vondstassemblage bestond uit 9 kookstenen (IJZ), 32 fragmenten hutteleem, 1 vuurstenen kern (NEO), 24 fragmenten handgevormd aardewerk, menselijke crematieresten (IJZM‐ROM) en 1 fragment vuursteenafval (PALEO‐NTC). Daarnaast zijn enkele sporen aangetroffen: 4 paalkuilen (NEO‐NT), 1 afvalkuil, 1 leemwinningskuil of silo en 1 greppel, waarin zich een crematiegraf bevond (Knochenlager/beendernest).
2170219100
145 m ten Z
PALEO‐ NTC
Tijdens een booronderzoek uitgevoerd door RAAP in 2007 aan de Duijsterstraat te Gronsveld zijn 3 fragmenten handgevormd aardewerk (NEO‐IJZL), 1 vuurstenen afslag (PALEO‐IJZ) en 1 fragment gedraaid aardewerk (LMEA‐NTC) aangetroffen.
2181446100
150 m ten Z
AA200101.R01.v0.1.ARG280
Vondstmelding van de opgraving van een vindplaats uit het Midden‐Neolithicum, een nederzetting uit de IJzertijd en een grafveld uit de IJzertijd opgegraven. In totaal zijn 15 paalkuilen, 1 greppel, 17 kuilen en 3 crematiegraven daterend uit de Midden‐Late IJzertijd aangetroffen en vier crematiegraven die uit de IJzertijd‐ Romeinse Tijd dateren. Het vondstmateriaal bestond hoofdzakelijk uit vuurstenen artefacten daterend uit het Midden‐Neolithicum, handgevormd aardewerk daterend
23 van 37
Zaakidentificatie nr.
Afstand t.o.v. plangebied [m]
Datering
Aard van de melding uit de IJzertijd, hutteleem en menselijke crematieresten. Er werd daarnaast 1 ijzeren fibula dateren uit de Midden IJzertijd verzameld.
2.8.3 Onderzoeksmeldingen In een straal van circa 500 m van het zoekgebied zijn vier onderzoeksmeldingen bekend. Tabel 2: overzicht onderzoeksmeldingen
Zaakidentificatie nr.
Afstand t.o.v. plangebied [m]
Uitvoerder
Aard en resultaten van het onderzoek
2170219100
95 m ten Z
RAAP (2007)
Karterend booronderzoek aan de Duijsterstraat te Gronsveld. Tijdens het onderzoek werd archeologisch vondstmateriaal daterend uit de prehistorie, Neolithicum, IJzertijd en Late Middeleeuwen‐Nieuwe Tijd aangetroffen.
2163545100
95 m ten Z
RAAP (2007)
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek aan de Duijsterstraat te Gronsveld. Op basis van dit onderzoek werd geadviseerd het gebied nader te onderzoeken middels een karterend booronderzoek.
2181446100
85 m ten Z
RAAP (2008)
Opgraving aan de Duijsterstraat te Gronsveld van een vindplaats uit het Midden‐Neolithicum en een nederzetting en grafveld uit de IJzertijd. Zie tabel 1 voor een beschrijving van de aangetroffen sporen en vondsten.
2176879100
85 m ten Z
RAAP (2007)
Proefsleuvenonderzoek aan de Duijsterstraat te Gronsveld. Zie tabel 1 voor een beschrijving van de aangetroffen sporen en vondsten. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek werd aanbevolen vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving uit te laten voeren.
AA200101.R01.v0.1.ARG280
24 van 37
Afbeelding 10: Overzicht AMK‐terreinen, onderzoeksmeldingen en ARCHIS‐waarnemingen. Bron: ARCHIS3.
2.8.4 Gemeentelijke verwachtingskaart Op de gemeentelijke verwachtingskaart staat het plangebied gekarteerd als gebied met een hoge verwachting (zie afb. 11). Ten westen van het plangebied bevindt zich een zone met de verwachting niet‐beschermde archeologisch monumenten van hoge waarde, het betreft hier de oude dorpskern van Gronsveld. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een zone met een lage archeologische verwachting.22
22
Verhoeven & Moonen, 2012.
AA200101.R01.v0.1.ARG280
25 van 37
Afbeelding 11: Uitsnede archeologische monumenten‐ en verwachtingkaart voor de gemeente Eijsden‐Margraten. Bron: Verhoeven & Moonen, 2012, kaartbijlage 3a, schaal 1:10.000.
2.9 Gespecificeerde verwachting Op basis van de, in de vorige stappen, verworven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke en historische situatie en de bekende archeologische en ondergrondse bouwhistorische waarden, vindt een proces plaats van analyse en interpretatie t.b.v. het opstellen van een gespecificeerde verwachting. Hiertoe is achtergrondkennis vereist van de landschapsontwikkeling en de geschiedenis van de archeo‐regio. Om tot een juiste keuze van de onderzoeksmethode van het inventariserend veldonderzoek te komen zijn, voor zover mogelijk, de volgende eigenschappen aangegeven: datering; minimaal in hoofdperioden (zoals Paleolithicum, Mesolithicum, etc.); complextype (zoals nederzetting, grafveld, akkerlaag etc.); omvang; diepteligging (ook zichtbaar/niet‐zichtbaar); locatie (met eventueel aanduiding in welk deelgebied); uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren); mogelijke verstoringen.23 Op basis van de hiervoor beschreven landschappelijk, archeologische en historische informatie is het mogelijk een archeologische verwachting op te stellen. Op grond van het gebruik van het landschap door de mens kan er een tweedeling worden gemaakt in jagers‐verzamelaars (Paleo‐ en Mesolithicum) enerzijds en landbouwers
23
KNA versie 4.1, Protocol 4002
AA200101.R01.v0.1.ARG280
26 van 37
(Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd) anderzijds. De gespecificeerde verwachting is hierop afgestemd. Jager‐verzamelaars Jager‐verzamelaars trokken door het landschap en verbleven tijdelijk op een verblijfplaats. Vanuit grotere basiskampen werden jacht expedities opgezet waarbij de jagers langere tijd onderweg waren en tijdelijke kleine kampen inrichten waar ze een beperkt aantal dagen verbleven, zogenaamde extractiekampen. De grootste kans voor het aantreffen van jachtbuit was in de buurt van water. Tevens konden hier veel vruchten worden aangetroffen. Zowel basiskampen als extractiekampen waren dan ook geconcentreerd in de buurt van water, op de overgang van hoog en droog naar laag en nat, de zogenaamde gradiëntsituatie. De oudste bewoningsresten zijn dan ook te verwachten in de buurt van water. In Zuid Limburg is dat voornamelijk in de buurt van beekdalen. Behalve beekdalen vormden kaaplocaties gunstige vestigingsomstandigheden. Vanuit deze locaties hadden de mensen een goed zicht op de omgeving. Complextype: Nederzettingsresten worden niet verwacht omdat er geen sprake is van een gradiënt situatie en geen kaaplocatie. Omvang: Mochten al vindplaatsen voorkomen zullen dit extractiekampen zijn. De omvang van locaties waar deze kortstondige activiteiten zullen hebben plaatsgevonden zullen beperkt zijn.
Hierbij dient eerder worden gedacht aan een omvang van minder dan 10 m2. Diepteligging: Op grond van de bodemkaart (bodemtype) kunnen archeologische waarden vanaf het maaiveld worden aangetroffen. Locatie: Onbekend. Uiterlijke kenmerken: Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich voornamelijk door een strooiing van vuursteen en mogelijk houtskoolrijke vuurplaatsen. Mogelijke verstoringen: Om zoveel mogelijk informatie uit de vuursteenvindplaats te krijgen, is het van belang dat de interne structuur van de vindplaats (de verticale en horizontale spreiding) zo min mogelijk is verstoord. Volgens de verzamelde gegevens is het plangebied voor zover bekend in gebruik geweest als boomgaard en gedurende de vorige eeuw bijna volledig bebouwd. Als gevolg hiervan zal de bodem vermoedelijk geroerd zijn en zullen eventueel aanwezige archeologische waarden reeds verstoord of vernietigd zijn. Specifieke verwachting Jagers Verzamelaars: lage archeologische verwachting. Landbouwers Landbouw vond in Zuid Limburg plaats vanaf het Neolithicum. De bewoning bleef echter geconcentreerd in de dalen waardoor veel Neolithische sporen zullen zijn afgedekt door colluvium. Dit beeld blijft hetzelfde voor Bronstijd nederzettingen.
Uit pollenanalytisch onderzoek is gebleken dat vanaf het begin van de bronstijd een sterke ontbossing en daarmee gepaard gaande erosie, heeft plaatsgevonden wat wijst op een toename van het cultuurland. Deze ontwikkeling heeft zich voortgezet in de IJzertijd en Romeinse tijd, waarbij ook de plateaus worden ontgonnen. Vanaf het laatste kwart van de derde eeuw neemt de bevolkingsomvang af en daarmee ook de erosie. De plateaus werden verlaten en raakten weer bebost. In de dalen echter overleefden de nederzettingen. De meeste vroeg middeleeuwse nederzettingen liggen op de randen van de beekdalen, op de grens van bouw‐ en grasland juist hoog genoeg om geen schade te lijden door de frequente overstromingen in het dal. Waren omstreeks 1000 na Chr. nog grote delen van de plateaus en ook een aanzienlijk deel van de dalen bebost, driehonderd jaar later was het overgrote deel van de bruikbare grond al in cultuur gebracht. De plateaus werden vanuit de omliggende beekdalen in cultuur gebracht. In de dertiende eeuw bereikte het cultuurland in het grootste deel van Zuid Limburg zijn bijna maximale omvang met als gevolg dat ook de erosie weer toenam.
AA200101.R01.v0.1.ARG280
27 van 37
Tussen 1300 en 1800 werd de bevolkingsgroei voornamelijk opgevangen door uitbreiding van de bestaande kernen. Na 1800 nam de omvang van de steden toe. Mede als gevolg van herverkavelingen en schaalvergrotingen in de landbouw nam de erosie nog meer toe. De eerste landbouwers legden hun akkers waarschijnlijk alleen aan op goed ontwaterde en mineralogisch rijkere gronden zoals op de lössgronden wat de opkomst van de landbouw op de lössgronden verklaard. Bewoning vond plaats op de randen van de beekdalen of op de hellingvoet juist buiten het bereik van het overstromingswater en op de grens van bouwland en grasland op de hogere delen. Complextype: in het plangebied kunnen zowel nederzettingsresten als grafvelden verwacht worden voor de perioden Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen. Ten zuiden van het plangebied zijn een vindplaats uit het Midden‐Neolithicum en een nederzetting en grafveld daterend uit de IJzertijd aangetroffen. Voor de perioden Volle Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd worden enkel off‐site sporen verwacht, vanwege de ligging van het plangebied buiten de historische kern van Gronsveld waarbij echter niet kan worden uitgesloten dat een solitaire boerderij in het plangebied heeft gelegen. Omvang: Onbekend. Diepteligging: Op grond van de bodemkaart (bodemtype) kunnen archeologische waarden vanaf het maaiveld verwacht worden. Locatie: Onbekend.
Uiterlijke kenmerken: Vindplaatsen (huisplaatsen) uit deze perioden kenmerken zich door een spreiding van aardewerkresten en het voorkomen van grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels). Eventuele off‐site sporen kunnen onder meer bestaan uit greppels en/of kuilen. Mogelijke verstoringen: Volgens de verzamelde gegevens is het plangebied voor zover bekend in gebruik geweest als boomgaard en gedurende de vorige eeuw bijna volledig bebouwd, waarbij de bebouwing is voorzien van kelders. Als gevolg hiervan zal de bodem vermoedelijk geroerd zijn en zullen eventueel aanwezige archeologische waarden reeds verstoord of vernietigd zijn.
Specifieke verwachting Landbouwers: lage archeologische verwachting.
AA200101.R01.v0.1.ARG280
28 van 37
3 Veldonderzoek 3.1 Algemeen
Het doel van inventariserend veldonderzoek (IVO) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het IVO gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Cruciaal voor de uitvoering van een IVO is de keuze voor een bepaalde onderzoeksmethode, waarmee de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals gesteld in het bureauonderzoeksrapport, op een correcte wijze getoetst kan worden in het veld. Indien de onderzoeksmethode niet is voorgeschreven, kan het aan de deskundigheid van de uitvoerende instantie overgelaten worden de meest effectieve en efficiënte methode te selecteren. Bij een IVO kan een onderscheid aangebracht worden in een verkennende, karterende en waarderende vorm:
Het verkennende IVO heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Een eenvoudige terreininspectie, maar ook geo‐archeologisch booronderzoek behoren tot de middelen. Het doel is kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor de volgende vormen van onderzoek.
Tijdens een karterend IVO wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.
In een waarderend IVO kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen. 24
Het IVO‐O verkennende fase bestond uit een verkennend booronderzoek dat er op was gericht om het aanwezige bodemtype en de intactheid van de bodem vast te stellen. Het uitgevoerde booronderzoek is niet geschikt voor het opsporen van archeologische vindplaatsen. In totaal zijn er zes boringen uitgevoerd (bijlage 3). De boringen zijn uitgevoerd met een edelman boor met een diameter van 7 cm waarvan twee tot 2 m en drie tot 2,2 meter werden uitgevoerd. Eén boring is gestaakt op een diepte van 1,20 m vanwege de mogelijke aanwezigheid van een kabel of leiding. Het boorresidu is geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren echter op basis hiervan kunnen geen conclusies worden getroffen inzake de aan‐ of afwezigheid van een archeologische vindplaats. De boorpunten zijn middels GPS ingemeten.
3.2 Resultaten 3.2.1 Bodem In boring 1 werd tot 120 cm ‐mv enkel geroerde grond aangeboord, deze boring is gestaakt, omdat op 120 cm ‐ mv een laag grof, zwak siltig, lichtgrijs zand werd aangetroffen en de boring zich in de buurt van een put bevond. Mogelijk dat hier een kabel of leiding ligt. De verstoorde pakketten kenmerkten zich door een donker bruingrijze en geelbruine kleur en bijmenging van grind, steenkool en baksteen. In de overige boringen werd een eenduidige bodemopbouw waargenomen, hier werd eerst een 30‐50 cm dik pakket verstoorde grond aangeboord, bestaande uit (donker) grijsbruine, sterk zandige leem met bijmenging van baksteen, steenkool en/of grind en donkergrijze vlekken. Onder deze verstoring werd colluvium waargenomen, 24
KNA versie 4.1, Protocol 4003
AA200101.R01.v0.1.ARG280
29 van 37
bestaande uit sterk zandige of zwak zandige, bruine of geelbruine leem met sporen steenkool, grind en/of baksteen. Onder het colluvium werd een afgetopte/geërodeerde C‐horizont aangetroffen. De C‐horizont bestond uit licht geelbruine, sterk zandige leem. Aan de hand van de inclusies in het colluvium (steenkool), zijn de pakketten verspoelde löss als relatief jong geïnterpreteerd. Op basis van het booronderzoek kan gesteld worden dat er geen sprake is van radebrikgronden binnen het plangebied. Aangezien het colluvium relatief jong lijkt te zijn en de onderliggende bodem afgetopt of geërodeerd is, worden geen archeologische waarden meer verwacht binnen het plangebied. Tijdens het booronderzoek bleek de bebouwing binnen het plangebied grotendeels gesloopt te zijn, met uitzondering van de funderingen, vloeren en kelders (afb. 12). De bebouwing bleek tot ca. 1,50 m ‐mv onderkelderd te zijn.
Afbeelding 12: Kelders onder de voormalige bebouwing in het plangebied. Bron: fotoarchief Geonius.
3.2.2 Archeologie Indicatoren welke duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats zijn tijdens het booronderzoek niet aangetroffen.
AA200101.R01.v0.1.ARG280
30 van 37
4 Conclusies en aanbevelingen 4.1 Conclusies De conclusies worden gegeven in de vorm van de antwoorden op de onderzoeksvragen. 1. Wat is bekend over de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het plangebied bevindt zich op een lösswand die de overgang vormt van het laaggelegen rivierdal van de Maas naar een plateauterras. Binnen het plangebied komen volgens de Bodemkaart van Nederland radebrikgronden voor, ontwikkeld in siltige leem. 2. Wat was het historisch landgebruik van het plangebied, wat is het huidig landgebruik en wat is de verwachte invloed daarvan op de (bodem)gaafheid en mogelijk aanwezige archeologische waarden? Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als boomgaard. Gedurende de jaren 30‐40 van de vorige eeuw is het plangebied en omliggende terrein heringericht als park en is het plangebied grotendeels bebouwd. Bij de aanleg van het park heeft vermoedelijk aftopping en/of egalisatie plaatsgevonden en zijn kelders uitgegraven. Als gevolg van deze ingrepen zal de bodem binnen het plangebied naar verwachting geroerd zijn en zullen eventueel aanwezige archeologische waarden vermoedelijk reeds verstoord of vernietigd zijn. 3. Welke gegevens met betrekking tot archeologische waarden zijn over het plangebied bekend? Het plangebied bevindt zich net buiten de historische kern van Gronsveld.
Ten zuiden van het plangebied zijn een vindplaats uit het Midden‐Neolithicum en een grafveld en nederzetting uit de IJzertijd opgegraven. 4. Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? Op basis van bovenstaande gegevens is een lage archeologische verwachting voor alle perioden opgesteld, vanwege de verwachte bodemverstoringen binnen het plangebied. 5. Is de bodemopbouw in (delen van) het plangebied intact en wat zegt dit over de gaafheid van eventuele archeologische waarden? De bodem bleek ter plaatse van de bebouwing minimaal 150 cm ‐mv verstoord te zijn, als gevolg van de aanleg van kelders. In het onbebouwde deel van het plangebied bleek de bodem 30‐50 cm verstoord te zijn met daaronder relatief jonge pakketten colluvium. De onderliggende C‐horizont bleek afgetopt of geërodeerd te zijn. Derhalve worden geen archeologische waarden meer binnen het plangebied verwacht, die zullen naar verwachting reeds verstoord of vernietigd zijn. 6. Op welke diepte bevindt zich de archeologisch interessante laag / het niveau waarop archeologische waarden in situ bewaard kunnen zijn gebleven? De top van de C‐horizont bevond zich op een diepte van 155‐180 cm ‐mv (65,30‐65,72 m + NAP). Echter worden op basis van de vastgestelde verstoringen geen archeologische waarden meer verwacht binnen het plangebied. 7.